Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal erLoren van Themaat van 12 december 1985. - ALAN AINSWORTH EN ANDEREN TEGEN COMMISSIE EN RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - GEMEENSCHAPPELIJKE EGA-ONDERNEMING - OPEISING VAN HET STATUUT VAN TIJDELIJK FUNCTIONARIS. - GEVOEGDE ZAKEN 271/83, 15, 36, 113, 158, 203/84 EN 13/85.
Jurisprudentie 1987 bladzijde 00167
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Inleiding
Onderhavige zaken, die alle onderling gevoegd zijn, betreffen 174 beroepen van Britse personeelsleden van de United Kingdom Atomic Energy Authority ( hierna : UKAEA, of de ontvangende organisatie ) die ter beschikking zijn gesteld aan de gemeenschappelijke onderneming "Joint European Torus ( JET ), Joint Undertaking ". Alle betreffen met name de afwijzing van hun verzoek om tijdens het JET-project als tijdelijk ambtenaar van de Gemeenschap te worden aangesteld .
1.1 . Doel van de gemeenschappelijke onderneming JET
Op basis van artikel*7 EGA-Verdrag heeft de Raad bij besluit nr.*76/345/Euratom van 25*maart 1976 ( PB*1976, L*90, blz.*12 ) voor de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie een programma voor onderzoek en onderwijs vastgesteld op het gebied van de kernversmelting en de plasmafysica, zulks voor een periode van vijf jaar ingaande op 1*januari 1976 . Dit programma heeft ten doel "het toepassingsstadium van de beheerste thermonucleaire kernversmelting ... te bereiken" ten einde de energievoorziening van de Gemeenschap op lange termijn veilig te stellen .
Overwegende dat de Gemeenschap dient te worden uitgerust met een grote torus van het Tokamak-type, genaamd JET ( Joint European Torus ), heeft de Raad genoemd onderzoekprogramma gewijzigd bij besluit nr.*78/470 van 30*mei 1978 ( PB*1978, L*151, blz.*8 ). Bij besluit nr.*78/471 van dezelfde datum werd de uitvoering van dit project opgedragen aan een gemeenschappelijke onderneming, de "Joint European Torus ( JET ), Joint Undertaking" ( hierna : JET ), opgericht overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk*V van de tweede titel, EGA-Verdrag en de in bijlage bij dit besluit opgenomen statuten ( PB*1978, L*151, blz.*10 ).
Krachtens artikel*1 van de statuten is de gemeenschappelijke onderneming gevestigd bij de United Kingdom Atomic Energy Authority te Culham, Oxfordshire .
De leden van JET zijn :
- de EGA,
- de ontvangende organisatie ( UKAEA ),
- de overeenkomstige organisaties in de andere Lid-Staten van de EGA,
- de National Swedish Board for Energy Source Development .
1.2 . Samenstelling en procedure voor het indienstnemen van het team van het JET-project ( artikel 8 van de statuten )
Ingevolge artikel*8.3 van de statuten stellen de leden van de gemeenschappelijke onderneming haar voor de gehele duur van het JET-project gekwalificeerd wetenschappelijk, technisch en administratief personeel ter beschikking .
Blijkens artikel*8.1 bestaat het personeel van het team van het project uit twee duidelijk onderscheiden categorieën :
a)*personeel, afkomstig van de ontvangende organisatie
Artikel*8.4 van de statuten luidt : "Personeel dat door de ontvangende organisatie ter beschikking wordt gesteld, blijft in dienst van deze organisatie volgens de bij deze organisatie geldende voorwaarden en wordt door deze organisatie aan de gemeenschappelijke onderneming toegewezen ."
b)*personeel, afkomstig van de leden van de gemeenschappelijke onderneming en ander personeel
Artikel*8.5 luidt : "Tenzij in speciale gevallen anders wordt besloten overeenkomstig de procedures voor het in dienst nemen van en het beheer over het personeel als besloten door de JET-raad, wordt personeel dat door de leden van de gemeenschappelijke onderneming, met uitzondering van de ontvangende organisatie, ter beschikking wordt gesteld, alsmede ander personeel, door de Commissie aangeworven in tijdelijke ambten overeenkomstig de 'Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen' en door de Commissie aan de gemeenschappelijke onderneming toegewezen ."
1.3 . Ontstaan en ontwikkeling van het geschil
Verzoekers bezitten de Britse nationaliteit en zijn door UKAEA ter beschikking gesteld van de gemeenschappelijke onderneming; zij verlangen in casu de hoedanigheid van tijdelijk ambtenaar van de EGA .
Het JET-project waarvan de uitvoering is voorzien in twaalf jaar ( 1978-1990 ) is te onderscheiden in twee fasen : de initiële of bouwfase ( 1978-1983 ) en de in mei*1983 begonnen operationele fase .
Uit de in de bijlagen bij de beroepen gevoegde stukken blijkt, dat verzoekers in feite tot drie verschillende groepen behoren :
- personeel dat is aangeworven door UKAEA met het oog op tewerkstelling bij het project ( operationele fase ), dit wil zeggen in 1983;
- personeel dat is aangeworven door UKAEA met het oog op tewerkstelling bij het project ( bouwfase ), dat wil zeggen tussen 1978 en 1983, en dat in 1983 opnieuw is tewerkgesteld bij het project ( operationele fase );
- personeel dat reeds voordien werkzaam was bij de UKAEA .
Alle verzoekers hebben bij in de periode van juli tot september 1983 verzonden brieven, bevestigd in de periode van september tot november 1983, op grond van artikel*148, derde alinea, van het EGA-Verdrag, een verzoek gericht aan de directeur van de gemeenschappelijke onderneming en aan de Commissie :
- om te worden tewerkgesteld als tijdelijk ambtenaar van de Gemeenschappen, gedetacheerd bij het team van het JET-project;
- om hun de in het verleden en in de toekomst opgekomen financiële en andere schade te vergoeden die voortvloeit uit hun niet-aanstelling als tijdelijk ambtenaar van de Gemeenschappen .
Bij rondschrijven van 1*november 1983 berichtte de directeur van de gemeenschappelijke onderneming JET aan alle verzoekers, dat hij hun verzoek niet kon inwilligen op grond dat "het personeel van UKAEA daarbij in dienst blijft", ingevolge artikel*8 van de statuten .
Gezien de algemene bewoordingen van deze brief en het feit dat krachtens artikel*5.11 van de aanvullende bepalingen bij de statuten van de gemeenschappelijke onderneming inzake de tewerkstelling en het beheer van het personeel van de onderneming de bevoegdheid personeel tot de rang A*4 aan te werven door de Commissie is gedelegeerd aan de directeur van de gemeenschappelijke onderneming, menen verzoekers dat deze brief in werkelijkheid te beschouwen is als de mededeling van het hen betreffende besluit van de Commissie .
Zou de brief van 1*november 1983 echter niet als zodanig zijn te beschouwen, dan heeft de Commissie volgens verzoekers nagelaten op hun verzoek te antwoorden .
1.4 . Conclusies van partijen
Verzoekers concluderen dat het den Hove behage :
1 ) Krachtens de artikelen*146, tweede alinea, en*147, eerste alinea, EGA-Verdrag het aan iedere verzoeker bij brief van de directeur van het JET-project van 1*november 1983 ( 1 ) medegedeelde besluit op zijn wettigheid te toetsen en nietig te verklaren, voor zover die brief is te beschouwen als kennisgeving van een besluit tot afwijzing van het door verzoekers bij hun desbetreffende brief ingediende verzoek .
2 ) Daarnaast of subsidiair : krachtens artikel*148, derde alinea, EGA-Verdrag te verstaan, dat de Commissie, door verzoekers niet overeenkomstig hun desbetreffend schriftelijk verzoek een tewerkstelling als tijdelijk ambtenaar van de Europese Gemeenschappen aan te bieden, het EGA-Verdrag heeft geschonden .
3 ) In ieder geval : krachtens de artikelen*151 en 188, tweede alinea, EGA-Verdrag en/of de artikelen*178 en 215, tweede alinea, EGA-Verdrag :
a ) te verstaan dat de EGA en/of de EEG hun de schade dient te vergoeden welke hun door de ten deze door de Raad en de Commissie gevolgde onwettige aanwervingsprocedures is opgekomen;
b ) te gelasten dat partijen zullen trachten overeenstemming te bereiken over het bedrag van de vergoeding en, mochten zij dienaangaande niet tot overeenstemming komen, dat bedrag en de daarover verschuldigde rente vast te stellen; en/of
c ) alle maatregelen te gelasten die nodig zijn om verzoekers volledig schadeloos te stellen ter zake van de geleden schade, eventueel in dier voege, dat verzoekers door de Commissie worden aangesteld als tijdelijk ambtenaar van de Europese Gemeenschappen .
4 ) Krachtens artikel*69 van het Reglement voor de procesvoering verweerders dan wel één hunner in de kosten te verwijzen .
5 ) Krachtens 's*Hofs Statuut en/of het Reglement voor de procesvoering alle nodige maatregelen te nemen en alle schadeloosstelling toe te wijzen die noodzakelijk, rechtvaardig of billijk mocht voorkomen .
De Commissie concludeert dat het den Hove behage, voor geval haar exceptie van niet-ontvankelijkheid zou worden verworpen :
1 ) het beroep te verwerpen;
2 ) verzoekers in de kosten te verwijzen .
De Raad concludeert dat het den Hove behage :
1 ) het beroep niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het gericht is tegen de Raad en strekt tot toekenning van schadevergoeding;
2 zo het Hof mocht besluiten tot onderzoek van de zaak ten gronde, het beroep ongegrond te verklaren;
3 ) verzoekers te verwijzen in de kosten .
2 . De ontvankelijkheid
De Commissie heeft verschillende argumenten opgebracht ter ondersteuning van de door haar opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid . De Raad heeft zich daarbij aangesloten, voorzover het zijn besluit en verantwoordelijkheid betreft .
De Commissie vraagt zich in de eerste plaats af of Uw Hof wel bevoegd is aangezien, naar haar mening, de brief van 1*november 1983 van de directeur van de gemeenschappelijke onderneming niet als een handeling van haar beschouwd kan worden, als vereist in artikel*146 EGA . Het zou daarentegen om een handeling van de gemeenschappelijke onderneming gaan, die ingevolge artikel*49 onder de bevoegdheid van de nationale rechter zou vallen . Ingeval U echter toch van mening bent dat er sprake is van een handeling in de zin van artikel*146 EGA, is het beroep naar haar mening te laat ingesteld . Zij stelt dat het bestreden besluit van 1*november 1983 slechts een bevestiging is van de door de directeur van de gemeenschappelijke onderneming tussen 1978 en 1983 besloten tewerkstelling van verzoekers . Om dezelfde reden zijn ook de middelen ter zake van de exceptie van onwettigheid met betrekking tot Raadsbesluit nr.*78/471 en ter zake van de schadevergoeding niet ontvankelijk .
Naar mijn mening zijn de zaken echter wel degelijk ontvankelijk .
Ter zake van de bevoegdheid volsta ik met te verwijzen naar Uw vaste rechtspraak dat ook degenen die de hoedanigheid van personeelslid van de Gemeenschap, als omschreven in artikel*152 EGA, opeisen toegang tot Uw Hof hebben ( laatstelijk gevoegde zaken*87, 130/77 en 22/83, 9 en 10/84, Salerno e.a ., arrest van 11*juli 1985, Jurispr.*1985, blz.*2523 ).
De omstreden brief van 1*november 1983 dient voorts als handeling van de Commissie te worden gezien . Verzoekers hebben hun verzoek om als tijdelijk ambtenaar door de Commissie te worden aangesteld aan de directeur en aan de Commissie gezonden . Slechts de directeur heeft bij bovenvermelde brief verzoekers hierop geantwoord . Hij kon dit doen als gedelegeerde van de Commissie, ingevolge de artikelen*5.10 en 5.11 van de aanvullende bepalingen bij de statuten . Hierin is hem de bevoegdheid gedelegeerd personeel tot de rang*A*4 aan te stellen . Derhalve is de brief in feite te beschouwen als afkomstig van de Commissie .
Het argument dat het beroep te laat is ingesteld kan niet opgaan . Het bestreden besluit van 1*november 1983 kan niet als een bevestiging van het eerdere besluit tot aanstelling worden gezien . De aanstelling van betrokkenen vond immers niet door de directeur plaats maar door de ontvangende organisatie ingevolge artikel*8 van de statuten . Het kan om deze reden dan ook niet gaan om bevestiging van een eerdere handeling in de zin van artikel*146, tweede alinea, EGA, zoals door de Commissie gesteld . Om dezelfde reden dient de exceptie ter zake van de andere middelen te worden verworpen . Daarbij komt dat de actie ter zake van schadevergoeding een zelfstandige rechtsgang is met een verjaringstermijn van vijf jaar ( artikel*44 van 's*Hofs statuut EGA, respectievelijk 43 van 's*Hofs statuut EEG ).
Wat betreft de opgeworpen exceptie van onwettigheid met betrekking tot het beroep tegen Raadsbesluit nr.*78/471 merk ik nog op dat aan het beroep niet in de weg staat dat het in casu tegen een algemeen besluit is gericht in plaats van tegen een verordening als vermeld in artikel*156 EGA . U heeft dit artikel ruim uitgelegd ter verzekering van de rechtmatigheidscontrole van particulieren in die zin dat het ook tegen handelingen die een soortgelijk gevolg hebben als een verordening in formele zin kan worden ingesteld ( zaak*92/78, Simmenthal, Jurispr.*1979, blz.*800 ). Dit is ook bevestigd door de vertegenwoordiger van de Raad tijdens de mondelinge zitting .
3 . De zaak ten gronde
3.1 . Inleiding
Verzoekers hebben twee middelen gesteld ter zake van hun vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit .
In de eerste plaats menen zij dat het omstreden besluit in strijd is met de statuten . Volgens artikel*8 worden alle personeelsleden die het team vormen, door de Commissie als tijdelijk ambtenaar aangeworven, behalve degenen die bij hun selectie voor tewerkstelling in een ambt bij het team van het project reeds in dienst waren bij de ontvangende organisatie . Degenen die bij hun selectie nog geen dienstverband hebben met de ontvangende organisatie, behoren, volgens artikel*8.1, tot de groep "ander personeel ". Voor deze groep is uitdrukkelijk een aanstelling als tijdelijk ambtenaar bij de Commissie voorzien in artikel*8.5 .
Als tweede middel hebben verzoekers gesteld dat het bepaalde in de artikelen*8.4 en 8.5 dat diegenen die bij de ontvangende organisatie reeds ten tijde van hun selectie waren aangesteld en die allen van Britse nationaliteit zijn, niet als tijdelijk ambtenaar worden aangesteld, maar in dienst van die organisatie blijven, in strijd is met het algemene non-discriminatiebeginsel . Tijdens het verloop van de procedure heeft dit middel zich verruimd, aangezien verweerders van mening zijn dat die bepaling zich niet enkel beperkt tot die categorie maar zich ook uitstrekt over al die sollicitanten van Britse nationaliteit die tijdens hun selectie nog niet in dienst waren van de ontvangende organisatie .
3.2 . Verzoekers' stelling ter zake van strijd met de statuten
Allereerst zal ik de argumenten van partijen weergeven waarna ik op dit onderdeel tot een eerste conclusie kom .
3.3 . Verzoekers' argumenten
Verzoekers' argumenten op dit onderdeel zijn met name gebaseerd op een letterlijke interpretatie van de tekst van de statuten .
Naar hun mening blijkt uit de tekst dat degenen, als hiervoor vermeld, die ten tijde van hun selectie nog geen dienstverband hebben met het lid, respectievelijk in casu de ontvangende organisatie, in de categorie "ander personeel" behoren te worden ingedeeld ( artikel*8.1 ). Dit heeft ten gevolge dat zij als tijdelijk ambtenaar dienen te worden aangesteld ( artikel*8.5 ).
In de eerste plaats wijzen zij op de uitdrukkelijke tweedeling, volgens artikel*8.1, waaruit het personeel van het team bestaat : namelijk degenen die afkomstig zijn van de leden van de gemeenschappelijke onderneming en het andere personeel . Uit de tekst van de volgende bepalingen zou blijken dat de eerste categorie personeel betreft dat reeds in dienstbetrekking was bij het lid van de gemeenschappelijke onderneming . Zo luidt artikel*8.4 dat het personeel dat door de ontvangende organisatie ter beschikking wordt gesteld, in dienst blijft van deze organisatie . Artikel*8.8 schrijft de leden die personeel aan het project ter beschikking hebben gesteld voor, dit personeel weer in dienst te nemen zodra dit het werk bij het project heeft voltooid .
3.4 . Verweer van de Commissie
De Commissie, daartoe ondersteund door de Raad, heeft de praktijk verdedigd, zoals neergelegd in de bestreden handeling van 1*november 1983, dat in feite al het personeel waaruit het team van het project bestaat, afkomstig is van de leden . Zoals uit de beantwoording van de vragen van Uw Hof is gebleken, is aan de categorie "ander personeel" dan ook bij het aanstellingsbeleid nauwelijks enige inhoud gegeven .
De Commissie beklemtoont in de eerste plaats de belangrijke rol die de leden bij het JET-project vervullen . Zij wijst er in dit verband op dat het JET-project een etappe vormt in het licht van een voortschrijdende ontwikkeling van het fusieprogramma van de Gemeenschap . Dit is tot uitdrukking gebracht in de tweede en derde overweging en de tekst van Raadsbesluit nr.*78/471 . Het JET-project moet een "gemeenschappelijke inspanning" zijn, die een onderlinge beïnvloeding en een samenwerking tussen het project en de bij het fusieprogramma betrokken laboratoria mogelijk moet maken . Deze "gemeenschappelijke inspanning", "onderlinge beïnvloeding" en "samenwerking" komen tot uitdrukking in de samenstelling van de gemeenschappelijke onderneming, waarvan de leden zijn opgesomd in artikel*1.3 van de statuten, en in de verplichting van deze leden om, overeenkomstig artikel*8.3 van de statuten, gekwalificeerd personeel ter beschikking van de onderneming te stellen, respectievelijk 8.8 dit personeel weer in dienst te nemen zodra dit het werk aan het project heeft voltooid . De structuur van de JET gemeenschappelijke onderneming is uniek in vergelijking met de overige, reeds langer bestaande, gemeenschappelijke ondernemingen . Deze betreffen alle nationale ondernemingen die, vanwege hun belang uit gemeenschappelijk oogpunt, pas later tot gemeenschappelijke ondernemingen werden omgevormd . Deze hebben een tot één nationaliteit behorend personeelsbestand .
Vanwege het communautaire karakter van het JET-project werd daarentegen besloten dat dit ook tot uitdrukking moest komen bij de samenstelling van het personeelsbestand . Besloten werd dat de JET zelf geen eigen personeel heeft, maar dit ter beschikking krijgt van enerzijds de ontvangende organisatie en anderzijds de Commissie, waarbij het personeel van de leden, niet zijnde de ontvangende organisatie, is aangesteld .
Van het allergrootste belang wordt door beide verweerders de terugkeerregeling geacht na voltooiing van het werk aan het project naar het desbetreffende lid, zoals aangegeven in artikel*8.8 . Een dergelijke regeling wordt noodzakelijk geacht vanwege de tijdelijke aard van het project, dat zich, volgens artikel*1 van het Raadsbesluit nr.*78/471, over twaalf jaar uitstrekt . Ter voorkoming van sociale problemen bij de afloop van het project is vanaf het begin de herplaatsing als fundamenteel beschouwd . Derhalve hebben individuele sollicitaties buiten de leden om in het algemeen geen succes gehad . In een beperkt aantal gevallen waarin dit toch plaatsvond kon achteraf alsnog een regeling voor herplaatsing bij een lid gevonden worden, voor na afloop van het project .
3.5 . Beoordeling van het middel
De uitleg van verzoekers van de betrokken bepalingen lijkt op het eerste gezicht aantrekkelijk en logisch juist . De tekst lijkt inderdaad uit te gaan van enerzijds personeel dat reeds in dienst is bij het lid en anderzijds van "ander personeel", dat zo een band ontbeert . De verzoekers die derhalve bij sollicitaties nog niet in dienstverband met de ontvangende organisatie stonden, zouden dus tot de categorie "ander personeel" behoren en na selectie door de Commissie als tijdelijk ambtenaar kunnen worden aangesteld .
De handelwijze als verdedigd door de Commissie, daarin bijgestaan door de Raad, en gebaseerd op de aanvullende bepalingen, is echter ook niet in strijd met de tekst van de statuten . De betrokken verzoekers hebben immers na selectie door de directeur van de gemeenschappelijke onderneming een dienstverband aangeboden gekregen door de ontvangende organisatie . Daarmee zijn zij tot het personeel van de leden gaan behoren . Zij vallen vervolgens binnen de daarvoor aangegeven regeling van artikel*8 ter zake van personeel afkomstig van de leden . Het argument van verzoekers dat het dienstverband slechts nominaal van aard is kan naar mijn oordeel niet gevolgd worden, aangezien de daaraan gekoppelde terugkeerregeling toch zeker van wezenlijk belang is .
Bij de oplossing van dit geschil dient bedacht te worden dat de bestreden praktijk zich afspeelt in een fase vóór de terbeschikkingstelling aan het project . De statuten vermelden niets over deze voorfase . De regeling hiervan is neergelegd in de aanvullende bepalingen als voorgeschreven in artikel*8.9, waarin staat dat de JET-raad de nauwkeurige procedures voor het in dienst nemen van en het beheer over het personeel vaststelt . Hierin wordt de centrale rol van de leden en de gevolgde praktijk bij het in dienst nemen van het personeel bevestigd . Vacatures worden in de eerste plaats aan de leden gemeld die ze binnen hun organisatie bekend maken ( artikel*5.2 ). Na de definitieve selectie door de directeur van het project wordt het betrokken lid daarover ingelicht ( artikel*5.10 ).
In de aanvullende bepalingen is geen regeling voorzien ter zake van de categorie "ander personeel ". Alleen "de speciale gevallen" van artikel*8.5 van de statuten worden verder in voorschriften uitgewerkt, die echter in casu niet van toepassing zijn .
Gelet op het gestelde in de aanvullende bepalingen en de daarop gebaseerde praktijk ben ik van mening dat betrokkenen terecht niet in de categorie "ander personeel" zijn ingedeeld . Daarbij teken ik aan dat de regeling, zoals neergelegd in de aanvullende bepalingen, de personeelspolitiek betreft waarover Uw Hof zich als zodanig niet kan uitspreken . Het opgeworpen middel ter zake van schending van de statuten dient echter op de aangegeven gronden naar mijn oordeel te worden verworpen .
4 . Schending van het non-discriminatiebeginsel
4.1 . Inleiding
Bij de behandeling van dit middel ga ik er van uit dat de toegepaste aanwervingsregeling in overeenstemming is met de statuten, zoals hiervoor betoogd . Allereerst zal ik weer de argumenten van partijen weergeven, waarna ik ten aanzien van dit onderdeel conclusie zal nemen .
4.2 . De argumenten van verzoekers ter zake van de schending van het non-discriminatiebeginsel
Verzoekers stellen dat alle Britse kandidaten in dienstverband met de ontvangende organisatie dienen te zijn, alvorens aan het JET-project ter beschikking te kunnen worden gesteld . Ingevolge de artikelen*8.4 en 8.5 van de statuten leidt dit ertoe dat alleen Britse kandidaten uitgesloten zijn van een aanstelling als tijdelijk ambtenaar van de Commissie .
Uit de brieven van de personeelsafdeling van de gemeenschappelijke onderneming, die de ontvangst van de sollicitaties bevestigt of het selectiebesluit aan de betrokkenen meedeelt, blijkt dat het onderscheid dat tussen de kandidaten wordt gemaakt op de nationaliteit van betrokkenen is gebaseerd . Het is algemeen bekend dat de ontvangende organisatie slechts werknemers van Britse nationaliteit in dienst heeft . In de overgelegde brieven wordt in dit verband vermeld dat "... Britse kandidaten die worden geselecteerd voor JET-ambten, te werk gesteld zijn of worden door UKAEA ...", dat "hun latere tewerkstelling bij JET afhankelijk is van de bewoordingen en voorwaarden van hun overeenkomst met UKAEA" ( bijlagen*11 en 12 bij de beroepen ).
Verzoekers zijn van mening dat het enkele feit dat men op het tijdstip van de selectie bij UKAEA werkzaam was, het verschil in behandeling tussen de verschillende leden van het team van het project niet kan rechtvaardigen . Dit verschil druist in tegen de in artikel*8 van de statuten van de gemeenschappelijke onderneming genoemde communautaire aard van het project .
4.3 . De argumenten van verweerders
De Commissie herhaalt de argumenten die zij reeds bij het vorige strijdpunt heeft aangevoerd . Zij beklemtoont de rol van de leden in het kader van het JET-project, de tijdelijke aard daarvan en de daarmee samenhangende noodzaak van een terugkeerregeling voor het betrokken personeel na afloop .
De Raad bevestigt het verschil in behandeling tussen twee groepen personeel ( UKAEA en EGA ). Dit is echter niet onrechtmatig, aangezien dit voortvloeit uit het verschil tussen de op hen toepasselijke statuten . Beide groepen bevinden zich dus in een verschillende situatie en kunnen derhalve geen aanspraak maken op gelijke behandeling .
De Raad heeft uitdrukkelijk gesteld dat het doel van de regeling was een evenwicht in nationaliteiten van de personeelsleden bij het project te verzekeren . Aangezien het UKAEA-personeel steeds de Britse nationaliteit heeft, dient het gemeenschaps-"contingent" te bestaan uit alle nationaliteiten van de Gemeenschap, behalve de Britse .
De Raad beklemtoont dat de EGA en de UKAEA, wegens hun bijzondere positie bij de gemeenschappelijke inspanning van alle leden van de gemeenschappelijke onderneming, optreden als werkgevers van het bij de gemeenschappelijke onderneming te werk gesteld personeel, de EGA als promotor van de onderneming en UKAEA als ontvangende organisatie . De Raad wijst er voorts op, dat de gemeenschappelijke onderneming JET één van de acht thans bestaande gemeenschappelijke ondernemingen is, doch als enige personeel heeft dat door twee externe werkgevers, UKAEA en EGA, bij deze onderneming is gedetacheerd, terwijl de andere ondernemingen werken met eigen personeel, waarvoor één en hetzelfde statuut geldt . Artikel*8 van de statuten, waarin dit onderscheid wordt bevestigd, regelt alleen de wijze waarop personeel ter beschikking van de gemeenschappelijke onderneming zal worden gesteld, doch zegt niets over de door verzoekers genoemde verschillen met betrekking tot de nationaliteit van kandidaten of het feit dat zij voor hun selectie in dienst van UKAEA waren .
4.4 . Beoordeling van het middel
Bij de beoordeling van dit middel dient er in de eerste plaats van te worden uitgegaan dat het JET-project als een communautair project is opgezet, zoals blijkt uit de derde overweging van Raadsbesluit nr.*78/471 en artikel*8.2 van de statuten . Dit in afwijking van de, hiervoor vermelde, overige gemeenschappelijke ondernemingen .
Artikel*8.2 luidt als volgt :
"Bij de samenstelling van het team van het project zal worden gestreefd naar een redelijk evenwicht tussen de noodzaak de communautaire aard van het project te waarborgen, met name bij ambten waarvoor kwalificaties van een zeker niveau zijn vereist ( fysici, ingenieurs, administratief personeel van overeenkomstig niveau ) en de behoefte om dedDirecteur van het project zoveel mogelijk de vrije hand te laten bij de keuze van personeel in het belang van een efficiënte bedrijfsvoering . Bij de toepassing van dit beginsel zal tevens rekening worden gehouden met de belangen van leden van de gemeenschappelijke onderneming die niet tot de Gemeenschap behoren ."
Vast staat dat het personeel verschillend behandeld wordt afhankelijk of het afkomstig is van de ontvangende organisatie of uit andere bron . Voorts is tijdens de procedure gebleken dat het als algemeen bekend mag worden beschouwd dat de UKAEA slechts werknemers van Britse nationaliteit aanstelt . Ook voor de andere leden schijnt in beginsel deze nationaliteiten - overeenstemming tussen het lid en zijn personeel te bestaan . Dit vloeit ook voort uit de stelling van de Raad dat het doel van de regeling juist is geweest een evenwicht van nationaliteiten van het personeel te verzekeren .
Het argument van de Raad dat het verschil in behandeling van beide groepen niet onrechtmatig is wegens het verschil tussen de op hen toepasselijke statuten is niet aanvaardbaar . Het is ten slotte de Raad die dit verschil in behandeling in zijn besluit, respectievelijk de daarbij behorende statuten heeft gecreëerd . Volgens Uw vaste rechtspraak dienen gelijke gevallen gelijk en ongelijke gevallen ongelijk te worden behandeld . Het verschil dient echter in objectieve omstandigheden te liggen opdat een ongelijke behandeling aanvaardbaar is . Het door de Raad aangevoerde argument ter zake van het verschil in statuten is daarvoor niet voldoende .
Naar mijn oordeel blijkt nergens uit dat het feit dat personeelsleden afkomstig zijn van de ontvangende organisatie, een verschil in behandeling kan rechtvaardigen . Noch uit de statuten noch uit de aanvullende bepalingen blijkt bij de selectie van kandidaten, noch bij het opstarten van het project noch daarna, een voorkeursrecht voor tewerkstelling bij JET te bestaan voor personeelsleden afkomstig van de UKAEA . Het is pas na selectie door de directeur van het project dat het verschil tussen de kandidaten wordt aangebracht, afhankelijk van hun oorsprong, zoals ook blijkt uit de hiervoor vermelde door verzoekers overgelegde brieven . De regeling wekt de indruk dat in beginsel het "oude" model voor de bestaande gemeenschappelijke ondernemingen als uitgangspunt is genomen namelijk een en hetzelfde statuut voor de bestaande personeelsleden van de tot een gemeenschappelijke onderneming omgevormde nationale Britse organisatie en daarnaast een communautair verdeeld personeelsbestand . Een dergelijke opzet is niet aanvaardbaar, gelet op het communautaire karakter van het project van het begin af aan .
Ik breng nog in herinnering dat de Raad tijdens de mondelinge behandeling op vragen van Uw Hof uitdrukkelijk zijn eerdere standpunt heeft bevestigd dat de regeling ten doel heeft een evenwicht van nationaliteiten van de personeelsleden van het team van het project te verzekeren . Naar mijn oordeel is het echter niet duidelijk waarom een dergelijk evenwicht niet binnen de kring van tijdelijke ambtenaren van de Commissie kan plaatsvinden . Beide verweerders hebben voorts bevestigd dat er geen financiële redenen ten grondslag liggen aan het bestreden verschil in behandeling .
Concluderend meen ik dat vast is komen te staan dat er sprake is van een verschil in behandeling, gebaseerd op nationaliteit . Er zijn naar mijn oordeel geen objectieve redenen aangevoerd die een dergelijk fundamenteel verschil in behandeling kunnen rechtvaardigen . De omstandigheid, dat de personeelsleden van Britse en van andere nationaliteit gelijksoortig werk voor het project verrichten vergt integendeel ook gelijke arbeidsvoorwaarden .
Het onderstreepte communautaire karakter van het project brengt met zich dat de in het communautaire recht neergelegde fundamentele rechtsbeginselen van toepassing zijn .
Naar mijn oordeel is de betreffende regeling, neergelegd in de artikelen*8.4 en 8.5 van de statuten derhalve in strijd met het algemene verbod van discriminatie naar nationaliteit . De daarop gebaseerde bestreden beschikking dient derhalve, naar mijn oordeel, te worden vernietigd . Ik heb nog overwogen, of deze conclusie beperkt zou dienen te worden tot personeel, dat geselecteerd werd door de directeur van de gemeenschappelijke onderneming, dan wel tot Brits personeel, dat gelijktijdig met het door de Commissie aangeworven personeel van andere nationaliteit werd aangesteld . Daar ook de door de Commissie aangeworven personeelsleden veelal reeds werkzaam waren bij een lid van JET, acht ik een dergelijke beperking van mijn conclusie echter niet mogelijk . Evenals bij het door de ontvangende organisatie ter beschikking gestelde personeel, gaat het bij toepassing van artikel*8.5 van de statuten immers om door de leden ter beschikking gesteld personeel . Het kan daarbij zowel om "nieuw" als om "oud" personeel gaan . Voor beide categorieën van personeelsleden dient dan het non-discriminatiebeginsel ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden te gelden .
5 . Het verzoek tot schadevergoeding
Gelet op mijn eerdere standpunt dient alleen de conclusie van verzoekers ter zake van de schadevergoeding nog besproken te worden, aangezien de overige vorderingen in feite zonder voorwerp zijn geraakt .
Verzoekers hebben Uw Hof verzocht de Gemeenschap te veroordelen hun de schade te vergoeden welke hun door de door de Raad en de Commissie gevolgde onwettige aanwervingsprocedure is opgekomen . Deze conclusie is echter verder uitgewerkt in die zin, dat U verzocht werd te gelasten dat partijen zullen trachten overeenstemming te bereiken over het bedrag van de vergoeding . Verzoekers zijn namelijk van mening dat het schadebedrag op dit moment niet goed vaststelbaar is, behalve dat het het verschil dient te betreffen tussen de uitkeringen als UKAEA-personeelslid en tijdelijk ambtenaar van de Commissie . Het is immers niet duidelijk op dit moment op welk niveau zij dienen te worden ingeschaald .
Verweerders hebben de vordering tot schadevergoeding niet verder besproken dan de eerder vermelde, en door mij reeds verworpen, exceptie van niet-ontvankelijkheid .
Naar mijn oordeel wordt voldaan aan de criteria die Uw Hof hanteert voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding . In casu vormt de schending van het fundamentele verbod van discriminatie naar nationaliteit "een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel", als bedoeld in Uw rechtspraak, onder meer zaak*238/78, Ireks-Arkady, Jurispr.*1978, blz.*2972 .
Ik meen echter dat U in dit stadium de vordering niet verder kunt toewijzen dan de partijen te bevelen overeenstemming te bereiken over het bedrag van de vergoeding .
6 . Slotconclusie
Concluderend stel ik U in onderhavige zaken voor :
1 ) De bestreden beschikking van 1*november 1983, waarin het verzoek van verzoekers om hen als tijdelijk ambtenaar van de Commissie aan te stellen werd afgewezen te vernietigen, wegens strijd met het fundamentele verbod van discriminatie naar nationaliteit en de daarop betrekking hebbende bepalingen van de statuten bij Raadsbesluit nr.*78/471 niet toepasselijk te verklaren .
2 ) Het verzoek tot schadevergoeding toe te wijzen overeenkomende met het verschil tussen hun uitkeringen als personeelslid van de UKAEA en waar zij recht op hebben als tijdelijk ambtenaar van de Gemeenschap .
3 ) Partijen te gelasten overeenstemming na te streven over de uit te keren schadevergoedingsbedragen, ter zake waarvan zij binnen zes maanden aan het Hof rapport zullen uitbrengen .
4 ) Partijen te gelasten in geval zij zich binnen diezelfde termijn niet mochten verenigen over de uit te keren schadevergoedingsbedragen, het Hof de nauwkeurige becijferingen over te leggen voor de naar hun oordeel te vergoeden schade .
5 ) De Commissie en de Raad te veroordelen in de kosten van de procedure .
6 ) De overige vorderingen van verzoekers af te wijzen .
( 1 ) De datum van de bezwarende handeling is niet vermeld in de conclusies van de verzoekschriften in de zaken*158/84, 203/84 en 13/85 .
Top