Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Tesauro van 21 november 1989. - MARIJKE SCHNEEMANN EN ANDEREN TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - AMBTENAREN - VOOR INDIENSTTREDING BIJ DE GEMEENSCHAPPEN VERWORVEN PENSIOENRECHTEN - OVERSCHRIJVING NAAR GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL - BIJSTANDSVERPLICHTING INGEVOLGE ARTIKEL 24 VAN HET STATUUT. - ZAAK 137/88.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-00369
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Nu het Gerecht van eerste aanleg zijn werkzaamheden heeft aangevat, is het beroep dat mevrouw Schneemann en enkele honderden van haar collega' s op 16 mei 1988 tegen de Commissie hebben ingesteld en waarover ik vandaag conclusie neem, een van de laatste personeelszaken waarin het Hof ook de feiten moet onderzoeken . Deze lijken mij echter geen bijzondere moeilijkheden op te leveren . De problemen die verzoekers het Hof ter beoordeling voorleggen, betreffen namelijk hoofdzakelijk het recht . De feiten die tot het onderhavige geding hebben geleid, zijn het Hof bovendien zeer wel bekend, daar zij reeds grotendeels aan de basis lagen van twee andere beroepen, waarover het Hof reeds uitspraak heeft gedaan, namelijk zaak 137/80, Commissie/België ( 1 ), en zaak 383/85, Commissie/België ( 2 ).
2 . Ik zal daarom niet bij de feiten stilstaan - daarvoor verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting -, doch onmiddellijk de standpunten van partijen onderzoeken .
3 . Verzoekers betogen, dat de Commissie in haar zorgplicht is te kort geschoten door hun de gevraagde technische en financiële bijstand te weigeren voor de rechtsvorderingen die zij bij de Belgische rechterlijke instanties en in voorkomend geval bij het Hof van Justitie wensten in te stellen ter regeling van het probleem van de overschrijving van de onder het Belgische stelsel verworven pensioenrechten naar het gemeenschapsstelsel .
4 . De Commissie wijst dit verwijt van de hand en stelt, zakelijk weergegeven, dat zij heeft voldaan aan de verplichtingen die uit haar bijstandsplicht jegens de ambtenaren voortvloeien .
5 . Het geschil vindt wederom zijn oorsprong in de niet-nakoming door België van de uit artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen ( hierna : het Statuut ) voor de Lid-Staten voortvloeiende verplichting om de gemeenschapsambtenaren in staat te stellen de vóór hun indiensttreding bij de Gemeenschap verworven pensioenrechten over te schrijven . In mijn conclusie van 20 september 1989 in de tweede zaak Commissie/België ( 383/85 ) heb ik reeds mijn mening over de onwettigheid van een dergelijk nalaten gegeven . Ik acht het daarom niet nodig dat nog eens te doen, te meer daar het vandaag gaat om de gedragingen van de Commissie en niet om die van België .
6 . Daarentegen lijkt het mij van belang, vooraf twee punten te preciseren .
7 . Om te beginnen stel ik vast, dat het in dit geding niet gaat om de principiële vraag of de door verzoekers gevraagde maatregelen wel onder artikel 24 van het Statuut vallen . In haar antwoord op de door de ambtenaren ingediende klacht heeft de Commissie immers uitdrukkelijk verklaard :
"Dat in casu terecht naar artikel 24 van het Statuut is gegrepen, wordt niet betwist . De toepassingssfeer van dat artikel is namelijk ruimer dan de voorbeelden die daar worden genoemd, en, zoals dat artikel vereist, berust het verzoek ook op verzoekers' hoedanigheid van ambtenaar ."
Hieruit kunnen twee dingen worden afgeleid :
- de Commissie erkent, dat het in casu gaat om de bijstandsplicht van artikel 24 van het Statuut,
- doch stelt - en hierna zal daar dieper worden op ingegaan - dat zij in casu aan de uit dat artikel voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan . Dit laatste wordt door verzoekers betwist .
Het geschil heeft derhalve betrekking op de omvang van de plicht tot bijstand en/of bescherming .
8 . In de tweede plaats heeft de Commissie er zowel tijdens de schriftelijke behandeling als ter terechtzitting op gewezen, dat de bijstandsplicht naar haar aard en omvang als een inspanningsverplichting en niet als een resultaatsverplichting is aan te merken . Dat standpunt kan ik gemakkelijk bijtreden, doch de Commissie verbindt daaraan een gevolgtrekking waarmee ik het niet eens ben, namelijk dat verzoekers een handeling nastreven - namelijk vaststelling van een formele wet die de overschrijving van eerder verworven pensioenrechten naar de Europese Gemeenschappen mogelijk maakt - welke niet onder de bevoegdheid van de Commissie valt .
Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat in het door verzoekers geformuleerde petitum niet de minste allusie op de vaststelling van een formele wet is te vinden . Integendeel, het met het instellen van een rechtsvordering bij de nationale gerechten beoogde resultaat vertrekt juist van de omgekeerde premisse : bij gebreke van een formele wet van de Belgische Staat kan de inachtneming van de bepaling van het Statuut slechts worden bereikt door middel van een rechtsvordering ( bevoegdheid/verplichting van de nationale rechter tot toepassing van het Statuut ). Het rapport ter terechtzitting ( blz . I-373, punt 3 ) stelt het zeer duidelijk : "het in gebreke blijven van de wetgever kan voor de Belgische rechter ... geen beletsel vormen voor de vervulling van zijn taak ".
Verzoekers verlangen nu juist, dat de Commissie hun technische en financiële bijstand verleent voor het instellen van een vordering bij de nationale rechterlijke instanties . Een dergelijk verzoek is geenszins een poging tot oneigenlijk gebruik van de bijstandsplicht, doch past mijns inziens in de natuurlijke context van de terbeschikkingstelling van de middelen om een bepaald doel te bereiken . Het is juist, dat de Commissie - en hierover ben ik het volkomen met haar eens - geen vat heeft op het uiteindelijk beoogde resultaat, doch men kan zich afvragen, waarom de Commissie - die in een synallagmatische verhouding staat tot de ambtenaar die aanspraak op overschrijving heeft - zich niet op basis van haar beschermplicht gehouden acht, de pensioenen vast te stellen alsof België zijn verplichting reeds was nagekomen, en zich daarna eventueel verhaalt op de vorderingen die de Belgische regering geldend kan maken . De hierboven beschreven situatie, waarin het gaat om de nodige middelen ter bereiking van een doel dat onafhankelijk is van de wil van degene die bijstand verleent, verschilt immers niet van die in andere in artikel 24 bedoelde gevallen . Wanneer de Commissie overeenkomstig artikel 24 van het Statuut bijstand verleent aan een ambtenaar die bij voorbeeld het slachtoffer is geweest van grove beledigingen of smaad, heeft zij evenmin zekerheid omtrent de veroordeling van de verdachte of de vergoeding van de schade .
9 . Na deze inleidende opmerkingen, ga ik over tot het onderzoek van het concrete geval . De vraag die door het Hof moet worden beantwoord, is, zakelijk weergegeven, of de Commissie haar bijstandsplicht jegens verzoekers heeft vervuld . Opgemerkt zij, dat in de rechtspraak van het Hof een algemene bijstandsplicht is ontwikkeld, die verder gaat dan de bewoordingen van artikel 24 ( arrest van 11.7.1974, zaak 53/72, Guillot, Jurispr . 1974, blz . 791 ) en waarbij vooral de nadruk is gelegd op het evenwicht tussen de rechten en de plichten van de ambtenaren . In dezelfde lijn is erop gewezen, dat die verplichting een uitvloeisel is van het natuurlijke evenwicht tussen de loyaliteitsplicht van de ambtenaren en de op de instellingen rustende plicht tot bescherming ( zie inzonderheid Rogalla, Fonction publique européenne, 1982, blz . 253 ).
10 . Ik wil hier evenwel nog wat aan toevoegen om te komen tot een betere - algemene - omschrijving van de omvang van de bijstands - en zorgplicht van de instellingen jegens de ambtenaren . Vaststaat, dat het om een inspanningsverplichting gaat en dat de instellingen bij de keuze van de middelen een zekere beoordelingsvrijheid hebben, die evenwel aan het toezicht van het Hof is onderworpen . Het lijkt mij even duidelijk, dat de inhoud van de bijstands - en zorgplicht van geval tot geval verschilt naargelang van de ernst en de aard van het onrecht dat de ambtenaar heeft geleden .
Ik verklaar mij nader . Volgens vaste rechtspraak van het Hof komt de zorgplicht aan de orde in geval van een geschil tussen ambtenaren en dient de instelling dan op grond van die zorgplicht een onderzoek in te stellen en passende maatregelen te treffen . Ongetwijfeld is de bijstands - en zorgplicht in een dergelijk geval geringer dan in andere, ernstigere gevallen . Dit klemt te meer omdat het optreden van de instelling dan niet alleen noodzakelijk is ter nakoming van de zorgplicht, maar ook - en wellicht nog meer - in het belang van de dienst en van een behoorlijk bestuur ( zie inzonderheid het arrest van 14.6.1979, zaak 18/78, V ., Jurispr . 1979, blz . 2093 en mijn conclusie in zaak 224/87, arrest van 26.1.1989, Koutchoumoff, Jurispr . 1989, blz . 99, 104 ).
De zaak ligt anders wanneer het onrecht van buiten de instelling komt . In dat geval gaat de zorgplicht - die, zoals wij hebben gezien, de tegenhanger is van de loyaliteitsplicht van de ambtenaar - veel verder .
Nog anders ligt de zaak in een geval als het onderhavige . Men kan er mijns inziens niet aan voorbijgaan, dat het nalaten van de Lid-Staat al meer dan 20 jaar duurt en dat de onwettigheid ervan formeel is vastgesteld in twee arresten van het Hof . Gezien de ernst, de omvang en de duur van het onrecht dat de ambtenaren in een dergelijk geval lijden - in feite worden zij beroofd van een van hun fundamentele rechten - gaat de zorgplicht van de instelling jegens haar ambtenaren hier kennelijk veel verder dan in andere gevallen, waarin de onrechtmatigheid van de gedragingen waarover de ambtenaar zich beklaagt, allereerst moet worden onderzocht en vooral moet worden bewezen .
11 . Als antwoord op de vraag van verzoekers, wijst de Commissie allereerst op de beroepen die zij krachtens de artikelen 169 en 171 van het Verdrag heeft ingesteld . Dit eerste verweermiddel snijdt volgens mij geen hout . Om te beoordelen of de Commissie in het onderhavige geval aan haar verplichting tot bescherming en bijstand heeft voldaan, kan volgens mij geen rekening worden gehouden met de beroepen die zij eerst op basis van artikel 169 en vervolgens op basis van artikel 171 EEG-Verdrag heeft ingesteld . Het krachtens artikel 169 van het Verdrag bij het Hof van Justitie ingestelde beroep behoort namelijk tot de institutionele prerogatieven van de Commissie en houdt verband met de algemene taak die haar bij artikel 155 is opgedragen . Uit de desbetreffende rechtspraak van het Hof blijkt duidelijk, dat de Commissie vrij is in de keuze van het tijdstip waarop zij een beroep instelt, en dat dit beroep een objectief karakter heeft . Het Hof heeft herhaaldelijk verklaard, dat de ambtenaren van de Commissie niet in rechte kunnen vorderen de Commissie te gelasten een beroep krachtens artikel 169 van het Verdrag in te stellen om een einde te maken aan gestelde schendingen van het gemeenschapsrecht ( zie het arrest van 1.3.1966, zaak 48/65, Luetticke, Jurispr . 1966, blz . 28, en de conclusie van advocaat-generaal VerLoren van Themaat in zaak 28/83, Forcheri, arrest van 15.3.1984, Jurispr . 1984, blz . 1425 ).
Zo de beslissing om de procedure van artikel 169 in te leiden, tot de institutionele prerogatieven van de Commissie behoort en die beslissing alsmede de daaraan ten grondslag liggende overwegingen niet door het Hof kan worden getoetst, dan bevinden wij ons hier per definitie buiten de werkingssfeer van artikel 24 van het Statuut . Zoals ik hiervoor heb opgemerkt, moet de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid ex artikel 24 immers aan het toezicht van het Hof kunnen worden onderworpen .
12 . Tegen de poging om de op artikel 169 gestoelde interventie van de Commissie als uitvoering van de bijstandsplicht aan te merken, kan mijns inziens nog een ander, ter terechtzitting geformuleerd argument worden aangevoerd . Ingeval ambtenaren van andere gemeenschapsinstellingen deze laatste om bijstand verzoeken in verband met de schending door een Lid-Staat van uit het Statuut voortvloeiende verplichtingen, bevinden deze instellingen zich niet in dezelfde positie als de Commissie, aangezien een beroep krachtens artikel 169 voor hen is uitgesloten . Dit is overigens in de loop van de procedure gebleken . Wij weten immers, dat de Raad ter nakoming van de krachtens artikel 24 van het Statuut op hem rustende verplichtingen desgevraagd technische en financiële bijstand heeft verleend aan zijn ambtenaren die de overschrijving van hun pensioenrechten wensten .
13 . Derhalve dient te worden onderzocht, of de Commissie, het beroep krachtens artikel 169 buiten beschouwing gelaten, de krachtens artikel 24 op haar rustende verplichtingen in concreto heeft vervuld .
14 . Gelijk de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, kan zij weliswaar discretionair de middelen kiezen waarmee zij zich van haar bijstandsplicht zal kwijten, doch staat het aan het Hof te onderzoeken, of bij die keuze geen fouten zijn gemaakt die de geldigheid van haar beslissing aantasten, zoals kennelijke dwaling of overschrijding van de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid .
15 . De Commissie rechtvaardigt haar weigering om bijstand te verlenen met drie argumenten .
16 . In de eerste plaats was de gevraagde bijstand haars inziens overbodig, omdat reeds beroepen krachtens de artikelen 169 en 171 van het Verdrag waren ingesteld . Om de hierboven uiteengezette redenen ( punten 11 en 12 ) overtuigt die redenering mij niet .
17 . Verder had zij reeds technische bijstand verleend aan een ambtenaar en achtte zij het daarom overbodig bijstand te verlenen aan verzoekers .
18 . Zo komen wij tot de kern van het probleem .
Verzoekers stellen, dat zij zonder technische bijstand van de Commissie de vordering die zij in voorkomend geval voor de nationale rechterlijke instanties willen instellen, niet kunnen begroten en dat zij daardoor in de totale onmogelijkheid verkeren om hun rechten eindelijk te doen eerbiedigen .
19 . De Commissie antwoordt hierop in grote lijnen, dat al heeft zij de gevraagde technische bijstand geweigerd, zij niettemin binnen de "redelijke grenzen" is gebleven die volgens het Hof inherent zijn aan de bijstandsplicht .
20 . Ter terechtzitting hebben verzoekers herhaald, dat de bijstand van de administratie absoluut noodzakelijk is . Voor de ontvankelijkheid van hun vordering bij de nationale rechterlijke instanties moet in de inleidende akte het bedrag worden vermeld van de onder het Belgische pensioenstelsel verworven rechten waarvan zij de overschrijving naar het gemeenschapsstelsel vragen, en dit vergt een aantal technisch-actuariële berekeningen waarvoor de - geweigerde - bijstand van de diensten van de Commissie nodig is .
21 . Ofschoon haar ter terechtzitting tot driemaal toe is gevraagd zich nader te verklaren, heeft de Commissie zich ertoe beperkt het argument te herhalen dat de kern van haar redenering vormt, namelijk dat eventuele nieuwe procedures andere dan die van Michel niets nieuws zouden opleveren, of, om het met haar woorden te zeggen, "de algemene situatie niet zouden veranderen ".
22 . Dit verweer kan mijns inziens niet worden aanvaard . Op het formuleren van een petitio principii na, weigert de Commissie in feite voor het Hof stelling te nemen over de gegrondheid van verzoekers' argument, dat de actuariële berekeningen hun individuele mogelijkheden overstijgen en dat zij daarvoor de bijstand van de diensten van de Commissie nodig hebben . Daardoor wordt het Hof belet de overwegingen te toetsen, die de Commissie bij de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid hebben geleid .
De berekening waarvoor technische bijstand is gevraagd, zou ook nog een ander doel dienen, namelijk iedere ambtenaar in staat stellen met kennis van zaken de opportuniteit van een vordering voor de nationale rechterlijke instanties te beoordelen . De bewoordingen van het verzoek laten bovendien uitschijnen, dat verzoekers niet uitsloten eventueel een beroep bij het Hof in te stellen, bij voorbeeld om de Commissie te doen veroordelen voor haar weigering om het in gebreke blijven van België te verhelpen door de regeling van artikel 11 "bij voorbaat" toe te passen, alsof België reeds aan zijn verplichtingen had voldaan .
23 . Op grond van deze overwegingen ben ik van mening, dat de Commissie het Hof niet voldoende uitleg heeft gegeven over de redenen waarom zij weigert technische bijstand te verstrekken . Het behoeft nochtans geen betoog, dat wanneer een instelling over discretionaire bevoegdheden beschikt, zij het Hof moet kunnen verklaren in welke omstandigheden zij die bevoegdheden heeft uitgeoefend en door welke beweegredenen zij zich daarbij heeft laten leiden . Alleen dan kan de absoluut noodzakelijke scheiding worden getrokken tussen wettige uitoefening van een discretionaire bevoegdheid en ontoelaatbaar misbruik van bevoegdheid .
24 . Ik zie nog een andere reden waarom de door de Commissie aangevoerde rechtvaardiging voor haar weigering niet kan worden aanvaard . De vordering die Michel met technische en financiële bijstand van de Commissie bij de Belgische rechterlijke instanties heeft ingesteld, komt, zo zij wordt toegewezen, enkel Michel ten goede, omdat die rechterlijke beslissing geen werking erga omnes kan hebben . Verzoekers hebben derhalve ongetwijfeld belang bij het instellen van een rechtsvordering, ongeacht het resultaat van de actie van Michel . Het argument van de Commissie, dat zij met de in een individueel geval verleende bijstand aan haar bijstandsplicht jegens de ambtenaren heeft voldaan, houdt dus geen steek .
Immers : ofwel doelt de Commissie daarmee niet op de rechtsgevolgen van een dergelijke vordering, maar op de pressie die daarmee op de Belgische regering wordt uitgeoefend, en in dit geval zondigt zij tegen het gezond verstand, want van 500 vorderingen gaat een heel wat sterkere pressie uit dan van één enkele vordering; ofwel doelt zij op de rechtsgevolgen die uit de vordering kunnen voortvloeien, en in dat geval komt zij kennelijk in tegenspraak met haar algemeen verweer, dat juist bestaat in de stelling dat een vordering bij de Belgische rechterlijke instanties niet doeltreffend is .
25 . Alvorens de bespreking van het derde argument van de Commissie aan te vatten, is het misschien nuttig de voorgaande overwegingen nog eens samen te vatten .
26 . Wij zagen om te beginnen, dat voor de beantwoording van de vraag of in casu aan de bijstands - en zorgplicht is voldaan,
- geen rekening mag worden gehouden met de beroepen die de Commissie krachtens de artikelen 169 en 171 EEG-Verdrag heeft ingesteld;
- maar wel rekening moet worden gehouden met de ernst van de onwettige gedragingen waaraan de Belgische regering zich schuldig maakt door de krachtens het Statuut op haar rustende verplichtingen niet na te komen .
27 . Verder hebben wij vastgesteld, dat de Commissie de gevraagde technische bijstand had moeten verlenen ten einde de betrokken ambtenaren in staat te stellen de opportuniteit van een rechtsvordering bij de Belgische rechterlijke instanties of bij het Hof te beoordelen, en ten einde hun de nodige gegevens te verstrekken voor het formuleren van het petitum .
Deze conclusie vloeit logisch voort uit de omstandigheid dat de Commissie blijkbaar niet in staat is haar weigering te motiveren .
In dit stadium van het betoog lijkt de uitoefening door de Commissie van haar discretionaire bevoegdheden derhalve twee gebreken te vertonen : ontoereikende motivering ( geen verklaring voor de weigering ) en beoordelingsfout ( de opvatting dat zij door het verstrekken van technische bijstand aan één ambtenaar volledig aan haar zorgplicht heeft voldaan, terwijl het toch om individuele vorderingen gaat ).
28 . Zo kom ik tot het derde argument van de Commissie, dat in wezen neerkomt op de stelling, dat een rechtsvordering bij de nationale rechterlijke instanties niet doeltreffend is .
29 . Een dergelijk verweermiddel doet twee problemen rijzen : het ene betreft de logische samenhang van verweersters betoog - en dat zal ik eerst behandelen - en het andere is een probleem van methodologische aard .
30 . Ik moet zeggen, dat ik versteld sta, wanneer ik de Commissie tegelijkertijd hoor verklaren, dat zij aan haar zorgplicht jegens haar ambtenaren heeft voldaan door Michel de gevraagde bijstand te verlenen en dat gelijkaardige vorderingen die andere ambtenaren wensen in te stellen, nutteloos zijn, omdat artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut niet "self-sufficient" is, zodat die vorderingen tot falen zijn gedoemd .
Ik wil niet te lang stilstaan bij een rechtvaardiging die de Commissie ter terechtzitting heeft gegeven en die mijns inziens niet ter zake dienend is . De Commissie verklaart, dat de situatie op dit tijdstip - oktober-november 1989 - anders is dan op het tijdstip waarop aan Michel technische en financiële bijstand werd verleend, doch zij vergeet daarbij, dat de haar verweten tekortkoming dateert van 1987 en niet op basis van de huidige situatie kan worden beoordeeld .
Van groter belang lijkt mij de tegenstrijdigheid van de argumenten van de Commissie .
Het is het een of het ander :
- ofwel heeft de Commissie gelijk wanneer zij verklaart dat de vordering bij de nationale rechterlijke instanties nutteloos is omdat zij kennelijk tot falen is gedoemd, doch in dat geval heeft zij geenszins aan haar zorgplicht voldaan; door het verlenen van technische bijstand aan Michel zou zij slechts formeel aan haar zorgplicht hebben voldaan . De Commissie zou haar ambtenaren in feite bewust een wapen ter beschikking hebben gesteld waarvan zij reeds bij de aanvang wist dat het ondoeltreffend was . In dat geval is er sprake van miskenning van de ratio zelf van artikel 24 ( evenwicht tussen loyaliteitsplicht en beschermplicht );
- ofwel neemt de Commissie ten onrechte uitsluitend in deze zaak haar toevlucht tot dit argument, en in dat geval is haar weigering om verzoekers bijstand te verlenen onrechtmatig wegens tegenstrijdigheid van de motieven .
31 . Het tweede probleem dat het derde verweermiddel van de Commissie doet rijzen, is van methodologische aard .
32 . Op verzoekers' argument, dat een beroep bij de Belgische rechterlijke instanties tot een effectieve uitvoering van de uit het Statuut voortvloeiende verplichtingen kan leiden en de situatie bijgevolg kan oplossen, antwoordde de Commissie, dat
"in het Belgische constitutionele stelsel de nationale pensioendiensten en de rechterlijke instanties zich niet in de plaats van de wetgever kunnen stellen ".
Daarmee stelt zij, zoals gezegd, de doeltreffendheid in vraag van de door verzoekers ter vrijwaring van hun rechten voorgenomen actie . In haar schriftelijk antwoord op de vragen van het Hof verklaarde zij nog explicieter :
"Het is zeer gewaagd te denken, dat een Belgische rechter zich in de plaats van de wetgever kan stellen en de concrete maatregelen kan treffen die de overschrijving van onder het nationale stelsel verworven pensioenrechten naar het gemeenschapsstelsel mogelijk maken ."
33 . Deze discussie lijkt mij niet alleen inopportuun, doch ook in grote mate irrelevant . Stellig is het niet de taak van het Hof, een discussie op te nemen die voor de nationale rechterlijke instanties moet worden gevoerd, en de kans op slagen van een eventueel beroep bij de nationale rechter in abstracto te beoordelen, daarbij speculerend over de vraag of een bepaalde tendens in de rechtspraak al dan niet door latere uitspraken zal worden bevestigd en of een evolutie van de rechtspraak mag worden verwacht . Het belangrijkste lijkt mij evenwel, dat die discussie, hoe boeiend zij uit theoretisch oogpunt ook is, niet erg relevant is voor het probleem dat wij vandaag hebben te onderzoeken . Al moet de Commissie haar ambtenaren ingevolge artikel 24 bijstand en bescherming verlenen, toch is het voor die verplichting nauwelijks van belang, of de met de bijstand van de Commissie ingestelde rechtsvordering van de ambtenaren al dan niet zal slagen . Die situatie kennen wij ook in andere gevallen . Te denken valt bij voorbeeld aan het geval, dat een ambtenaar van de Commissie in een derde land uit hoofde van zijn hoedanigheid van ambtenaar het slachtoffer is van smaad of beledigingen . Wanneer de Commissie dan zou weigeren hem bijstand te verlenen voor het instellen van een vordering ter verdegiging van zijn belangen, met het argument dat er slechts een zeer kleine kans op slagen bestaat, is het zeer de vraag of zij aldus aan de krachtens artikel 24 op haar rustende verplichtingen zou hebben voldaan . Behalve wanneer de rechtsvordering kennelijk zó vergezocht is, dat van een roekeloos beroep moet worden gesproken, doet de onzekerheid omtrent de uitkomst, die inherent is aan elk rechtsgeding, mijns inziens niet af aan de op de instellingen rustende verplichting tot bescherming van hun ambtenaren . Uit het feit, dat de Commissie zelf van oordeel was dat zij Michel technische en financiële bijstand moest verlenen, en dat de Raad zich bereid heeft verklaard technische en financiële bijstand te verlenen aan al zijn ambtenaren die daarom verzoeken, voor zover zij ouder zijn dan 50 jaar, blijkt dat de procedure voor de nationale rechter in het onderhavige geval "kans op slagen" heeft en dat de Commissie zelf, gelijk in het geval Michel, die kans correct heeft beoordeeld .
Er is echter meer . De Commissie zelf heeft met betrekking tot een ambtenaar die zich voor de ( Franse ) nationale rechter op het in artikel 11, lid 2, bedoelde recht beriep - zaak 37/89, Weiser, aanhangig bij het Hof van Justitie ( arrest van 14.6.1990, Jurispr . 1990, blz . I-2395 ) -, erop gewezen, "dat artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut rechtstreeks toepasselijk is ". Aldus heeft de Commissie, door onder meer te verklaren dat zij het eens was over de grond van de zaak, ofschoon zij technisch noch financieel bij de zaak betrokken was, niet alleen geen twijfel geuit omtrent de doeltreffendheid van het beroep bij de nationale rechter, maar zich integendeel overtuigd getoond van de opportuniteit en het nut van dat beroep .
34 . Aan het einde van mijn onderzoek van de drie argumenten die door de Commissie zijn aangevoerd ter rechtvaardiging van haar weigering om bijstand te verlenen, moet ik dus vaststellen, dat geen van die argumenten de toets der kritiek doorstaat . Aangezien niet wordt betwist, dat verzoekers zich terecht op artikel 24 van het Statuut beroepen en dat zij objectief gezien technische bijstand nodig hebben om de opportuniteit van een rechtsvordering bij de nationale rechterlijke instanties of bij het Hof te kunnen beoordelen en om in bevestigend geval die vordering effectief te kunnen instellen, en aangezien de Commissie haar weigering voor het Hof niet heeft gerechtvaardigd, kan slechts worden geconcludeerd dat de houding van de Commissie onrechtmatig was . Uiteindelijk kan ik slechts vaststellen, dat de Commissie niet aan haar bijstandsplicht jegens haar ambtenaren heeft voldaan .
Aangezien niet kan worden aanvaard dat de Commissie haar ambtenaren ongelijk behandelt, meen ik dat zij hun zowel technische als financiële bijstand moet verlenen, zoals overigens ook de Raad heeft gedaan .
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, het besluit van de Commissie tot afwijzing van het door verzoekers ingediende verzoek om technische en financiële bijstand nietig te verklaren . Het staat aan de Commissie, die in de kosten moet worden verwezen, uit het arrest de nodige consequenties te trekken .
(*) Oorspronkelijke taal : Italiaans .
( 1 ) Arrest van 20.10.1981, Jurispr . 1981, blz . 2393 .
( 2 ) Arrest van 3.10.1989, Jurispr . 1989, blz . 3069 .
Top