Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Tesauro van 12 december 1989. - VAN SILLEVOLDT BV EN ANDEREN TEGEN HOOFDPRODUKTSCHAP VOOR AKKERBOUWPRODUKTEN. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN - NEDERLAND. - LANDBOUW - INVOER VAN RIJST - HEFFING - BEGRIP "BREUKRIJST". - ZAAK 159/88.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-02215
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
Mijne heren Rechters,
1 . De verwijzende rechter heeft het Hof verzocht om uitlegging van de bepalingen betreffende de indeling van breukrijst voor de toepassing van de invoerheffing .
In casu hebben zich problemen voorgedaan in verband met de invoer van partijen die grotendeels bestonden uit brokstukken van rijstkorrels en slechts in beperkte mate uit hele korrels .
Hoewel ik voor het overige naar het rapport ter terechtzitting verwijs, wil ik eraan herinneren dat ingevolge artikel 2 van verordening ( EEG ) nr . 2729/75 van de Raad ( 1 ) op mengsels van rijst en breukrijst de heffing wordt toegepast die geldt voor het bestanddeel met het grootste gewichtsaandeel, "indien dit ten minste 90 % van het gewicht van het mengsel uitmaakt"; wanneer geen der bestanddelen 90 % of meer van het gewicht van het mengsel uitmaakt, wordt de heffing toegepast die geldt voor het bestanddeel dat is onderworpen aan de hoogste heffing, dat wil zeggen de heffing voor rijst . Voornoemde bepaling heeft tot doel, strenge beperkingen op te leggen aan de mogelijkheid, dat ondernemers onder de indeling breukrijst - waarvoor een lagere heffing geldt - partijen invoeren waarvan het percentage breukrijst iets hoger is dan het percentage hele korrels, die derhalve niettemin in aanzienlijke mate aanwezig zijn . Het betreft hier bijgevolg, zoals het in de loop van de procedure is uitgedrukt, een "anti-ontwijkingsregel", die moet tegengaan dat de heffing voor rijst wordt ontweken in geval van invoer van aanzienlijke hoeveelheden van dat produkt in partijen die ook - maar nauwelijks in grotere mate - breukrijst bevatten .
2 . Genoemde verordening bepaalt echter niet, wat onder rijst respectievelijk breukrijst moet worden verstaan . In dat verband moet worden gekeken naar de definities in bijlage A van verordening ( EEG ) nr . 1418/76 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt . ( 2 ) Sub 2 en 3 bevat die bijlage de volgende definities :
"2 . a ) rondkorrelige rijst : rijst waarvan de korrels een lengte hebben van 5,2 millimeter of minder en waarvan de verhouding lengte/breedte kleiner is dan 2;
b ) langkorrelige rijst : rijst waarvan de korrels een lengte hebben van meer dan 5,2 mm;
c ) meting van de korrels : de korrels worden gemeten aan de hand van volwitte rijst volgens de onderstaande methode :
i ) uit de partij wordt een representatief monster getrokken,
ii ) het monster wordt gesorteerd ten einde met gehele korrels te werken,
iii ) er worden twee metingen met telkens 100 korrels verricht en daarvan wordt het gemiddelde berekend,
iv ) de resultaten worden uitgedrukt in millimeters en afgerond tot op een decimaal .
3 . Breukrijst : brokstukken van korrels waarvan de lengte gelijk is aan of kleiner is dan 3/4 van de gemiddelde lengte van de gehele korrel ."
Dienovereenkomstig moet rijst derhalve worden ingedeeld met inachtneming van de afmetingen van de korrels, welke afmetingen moeten worden bepaald aan de hand van een uit de in te voeren partij getrokken representatief monster . Voor de indeling van breukrijst moeten twee vergelijkingsmaatstaven worden genomen : de lengte van de brokstukken van de betrokken korrels en de "gemiddelde lengte van de gehele korrel ".
Het lijkt mij voor de hand te liggen, dat de lengte van de brokstukken moet worden bepaald door directe meting van een representatief monster van de partij . Bijgevolg moet alleen nog worden vastgesteld, hoe de andere factor, te weten de gemiddelde lengte van de hele korrel, moet worden bepaald .
Dienaangaande wil ik erop wijzen, dat wanneer breukrijst wordt geselecteerd door een zeefproces, gebaseerd op de lengte van de korrels, partijen breukrijst dikwijls ook hele korrels kunnen bevatten die, indien onvolgroeid, kleiner zijn dan de rijpe korrels van de betrokken kwaliteit . Daaruit volgt, dat wanneer de gemiddelde lengte van de hele korrels wordt bepaald door meting van de lengte van de hele korrels die voorkomen in de partij breukrijst, en wanneer ten behoeve van die meting eveneens rekening wordt gehouden met de onvolgroeide - en derhalve kleinere - hele korrels, men als resultaat best tot een nogal klein gemiddelde kan komen . Dit betekent derhalve, dat in een dergelijk geval een aanzienlijk percentage van de brokstukken groter zal zijn dan 3/4 van de gemiddelde lengte van de hele korrels . Bij toepassing van voornoemde bepalingen van verordening nr . 2729/75 zal dit ertoe leiden, dat de betrokken partij als rijst en niet als breukrijst wordt ingedeeld, hetgeen impliceert dat de hogere heffing wordt toegepast .
3 . De vragen van de verwijzende rechter hebben betrekking op dit probleem . Het Hof wordt in wezen verzocht vast te stellen, of de gemiddelde lengte van de gehele korrel moet worden bepaald door meting van de gehele korrel voorkomend in de betrokken partij, waarbij dan eveneens rekening wordt gehouden met de onvolgroeide hele korrels, of dat die gemiddelde lengte moet worden bepaald aan de hand van andere factoren, waaronder met name de standaarmaten van de diverse kwaliteiten rijst, zoals die in het internationale handelsverkeer zijn erkend .
De Commissie sluit de mogelijkheid uit om, direct dan wel indirect, een externe referentiebasis te kiezen . Zij heeft inzonderheid twee aspecten beklemtoond . In de eerste plaats zou er geen twijfel over bestaan, dat de gemiddelde lengte van de hele korrel enkel moet worden bepaald door directe meting van de lengte van de hele korrels die voorkomen in de betrokken partij; met name de omstandigheid dat bijlage A, sub 3, van verordening nr . 1418/76 niet voorziet in een externe referentiebasis - zoals de in het internationale handelsverkeer erkende standaardmaten van de verschillende rijstsoorten - zou die mogelijkheid geheel uitsluiten . Met andere woorden, het sub 2 van bedoelde bijlage voorziene systeem van directe meting zou zich impliciet ook opdringen voor de indeling van breukrijst . In de tweede plaats zouden de nationale autoriteiten bij het verrichten van die directe meting gehouden zijn, ook rekening te houden met de onvolgroeide hele korrels, ook al zijn die noodzakelijkerwijs kleiner dan de volgroeide korrels .
4 . Alvorens bovenstaand standpunt van de Commissie te onderzoeken, wil ik eraan herinneren dat de bepalingen van de communautaire nomenclatuur zodanig moeten worden uitgelegd, dat zekerheid en uniformiteit ten aanzien van de toepassing gewaarborgd is . Deze algemene, prioritaire vereisten vinden bevestiging in het door het Hof herhaaldelijk beklemtoonde beginsel ( 3 ), dat bij de indeling van goederen in de eerste plaats rekening moet worden gehouden met de objectieve kenmerken van het produkt .
Deze vereisten gelden ook, wanneer het niet gaat om de uitlegging van een bepaling van de douanenomenclatuur, maar om de bepalingen betreffende de indeling van landbouwprodukten . ( 4 ) In die sector hebben genoemde vereisten veeleer een andere reden, te weten het preciseren van de produkten waarop de landbouwregels van toepassing zijn - en dus het materiële toepassingsgebied van deze laatste - ter verzekering van een goede werking ervan voor de verwezenlijking van de betrokken doelstellingen . Zo ook in het geval van de heffingen bij invoer . Deze hebben zoals bekend tot doel, het verschil te overbruggen tussen de communautaire prijs en de wereldprijs van bepaalde produkten . Wanneer die prijzen voor de diverse produkten en kwaliteiten kunnen variëren, moet worden voorzien in bepalingen voor de indeling van de goederen, opdat steeds de juiste invoerheffing wordt toegepast . Het ligt voorts voor de hand, dat wanneer de indelingsvoorschriften onjuist worden toegepast, de werking van het heffingstelsel wordt verstoord . Wanneer bij voorbeeld de - hogere - heffing voor rijst wordt toegepast op een partij goederen die de objectieve kenmerken van breukrijst vertoont, zal deze ten onrechte worden belast met een bedrag dat hoger is dan het verschil tussen de interne en de externe prijs van breukrijst, met het risico van een mogelijke verstoring van de mededinging .
5 . Na het bovenstaande moet mijns inziens in de eerste plaats worden beklemtoond, dat verordening nr . 14818/76 de nationale autoriteiten niet verplicht, de gemiddelde lengte van de gehele korrel uitsluitend te bepalen door directe meting van de korrels die in de betrokken partij voorkomen . Bijlage A, sub 3, van die verordening schrijft niets voor en sluit niets uit dienaangaande . Onder die omstandigheden is er volgens mij geen reden, a priori de mogelijkheid uit te sluiten dat externe maatstaven worden gehanteerd . Het zal aan de nationale autoriteiten staan om, in het kader van de hen door de verordening toegekende discretionaire bevoegdheid, het systeem te kiezen dat qua objectiviteit van de indeling de beste resultaten waarborgt .
Voorts kan, althans in bepaalde gevallen, een beroep op de standaardmaten zelfs onvermijdelijk zijn . Zo zal men niet zonder extern referentiemateriaal kunnen, indien in de betrokken partij geen hele korrels voorkomen . Zoals terecht naar voren is gebracht, kan het ook noodzakelijk blijken, indirect standaardmaten te hanteren om vast te stellen, of bij de meting al dan niet rekening moet worden gehouden met korrels die abnormaal zijn voor de betrokken kwaliteit : zulks kan onvermijdelijk zijn ter voorkoming van fraude, wanneer opzettelijk bijzonder lange korrels zijn toegevoegd van een andere kwaliteit dan waarvan de brokstukken afkomstig zijn, met het enkele doel, een langer gemiddelde te verkrijgen dan bij de betrokken kwaliteit behoort, waardoor toepassing van de lagere heffing wordt vergemakkelijkt .
6 . Maar ook al aangenomen dat - voor zover mogelijk uiteraard - ter bepaling van de gemiddelde lengte van de hele korrels de voorkeur moet worden gegeven aan de methode van directe meting, geloof ik niet dat, gelijk de Commissie betoogt, bij die meting ook steeds rekening moet worden gehouden met de onvolgroeide hele korrels . Deze korrels, die duidelijk abnormaal zijn en slechts bijkomend in de betrokken partij voorkomen, zijn juist om die reden geen bruikbaar referentiemateriaal voor de toepassing van de voorschriften inzake de indeling en, bijgevolg, van die inzake de invoerheffing .
Met andere woorden, de onderhavige meting moet worden verricht met een monster dat is geselecteerd op zijn representativiteit voor de kwaliteit waarvan de breukrijst afkomstig is . Iedere andere methode kan slechts een resultaat opleveren dat niet strookt met de objectieve kenmerken van de betrokken waar en maakt bovendien het heffingstelsel onbruikbaar; in de redenering van de Commissie wordt in dat geval naar alle waarschijnlijkheid zonder enige rechtvaardiging een hogere heffing opgelegd . Wanneer bovendien de indeling in feite gaat afhangen van een volkomen toevallige factor ( de aanwezigheid van een groot of klein aantal abnormale korrels ), vervalt ook iedere voorspelbaarheid van het resultaat en daarmee alle zekerheid voor de ondernemers . Om dezelfde redenen ten slotte meen ik te moeten vaststellen, dat het door de Commissie voorgestelde criterium ertoe kan leiden - op grond van geheel toevallige omstandigheden -, dat goederen die dezelfde objectieve kenmerken vertonen verschillend worden ingedeeld .
Ten slotte moeten mijns inziens de onvolgroeide hele korrels niet in de beschouwing worden betrokken voor het meten van de gemiddelde lengte van de hele korrels in de zin van bijlage A, sub 3, van verordening nr . 1418/76, ten einde de werking van het heffingstelsel geen geweld aan te doen en te waarborgen dat de goederen worden ingedeeld met inachtneming van de algemene vereisten van objectiviteit, zekerheid en uniformiteit .
Dat de noodzaak, alleen te werken met een monster dat representatief is voor de ingevoerde kwaliteit, strookt met het systeem van de verordening, vindt voorts bevestiging in de omstandigheid, dat bijlage A, sub 2, met betrekking tot hele rijst uitdrukkelijk bepaalt, dat voor de meting van de korrels "uit de partij een representatief monster wordt getrokken ".
7 . Ook zij erop gewezen, dat de Commissie niet echt heeft bestreden dat toepassing van het door haar gesuggereerde criterium tot bovengenoemde ongewenste resultaten kan leiden . Zij heeft evenwel opgemerkt, dat voor zover de onderhavige breukrijst op de Nederlandse markt voor menselijke consumptie wordt gebruikt, hij tot op zekere hoogte zal kunnen concurreren met echte rijst . Dit zou betekenen, dat ook al mocht toepassing van een hogere heffing gezien de objectieve kenmerken van het produkt - dat nog steeds als breukrijst moet worden beschouwd - niet gerechtvaardigd zijn, die toepassing niettemin zinvol zou kunnen zijn voor zover daarmee wordt vermeden dat rijst, een communautair produkt, op bepaalde markten concurrentie ondervindt van ingevoerde breukrijst .
In dit verband wil ik allereerst opmerken, dat de verhandeling van breukrijst voor menselijke consumptie zonder meer is toegestaan, zowel onder het gemeenschapsrecht als volgens de wetgeving van een aantal Lid-Staten . Voorts wijs ik erop, dat de Commissie het niet mogelijk noch wenselijk heeft geacht om in de structuur van de heffingen in te grijpen door verhoging van het tarief voor breukrijst van betere kwaliteit, die eerder dan andere breukrijst zal concurreren met rijst bestaande uit hele korrels .
Onder die omstandigheden vormt de toepassing van de voor rijst geldende heffing op een produkt dat de objectieve kenmerken vertoont van breukrijst, niet meer en niet minder dan een handelsbelemmering voor dat produkt . Ik zie niet in, wat een dergelijke belemmering zou kunnen rechtvaardigen, wanneer de verhandeling van de breukrijst geschiedt onder de in het gemeenschapsrecht gestelde voorwaarden en beantwoordt aan de vraag in bepaalde marktsectoren . Maar nog afgezien daarvan acht ik het onjuist, dat bedoeld resultaat indirect wordt nagestreefd door een verwrongen toepassing van het betrokken indelingsvoorschrift .
8 . Gelet op het voorgaande komt het mij voor, dat de eerste twee vragen van de verwijzende rechter kunnen worden beantwoord als volgt :
"1 ) Bijlage A, sub 3, van verordening nr . 1418/76 moet aldus worden uitgelegd, dat de nationale autoriteiten niet gehouden zijn, de 'gemiddelde lengte van de gehele korrel' te bepalen door directe meting van de grootte van de gehele korrels die voorkomen in de ingevoerde partij breukrijst . Zij kunnen ook rekening houden met extern referentiemateriaal, inzonderheid de in het internationale handelsverkeer erkende standaardmaten, wanneer zij zulks noodzakelijk achten om te waarborgen, dat de indeling van de waar beantwoordt aan de objectieve kenmerken daarvan .
2 ) Wanneer evenwel de 'gemiddelde lengte van de gehele korrel' moet worden bepaald door meting van de grootte van de in de ingevoerde partij breukrijst voorkomende gehele korrels, zijn de nationale autoriteiten gehouden, die meting te verrichten aan de hand van een geselecteerd monster, dat representatief is voor de kwaliteit rijst waarvan de breukrijst afkomstig is . Daartoe mag bij die meting geen rekening worden gehouden met hele korrels die een abnormale lengte hebben voor de betrokken kwaliteit, waaronder met name onvolgroeide korrels . Bij het selecteren van een representatief monster voor hun meting, kunnen de nationale autoriteiten als referentiepunt uitgaan van de in het internationale handelsverkeer erkende standaardmaten van de verschillende kwaliteiten rijst ."
9 . Bij bovenstaande beantwoording behoeft de derde vraag van de verwijzende rechter niet te worden onderzocht .
(*) Oorspronkelijke taal : Italiaans .
( 1 ) Verordening ( EEG ) nr . 2729/75 van de Raad van 29 oktober 1975 ( PB 1975, L 281, blz . 18 ).
( 2 ) Verordening ( EEG ) nr . 1418/76 van de Raad van 21 juni 1976 ( PB 1976, L 166, blz . 1 ).
( 3 ) Voor een opsomming van de uitspraken van het Hof, zie arrest van 25 mei 1989 ( zaak 40/88, Weber, Jurispr . 1989, blz . 1395 ).
( 4 ) Zie, voor de noodzaak van een - althans in beginsel - uniforme uitlegging van de bepalingen van de douanenomenclatuur en de bepalingen betreffende de indeling van landbouwprodukten, de arresten van 4 juli 1978 ( zaak 5/78, Milchfutter, Jurispr . 1978, blz . 1597 ) en 28 maart 1979 ( zaak 158/78, Biegi, Jurispr . 1979, blz . 1103 ).
Top