Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn van 17 december 1987. - S. P. R. L. ARCADO TEGEN S. A. HAVILAND. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL. - EEG-EXECUTIEVERDRAG - RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST. - ZAAK 9/87.
Jurisprudentie 1988 bladzijde 01539
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
SA Haviland, een in Frankrijk gevestigde naamloze vennootschap naar Frans recht, wees in 1967 de NV Agecobel aan als handelsagent voor de verkoop van haar produkten in België en Luxemburg . In 1978 had Haviland naar haar zeggen talrijke klachten ontvangen over Agecobel, waarop zij de agentuurovereenkomst per 31 oktober 1978 opzegde . Agecobel verzocht daarop de Rechtbank van Koophandel te Brussel, Haviland te veroordelen tot betaling van achterstallig commissieloon en schadevergoeding wegens onrechtmatige opzegging van de overeenkomst . Haviland verweerde zich met een beroep op onbevoegdheid van de Rechtbank en vorderde in reconventie betaling van de openstaande rekeningen .
De Rechtbank van Koophandel verklaarde zich bevoegd op grond van artikel 5, sub 1, van het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ( hierna : Executieverdrag ) en veroordeelde Haviland tot betaling van schadevergoeding en achterstallig commissieloon . Tevens wees zij Havilands vordering in reconventie toe .
PVBA Arcado, een in België gevestigde vennootschap naar Belgisch recht, trad onder niet nader verklaarde omstandigheden in de rechten en verplichtingen van Agecobel . Als zodanig werd zij partij in het hoger beroep van het vonnis van de Rechtbank van Koophandel bij het Hof van Beroep te Brussel; daarbij zijn thans de hoogte van het commissieloon en de in eerste instantie toegekende schadeloosstelling in geding . Haviland betoogt in repliek, dat de schadevordering wegens onrechtmatige opzegging van de overeenkomst een vordering is ten aanzien van een verbintenis uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 5, sub 3, Executieverdrag, en dat de rechter te Brussel niet bevoegd is daarvan kennis te nemen .
Volgens het Hof van Beroep verleent de vordering tot betaling van commissieloon aan het geschil duidelijk een contractueel karakter; het betwijfelt evenwel, of een schadevordering wegens onrechtmatige opzegging wel valt onder artikel 5, sub 1, Executieverdrag, indien aan deze bepaling een autonome uitlegging moet worden gegeven . Naar Belgisch of Frans recht zou de vordering als een vordering ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst moeten worden beschouwd .
Onder die omstandigheden heeft het Hof van Beroep de volgende prejudiciële vraag gesteld :
" Vormt een geschil betreffende de onrechtmatige opzegging van een ( zelfstandige ) agentuurovereenkomst en betreffende de betaling van op grond van die overeenkomst verschuldigd commissieloon een geschil ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst in de zin van artikel 5, sub 1, van het EEG-Executieverdrag van 27 september 1968?"
In afwijking van de hoofdregel van artikel 2, op grond waarvan de rechter van de woonplaats van de verweerder bevoegd is, bepaalt artikel 5 Executieverdrag het volgende :
" De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, kan in een andere Verdragsluitende Staat worden opgeroepen :
1 ) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst : voor het gerecht van de plaats, waar de verbintenis, die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;
...
3 ) ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad : voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan ."
Het is een oud twistpunt of de bewoordingen van het Executieverdrag aldus moeten worden uitgelegd, dat zij in alle Lid-Staten uniform gelden, dan wel de geadieerde rechters voorschrijven hun eigen collisieregels toe te passen . Enerzijds wordt gesteld, dat een autonome uitlegging een uniform en gelijk normenstelsel in alle verdragsluitende Lid-Staten waarborgt . Anderzijds behoeft een uitlegging die de beantwoording van vragen als de onderhavige aan de collisieregels van de Lid-Staten overlaat, niet noodzakelijkerwijs in strijd te zijn met de belangrijkste doelstellingen van het Executieverdrag, te weten de bevordering van de automatische erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen die zijn gewezen onder omstandigheden die voldoende grondslag bieden voor de rechterlijke bevoegdheid .
In zaak 12/76 ( Tessili, Jurispr . 1976, blz . 1473 ) verklaarde het Hof, dat "geen van deze beide alternatieven bij uitsluiting de voorkeur verdient, daar de passende keuze slechts kan worden gedaan voor elke bepaling van het Verdrag afzonderlijk, zij het in dier voege dat de volle werking van dit Verdrag in het zicht van de doelstellingen van artikel 220 EEG-Verdrag is verzekerd", en dat een verwijzing naar het nationale recht met inbegrip van zijn collisieregels noodzakelijk kan zijn, "gezien de nog bestaande verschillen tussen de nationale rechtsbepalingen inzake overeenkomsten evenals het ontbreken van elke unificatie van het toepasselijke materiële recht in de huidige stand van de rechtsontwikkeling ".
Bij de beantwoording van de vraag of de termen en begrippen van het Executieverdrag, waarvan de betekenis per Lid-Staat kan verschillen, zelfstandig moeten worden uitgelegd dan wel aan de hand van het recht dat volgens de collisieregels van de geadieerde rechter van toepassing is, is beslissend welke uitlegging het meeste bijdraagt tot de verwezenlijking van de met het Executieverdrag nagestreefde doelstellingen . Dit geldt te meer, nu de uitzonderingen van artikel 5 zijn voorzien "ter wille van een nuttige procesinrichting in welbepaalde gevallen waarin een bijzonder nauw verband bestaat tussen een vordering en de rechter die kan worden geroepen daarvan kennis te nemen" ( zaak 33/78, Somafer, Jurispr . 1978, blz . 2183, r.o . 7 ).
Indien over deze vragen geen jurisprudentie bestond, zou ik geneigd zijn aan te nemen dat, wanneer een vordering naar beweerd wordt betrekking heeft op een overeenkomst, talrijke argumenten pleiten voor de regel volgens welke de geadieerde rechter moet beslissen, welk recht op de gegeven omstandigheden toepasselijk is om vervolgens overeenkomstig dat recht te beslissen, of er sprake is van een verbintenis uit overeenkomst en welke de plaats van uitvoering van de verbintenis is . Dit kan stellig leiden tot antwoorden die van rechter tot rechter verschillen met betrekking tot de vraag, of er al dan niet sprake is van een verbintenis uit overeenkomst . Evenwel vermijdt men aldus het conflict dat kan ontstaan indien volgens een zelfstandige uitlegging sprake is van een verbintenis uit overeenkomst, terwijl er volgens het recht dat de betrokken feiten beheerst of volgens het recht van de plaats van tenuitvoerlegging van de verbintenis in het geheel geen overeenkomst bestaat .
Over deze vragen bestaat echter reeds rechtspraak . Het in artikel 1 Executieverdrag gebezigde begrip "burgerlijke en handelszaken" is volgens het Hof een autonoom begrip, dat moet worden uitgelegd aan de hand van het stelsel en de doelstellingen van het Verdrag alsmede de algemene beginselen die alle nationale rechtsstelsels gemeen hebben ( zaak 814/79, Nederland/Roeffer, Jurispr . 1980, blz . 3807, r.o . 7, in aansluiting op zaak 29/76, LTU, Jurispr . 1976, blz . 1541, r.o . 3 ). Evenzo overwoog het Hof in zaak 33/78 ( Somafer, Jurispr . 1978, blz . 2191, r.o . 8 ) dat het streven naar rechtszekerheid en gelijkheid van de rechten en verplichtingen van partijen ten aanzien van de bevoegdheid, af te wijken van de algemene bevoegdheidsregel van artikel 2, ertoe noopt de in artikel 5, sub 5, genoemde begrippen op autonome en dus voor alle verdragsluitende staten gelijke wijze uit te leggen . Met name in zaak 34/82 ( Peters/ZNAV, Jurispr . 1983, blz . 987 ) preciseerde het Hof reeds, dat de term "verbintenissen uit overeenkomst" in artikel 5, sub 1, moet worden beschouwd als een communautair begrip en dat bij de uitlegging ervan aansluiting moet worden gezocht bij het stelsel en de doelstellingen van het Verdrag ( r.o . 9 en 10 ).
Het Hof heeft zich derhalve op het standpunt gesteld, dat de in het Executieverdrag vervatte begrippen inzake de werkingssfeer van het Verdrag en van de in artikel 5 voorziene afwijkingen van de algemene regel van artikel 2, lid 1, autonoom moeten worden uitgelegd in overeenstemming met het stelsel en de doelstellingen van het Verdrag, en niet door verwijzing naar de nationale rechtsstelsels . Daarentegen moet de plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd, worden vastgesteld overeenkomstig het recht dat volgens de collisieregels van de aangezochte rechter de litigieuze verbintenis beheerst ( zaak 133/81, Ivenel, Jurispr . 1982, blz . 1891, r.o . 7, in aansluiting op zaak 12/76, Tessili, Jurispr . 1976, blz . 1473 ). Deze opvatting vindt ook bevestiging in het arrest van 15 januari 1987 ( zaak 266/85, Shenavai ). De bepaling van de draagwijdte van de afwijking en de vaststelling van de plaats waar de verbintenis moet worden uitgevoerd, zijn derhalve afzonderlijke vragen, waarvoor het Hof verschillende benaderingen heeft gevolgd .
Gelet op deze rechtspraak komt het mij voor, dat de gestelde vraag moet worden beantwoord aan de hand van het Executieverdrag en niet aan de hand van een bepaald nationaal rechtsstelsel .
Zoals gezegd, moet het Executieverdrag zelf worden uitgelegd aan de hand van het stelsel en de doelstellingen van het Verdrag alsmede van de algemene beginselen die alle nationale rechtsstelsels gemeen hebben ( zaak 814/79, Nederland/Roeffer ). In vele gevallen kan, zoals in de zaak Peters, een gedetailleerde verwijzing naar de rechtsstelsels van de Lid-Staten nodig zijn om vast te stellen, of er sprake is van een vordering uit overeenkomst . In duidelijke gevallen is een dergelijk gedetailleerd onderzoek niet steeds noodzakelijk . Zo verklaarde het Hof in zaak 14/76 ( De Bloos, Jurispr . 1976, blz . 1497 ) zonder gedetailleerde vergelijking, dat een vordering die de concessiehouder van een alleenverkoopovereenkomst wegens eenzijdige opzegging tegen de concessiegever heeft ingesteld om rechterlijke ontbinding van de overeenkomst en betaling van schadevergoeding te verkrijgen, in de contractuele sfeer valt .
Het komt mij voor dat, indien een vordering wordt ingesteld waarin als wezenlijk element van de eis het bestaan wordt aangevoerd van hetgeen, indien tot stand gekomen, als een overeenkomst zou worden beschouwd ( zelfs wanneer het bestaan van een overeenkomst tussen partijen in geding is ) ( zaak 38/81, Effer, Jurispr . 1982, blz . 825 ), die vordering moet worden aangemerkt als een vordering "ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst" in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag .
Aan dat vereiste is in casu duidelijk voldaan . De vordering tot betaling van krachtens de agentuurovereenkomst verschuldigd commissieloon berust zonder meer op een verbintenis uit overeenkomst; partijen zijn het daar thans ook over eens . Hetzelfde geldt mijns inziens voor de vordering tot schadevergoeding wegens voortijdige en onverwachte opzegging van de overeenkomst . De essentie van die vordering is, dat de overeenkomst voorzag in een redelijke opzegtermijn; deze clausule is niet in acht genomen en daarvoor wordt schadeloosstelling gevorderd .
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de gestelde vraag te beantwoorden als volgt :
" Een geschil betreffende de onrechtmatige opzegging van een ( zelfstandige ) agentuurovereenkomst en de betaling van op grond van die overeenkomst verschuldigd commissieloon is een geschil ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag ."
De verwijzende rechter zal hebben te beslissen over de kosten van partijen in het hoofdgeding . De kosten van de Commissie en de Lid-Staten die in deze zaak opmerkingen hebben ingediend, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen .
(*) Vertaald uit het Engels .
Top