CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 11 december 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A.
De onderhavige prejudiciële procedure heeft betrekking op de tariefindeling van een als „kunststofetiketten voor de elektronische beveiliging van goederen tegen winkeldiefstal” aangeduide waar, die uit de Verenigde Staten wordt ingevoerd. Blijkens de verwijzingsbeschikking bestaan deze op de goederen aan te brengen „alligatoretiketten” uit twee, tussen papier- en kunststoflagen aangebrachte en door lengte, breedte en kromming op de frequenties van een alarmsysteem afgestemde antennestrips, die door middel van een diodeschakeling op een chip met elkaar verbonden zijn en, wanneer zij in het signaalveld van een alarmsysteem worden gebracht, een gecodeerd signaal afgeven dat door het ontvangstgedeelte van het systeem wordt opgevangen en het alarm in werking stelt. Blijkens het dossier bestaat dit beveiligingssysteem uit een overheadsysteem, dat een elektrische trilling opwekt, en een bewakingspaneel, dat een signaal weergeeft zodra een alligatoretiket in het signaalveld komt;
In een bindend indelingsadvies, dat enkel betrekking had op de etiketten en niet op het volledige alarmsysteem, werd de waar ingedeeld onder post 85.22 C II, „Elektrische machines, apparaten en toestellen, niet genoemd of niet begrepen onder andere posten van hoofdstuk 85: ... andere machines, apparaten en toestellen”. De belangrijkste redengeving hiervoor was, dat het een elektrisch toestel met een zelfstandige functie betrof.
Volgens verzoekster in het hoofdgeding moeten de etiketten worden ingedeeld onder post 85.17, „Elektrische toestellen voor hoorbare of zichtbare signalen... alarmtoestellen tegen diefstal...” Haar bezwaarschrift bleef echter zonder succes. Luidens de daarop gegeven beschikking kan de waar niet onder laatstgenoemde post worden ingedeeld, omdat de etiketten het storingselement vormen dat een verandering in het signaalveld teweegbrengt, en geen signaal registreren dat het alarm in werking stelt. Ook al zou men de etiketten als onderdeel van het beveiligingssysteem beschouwen, zouden zij niet onder post 85.17 kunnen worden ingedeeld; zij geven immers een signaal af en hebben derhalve een zelfstandige elektrische functie. Van aantekening 2 van afdeling XVI (Machines en toestellen, elektrotechnisch materieel), waar het heet:
„Delen en onderdelen van machines... worden ingedeeld met inachtneming van de volgende regels:
a)
delen en onderdelen, welke als zodanig onder een van de posten van hoofdstuk 84 of van hoofdstuk 85 ... kunnen worden ingedeeld, blijven onder die posten ingedeeld, ongeacht de machine waarvoor zij bestemd zijn;
b)
delen en onderdelen, andere dan die bedoeld onder letter a hiervoor, waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor een bepaalde machine... worden ingedeeld onder de post, waaronder die machine of die machines vallen...”,
zou derhalve het bepaalde sub a ván toepassing zijn, dat voorrang heeft boven het bepaalde sub b. Tegen deze beschikking van de Oberfinanzdirektion stelde Senelco beroep in bij het Bundesfinanzhof. Tot staving van haar standpunt, dat de etiketten volgens aantekening 2, sub b, alleen onder post 85.17 kunnen worden ingedeeld, heeft verzoekster aangevoerd dat het volledige beveiligingssysteem, waarvan de etiketten een onderdeel zijn, als een eenheid moet worden beschouwd. Daarbij is van belang dat de etiketten geen zelfstandige elektrische functie bezitten, aangezien zij niet zelf een signaal afgeven. Zij moeten, aldus Senelco, veeleer worden beschouwd als noodzakelijke bestanddelen van het beveiligingssysteem, omdat zij het signaalveld activeren en zonder hen het alarm niet in werking kan worden gesteld; bovendien zijn zij uitsluitend bestemd voor het geven van signalen aan dit systeem. Volgens Senelco is dit ook de praktijk van de Franse en de Belgische douane, die de etikketten als een onderdeel van een functionele eenheid beschouwen en onder post 85.17 indelen.
De Oberfinanzdirektion brengt hiertegen in dat de etiketten trillingen teweegbrengen, waardoor het alarm in werking wordt gesteld, en derhalve een zelfstandige functie hebben.
Het Bundesfinanzhof ziet zich derhalve gesteld voor de vraag, of de etiketten moeten worden ingedeeld onder post 85.17 of post 85.22 C II. In de Toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur meent het Bundesfinanzhof aanknopingspunten te vinden voor indeling onder laatstgenoemde post. Het betwijfelt echter, of de betrokken toestellen ook de zelfstandige functie hebben die volgens de toelichtingen voor indeling onder post 85.22 vereist is. Wanneer men het onderhavige beveiligingssysteem als een functionele eenheid beschouwt, zou op grond van de reeds vermelde aantekening 2, sub b, indeling onder post 85.17 mogelijk zijn. Volgens het Bundesfinanzhof biedt de prejudiciële beslissing van het Hof van 15 december 1977 (zaak 60/77, Fuss, Jurispr. 1977, blz. 2453), inzake de indeling van een deel of onderdeel van een elektrisch toestel voor het geven van signalen, in casu geen oplossing. Volgens dit arrest is het voor toepassing van aantekening 2, sub b, van belang, dat het gaat om noodzakelijke bestanddelen van een machine, die een functionele eenheid vormen; tevens verklaarde het Hof, dat afzonderlijke elektrische apparaten waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor een elektrisch toestel voor hoorbare of zichtbare signalen als bedoeld bij post 85.17, overeenkomstig aantekening 2 onder post 85.17 moeten worden ingedeeld. Volgens het Bundesfinanzhof echter kan daarbij een rol hebben gespeeld, dat het apparaten betrof die door middel van een kabel met de signaalgever waren verbonden. Bij beschikking van 29 januari 1985 heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
„Moet aantekening 2 juncto aantekening 5 bij afdeling XVI van het gemeenschappelijk douanetarief aldus worden uitgelegd, dat afzonderlijke elektrische toestellen, die apart worden ingevoerd, delen en onderdelen' in de zin van die aantekening zijn, wanneer zij ertoe bestemd zijn om op waren te worden aangebracht ten einde hoorbare of zichtbare signalen van een signaalgever in werking te stellen zodra de waren in een door een ander toestel opgewekt signaalveld worden gebracht, en moeten deze afzonderlijke elektrische toestellen in verband met die functie ingevolge voornoemde aantekeningen worden ingedeeld onder post 85.17 van het gemeenschappelijk douanetarief ?”
Volgens de Duitse regering moeten de etiketten onder post 85.22 worden ingedeeld. Daarnaast heeft alleen de Commissie een standpunt ingenomen en betoogd, dat de etiketten als delen of onderdelen van een elektrisch toestel voor hoorbare of zichtbare signalen onder post 85.17 moeten worden ingedeeld, indien het volledige systeem onder die post valt.
De Duitse regering spitst haar betoog toe op het begrip „elektrische toestellen voor het geven van signalen” in de zin van post 85.17. Volgens haar moet onderscheid worden gemaakt tussen een compleet operationeel systeem (in casu: het diefstalbeveiligingssysteem) en een combinatie van apparaten. Alleen deze laatste zou onder post 85.17 vallen. De combinatie van apparaten die thans aan de orde is, zou echter slechts een overheadsysteem en een bewakingspaneel omvatten; zij zou daarmee immers compleet zijn en volledig kunnen functioneren, anders gezegd, het apparaat kan daarmee al zijn prestaties leveren. Bij de etiketten kan derhalve eerder worden gedacht aan het voorbeeld van gegevensverwerkende systemen, waarbij de software evenmin als een onderdeel van de machine wordt beschouwd, maar op grond van haar eigen kenmerken wordt ingedeeld. Men kan ook aan verkoopautomaten denken, waar muntstukken evenmin onderdelen zijn, of aan alarmtoestellen tegen diefstal, waar hetzelfde geldt voor de inbreker. Wanneer de etiketten derhalve als zelfstandige waren op grond van hun eigen kenmerken moeten worden ingedeeld, dienen zij als elektrische apparaten met een zelfstandige functie aan post 85.22 te worden toegewezen.
B.
Samen met de Commissie ben ik van oordeel, dat deze redenering in meerdere opzichten voor kritiek vatbaar is. Het standpunt van de Commissie (dat ik hieronder uiteenzet) verdient mijns inziens de voorkeur.
1.
Men kan immers betwijfelen of de combinatie van apparaten op de door de vertegenwoordiger van de Duitse regering beschreven wijze volledig kan functioneren. Daarvoor moeten immers de beveiligingsetiketten worden aangebracht. Voorts kan worden betwijfeld of de etiketten een zelfstandige functie hebben in de zin van de Toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur. Hierop zal ik nader ingaan bij de bespreking van de argumentering van de Commissie.
Wat daarenboven de door de Duitse regering getrokken vergelijkingen betreft, mag niet worden vergeten dat computerbanden ook functies kunnen hebben buiten hun eigen systeem (wat niet kan worden gezegd van de onderhavige beveiligingsetiketten). Waar voorts een verband wordt gelegd tussen muntstukken en verkoopautomaten (of tussen treinen, brand of inbrekers en alarmtoestellen), is, daargelaten dat deze voorwerpen ook nog andere functies hebben en zeker niet als bestanddelen van een systeem, maar als vreemde voorwerpen zijn te beschouwen, een wezenlijk verschil met de beveiligingsetiketten hierin gelegen, dat al die voorwerpen een louter passieve functie hebben — de inwerkingstelling van het alarm — terwijl de beveiligingsetiketten uitgezonden signalen waarnemen en omzetten, waardoor het alarm in werking treedt.
2.
De Commissie merkt in de eerste plaats terecht op, dat onderscheid moet worden gemaakt tussen gevallen waarin de beveiligingsetiketten samen met andere componenten van het diefstalbeveiligingssysteem worden ingevoerd, en afzonderlijke invoer.
Voor het eerste geval is van belang dat in de Toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur, volgens de rechtspraak een waardevolle uitleggingsbron, alarmtoestellen tegen diefstal uitdrukkelijk worden genoemd als voorbeeld van een „functionele eenheid”, te weten elementen van een apparaat, die ontworpen zijn om samen één welbepaalde functie te verrichten (afdeling XVI, Littera VI). Vervolgens heet het dan, dat wanneer alle elementen van een dergelijke eenheid te zamen worden ingevoerd, het geheel als alarmtoestel tegen diefstal onder post 85.17 moet worden ingedeeld. In het tweede geval daarentegen — afzonderlijke invoer van de elementen — moeten de goederen luidens de onderhavige Toelichtingen naar hun eigen aard worden ingedeeld.
3.
In casu doet zich het tweede geval voor, het enige waarbij problemen kunnen rijzen. Ook hier heeft de Commissie overtuigend betoogd, dat het bij indeling op grond van de kenmerkende eigenschappen niet van belang is, uit welk materiaal de etiketten vervaardigd zijn. De aard van de etiketten wordt immers geenszins bepaald door het materiaal waaruit zij vervaardigd zijn, maar door de manier waarop zij geconstrueerd zijn en functioneren.
De Commissie heeft voorts aangetoond, dat de betrokken etiketten niet gelijk kunnen worden gesteld met antennes in de zin van post 85.15 (gelijk de Belgische douane kennelijk doet). Nu het hier niet gaat om voor de overbrenging van boodschappen of bedieningsbevelen bestemde instrumenten, is niet voldaan aan de in de Toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur gestelde vereisten voor indeling onder die post. Aangezien bovendien niet kan worden aangenomen dat het beveiligingssysteem als hoofdzaak onder voornoemde post valt, kunnen de daarbij horende etiketten als „onderdelen” van het systeem evenmin onder post 85.15 worden ingedeeld.
Bij indeling onder post 85.17 — volgens het Bundesfinanzhof in casu één van de twee in aanmerking komende posten — rijst volgens de Commissie de vraag of de etiketten, daar zij op zich geen alarmtoestel zijn doch enkel in verbinding met het hoofdapparaat kunnen functioneren, als „onderdelen” van het systeem kunnen worden beschouwd, dan wel — op grond dat zij enkel het alarm in werking stellen — veeleer het aanzetmechanisme vormen, zoals muntstukken bij automaten, gecodeerde kaarten bij banken of dito etiketten in warenhuizen. Dit laatste is volgens de Commissie niet het geval — en ook dit klinkt plausibel — juist omdat het alarm niet in werking wordt gesteld enkel doordat de etiketten in het signaalveld van de hoofdinstallatie worden gebracht, maar doordat ontvangen signalen worden omgezet en weer uitgestraald, waarbij eerder kan worden gedacht aan het voorbeeld van de in automaten ingebouwde sensoren.
Nu het derhalve meer aangewezen lijkt, de etiketten als een onderdeel van een functionele eenheid te beschouwen (ook wanneer er geen tastbare verbinding bestaat zoals bij de in zaak 60/77 in het geding zijnde apparaten), is voor de indeling aantekening 2 van afdeling XVI van het GDT van essentieel belang. Daarbij is dan tevens relevant, dat in dit verband het begrip „machines” ingevolge aantekening 5 ook apparaten en werktuigen bedoeld in Afdeling XVI omvat.
Volgens aantekening 2, sub a, rijst dan om te beginnen de vraag', of de onderdelen in kwestie als zodanig onder een van de posten van hoofdstuk 84 of 85 kunnen vallen. In dat geval zouden zij daaronder moeten worden ingedeeld, ongeacht voor welke machine zij bestemd zijn. Zoals gezegd, moet deze vraag volgens de Commissie ontkennend worden beantwoord op grond van post 85.15. De Commissie heeft echter ook op overtuigende wijze aangetoond, dat hetzelfde voor post 85.22 geldt. Hiertegen kan weliswaar worden ingebracht dat de onderhavige etiketten enkele van de in de Toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur genoemde, voor post 85.22 essentiële kenmerken vertonen (zij wekken elektrische signalen op, bestaan uit elektrische elementen — uitdrukkelijk vermeld zijn dioden — en werken elektrisch), maar daarnaast is van belang dat de onder post 85.22 vallende apparaten „een zelfstandige functie” moeten hebben en dat in zoverre de Toelichtingen bij post 84.59 moeten worden toegepast. De onderhavige etiketten beantwoorden stellig niet aan de aldaar gegeven definitie van een apparaat met een zelfstandige functie. Dit geldt voor de sub A gegeven formulering, luidens welke de functie van de inrichting duidelijk onderscheiden moet zijn van die van andere apparaten en onafhankelijk moet zijn van elke andere machine, elk ander toestel of ander werktuig. Hetzelfde geldt voor de sub B gestelde voorwaarde, dat de functie van een apparaat geen onscheidbaar deel moet vormen van de functie van de betrokken eenheid.
Nu de etiketten niet zelfstandig zijn ten opzichte van het diefstalbeveiligingssysteem en hun functie veeleer in dat systeem opgaat, moet derhalve worden aangenomen dat aantekening 2, sub b, van toepassing is. Het betreft hier immers delen of onderdelen, andere dan die bedoeld sub a, die naar hun aard uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor een bepaalde machine en die, aangezien het hoofdapparaat onder post 85.17 valt, eveneens onder die post moeten worden ingedeeld.
C.
Overeenkomstig het voorstel van de Commissie moet op de door het Bundesfinanzhof gestelde vraag derhalve worden geantwoord, dat aantekening 2 juncto aantekening 5 van afdeling XVI van het gemeenschappelijk douanetarief aldus moet worden uitgelegd, dat afzonderlijke elektrische toestellen die apart worden ingevoerd, „delen of onderdelen” in de zin van die aantekening zijn, wanneer zij ertoe bestemd zijn om op waren te worden aangebracht teneinde hoorbare of zichtbare signalen van een signaalgever in werking te stellen zodra de waren in een door een ander toestel opgewekt signaalveld worden gebracht, en dat toestellen in verband met deze functie op grond van voornoemde aantekeningen onder post 85.17 van het gemeenschappelijk douanetarief moeten worden ingedeeld.
( *1 ) Vertaald uit het Duits.
Top