Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Lenz van 19 januari 1988. - EXECUTIF REGIONAL WALLON EN S. A. GLAVERBEL TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - STEUNMAATREGELEN VAN STATEN - VLAKGLASINDUSTRIE - GLAS MET PYROLITISCHE LAGEN. - GEVOEGDE ZAKEN 62/87 EN 72/87.
Jurisprudentie 1988 bladzijde 01573
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - De feiten
1 . In de twee gevoegde zaken waarin ik thans conclusie neem, gaat het over de vraag of de Commissie van de Europese Gemeenschappen ( verweerster ) het Koninkrijk België terecht heeft verboden, één van zijn gewestelijke organen ( de Waalse Gewestexecutieve, verzoekster in zaak 62/87 ), investeringssteun te laten toekennen aan NV Glaverbel ( verzoekster in zaak 72/87 ).
2 . In 1982 en 1983 investeerde NV Glaverbel in haar fabriek te Moustier 1,2 miljard BFR om een vlakglasproduktielijn te vernieuwen, een andere te moderniseren en de capaciteit van een produktielijn voor pyrolytisch gecoat glas te ontwikkelen . Onder voorbehoud van goedkeuring door de Europese Economische Gemeenschap, had de Belgische staat in het vooruitzicht gesteld dat hij deze investering zou steunen door met toepassing van een wet van 17 juli 1959 een rentesubsidie en een kapitaalpremie toe te kennen en Glaverbel vrijstelling van onroerende voorheffing te verlenen, wat alles te zamen overeenkwam met een nettosubsidie van 5,8 % van het totale geïnvesteerde bedrag . In november 1984 werd de steunmaatregel definitief toegezegd . In november 1985 stelde de Belgische regering de Commissie in kennis van haar voornemen om deze investeringssteun toe te kennen .
3 . Deze steunmaatregel werd aan een onderzoek onderworpen, in het kader waarvan de Belgische regering, de regeringen van twee andere Lid-Staten, een federatie en een produktiegroep van de betrokken sector en de betrokken onderneming zelf opmerkingen hebben gemaakt .
4 . Bij beschikking van 3 december 1986 ( 1 ) stelde de Commissie van de Europese Gemeenschappen vast, dat de voorgenomen investeringssteun niet mocht worden toegekend . Zij stelde zich op het standpunt, dat de voorgenomen steunmaatregel het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig zou beïnvloeden en de mededinging zou vervalsen . De steunmaatregel zou dus ingevolge artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag principieel onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, en aan de voorwaarden voor een afwijking conform artikel 92, leden 2 en 3, EEG-Verdrag zou evenmin zijn voldaan .
5 . De Waalse Gewestexecutieve, inmiddels voor het Waalse landsgedeelte van België bevoegd voor maatregelen ter bevordering van de gewestelijke economische ontwikkeling, en de NV Glaverbel zijn van mening dat deze beschikking onwettig is . Wat de grond van de zaak betreft, beroepen zij zich op onjuiste toepassing van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag en op niet-toepassing van de afwijkende bepalingen van artikel 92, lid 3, sub b en c, EEG-Verdrag; en voorts op miskenning van de in artikel 190 EEG-Verdrag voorgeschreven motiveringsplicht .
6 . Verder beklaagt de Waalse Gewestexecutieve zich erover, dat de Commissie haar recht om te worden gehoord heeft geschonden .
7 . Op deze gronden concluderen verzoeksters tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 3 december 1986 en verwijzing van verweerster in de kosten van het geding .
8 . Verweerster concludeert tot verwerping van de beroepen en verwijzing van verzoeksters in de kosten van het geding .
9 . Verweerster acht haar beschikking van 3 december 1986 wettig; ter verduidelijking van deze beschikking heeft zij een aantal aanvullende opmerkingen gemaakt .
10 . In de loop van mijn conclusie zal ik nader ingaan op de inhoud van de bestreden beschikking en op diverse punten uit het betoog van partijen . Voor het overige verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting .
B - Conclusie
I - De ontvankelijkheid
11 . 1 ) De ontvankelijkheid van het beroep van NV Glaverbel staat buiten kijf . Als eventueel begunstigde van de litigieuze steunmaatregel wordt zij door verweersters beschikking rechtstreeks en individueel geraakt in de zin van artikel 173, lid 2, EEG-Verdrag .
12 . 2 ) In beginsel kan evenmin worden getwijfeld aan de ontvankelijkheid van het beroep van de Waalse Gewestexecutieve . Ook dit orgaan moet als een rechtspersoon in de zin van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag worden gezien . In haar hoedanigheid van orgaan dat thans bevoegd is om in België de betrokken steun toe te kennen, wordt ook zij rechtstreeks en individueel geraakt .
13 . Dit geldt evenwel niet voor alle onderdelen van haar grieven . Een met overheidsbevoegdheden uitgerust orgaan van een Lid-Staat kan, zelfs bij de uitvoering van taken die tot de bevoegdheid van de staat behoren, niet worden beschouwd als een Lid-Staat in de zin van artikel 173, lid 1, EEG-Verdrag . Bijgevolg moet het als rechtspersoon in de zin van artikel 173, lid 2, EEG-Verdrag zijn procesbelang aantonen . ( 2 ) Wat de grond van de zaak betreft, staat het procesbelang van de Waalse Gewestexecutieve stellig buiten kijf; ten aanzien van de grieven in verband met het door de Commissie in de loop van de administratieve procedure geschonden recht om te worden gehoord, heeft de Waalse Gewestexecutieve dit procesbelang evenwel niet aangetoond . Verweersters beschikking was niet tot haar gericht, en evenmin heeft zij aan bedoelde administratieve procedure deelgenomen, ook niet door opmerkingen in te dienen . Haar rechten kunnen dus tijdens de administratieve procedure niet zijn geschonden . In dit verband kan buiten beschouwing worden gelaten, of het Koninkrijk België zich als adressaat van de beschikking had kunnen beroepen op een eventuele schending van het recht van verweer van de vennootschap Glaverbel; aangezien de Waalse Gewestexecutieve in ieder geval niet kan worden beschouwd als een Lid-Staat in de zin van artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag, kan de - alleen door haar naar voren gebrachte - grief van miskenning van het recht om te worden gehoord, niet ontvankelijk worden geacht .
II - Ten gronde
14 . Bij de bespreking van de gegrondheid van het beroep zal ik mij houden aan de volgorde van de reeds vermelde middelen ten gronde, en tegelijkertijd ook de middelen ontleend aan een ontoereikende motivering in de zin van artikel 190 EEG-Verdrag bespreken, aangezien materiële en formele grieven wat dit aangaat niet te scheiden zijn .
1 . Toepassing van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag - Bestaan van een steunmaatregel
15 . Verzoeksters betwisten om te beginnen, dat er sprake is van een steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1, aangezien de steun onbetekenend was in verhouding tot de produktie die diende te worden bevorderd, en dus onmogelijk de mededinging kon vervalsen of het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig kon beïnvloeden .
16 . In de eerste plaats zij opgemerkt, dat de voorgenomen steun van 5,8 % van het bedrag van de investeringen ( 1,2 miljard BFR ) voor de begunstigde onderneming op een verlichting van de met de investering gepaard gaande financiële lasten met circa 70 miljoen BFR ( 3 ) neerkwam . Hoewel het Hof van Justitie in het kader van de mededingingsregels van artikel 85 EEG-Verdrag zijn goedkeuring heeft gehecht aan de praktijk van de Commissie om mededingingsbeperkingen door ondernemingen die noch de mededinging noch het handelsverkeer tussen de Lid-Staten merkelijk beïnvloeden, van het verbod van artikel 85 vrij te stellen, lijkt het mij toch niet raadzaam, deze praktijk ook toe te passen op het steunverbod van artikel 92 EEG-Verdrag . Voor een dergelijke ontheffing van het principiële steunverbod zijn geen argumenten te vinden in de tekst van de terzake geldende bepalingen noch in 's Hofs rechtspraak tot op heden . ( 4 ) Aangezien staatssteun indruist tegen het door het Verdrag gewilde stelsel van onvervalste mededinging en de Lid-Staten ingevolge artikel 5 EEG-Verdrag verplicht zijn de Gemeenschap de vervulling van haar taak te vergemakkelijken, is het in beginsel gerechtvaardigd om voor de handelwijze van de Lid-Staten strengere criteria te hanteren dan voor die van de ondernemingen . Bovendien is het stelsel van uitzonderingen in artikel 92, leden 2 en 3, meer gedifferentieerd dan bijvoorbeeld in artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag : zo zijn ingevolge artikel 92, lid 2, bepaalde steunmaatregelen principieel met de gemeenschappelijke markt verenigbaar, en kunnen ingevolge artikel 92, lid 3, sub a tot c, bepaalde steunmaatregelen door de Commissie als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd . Daarenboven kan ingevolge artikel 92, lid 3, sub d, de Raad, op voorstel van de Commissie, andere soorten steunmaatregelen geoorloofd verklaren, dat wil zeggen maatregelen die in beginsel niet verenigbaar zijn met de inhoud van artikel 92 .
17 . Gelet op deze verstrekkende uitzonderingen is het niet aannemelijk dat er nog andere, ongeschreven uitzonderingen op het steunverbod zouden kunnen zijn . De opvatting dat het verbod van artikel 92 EEG-Verdrag alleen geldt voor een merkelijke beïnvloeding van de mededinging en van het handelsverkeer tussen de Lid-Staten, kan dus niet worden aanvaard .
18 . Ook kan de beschikking van verweerster van 17 juni 1975 ( 5 ), volgens welke steunmaatregelen op grond van de Belgische wet van 17 juli 1959 e.a . slechts dan kunnen worden genomen, wanneer de individuele en kenmerkende gevallen tijdig aan de Commissie werden meegedeeld, niet aldus worden uitgelegd dat de Commissie aan het begrip merkelijke beïnvloeding in het kader van artikel 92 EEG-Verdrag de door verzoeksters voorgestane betekenis toekent . Wat dit aangaat kon deze beschikking alleen de informatieplicht van het Koninkrijk België betreffen, en kon zij niets verklaren omtrent de materiële criteria aan de hand waarvan de toelaatbaarheid van een steunmaatregel moet worden getoetst . Ondanks alle aan de Commissie in de procedure ter beoordeling van steunmaatregelen toegekende, met name discretionaire bevoegdheden, zijn deze criteria in artikel 92 EEG-Verdrag zelf neergelegd, en mag de Commissie daarvan dus niet afwijken .
19 . Wil men - tegen de hier verdedigde opvatting in - aan vorenbedoelde beschikking toch een materiële betekenis toekennen, dan valt de onderhavige steunmaatregel onder artikel 2, eerste streepje, juncto artikel 1, tweede streepje, en moet hij dus als "een merkelijke beïnvloeding" worden aangemerkt .
20 . Wanneer verweerster vervolgens opmerkt, dat de producent voor wie de steun bestemd was, circa 50 % van zijn vlakglasproduktie uitvoert naar andere Lid-Staten en 20 % naar derde landen, terwijl de resterende 30 % binnen de Benelux Economische Unie - een zone die drie Lid-Staten van de Gemeenschap omvat - worden verkocht of verwerkt, staat buiten kijf dat de betrokken producent aan het handelsverkeer tussen de Lid-Staten deelneemt . Wanneer de investeringskosten van deze producent, die normaal voor zijn rekening zouden zijn geweest, worden verlicht terwijl zijn niet-gesubsidieerde concurrenten deze kosten zelf moeten dragen, ligt het voor de hand, dat zijn concurrentiepositie wordt verbeterd en de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt dus wordt vervalst . Gelet op het exportvolume van de betrokken producent, moet bovendien nog ervan worden uitgegaan dat het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig wordt beïnvloed . In dit verband zij namelijk opgemerkt dat door de voorgenomen steunmaatregel de te begunstigen onderneming niet enkel door zijn produkten waarop de concrete investering betrekking had, met andere producenten concurreert, doch door zijn hele produktenassortiment . Het is dan ook niet van belang dat juist het produkt waaraan de investering ten goede komt, met produkten van andere producenten uit de Gemeenschap concurreert; beslissend is daarentegen dat de algehele financiële situatie van een producent wordt verbeterd, zodat hij bij voorbeeld ook produkten waaraan de betrokken steunmaatregel niet ten goede is gekomen, tegen lagere prijzen kan aanbieden dan zijn concurrenten .
21 . Aan deze tussenconclusie doet niet af, dat verweerster in dit verband op sommige punten wellicht tot een beoordeling is gekomen die gelet op de feiten misschien niet gerechtvaardigd was . Verweerster heeft namelijk verklaard, dat de aan de stagnerende vraag en de geringe capaciteitsbenutting te wijten problemen van de vlakglasindustrie negatieve gevolgen hebben gehad voor de produktiviteit van de ondernemingen en tot afvloeiing van personeel en sluiting van produktie-eenheden hebben geleid . Bovendien heeft zij de overcapaciteit die in deze sector in de Gemeenschap der Tien bestond tussen 1982 en 1984 op circa 10 à 16 % van de totale capaciteit geraamd .
22 . Verzoeksters hebben verweersters argumenten betreffende de capaciteitsbenutting in wezen niet betwist, hoewel de cijfers afhankelijk van de methode van capaciteitsberekening iets kunnen verschillen . Anderzijds is verweersters standpunt, dat een capaciteitsbenutting van 84 tot 90 % als gering moet worden beschouwd, in het onderhavige geval irrelevant . Ging het bij deze cijfers inderdaad om een geringe benuttingsgraad, dan zou verweersters beschikking niet voor betwisting vatbaar zijn geweest; was het evenwel een normale of zelfs hoge benuttingsgraad, dan zou hiermee enkel zijn bewezen, dat een steunmaatregel overbodig was en dus terecht door verweerster kon worden verboden . Voor het overige volgt uit de door Glaverbel in de loop van de administratieve procedure ingediende opmerkingen, dat ook zij gedwongen was bepaalde produktiesectoren te sluiten . Bovendien blijkt uit de handelwijze van de begunstigde onderneming, dat een steunmaatregel niet nodig was, aangezien zij de betrokken investeringen reeds in de jaren 1982 en 1983 had gerealiseerd, toen de Belgische staat weliswaar reeds bepaalde beloftes inzake de steunmaatregel had gedaan, doch de Belgische autoriteiten nog geen bindende toezegging hadden gedaan, en in het bijzonder verweerster haar goedkeuring nog niet had gegeven . De voorgenomen investering kon dus op grond van de marktsituatie alleen worden gerealiseerd, zodat er aan staatssteun geen enkele behoefte bestond . Werd de steun alsnog toegekend, dan zou hij nog enkel effect hebben voor de toekomst en de algemene winstpositie van de begunstigde onderneming verbeteren, evenwel zonder aan een concreet doel ten goede te komen .
23 . Verweerster heeft dan ook terecht in de voorgenomen Belgische maatregel een steunmaatregel gezien en dit naar behoren gemotiveerd, vooral wanneer men in aanmerking neemt dat de betrokkenen tot in detail waren geïnformeerd over de situatie in de betrokken onderneming en in de betrokken economische sector . Dat verweerster eventueel ook onjuiste of overbodige opmerkingen in haar beschikking heeft opgenomen, kan de geldigheid ervan niet aantasten, voor zover althans het inhoudelijk juiste gedeelte van de considerans de beschikking kan dragen . Dit is in casu het geval, aangezien verweerster het bewijs heeft geleverd, dat de voorgenomen steunmaatregel de in artikel 92, lid 1, vermelde kenmerken vertoont .
2 . Artikel 92, lid 3, sub c, EEG-Verdrag
24 . De volgende grief is ontleend aan het feit dat verweerster geen ontheffing van het steunverbod op basis van artikel 92, lid 3, sub c, heeft verleend en dat zij de weigering van een ontheffing niet naar behoren met redenen heeft omkleed .
25 . Aangaande deze grief moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat verweerster terecht ervan is uitgegaan dat ten einde een goede werking van de gemeenschappelijke markt te waarborgen en de doelstellingen van artikel 3, sub f, EEG-Verdrag te verwezenlijken, bij het onderzoek van een steunregeling of een afzonderlijke steunmaatregel de uitzonderingsbepalingen van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag eng moeten worden uitgelegd . Met inachtneming van dit beginsel heeft verweerster verklaard, dat de vernieuwing van een float, die om de zes tot negen jaar moet geschieden, in beginsel een vervangingsinvestering is, waarvan de kosten tot de exploitatiekosten moeten worden gerekend . Het is heel normaal en in het belang van de producent zelf dat hij de modernste en meest produktieve technieken en materialen gebruikt om de bedrijfskosten te verminderen . Bijgevolg zou steun voor de periodieke vernieuwing van een float niet aan de voorwaarden van de ontwikkeling van een economische sector voldoen; zulke steun zou onvermijdelijk de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, zodanig veranderen dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad, als bedoeld in artikel 92, lid 3, sub c .
26 . Bij de bespreking van de vraag, of deze argumenten een voldoende grond opleveren voor de weigering van een ontheffing van het algemene steunverbod, zij in de eerste plaats opgemerkt, dat de verlening van zulk een ontheffing tot de discretionaire bevoegdheid van de Commissie behoort . Daaraan doet niet af, dat nadat is vastgesteld dat de feitelijke omstandigheden, bedoeld in artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag voorhanden zijn, moet worden onderzocht of toepassing kan worden gemaakt van de uitzonderingsbepalingen van artikel 92, lid 3, EEG-Verdrag . ( 6 )
27 . Het Hof heeft slechts een beperkt toezicht op de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid . Is voldaan aan de voorwaarden van artikel 92, lid 3, EEG-Verdrag, dan kan de Commissie de steunmaatregel verenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaren; niemand heeft evenwel recht op zulk een ontheffing . Dit vloeit voort uit het principiele steunverbod van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag .
28 . Verweersters argument, dat de kosten voor de periodiek noodzakelijke vernieuwing van een float een vervangingsinvestering is, die dus in beginsel deel uitmaakt van de exploitatiekosten van de onderneming, kan niet worden betwist, aangezien een regelmatige vernieuwing waarbij gebruik wordt gemaakt van de modernste en meest produktieve technieken en materialen, vanuit economisch oogpunt volstrekt normaal moet worden geacht . Voor zo' n investering wordt normaal geen staatssteun toegekend; de voorgenomen steunmaatregel kan dan ook niet worden geacht, de ontwikkeling van een economische sector te vergemakkelijken . ( 7 )
29 . Aangezien verweerster aldus heeft uiteengezet, waarom haars inziens aan één van de twee cumulatief gestelde condities van artikel 92, lid 3, sub c, EEG-Verdrag niet is voldaan, behoefde zij de tweede conditie van dat artikel niet meer te onderzoeken . Niettemin heeft zij op een op het eerste gezicht misschien niet zeer duidelijke manier onderzocht, of de voorgenomen steunmaatregel de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt zodanig verandert dat het gemeenschappelijk belang daardoor wordt geschaad . Aangezien dit onderzoek, zoals reeds gezegd, overbodig was, zou het, zelfs wanneer sommige van haar verklaringen niet relevant mochten blijken, niet afdoen aan de wettigheid van de weigering van een ontheffing .
30 . Aangezien zelfs verzoekster Glaverbel in de loop van de administratieve procedure heeft verklaard, dat in het verleden talrijke produktie-eenheden voor vlakglas moesten worden gesloten, en het bovendien buiten kijf is, dat ook na de sluiting van bepaalde produktie-eenheden in de Gemeenschap nog een overcapaciteit van 10 à 16 % bestond, valt niets in te brengen tegen verweersters opvatting, dat de voorgenomen steunmaatregel de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, zodanig beïnvloedde dat het gemeenschappelijk belang werd geschaad, ook al ging de investering gepaard met technische innovaties . Aangezien een groot deel van de totale produktie van de betrokken onderneming wordt uitgevoerd, brengt de steun een wijziging in de situatie waarin het handelsverkeer zonder die maatregel zou plaatsvinden; aangezien ook na de sluiting van een groot aantal produktie-eenheden de capaciteit in deze industrietak in de Gemeenschap nog steeds niet volledig wordt benut ( 8 ), kan een eenzijdige steunmaatregel van één Lid-Staat niet in het gemeenschappelijk belang zijn, aangezien deze noodzakelijkerwijs tot gevolg moest hebben, dat ook andere ondernemingen in andere Lid-Staten vergelijkbare steun zouden moeten ontvangen om met eerstbedoelde onderneming te kunnen blijven concurreren . Ook hier behoeft niet in bijzonderheden te worden onderzocht, in hoeverre het produkt waarvoor de steun is verleend, met andere produkten concurreert, aangezien - zoals gezegd - moet worden uitgegaan van de totale kostenstructuur van de gesubsidieerde onderneming, waarvan de lasten door de voorgenomen steunmaatregel ongetwijfeld worden verlicht .
31 . Voorts beklagen verzoeksters zich erover, dat verweerster in haar beschikking geen rekening heeft gehouden met het feit dat de voorgenomen steunmaatregel gepaard is gegaan met een herstructurering van de onderneming . Inderdaad moet worden erkend, dat de uitdrukking herstructurering in verweersters beschikking niet voorkomt . Hetzelfde geldt evenwel ook voor de documenten die het Koninkrijk België en verzoekster Glaverbel aan verweerster hebben laten toekomen . Inhoudelijk is verweerster in haar verklaringen betreffende de met de investering gepaard gaande technische innovaties evenwel voor een deel ingegaan op de herstructurering . Voor het overige zij gewezen op de verklaringen van Glaverbel zelf, dat de herstructurering van de onderneming in 1983 grotendeels voltooid was en dateerde van vóór de investering die met de litigieuze steun diende te worden vergemakkelijkt .
32 . Verweerster mocht dan ook het verzoek om een ontheffing van het algemene steunverbod afwijzen, en heeft deze afwijzing naar behoren met redenen omkleed . Verzoeksters grief kan dan ook niet worden aanvaard .
3 . Artikel 92, lid 3, sub b, EEG-Verdrag
33 . Voorts verwijten verzoeksters de Commissie, dat zij haar motiveringsplicht ex artikel 190 EEG-Verdrag heeft miskend, waar zij heeft verklaard dat de bewuste steun duidelijk niet bestemd was om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen .
34 . In verband met deze wel zeer summiere motivering heeft verweerster in de procedure voor het Hof verklaard, dat een project van gemeenschappelijk Europees belang kan zijn, indien het deel uitmaakt van een het nationale kader overstijgend Europees programma, door de verschillende regeringen gezamenlijk op gecooerdineerde wijze wordt gesteund of een onderdeel is van een actie waartoe de Lid-Staten in onderling overleg hebben besloten . De vernieuwing of modernisering van één van de 25 vlakglasproduktielijnen in de Gemeenschap kan niet als een zodanig project worden gezien .
35 . Volgens 's Hofs vaste rechtspraak moet de redengeving van een bezwarend besluit het Hof in staat stellen tot het uitoefenen van zijn rechtmatigheidscontrole en de betrokkene de nodige gegevens verschaffen om uit te maken of het besluit gegrond is of niet . ( 9 )
36 . De verplichting om de beschikkingen te motiveren moet in beginsel worden afgestemd op de context waarin die beschikkingen worden gegeven en van de argumenten van partijen in de administratieve procedure . De Commissie behoeft in een beschikking over een probleem waarover partijen volledig zijn geïnformeerd, niet op alle denkbare details in te gaan ( 10 ), zelfs niet wanneer bedoeld detail in de loop van de administratieve procedure niet ter sprake is gekomen .
37 . Dat is precies wat zich in casu heeft voorgedaan . Noch de Belgische regering, noch de firma Glaverbel hebben zich in de loop van de administratieve procedure erop beroepen dat het om een "belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang" zou gaan . Zij hebben enkel aangegeven dat door de investering de positie van de Gemeenschap op exportmarkten zou worden versterkt en de onafhankelijkheid van de Gemeenschap van importen zou worden gegarandeerd .
38 . Waar één van de fundamentele doelstellingen van de Gemeenschap ingevolge artikel 3, sub b, EEG-Verdrag de invoering van een gemeenschappelijke handelspolitiek ten opzichte van derde staten is, en dit volgens artikel 110 EEG-Verdrag onder meer een bijdrage dient te leveren tot een harmonische ontwikkeling van de wereldhandel, lijkt het inderdaad voor de hand te liggen dat het streven naar autarkie en de wens om de wereldmarkt te veroveren, niet als een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang kunnen worden gezien . Een diepgaander motivering was dus niet nodig .
39 . Ook de vermelding van het feit dat Glaverbel in het kader van het "ESPRIT"-programma ( 11 ) meewerkt aan de ontwikkeling van foto-elektrische cellen, levert geen grond op voor een herziening van dit standpunt . In zijn geheel beschouwd kan dit programma ongetwijfeld als een "belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang" worden aangemerkt . Dit geldt evenwel niet meteen ook voor elk van de 220 ESPRIT-projecten, die de Commissie heeft uitgekozen en waarvan er 201 in uitvoering zijn ( 12 ). Verzoeksters hadden zelf moeten verduidelijken, waarom juist dit project van "gemeenschappelijk Europees belang" was en in hoeverre het in verband kon worden gebracht met de investeringen die in 1982 en 1983 zijn gedaan . Dit is evenwel niet gebeurd .
40 . Gezien de apodictische beknoptheid van verzoeksters verwijzing, is niets aan te merken op de even apodictische afwijzing door verweerster .
C - Conclusie
41 . Mitsdien geef ik het Hof in overweging de beroepen te verwerpen en verzoeksters te verwijzen in de kosten van het geding .
(*) Vertaald uit het Duits .
( 1 ) PB 1987, L 77, blz . 47 .
( 2 ) Zie het arrest van 11 juli 1984, zaak 222/83, Gemeente Differdange/Commissie, Jurispr . 1984, blz . 2889, inz . blz . 2896 .
( 3 ) D.w.z . circa 1,6 miljoen ecu tegen de convertibele koers van 28 november 1986 - zie Bulletin 11/86, blz . 144; de bestreden beschikking is gedagtekend op 3 december 1986 .
( 4 ) Zie in het bijzonder het arrest van 17 september 1980, zaak 730/79, Philip Morris/Commissie, Jurispr . 1980, blz . 2671 .
( 5 ) PB 1975, L 177, blz . 13 .
( 6 ) Zie 's Hofs arrest van 14 oktober 1987, zaak 248/84, Bondsrepubliek Duitsland/Commissie, Jurispr . 1987 .
( 7 ) Zie voormeld arrest in zaak 730/79, r.o . 23 e.v .
( 8 ) Zie de cijfers in de opmerkingen van de GEPVP ( Groupement européen de Producteurs de Verre Plat ) in bijlage IV bij het verweerschrift ( laatste kolom van de tabel op blz . 4 en tweede kolom van de eerste tabel op blz . 6 ). Daaruit blijkt dat er een overcapaciteit van 20-25 % bestaat tussen de "saleable capacity" en de werkelijke verkoop .
( 9 ) Zie in het bijzonder de arresten van 10 juli 1986 in de zaken 234/84 en 40/85, Koninkrijk België/Commissie, Jurispr . 1986, blz . 2263, resp . blz . 2321 .
( 10 ) Laatstelijk het arrest van 17 november 1987, gevoegde zaken 142 en 156/84, BAT/Commissie, Jurispr . 1987, r.o . 72 .
( 11 ) Besluit van de Raad van 28 februari 1984 inzake een Europees programma voor onderzoek en ontwikkeling op het gebied van informatietechnologie ( ESPRIT ), PB 1984, L 67, blz . 54 .
( 12 ) Zie het XXe Algemeen Verslag over de werkzaamheden van de Europese Gemeenschappen 1986, blz . 184 e.v ., nr . 403 .
Top