CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 12 december 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Deze zes gevoegde zaken zijn alle bij wege van een verzoek om een prejudiciële beslissing naar het Hof verwezen door het tribunal de grande instance te La Roche-sur-Yon. Vier ervan (zaken 271/84, Chiron, 272/84, Perouse, 274/84, Jaud, en 6/85, Byrotheau) betreffen een strafvervolging op grond van de Franse ministeriële besluiten nrs. 82-12 en 82-13A houdende vaststelling van minimumdetailhandelsprijzen voor motorbrandstoffen, die reeds aan de orde waren in de zaken 231/83 (Cullet; arrest van 29.1.1985) en 11/84 (Gratiot; arrest van 25.9.1985). De twee andere zaken (273/84; Jaud en Prouteau, en 7/85, Vincendeau) betreffen een strafvervolging op grond van het latere ministerieel besluit nr. 83-58A, eveneens houdende vaststelling van een minimumdetailhandelsprijs voor brandstoffen, en ook reeds aan de orde geweest in de zaken 114 en 115/84 (Piszko), 201/84 (Gontier) en 202/85 (Girault), waarin het Hof eveneens uitspraak heeft gedaan op 25 september 1985.
In de in deze laatste zaken gewezen arresten werd vastgesteld, dat wat de toepassing van het gemeenschapsrecht betreft, het verschil in de nationale wettelijke regeling waarop deze vervolgingen waren gebaseerd, niet van dien aard was, dat er andere problemen rezen dan die welke reeds in de zaak-Cullet waren opgelost.
In de huidige twee zaken worden het Hof dezelfde vragen gesteld, namelijk:
„1)
Moeten de artikelen 3, sub f, en 5 van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de EEG worden uitgelegd als behelzende een verbod om in een Lid-Staat bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen vaste minimumprijzen in te voeren voor de verkoop van superbenzine en benzine?
2)
Kan de vaststelling van dergelijke minimumprijzen een kwantitatieve invoerbeperking of een maatregel van gelijke werking zijn in de zin van artikel 30 van het Verdrag?”
Deze vragen zijn woord voor woord dezelfde als die welke in zaak 11/84 (Gratiot) aan het Hof werden voorgelegd. De in de onderhavige zaken bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen voegen niets toe aan wat in de eerdere zaken naar voren is gebracht, en ter terechtzitting waren de partijen in de hoofdgedingen niet vertegenwoordigd en heeft de Commissie volstaan met te verwijzen naar de eerdere uitspraak van het Hof.
Bijgevolg meen ik dat de in de onderhavige zaken gestelde vragen op dezelfde wijze — en zulks om dezelfde redenen — moeten worden beantwoord als in de zaak-Gratiot, te weten:
1)
De artikelen 3, sub f, en 5, van het Verdrag verzetten zich niet tegen een nationale wettelijke regeling volgens welke de nationale autoriteiten een minimumdetailhandelsprijs voor motorbrandstoffen vaststellen.
2)
Artikel 30 van het Verdrag verzet zich tegen een dergelijke wettelijke regeling, wanneer bij de vaststelling van de minimumprijs uitsluitend wordt uitgegaan van de overnameprijzen van de nationale raffinaderijen en deze overnameprijzen gekoppeld zijn aan de plafondprijs die uitsluitend wordt berekend op basis van de kostprijs van de nationale raffinaderijen in het geval waarin de Europese brandstoffennoteringen meer dan 8% van die kostprijs afwijken.
Dat de in deze zaken gestelde vragen aanvankelijk aan het Hof zijn voorgelegd, is uiteraard volkomen terecht. Maar toen precies dezelfde vragen eenmaal definitief waren beantwoord in de zaak-Gratiot, is het mijns inziens te betreuren dat de nationale rechterlijke instantie, na daarvan in kennis te zijn gesteld, op grond van nationale wettelijke bepalingen haar prejudiciële verzoeken niet kon intrekken. Voor de toekomst moet duidelijk worden gesteld, dat dit wat de procedure voor het Hof betreft, wel mogelijk is. Wanneer precies dezelfde prejudiciële vragen in een na de verwijzing gewezen arrest worden beantwoord, is het zonder meer wenselijk dat de verwijzingsbeschikking wordt ingetrokkken.
( *1 ) Vertaald uit het Engels.
Top