Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Mischo van 9 december 1987. - PVBA LOUIS ERAUW-JACQUERY TEGEN COOPERATIEVE VENNOOTSCHAP LA HESBIGNONNE. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR DE RECHTBANK VAN KOOPHANDEL TE LUIK. - OVEREENKOMST INZAKE HET KWEKERSRECHT OP BEPAALDE GRAANRASSEN - VERENIGBAARHEID MET ARTIKEL 85 EEG-VERDRAG. - ZAAK 27/87.
Jurisprudentie 1988 bladzijde 01919
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . PVBA Louis Erauw-Jacquery heeft voor de Rechtbank van Koophandel te Luik een procedure aangespannen tegen de cooeperatieve vennootschap La Hesbignonne in verband met een "vermeerderingskontrakt voor zaaigranen" ( hierna de overeenkomst ), waarin La Hesbignonne wordt gemachtigd om de rassen en soorten zaaigranen waarvoor Erauw-Jacquery het kwekersrecht heeft ( als verkrijger of gemachtigde ), in België te vermeerderen en te verkopen . Beide ondernemingen zijn gevestigd in België .
2 . Artikel 2 van de overeenkomst bepaalt onder meer het volgende :
" Tweede genoemde verbindt zich ten overstaan van eerstgenoemde te vermeerderen met het oog op de verkoop van deze graansoorten en -variëteiten, tegen volgende voorwaarden :
a ) de totale hoeveelheid basiszaad E2 of gelijkwaardig zaad, door eerstgenoemde geleverd, in België te vermeerderen, en die te onderwerpen aan de controle van de NDALTP ( Nationale dienst voor afzet van land - en tuinbouwprodukten ), volgens de geldende reglementering . Basiszaad E2, of gelijkwaardig zaad van deze variëteiten niet te verkopen of af te staan aan andere handelaar/bereiders of enige andere persoon, uitgezonderd de landbouwer/vermeerderaar, en dat zaad naar geen enkel land uit te voeren;
...
f ) de zaden van variëteiten, ongeacht hun klasse, waarvoor eerstgenoemde zal handelen in hoedanigheid van kweker of mandataris, niet te exporteren, rechtstreeks of onrechtstreeks, zonder voorafgaandelijke schriftelijke toelating van eerstgenoemde;
...
i ) niet te verkopen onder de minimumverkoopprijzen opgelegd door eerstgenoemde voor alle soorten, variëteiten en klassen waarvoor eerstgenoemde de kweker of de mandataris is ."
3 . De Rechtbank van Koophandel te Luik vraagt het Hof, of artikel 2, sub a en i, van de litigieuze overeenkomst onder de werkingssfeer van artikel 85 dan wel enige andere bepaling van het EEG-Verdrag valt .
4 . Aangezien ook artikel 2, sub f, van belang is vanuit het oogpunt van het Europese mededingingsrecht, lijkt het mij nuttig ook een aantal opmerkingen over deze bepaling van de overeenkomst te maken, met dien verstande uiteraard, dat het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing krachtens artikel 177 het Verdrag niet kan toepassen op een bepaald geval, aangezien dit uitsluitend behoort tot de competentie van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd .
5 . Voor een nadere uiteenzetting van de feiten en van de communautaire en Belgische regelingen inzake zaaigranen moge ik verwijzen naar het rapport ter terechtzitting .
6 . Alvorens in te gaan op de gestelde vraag zou ik nog willen herinneren aan het arrest van 8 juni 1982, Nungesser/Commissie ( 1 ), waarin het Hof het kwekersrecht heeft omschreven als :
" ... het aan de kweker van een nieuw ras of aan diens rechtverkrijgende verleende recht, het voortbrengen voor handelsdoeleinden van geslachtelijk of ongeslachtelijk teeltmateriaal als zodanig van dat nieuwe ras, alsmede het te koop aanbieden en het verhandelen van dat teeltmateriaal aan zijn voorafgaande toestemming te onderwerpen ." ( r.o . 2 ).
7 . Na een analyse van de bijzonderheden van de produktie en de promotie van granen kwam het Hof tot de volgende conclusie :
" Er zijn dus geen termen aanwezig om het kwekersrecht te beschouwen als een recht van industriële en commerciële eigendom dat zodanig specifieke kenmerken vertoont, dat het op grond daarvan, wat de mededingingsregels betreft, anders moet worden behandeld dan de andere rechten van industriële en commerciële eigendom ..." ( r.o . 43 )
8 . Ten slotte zij erop gewezen dat dit recht, als wettelijk instituut, niet die aan overeenkomsten of onderling afgestemde gedragingen eigen elementen vertoont waarop artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag doelt, doch dat de uitoefening ervan onder de verboden van het verbod kan vallen, wanneer zij voorwerp, middel of gevolg van een ondernemersafspraak blijkt te zijn . ( 2 )
9 . Tegen deze achtergrond wil ik thans de verschillende elementen van de prejudiciële vraag onderzoeken .
I - Het verbod om basiszaad te verkopen en uit te voeren
In artikel 2 a van de overeenkomst verplicht de handelaar/teler zich, in wezen, het door de kweker geleverde basiszaad ( 3 ) niet voor een ander doel te gebruiken dan voor vermeerdering .
10 . Ik deel de mening van de Commissie, dat deze clausule inherent is aan het bestaan zelf van het kwekersrecht en derhalve niet valt onder het verbod van artikel 85, lid 1 .
11 . Basiszaden zijn in zeker opzicht vergelijkbaar met een door een octrooi beschermde produktiewijze, want daaruit worden de gecertificeerde zaden van de eerste en de tweede nabouw gewonnen, die bestemd zijn voor verkoop aan landbouwers voor de produktie van consumptiegranen . De kweker ( of zijn gemachtigde ) moet daarom controle kunnen blijven uitoefenen op de bestemming en het gebruik van het basiszaad, omdat hij anders het risico loopt, de hem toegekende exclusieve rechten op de door hem ontwikkelde nieuwe rassen feitelijk te verliezen . Terecht heeft de Commissie opgemerkt, dat de vermeerderingsovereenkomst "intuitu personae" is gesloten .
12 . De situatie van de kweker of zijn gemachtigde lijkt in zekere opzichten dus op die van de franchisegever, waaromtrent het Hof heeft overwogen dat hij aan "de franchisenemer zijn know-how moet kunnen overdragen en hem de nodige bijstand bij de toepassing van zijn methoden moet kunnen verlenen, zonder het risico te lopen dat die know-how en die bijstand, zij het ook maar indirect, aan concurrenten ten goede komen . Bijgevolg vormen de clausules die onmisbaar zijn om dat te voorkomen, geen beperking van de mededinging in de zin van artikel 85, lid 1" ( arrest van 28 januari 1986, zaak 161/84, Pronuptia, Jurispr . 1986, blz . 353, r.o . 16 ).
13 . Daarom wil ik u voorstellen het onderdeel van de vraag dat betrekking heeft op artikel 2 a van de overeenkomst, te beantwoorden als volgt :
Artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag verzet zich niet tegen een clausule, waarin het een handelaar/teler wordt verboden basiszaden die hem door de houder van het kwekersrecht of zijn gemachtigde uitsluitend met het oog op vermeerdering ter beschikking zijn gesteld, te verkopen, over te dragen of uit te voeren .
II - De clausules betreffende minimumprijzen en het verbod om andere zaden uit te voeren
14 . Ingevolge artikel 2 i van de bestreden overeenkomst mag verweerster in het hoofdgeding, La Hesbignonne, "niet verkopen onder de minimumverkoopprijzen opgelegd door eerstgenoemde voor alle soorten, variëteiten en klassen waarvoor eerstgenoemde ( Erauw-Jacquery ) de kweker of de mandataris is . Deze minimumprijzen zullen schriftelijk worden medegedeeld ...".
15 . Het feit dat La Hesbignonne zich niet heeft gehouden aan de minimumprijs voor een zaad, aangeduid als meerrijige gerst Gerbel, ligt ten grondslag aan het geding, waarin de Rechtbank van Koophandel te Luik de onderhavige préjudiciële vraag heeft gesteld .
16 . Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat de PVBA Erauw-Jacquery identieke overeenkomsten heeft gesloten met andere handelaars/telers . Het moet een betrekkelijk groot aantal zijn, want de minimumprijzen worden per circulaire medegedeeld . Door de met artikel 2 i strijdige "wilde verkoop" van La Hesbignonne werden deze andere handelaars/telers verplicht, eveneens hun prijzen te verlagen . Zij menen daardoor aanzienlijke schade te hebben geleden ( geschat op 15 000 000 ) en vorderen schadevergoeding van verzoekster, die deze vordering weer wil afwentelen op verweerster .
17 . Wij hebben hier dus te maken met een net van overeenkomsten met een identieke inhoud; daarbij moet de invloed van deze bundel overeenkomsten op de mededinging in bedoelde sector en op de handel tussen Lid-Staten in aanmerking worden genomen . De beschikking van de Commissie van 22 december 1976 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag ( IV/24.510 - Gerofabriek, PB 1977, L 16, blz . 8 ) vormt in dit verband een interessant precedent, ook al waren in dat geval ook in andere Lid-Staten gevestigde ondernemingen aan de overeenkomsten gebonden . Een met het hoofdgeding nog meer verwant geval betreft het arrest van 1 oktober 1987 ( zaak 311/85, ASBL Vereniging van Vlaamse Reisbureaus en ASBL Sociale Dienst van de Plaatselijke en Gewestelijke Overheidsdiensten, Jurispr . 1987, blz . 3801 ).
18 . A - Laten we eerst onderzoeken, of de minimumprijsclausule ertoe strekt of ten gevolge heeft dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst .
19 . In het arrest van 30 juni 1966 ( LTM/MBU ) ( 4 ) verklaarde het Hof, dat deze voorwaarde blijkens het gebruik van het voegwoord "of" niet een cumulatief, doch een alternatief karakter draagt, zodat eerst de strekking der overeenkomst in verband met de economische omstandigheden, waarbinnen zij moet worden toegepast, moet worden onderzocht . Slechts wanneer een onderzoek van bedoelde clausules niet een voldoende mate van benadeling der concurrentie aan het licht mocht brengen, ware na te gaan tot welke gevolgen de overeenkomst leidt, waarbij het voor de toepasselijkheid van het verbod noodzakelijk is, dat uit de gezamenlijke bestanddelen der overeenkomst valt af te leiden, dat de mededinging in feite in merkbare mate is verhinderd dan wel beperkt of vervalst .
20 . Met betrekking tot een clausule met verplichte minimumprijzen zij in de eerste plaats opgemerkt, dat artikel 85, lid 1, sub a, zelf de overeenkomsten noemt, die bestaan in "het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan - of verkoopprijs of van andere contractuele voorwaarden ...".
21 . Ten aanzien van horizontale kartels heeft het Hof bevestigd, dat een stelsel van gebonden verkoopprijzen kennelijk met deze bepaling in strijd is . ( 5 )
22 . Ondanks het feit dat verordening nr . 2349/84 van de Commissie van 23 juli 1984 inzake de toepassing van artikel 85, lid 3, van het verdrag op groepen octrooilicentieovereenkomsten waaraan slechts twee ondernemingen deelnemen ( PB 1984, L 219, blz . 15 ) niet van toepassing is op kwekersrechten, is het interessant op te merken dat deze verordening geen vrijstelling van het verbod van artikel 85, lid 1, voorziet voor overeenkomsten in het kader waarvan "één van de partijen ten aanzien van de vaststelling van prijzen, prijsfactoren of kortingen voor de produkten onder licentie aan beperkingen is onderworpen" ( artikel 3, punt 6 ). Hetzelfde geldt a fortiori voor netten van overeenkomsten .
23 . In de reeds geciteerde beschikking Gerofabriek constateerde de Commissie : "Het stelsel van de verplichte wederverkoopprijzen veroorlooft de wederverkopers evenmin hun wederverkoopprijzen zelf te bepalen aan de hand van hun eigen kosten en handelsbeleid . De vrije prijsvorming en het doorspelen van prijsvoordelen voor afnemers worden hierdoor belemmerd of ten minste aanzienlijk gereduceerd . Het prijsbindingssysteem druist aldus duidelijk in tegen de verbodsbepaling van artikel 85, lid 1 ." In casu ging het om wederverkopers zonder meer en niet om licentiehouders, en de vastgestelde prijzen verschilden van Lid-Staat tot Lid-Staat; ik meen niettemin dat bedoelde redenering in het onderhavige geval toepassing kan vinden .
24 . Ten slotte moet worden benadrukt, dat de opgelegde prijzen gelden voor gecertificeerde zaden van alle soorten, rassen en klassen waarvan Erauw-Jacquery houder van het kwekersrecht dan wel gemachtigde is . De bepaling dekt dus ook andere zaden dan die welke La Hesbignonne krachtens haar overeenkomst met Erauw-Jacquery vermeerdert .
25 . Derhalve kan worden vastgesteld, dat een clausule betreffende verplichte minimumprijzen in een overeenkomst die deel uitmaakt van een bundel door dezelfde houder van het kwekersrecht of gemachtigde van buitenlandse houders gesloten identieke overeenkomsten, die ook van toepassing is op niet krachtens deze overeenkomst vermeerderde zaden, ertoe strekt de mededinging te beperken .
26 . Zoals ik aan het begin reeds heb gezegd, bevat de standaardovereenkomst ook een artikel 2 f, waarin het de handelaar/teler wordt verboden zonder voorafgaande schriftelijke machtiging van de firma Erauw-Jacquery direct of indirect zaden uit te voeren van de rassen, ongeacht hun klasse, waarvoor deze vennootschap houder van het kwekersrecht dan wel gemachtigde is . Deze bepaling betreft de export van zaden voor vermeerdering, aangezien de uitvoer van basiszaad reeds in artikel 2 a is verboden .
27 . Uit de stukken blijkt, dat de vennootschap Erauw-Jacquery, althans met betrekking tot het in het hoofdgeding bedoelde zaad van meerrijige gerst Gerbel, exclusief mandataris voor België is van SARL Florimont-Desprez te Templeneuve ( Frankrijk ). Het uitvoerverbod beschermt dus deze Franse vennootschap en haar eventuele gemachtigden in Frankrijk of andere Lid-Staten tegen de mededinging van La Hesbignonne en andere Belgische licentiehouders van Erauw-Jacquery .
28 . Het is echter niet zeker, dat deze bepaling noodzakelijkerwijs onder het verbod van artikel 85, lid 1, valt, voor zover daarin La Hesbignonne wordt verboden bedoelde zaden rechtstreeks uit te voeren . Ik moge eraan herinneren, dat de Commissie in haar beschikking Raymond-Nagoya van 9 juni 1972 ( IV/26.813 - PB 1972, L 143, blz . 39 ) overwoog, dat het verbod aan een licentiehouder om produkten uit te voeren naar de Lid-Staten van de EEG vooral vanwege de kenmerken van die produkten geen merkbare gevolgen kon hebben voor de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt . Volgens mij kan in ieder geval niet in het kader van een procedure krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een standpunt worden bepaald omtrent de verenigbaarheid van een dergelijke clausule met artikel 85, lid 1, zonder de kenmerken van het produkt en de relevante markt voldoende te kennen .
29 . Voor zover de bepaling echter ook de indirecte uitvoer verbiedt, dat wil zeggen uitvoer door derden die zaden bij La Hesbignonne hebben gekocht, zou zij er daarentegen toe kunnen bijdragen dat een absolute territoriale bescherming wordt verleend aan ondernemingen die in andere Lid-Staten het exclusieve recht tot vermeerdering van meerrijige gerst Gerbel hebben . Echter,
" volgens vaste rechtspraak van het Hof ( gevoegde zaken 56 en 58/64, Consten, Jurispr . 1966, blz . 429 ) leidt de aan een licentiehouder verleende absolute gebiedsbescherming, bedoeld om nevenimporten te controleren en te belemmeren, tot een met het EEG-Verdrag strijdige kunstmatige handhaving van de afzonderlijke nationale markten" ( zaak 258/78, Nungesser, Jurispr . 1982, blz . 2015, 2070, r.o . 61 )."
Artikel 2 f heeft derhalve ten doel, de mededinging te beperken .
30 . B - Om onder het verbod van artikel 85, lid 1, te vallen, dienen overeenkomsten niet alleen de concurrentie te beperken, doch tevens de handel tussen Lid-Staten ongunstig te kunnen beïnvloeden .
31 . In het reeds geciteerde arrest LTM heeft het Hof in dit verband de volgende criteria opgesteld :
" De overeenkomst moet, gezien het geheel harer objectieve bestanddelen - feitelijk en rechtens - met een voldoende mate van waarschijnlijkheid doen verwachten, dat zij, al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, op het ruilverkeer tussen Lid-Staten een zodanige invloed kan uitoefenen, dat de totstandkoming van een gemeenschappelijke markt tussen genoemde staten wordt belemmerd . Met name ware na te gaan, of de overeenkomst belemmeringen in de weg kan leggen aan de markt voor bepaalde tussen de Lid-Staten verhandelde produkten ."
Het spreekt vanzelf dat een bepaling die zelfs indirecte uitvoer verbiedt, aan laatstgenoemd criterium voldoet .
32 . Dan resteert nog de vraag, of de minimumprijsclausule de handel tussen Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden . In zijn arresten van 17 oktober 1972 ( zaak 8/72, Vereeniging van Cementhandelaren, Jurispr . 1972, blz . 977, r.o . 29 ) en van 26 november 1975 ( zaak 73/74, Papiers Peints, Jurispr . 1975, blz . 1491, r.o . 25 e.v .) verklaarde het Hof, dat
" de enkele omstandigheid dat een ondernemersafspraak ... alleen de verhandeling der produkten in een enkele Lid-Staat betreft, niet meebrengt dat de handel tussen Lid-Staten niet ongunstig kan worden beïnvloed ."
Weliswaar ging het in die zaken om horizontale kartels tussen producenten, doch het in casu door alle licentiehouders van Erauw-Jacquery toegepaste stelsel van minimumprijzen staat nagenoeg gelijk met een dergelijk horizontaal kartel, ook al bevat dit net van overeenkomsten ook een verticaal bestanddeel .
33 . Een ander arrest dat in dit verband interessant is, is het arrest van 30 januari 1985, ( zaak 123/83, BNIC, Jurispr . 1985, blz . 391, 425 ), betreffende een overeenkomst waarbij onder meer de prijs werd vastgesteld van voor de produktie van cognac gebruikte brandewijn, dat wil zeggen een halfprodukt dat normaliter niet buiten de Cognac wordt verzonden . Terzake verklaarde het Hof, dat
" elke overeenkomst die ertoe strekt of ten gevolge heeft dat de mededinging wordt beperkt door de vaststelling van minimum inkoopprijzen voor een halfprodukt, de intracommunautaire handel ongunstig kan beïnvloeden, zelfs wanneer dit produkt zelf niet tussen de Lid-Staten wordt verhandeld, doch de grondstof vormt voor een ander produkt dat elders in de Gemeenschap in de handel wordt gebracht ."
34 . Men kan zich op het standpunt stellen dat het in het hoofdgeding bedoelde vermeerderingszaad een halfprodukt is en consumptiegraan ( in casu gerst ) een eindprodukt, dat zeer waarschijnlijk uit België wordt uitgevoerd .
35 . Met betrekking tot het halfprodukt zagen we, dat La Hesbignonne zich moest verplichten, niet zonder toestemming zaden uit te voeren van de rassen, ongeacht hun klasse, waarvoor Erauw-Jacquery houder van het kwekersrecht of gemachtigde is . Zij zou echter dergelijke zaden in België kunnen verkopen aan een handelaar die openlijk of heimelijk van plan is ze naar een andere Lid-Staat uit te voeren . ( Ik denk hierbij aan het geval van een verkoopovereenkomst die in België door overeenstemming tussen partijen over de prijs en het voorwerp perfect is geworden .) In dat geval zou misschien kunnen worden geëxporteerd, doch niet beneden de minimumprijs . Door de hoogte van de prijs zou een dergelijke transactie onaantrekkelijk kunnen worden, hetgeen dan zou neerkomen op een ongunstige beïnvloeding van de intracommunautaire handel .
36 . Ten slotte de vraag, of de invoer in België door een dergelijke bepaling ongunstig kan worden beïnvloed ( met dien verstande dat de overeenkomst geen invoerverbod bevat ). In dit verband kan men zich afvragen, of de contractueel met Erauw-Jacquery verbonden handelaren/telers belang erbij zouden hebben, uit het buitenland vermeerderingsgraan in te voeren, dat zij krachtens hun overeenkomsten zelf kunnen vermeerderen . Aangenomen dat zij niettemin in België dergelijk, in een andere Lid-Staat tegen een lage prijs gekocht zaaigraan zouden willen verkopen, dan zou een mimimumverkoopprijsclausule gelden . Zij zouden dus het eventuele concurrentievoordeel verliezen dat een verkoop van deze granen in België beneden de minimumprijs voor hen zou kunnen opleveren . In die zin zou de invoer door een dergelijke bepaling potentieel ongunstig kunnen worden beïnvloed .
37 . Moet bovendien nog worden aangetoond, dat de beperking van de mededinging en de potentieel ongunstige beïnvloeding van de handel tussen Lid-Staten als merkbaar kunnen worden gekwalificeerd? Bij lezing van de verwijzingsbeschikking blijkt duidelijk, dat de twijfels van de Rechtbank van Koophandel te Luik voornamelijk deze punten betreffen .
38 . In twee recente arresten ( van 1 oktober 1987, reeds geciteerde zaak 311/85, en van 3 december 1987, zaak 136/86, BNIC, Jurispr . 1987, blz . 4789 ) lijkt het Hof dit, in het verleden zo dikwijls toegepaste, criterium niet meer te hebben gehanteerd . ( 6 ) Nadat het Hof namelijk had vastgesteld, dat een overeenkomst, als bedoeld in het hoofdgeding in die zaak, tot beperking van de mededinging leidde en de handel tussen Lid-Staten ongunstig kon beïnvloeden, trok het daaruit terstond de conclusie dat een overeenkomst van dien aard "in strijd was met artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag" respectievelijk "viel onder het verbod" van dit artikel .
39 . Met betrekking tot de bepaling betreffende de verplichte minimumprijzen en die waarbij indirecte uitvoer wordt verboden, zou u hier dus tot dezelfde bevinding kunnen komen .
40 . Mocht dat niet het geval zijn, dan zij eraan herinnerd dat in het kader van een prejudiciële procedure alleen de nationale rechter bevoegd is vast te stellen, of, gelet op alle kenmerken van het hem voorgelegde geding en de meer volledige gegevens waarover hij beschikt of die hij zich nog kan verschaffen, de door het Hof vastgestelde beperking van de concurrentie en de beïnvloeding van de handel tussen Lid-Staten als merkbaar moet worden gekwalificeerd .
41 . Gelet op de aard van het hoofdgeding lijkt deze laatste weg mij aangewezen . Het Hof kan de nationale rechter echter aanwijzingen geven die hem bij zijn taak kunnen helpen .
42 . Met betrekking tot de vraag of de mededinging door het verbod van indirecte uitvoer en de verplichte minimumprijzen merkbaar wordt beperkt, moet worden aangenomen dat dit zeer waarschijnlijk het geval is .
43 . Argumenten hiervoor zijn : het feit dat we hier te maken hebben met een bundel overeenkomsten, de omvang van de door de andere licentiehouders van Erauw-Jacquery gestelde schade, de oppervlakte van het gebied waarop zij en La Hesbignonne meerrijige gerst Gerbel telen, alsmede het feit dat de bepalingen van de overeenkomst ook betrekking hebben op andere zaden dan die welke La Hesbignonne op grond van haar overeenkomst met Erauw-Jacquery vermeerdert .
44 . Voorts moet naar mijn mening met betrekking tot de eventuele merkbare beïnvloeding van de handel tussen Lid-Staten onderscheid worden gemaakt tussen de beide bepalingen . Het verbod van indirecte uitvoer voldoet zeer waarschijnlijk aan deze voorwaarde, omdat het de neveninvoer van bedoelde zaden in de andere Lid-Staten onmogelijk maakt .
45 . Minder duidelijk ligt de situatie met betrekking tot de bepaling inzake de minimumprijzen . Het komt mij voor, dat voor de beslechting van het hoofdgeding een aantal feitelijke elementen dienen te worden opgehelderd .
46 . De onderhavige overeenkomsten bevatten geen bepaling waarbij de invoer van vermeerderingszaden wordt verboden . Gebruikt Erauw-Jacquery echter - zoals La Hesbignonne beweert - andere middelen om die invoer onmogelijk te maken?
47 . Kan de binnenlandse produktie van België de behoeften van het land dekken of moeten zaden worden ingevoerd? Zo ja, mogen zaden die identiek zijn aan of gelijken op die waarop de door Erauw-Jacquery gesloten overeenkomsten betrekking hebben, in België worden aangeboden tegen lagere prijzen dan die welke uit de gewraakte overeenkomsten voortvloeien? Of kan België daarentegen zijn eigen behoefte dekken of is het zelfs een netto-exporteur van zaden? Wat is het percentage van de Belgische zaadproduktie dat Erauw-Jacquery en haar gezamenlijke licentiehouders voor hun rekening nemen? Hoe staat het in dit opzicht met gerstzaden? Vormen deze een afzonderlijke markt? Zou België op grond van zijn produktie potentieel gerst kunnen gaan exporteren of zijn gerstuitvoer kunnen verhogen, wanneer geen net van overeenkomsten zou bestaan, waarbij minimumprijzen voor deze zaden worden voorgeschreven? Het staat vast, dat alleen de nationale rechter omtrent deze vragen opheldering kan verkrijgen .
Conclusie
48 . Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de vraag van de Rechtbank van Koophandel te Luik te beantwoorden als volgt :
"1 ) Artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag verzet zich niet tegen een clausule, waarin het een handelaar/teler wordt verboden basiszaden die hem door de houder van het kwekersrecht of zijn gemachtigde uitsluitend met het oog op vermeerdering ter beschikking zijn gesteld, te verkopen, of uit te voeren .
2 ) Clausules waarbij minimumprijzen bindend worden voorgeschreven en ook indirecte uitvoer wordt verboden van vermeerderingszaad, die voorkomen in een overeenkomst die identiek is met andere overeenkomsten die door dezelfde houder van het kwekersrecht of gemachtigde van buitenlandse houders van kwekersrechten van zaad zijn gesloten en die ook van toepassing zijn op niet krachtens deze overeenkomst vermeerderde zaden, strekken ertoe de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te vervalsen en kunnen de handel tussen Lid-Staten ongunstig beïnvloeden .
Het staat aan de nationale rechter om vast te stellen of de beperking van de mededinging en de beïnvloeding van het intracommunautaire handelsverkeer als merkbaar moet worden gekwalificeerd ."
(*) Vertaald uit het Frans .
( 1 ) Zaak 258/78, Jurispr . 1982, blz . 2015 .
( 2 ) Arrest van 8 juni 1982, zaak 258/78, Nungesser, Jurispr . 1982, blz . 2015, r.o . 28; arrest van 14 september 1982, zaak 144/81, Keurkoop, Jurispr . 1982, blz . 2853, r.o . 27 en 28; arrest van 22 juni 1976, zaak 119/75, Terrapin, Jurispr . 1976, blz . 1039, r.o . 5, 3e alinea; arrest van 8 juni 1971, zaak 78/70, Deutsche Gramophon, Jurispr . 1971, blz . 487, r.o . 6, 2e alinea .
( 3 ) De term "basiszaad" wordt gebruikt in de zin van zaad dat is voortgebracht onder verantwoordelijkheid van de kweker volgens de regels voor de stelselmatige instandhouding met betrekking tot het ras ( artikel 2 c van richtlijn 66/402 van 14 juni 1966, PB 1966, L 125, blz . 2309 ).
( 4 ) Zaak 56/65, Jurispr . 1966, blz . 392 .
( 5 ) Arrest van 17 oktober 1972, zaak 8/72, Vereeniging van Cementhandelaren, Jurispr . 1972, blz . 977, r.o . 19; arrest van 26 november 1975, zaak 73/74, Papiers Peints, Jurispr . 1975, blz . 1491, r.o . 10 .
( 6 ) Zie in het bijzonder het arrest van 20 juni 1978, zaak 28/77, Tepea/Commissie, Jurispr . 1978, blz . 1391, en het arrest van 16 juni 1981, zaak 126/80, Salonia, Jurispr . 1981, blz . 1563 .
Top