ARCHIVES HISTORIQUES
DE LA COMMISSION
COLLECTION RELIEE DES
DOCUMENTS "COM"
COM (86) 129
Vol. 1986/0043
Disclaimer
Conformément au règlement (CEE, Euratom) n° 354/83 du Conseil du 1er février 1983
concernant l'ouverture au public des archives historiques de la Communauté économique
européenne et de la Communauté européenne de l'énergie atomique (JO L 43 du 15.2.1983,
p. 1), tel que modifié par le règlement (CE, Euratom) n° 1700/2003 du 22 septembre 2003
(JO L 243 du 27.9.2003, p. 1), ce dossier est ouvert au public. Le cas échéant, les documents
classifiés présents dans ce dossier ont été déclassifiés conformément à l'article 5 dudit
règlement.
In accordance with Council Regulation (EEC, Euratom) No 354/83 of 1 February 1983
concerning the opening to the public of the historical archives of the European Economic
Community and the European Atomic Energy Community (OJ L 43, 15.2.1983, p. 1), as
amended by Regulation (EC, Euratom) No 1700/2003 of 22 September 2003 (OJ L 243,
27.9.2003, p. 1), this file is open to the public. Where necessary, classified documents in this
file have been declassified in conformity with Article 5 of the aforementioned regulation.
In Übereinstimmung mit der Verordnung (EWG, Euratom) Nr. 354/83 des Rates vom 1.
Februar 1983 über die Freigabe der historischen Archive der Europäischen
Wirtschaftsgemeinschaft und der Europäischen Atomgemeinschaft (ABI. L 43 vom 15.2.1983,
S. 1), geändert durch die Verordnung (EG, Euratom) Nr. 1700/2003 vom 22. September 2003
(ABI. L 243 vom 27.9.2003, S. 1), ist diese Datei der Öffentlichkeit zugänglich. Soweit
erforderlich, wurden die Verschlusssachen in dieser Datei in Übereinstimmung mit Artikel 5
der genannten Verordnung freigegeben.
COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN
COMC86) 129 dof.
Brussel, maart 1986.
DE GEMEENSCHAP VOOR WETENSCHAP EN TECHNOLOGIE
Oogmerken van een nieuw communautair kaderprogramma voor onder
technologische ontwikkeling voor 1987-1991
(Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europese Parlement)
CCM(86) 129 def
- I -
De Gemeenschap voor Wetenschap en Technologie :
oogmerken van een nieuw communautair kaderprogramma voor onderzoek
en technologische ontwikkeling voor 1987-1991
SAMENVATTING
1. Een nieuwe kans voor Europa
Europa treedt de uitdaging tegemoet.
Terwijl de huidige wereld wordt gekenmerkt door de bespoediging van het
innovatieproces, door de verspreiding van de produktieve act iv i te i ten over de
gehele wereld, door de ontwikkeling van de diensten en tenslotte door de druk
die achter de mil i ta i re programma's zi t en de plaats die de ruimtevaart
inneemt bij de technologische ontwikkeling, tracht Europa orde op zaken te
s te l len . 1985 werd gekenmerkt door het op gang komen van de Gemeenschap voor
technologie, door het EUREKA-initiatief en door het opnemen van de
act iv i te i ten op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling in de
Europese Akte.
Thans maakt de Commissie haar oogmerken kenbaar voor het Nieuwe Kaderprogramma
voor onderzoek en technologische ontwikkeling 1987-1991.
2. Voordelen van de Europese dimensie voor Europees onderzoek en technologisch
ontwi kkelingswerk '
Het succes en de reputatie van programma’s als ESPRIT, RACE en BRITE berust
erop dat men zich bewust is geworden van de toegevoegde waarde die ontstaat
door communautaire act iv i te i ten op het gebied van onderzoek en technologische
ontwi kkeling.
De Gemeenschap biedt de mogelijkheid de in de afzonderlijke landen gedane
inspanningen en aanwezige competentie te doen samengaan; zij begunstigt
derhalve het tot stand komen van voordelen door schaalvergroting en kritische
massa's en biedt diversifiëringsmogelijkheden die een snelle en kostbare
wetenschappelijke en technische evolutie nodig maken.
Het optreden van de Gemeenschap schept het ju is te klimaat voor toeneming van
de c rea t iv i te i t en de samenwerking tussen wetenschappelijke en industriële
operators in strategische programma’s en met voorrang uit te voeren
significante projecten.
Het communautaire kader vormt de band tussen de technologische inspanning en
de grote Europese markt. Het zal in 1992 leiden tot open markten voor
overheidsopdrachten die berusten op gemeenschappelijke normen en een
gemeenschappelijk beleid ten aanzien van het industriële eigendom.
De Gemeenschap s t e l t voor het onderzoek middelen ter beschikking die zij aan
haar begroting ont trekt ; daarnaast zullen in de komende maanden nieuwe
financieringsinstrumenten worden voorgesteld die zijn aangepast aan de
specifieke behoeften van wetenschappelijke en industriële operators.
Ook waarborgt het communautaire kader de band met een dynamische
handelspolitiek die in het verlengde ligt van en tot steun dient voor de
inspanningen van wetenschap en bedrijfsleven.
Tenslotte vormt de Gemeenschap een vast kader dat het mogelijk maakt de
inspanningen van de Lid-Staten te optimaliseren, hun specifieke mogelijkheden
beter te benutten, dubbel werk te vermijden, d i t al les ten gunste van de
gehele Gemeenschap en haar regio 's .
- II -
3. Nieuwe geïnst i tutionaliseerde maatregelen voor onderzoek en technologische
ontwiTkel'in'g ! ~
De Europese Akte vormt een nieuwe polit ieke en juridische grondslag voor
ontwikkeling van het wetenschappelijk en technisch beleid van de Gemeenschap.
De werkzaamheden van de Gemeenschap op het gebied van 0T0 liggen
op drie niveaus :
- een kaderprogramma voor verschillende jaren dat met eenparigheid van stemmen
wordt vastgesteld en de grondslag vormt voor een evenwichtige ontwikkeling
van al le communautaire ac t iv i te i ten ;
- specifieke programma's die met gekwalificeerde meerderheid worden
vastgesteld en waarin specifieke doelstellingen zijn vervat, te r
aanmoediging van de samenwerking tussen a l le betrokkenen en die openstaan
voor samenwerking met derde landen;
- aanvullende programma's waaraan slechts die Lid-Staten deelnemen die dat
wensen.
4. Pr iori te i ten van de communautaire werkzaamheden
In het document inzake de oogmerken worden zeven act iel i jnen uitgestippeld
die zijn aangepast aan de nieuwe eisen van de negentiger jaren.
Deze act iel i jnen die wezenlijk zijn gericht op een versterking van de
concurrentiepositie van Europa op de internationale markt, op een verhoging
van de kwaliteit van het bestaan en op het tot stand brengen van een
daadwerkelijk Europa van de wetenschap, hebben betrekking op de volgende zeven
onderwerpen :
- beheer van de hulpbronnen (met name landbouw);
- energiebeheer;
- concurrentiepositie van industrie en diensten ( informatietechnologie,
telecommunicatie, enz.) ;
- kwaliteit van het bestaan ("Europa tegen kanker", bestr i jding van AIDS,
veiligheid, milieubescherming, enz.) ;
- wetenschap en techniek ten dienste van de ontwikkeling;
- wetenschappelijk en technisch potentieel van Europa;
- algemene steun voor wetenschappelijke en technische ontwikkeling (innovatie,
wetenschappelijke netten, automatische vertal ing, enz.);
Niet alleen wegens de evolutie van wetenschap en techniek over de hele wereld
maar ook met het oog op de steeds zwaardere druk die van buitenaf op ons
werelddeel wordt uitgeoefend acht de Commissie het gewenst de werkzaamheden in
verband met de concurrentiepositie van de industrie en de diensten aanzienlijk
uit te breiden.
Wat betreft energiebeheer, wenst de Commissie de vooraanstaande posi tie te
verstevigen, die Europa inneemt op het gebied van kernfusie, dat overigens
één van de terreinen i s , waarop de inspanningen op Europese schaal zijn
geïntegreerd.
Voor wat betref t de andere aspecten van onderzoek op het gebied van energie
wordt een betrekkelijk omvangrijke heroriëntering van de werkzaamheden
aanbevolen. De Commissie is echter van mening dat bij de huidige en nog niet
te voorspellen evolutie van de aardolieprijzen niet mag worden afgezien van
dit soort onderzoek dat nog steeds een belangrijke factor is bij de spreiding
van de voorzieningsbronnen van de Gemeenschap en de beperking van het
energieverbrui k.
- III -
Daarnaast bestudeert de Commissie de mogelijkheid om in de l i j s t van de
acties voor het volgende kaderprogramma ook de exploitatie van de
ruimte en de ontwikkeling van de luchtvaartindustrie op te nemen.
Gelet op de omvang van de uitdaging en het vermogen van de Gemeenschap hieraan
het hoofd te bieden moeten de nationale en communautaire, part iculiere en
overheidsmiddelen ten behoeve van onderzoek en technologie aanzienlijk worden
uitgebreid. De Commissie is van mening dat voor de tenuitvoerlegging van het
toekomstige kaderprogramma 1987-1991 ongeveer 10 miljard Ecu zou zijn vereist .
Hoewel dit bedrag aanzienlijk hoger ligt dan dat voor het voorgaande
kaderprogramma vertegenwoordigt het minder dan 5 % van al le uitgaven voor
onderzoek van de Lid-Staten in diezelfde periode.
5· Nieuwe uitvoeringsmodaliteiten voor communautair onderzoek
Voor wat betreft het toekomstige kaderprogramma is de Commissie voor een
aanzienlijke toeneming van het aandeel van projecten voor gezamenlijke
rekening^van het ESPRIT-type,in verhouding tot de eigen werkzaamheden die in
het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek worden uitgevoerd waarvan taak en
opdracht opnieuw moeten worden geëvalueerd/ hetgeen zijn weerslag zal vinden in
een zeer binnenkort te verschijnen mededeling.
Daarnaast zullen als aanvulling op de modaliteiten die het communautaire
onderzoek- en technologisch ontwikkelingswerk reeds geniet, nieuwe
uitvoeringsmodaliteiten worden voorbereid zoals de oprichting van
gemeenschappelijke ondernemingen of het lanceren van aanvullende programma's,
waarin de Europese Akte voorziet.
De Commissie is bereid een onderzoek in te s tel len naar het tot stand brengen
van soepeler constructies zoals agentschappen die als interface kunnen
fungeren tussen enerzijds de pr ior i te i ten en beleidslijnen van de Gemeenschap
en anderzijds de specifieke behoeften van de operators.
Tenslotte zullen de budgettaire maatregelen van de Gemeenschap worden
aangevuld met een reeks f a c i l i t e i t e n die voortvloeien uit nieuwe init iat ieven
van de Commissie op het gebied van de financieringstechniek, zulks met name
voor technologische 0 8 0-projecten ten bate van de industrie die reeds op
korte termijn in het commerciële stadium komen, zoals bv. de EUREKA-projecten.
6. Een open Gemeenschap voor technologie zonder complexen
De Gemeenschap voor technologie kan zich niet opsluiten binnen geografische en
ins t i tu t ionele grenzen-
Door zich naar buiten open te stel len versterkt zij de internationale
samenwerking zoals di t ook het geval is op het gebied van de thermonucleaire
kernversmelting.
Op zuiver Europees vlak s t reef t de Commissie naar nauwere betrekkingen met de
European Space Agency, het CERN, de Europese Stichting voor Wetenschap en de
Raad van Europa.
- IV -
De b i la tera le samenwerking met de EVA-Landen is in een stroomversnelling
geraakt door de uitvoering van de reeds ondertekende of binnenkort te
ondertekenen kaderovereenkomsten voor samenwerking op het gebied van
wetenschap en techniek.
Bij de tenuitvoerlegging van het kaderprogramma zal een belangrijke plaats
worden ingeruimd voor de ontwikkeling van de samenwerking met COST waaraan
ta l r i jk e landen buiten de Gemeenschap deelnemen.
Tenslotte ondersteunt de Commissie het EUREKA-initiatief. Haars inziens
vullen de programma's van de Gemeenschap en de EUREKA-projecten elkaar aan en
vormen deze zodoende een samenstel dat op dezelfde doelstell ing is gericht , te
weten de versterking van de concurrentiepositie van de industrie op de
internationale markt, de uitbreiding van de werkgelegenheid en de welvaart in
Europa.
Dientengevolge kan de Gemeenschap en met name de Commissie, EUREKA op
verschillende manieren helpen tot de gewenste resultaten te komen :
- samenwerking aan EUREKA-projecten;
- detachering van gekwalificeerd personeel bij het Secretariaat van EUREKA;
- organisatie van industriële forums;
- terbeschikkingstelling van een communicatiesysteem voor informatie dat wordt
uitgewerkt in het kader van ESPRIT;
- opening van de grote Europese markt;
- nieuwe daartoe in aanmerking komende ins t i tu t ionele en financiële
maatregelen.
7. Het kaderprogramma 1987-1991 bijna gereed
Aan het einde van de besprekingen over deze oogmerken die de komende weken in
de Raad en het Parlement zullen plaatsvinden denkt de Commissie in jul i
aanstaande haar o f f ic ië le voorstel voor een kaderprogramma voor onderzoek en
technologische ontwikkeling 1987-1991 in te dienen.
O
O O
INHOUD
I. Inleiding
II . Doel van het document
I I I . Europa in de wereld - Heden en toekomst
IV. De uitdaging voor Europa : Opbouw van een Europese Gemeenschap voor
Wetenschap en Technologie
1. Select iecri ter ia
2. Hoofdpunten van het kaderprogramma
3. Financieel evenwicht
V. Verwezenlijking van de Gemeenschap voor Wetenschap en Techniek
1. Algemeen
2. Voorbereidings-, uitvoerings-, financierings- en evaluatiemodaliteiten
A. Bestaande uitvoeringsmodaliteiten - Rol van het GCO
B. Nieuwe modaliteiten
C. Evaluatie van de resultaten
3. Flankerende maatregelen
4. Een open Gemeenschap voor Technologie zonder complexen
- EUREKA
- COST
VI. Conclusies
Bijlage I : Li jst communautaire acties
Bijlage II : Korte beschrijvingen van de communautaire acties
DE GEMEENSCHAP VOOR WETENSCHAP EN TECHNOLOGIE
Inleiding
De Lid-Staten van de Europese Gemeenschap staan momenteel voor een grootse
taak : concreet gesta lte geven aan een Gemeenschap voor wetenschap en
technologie.
Natuurlijk betekent dit niet dat hiermee de kansen op mogelijkheden tot
vruchtbare samenwerking met landen buiten de Gemeenschap worden weggenomen.
Integendeel de op tafel liggende voorstellen van de Commissie zijn er ju is t op
gericht de communautaire programma's epen te stel len voor derde landen in
Europa en de mogelijkheden tot samenwerking - op voet van gelijkheid - met de
grote partners buiten Europa uit te breiden.
De Gemeenschap is zeker in staat een Europese st rategie voor onderzoek en
technologische ontwikkeling te definiëren en vast te stellen!
Van de omvang van de Gemeenschappelijke Markt moet immers gebruik worden
gemaakt om het hoofd te kunnen bieden aan de aanzienlijke en steeds toenemende
uitgaven voor 0 & 0 om te kunnen profiteren van de schaalvergroting en de
spreidingsmogelijkheden die zij biedt , alsmede om een beter samengaan van
werkzaamheden en kennis te waarborgen op die wetenschappelijke en technische
terreinen waar de evolutie snel voortschri jdt.
Door te werken in een communautair kader kan in een strategisch
samenwerkingsverband worden zorg gedragen voor de optimalisering van de elkaar
aanvullende maatregelen die nodig zijn ter optimalisering van de economische
concurrentiepositie en de wetenschappelijke en technologische grondslag van
Europa, te weten :
- samengaan van wetenschappelijke en industriële operators in strategische
programma's en p r io r i ta i re belangrijke projecten waarvan de resultaten al le
betrokkenen tegen geringere kosten ten goede komen;
- oprichting van een ruime interne markt die door middel van een samenhangend
beleid op het gebied van de normalisatie, de openstelling van
overheidsorders, de industr iële eigendom, de concurrentie enz. het voortouw
kan nemen;
- terbeschikkingstelling van de nodige financiële middelen via bestaande
financiële instrumenten en nieuwe financieel-technische apparatuur;
- samenwerking bij het ontwerpen, bouwen en exploiteren van gecompliceerde en
kostbare infrastructuur (telecommunicatie, grote in s ta l la t ie s voor
wetenschappelijke doeleinden);
- tenuitvoerlegging van een sterkere saamhorigheid ten gunste van de minst
begunstigde regio's of bevolkingscategorieën door gebruik te maken van
structurele fondsen voor de verwezenlijking van de economische en sociale
doelstellingen van de Gemeenschap;
- 3 -
- aanwending van het gemeenschappelijk beleid op het gebied van betrekkingen
met derden en handelsrelaties ten einde bij belangrijke internationale
besprekingen een gemeenschappelijk standpunt te kunnen innemen;
- evolutie van onderwijs en opleiding door nauwe samenwerking op communautair
niveau tussen universiteiten en bedrijven en door ontwikkeling van nieuwe
ui trusting en systemen ten einde zich makkelijker te kunnen aanpassen aan de
veranderingen in beroepskwalificaties die te verwachten zijn en te kunnen
beschikken over de hoge mate van gespecialiseerde kennis die voor het
beheersen van de nieuwe technologieën is vereist .
Thans kan worden gewerkt aan het tot stand komen van een Gemeenschap voor
wetenschap en technologie hetgeen tot voor kort moeilijk zo niet i l luso ir was.
De nu. tot twaalf Lid-Staten uitgebreide Gemeenschap heeft een nieuwe
poli t ieke, economische en commerciële grondslag gevonden.
Op de bijeenkomst in Milaan (28/29 juni 1985) heeft de Europese Raad zijn
goedkeuring gehecht aan het memorandum van de Commissie geti teld : "Naar een
Europese Gemeenschap voor technologie".
In de in Hannover (november 1985) goedgekeurde beginselverklaring werden het
EUREKA-plan en de daaruit voortvloeiende projecten duidelijk beschouwd als een
verlengstuk van de communautaire en multilaterale Europese werkzaamheden op
het gebied van 0, 0 & D, ten einde de industrie in staat te stellen beter van
deze werkzaamheden te kunnen profiteren.
Verder zijn reeds een aantal kaderovereenkomsten gesloten voor
wetenschappelijke en technische samenwerking tussen de Gemeenschap en derde
Europese landen (Oostenrijk, Zwitserland, Zweden, Noorwegen en Finland), ofwel
zal dit spoedig gebeuren.
Voorts openden de hoofdstukken "Interne markt" en "Onderzoek en technologische
ontwikkeling" van de Europese Akte de weg naar de ge l i jk t i jd ige en
gecoördineerde ontwikkeling van het Europese beleid op het gebied van
wetenschap, techniek, industrie en handel.
Tenslotte is de Commissie, in het licht van de economische, wetenschappelijke
en technologische ontwikkeling op internationaal vlak (luchtvaart,
ruimtevaart, grote mili tai re programma's) (1) eens te meer van mening dat de
tenuitvoerlegging van een op nieuwe leest geschoeid en ambitieus Europees
wetenschappelijk en technisch beleid thans zowel noodzakelijk als mogelijk is .
Noodzakel.ijk aangezien het wetenschappelijk en technisch kunnen van de grote
economiche mogendheden in de loop van dit decennium in sterke mate bepalend
zal zijn voor hun vermogen zorg te dragen voor economische groei en het
scheppen van werkgelegenheid.
(1) Vergelijk hoofdstuk III van dit document.
- 4 -
Mogelijk wegens de nauwe samenwerking en het vertrouwensklimaat die de laatste
jaren tot stand zijn gekomen tussen in de Gemeenschap gevestigde ondernemingen
en wetenschappelijke organisaties alsmede tussen laatstgenoemde en de
Commissie, zulks met name in het kader van de ESPRIT-, RACE- en
BRITE-Programma1s.
Mogelijk, eveneens, omdat de Gemeenschap een georganiseerd kader vormt
waarbinnen het bijeenbrengen en inzetten van de nodige hulpmiddelen wordt
begunstigd : gecoördineerde aanwending van mensen en kapitaal, gecoördineerde
en gerichte groei van de hulpmiddelen waarover de Gemeenschap en de Lid-Staten
beschikken.
- 5 -
I I ■ Doel van het dokument
In de resolutie van de Raad van 25 juli 1983, waarin de beginselen,
doelstellingen en projectkeuzecriteria van het Kaderprogramma voor
communautaire W/T-activiteiten 1984-1987 werden vastgesteld, was bepaald dat
het programma "u i te r l i jk in 1985" zou worden herzien.
In 1985 is het thema "onderzoek" aanleiding geweest tot vele besprekingen en
init iat ieven op Europees niveau : de Europese Raad van Milaan, de
Ministersconferenties voor EUREKA, de Intergouvernementele Conferentie van
Luxemburg. Hierop baseert de Commissie zich, wanneer z i j , zoals zij ook zegt
in haar mededeling "Naar een Europese Gemeenschap voor technologie" (1), meent
dat de herziening nu "met spoed moet worden uitgevoerd om zo onverwijld te
komen tot formulering en vaststel l ing van een tweede kaderprogramma voor de
periode 1987-1991".
Doel van dit document is eerst in grote lijnen een overzicht te geven van het
kaderprogramma voor de periode 1987-1991, alsmede de wegen en middelen die
uitvoering daarvan mogelijk moeten maken.
De Commissie wil met dit eerste document - dat niet het off iciële voorstel van
de Commissie bevat en waarmede zij niet op de inhoud daarvan wil
vooruitlopen - de meningen en standpunten van de Gemeenschapsinstellingen
vragen, met name waar het gaat om :
- de vasts tel l ing van de wetenschappelijke en technische s trategie;
- de daarbij in acht te nemen pr ior i te i ten en evenwichtstoestanden;
- de voor de periode 1987-1991 te ramen financiële middelen.
Aan de hand van de uitkomst van de besprekingen zal de Commissie haar
off iciële voorstel uitwerken voor een kaderprogramma voor 1987-1991 en dit in
juli 1986 aan de Raad en het Parlement voorleggen.
(1) C0M(85)530 def. van 30.9.1985
- 6 -
I I I . Europa in de wereld ~ Heden en toekomst
De afgelopen jaren hebben de Europese landen - ondanks hardnekkige en
zorgwekkende zwakheden, waarop later wordt ingegaan, niet alleen aan een
ernstige c r i s i s s i tua t ie het hoofd kunnen bieden, maar zijn zij ook in staat
geweest door samenwerking op een aantal terreinen een macht te scheppen die
zijn weerga in de wereld nauwelijks kent.
Europa b l i j f t de belangrijkste handelsmogendheid ter wereld : meer dan één
derde van de internationale handel wordt via Europa afgewikkeld. 40 % van de
industriële produktie van de Europese Gemeenschap, die de meest °Pen economie
ter wereld vormt, wordt buiten de grenzen afgezet, d.w.z. 25 tot 30 /. van het
bruto binnenlands produkt, terwij l dat c i j fe r voor de Verenigde Staten en
Japan 10 respectievelijk 12 % bedraagt.
Tegenover de in s ta b i l i t e i t van de dollar en vele andere valuta 's heeft Europa
- door het EMS - een zeer behoorlijke monetaire s t a b i l i t e i t weten te bewaren.
Naast een steeds betere beheersing van de in f la t ie hebben de Europese tanden
door een ten gunste van de bedrijven verbeterde verdeling van de toegevoegde
waarde, een langzame maar reële s t i jging van de investeringen en winsten weten
te bewerkstelligen; die st i jging ligt hoger dan bijvoorbeeld in de Verenigde
Staten.
Op diverse wereldmarkten zijn de prestat ies van Europa te vergelijken met die
van onze geduchte handelstegenstander, Japan (vooral waar het gaat om de
OPEC). Op energiegebied heeft Europa aanzienlijke inspanningen gedaan die in
tien jaar hebben geleid tot daling van de afhankelijkheid van olie van 65 tot
45 %, terwijl di t percentage in Japan nog steeds meer dan 60 bedraagt.
Tenslotte zijn de Europese successen op het gebied van wetenschap en
technologie (Airbus, Ariane, het CERN, JET, ESPRIT, BRITE, RACE . . . ) een
bevestiging van de waarde en het rendement van het 0, 0 & D-potentieel van
Europa.
Uiteraard mogen wij bij dit korte overzicht van enkele positieve gegevens uit
het Europees gebeuren, niet de meer ongunstige rea l i te i ten uit het oog
verliezen die ook, en eigenli jk nog des te meer, duiden op de noodzaak van een
inzake onderzoek en innovatie offensief Europees beleid, gericht op de
versterking van de concurrentiepositie op de internationale markt en daarmede
ui teindeli jk op de uitbreiding van de werkgelegenheid.
Bij het samenspel van de grote geïndustrialiseerde landen zien de Lid-Staten
van de Gemeenschap zich vaak geplaatst tegenover tegenspelers met een
aanzienlijke wetenschappelijke en technische potentie en dynamiek welke s^ms
die van de Lid-Staten verre overtreffen. De in de zeventiger jaren heersende
economische omstandigheden zijn nog steeds in grote mate bepalend voor de
ontwikkeling van het W/T-beleid van de Lid-Staten, hoewel een zeker economisch
h e r s t e l ,merkbaar wordt.
- 7 -
In een klimaat waarin de meeste Europese regeringen zich in de eerste plaats
toelegden - en nog toeleggen - op het zoeken naar oplossingen voor het
werkloosheidsvraagstuk, kreeg het W/T-beleid vaak niet de nodige aandacht en
werd er op beknibbeld, zulks ondanks het nauwe verband tussen technologie,
groei en werkgelegenheid.
Tegen het einde van de zeventiger jaren is er een kentering ten goede gekomen,
aangezien de meeste regeringen het belang van een sterk 0 & 0-beleid voor een
groei-economie hebben ingezien. In dit verband zij vooral vermeld dat men een
hoge p r io r i t e i t ging toekennen aan steun voor op economische doelstellingen
gericht, toegepast onderzoek; de meeste Europese landen richtten hun
W/T-beleid meer en meer op bevordering van innovatie en op het verbeteren van
het contact tussen zuiver wetenschappelijk onderzoek en industrie.
De inspanningen die ons in de toekomst nog te wachten staan zijn echter niet
te onderschatten. Geen Europees Land - hoe groot ook - kan alleen adequaat
reageren op de huidige technologische uitdaging. Om een indruk te krijgen van
het werk dat ons nog te doen staat moeten vi j f belangrijke feiten die zich de
laatste jaren hebben voorgedaan, op hun juiste waarde worden geschat :
- versnelling van het innovatieproces, d.w.z. versterking van de
concurrentiepositie op internationaal niveau door innovatie. Bepalend
hiervoor is het beschikbaar komen van nieuwe technologieën, produkten en
procédés die op zeer omvangrijke onderzoekprogramma's berusten. De landen in
Europa zullen zich dan ook moeten toeleggen op een aanzienlijke verhoging
van de financiële bijdragen voor 0 & 0 aangezien zij anders in de huidige
race naar innovatie een niet meer in te halen achterstand oplopen;
- het verspreiden van zich ui ters t snel ontwikkelende nieuwe technologieën
(informatica, biotechniek, materialen) over al le economische en sociale
sectoren;
- de versnelde verspreiding van produktieactiviteiten over de gehele wereld,
een krachtige tendens die ook in de wereld van wetenschap en techniek
merkbaar is en die, tegen de zin van de Lid-Staten, zou kunnen leiden tot
het uiteenvallen van Europa;
- een toename van de "immateriële" act ivi te i ten die tot uiting komt in een
snelle uitbreiding van de werkgelegenheid in de dienstensector. De rijkdom
der volkeren berust - en zal in de afzienbare toekomst steeds meer
berusten - op dienstverleningsactiviteiten : bij de produktie te verlenen
diensten, diensten van financiële aard, diensten op het gebied van
communicatie en informatie, d is t r ibu t ie , opleiding, onderzoek, enz.;
- tenslotte - en wellicht op korte en middellange termijn vooral - de pressie
die wordt uitgeoefend door de mili tai re programma's en de gevolgen daarvan
voor het s te lse l van onderzoek, wetenschap en techniek op de hele wereld. De
tradi t ionele scheidingslijn tussen mil i ta i r en nie t -mi l i ta i r onderzoek komt
immers langzamerhand te vervallen; de grote mili taire programma's kunnen in
wetenschappelijk en technisch opzicht voor beidé doeleinden dienen.
- 8
In de grote mili tai re programma's wordt 0 & 0 op enkele gebieden gericht :
telecommunicatie, hoge energieën, grote computers, geavanceerde materialen.
In veel landen worden belangrijke contracten gesloten met t rus ts (die vaak
beschikken over een op mili tai re toepassingen toegesneden 0 & O-structuur).
Dienovereenkomstig is hun aandeel in de voor onderzoek beschikbare
competentie en financiële middelen aanzienlijk met een stijgende tendens.
Laatstgenoemd punt verdient de aandacht met name in het licht van wat in de VS
geschiedt. Op grond van de middelen die voor 0 & 0 in de begroting van het
departement van defensie (DOD) worden uitgetrokken speelt de staat momenteel
een steeds meer overheersende rol. De aanzienlijke s t i jging van de
0 & O-uitgaven in de VS staan immers in direct verband met de in dat land
uitgevoerde mili taire programma's. De laatste scherpe s t i jging heeft te maken
met het Strategie Defence In i t ia t ive - SDI. Het aandeel van de uitgaven voor
mil i ta i r 0 & 0 in de totale overheidsuitgaven van de VS - in 1986 bedroeg dit
40 miljard USD op 57 miljard USD - steeg in 1986 in enkele jaren van 50 tot
70 X.
Naast de algemene invloed op de bespoediging van de technologische
ontwikkeling die van dergelijke financiële injecties ui tgaat , zijn de
betrokken programma's vaak gericht op geheel nieuwe en onbetreden paden van
onderzoek (dat zowel voor mili tai re als voor n ie t -mi l i ta i re doeleinden kan
dienen), waarmede de grondslag wordt gelegd voor toekomstige
produktieprocessen en dienstverleningsmethodes. Bovendien zijn deze
programma's van het begin af aan gericht op de ontwikkeling van systemen en
niet alleen van onderdelen op produkten : een belangrijke bijdrage tot het
toekomstige concurrentievermogen. De voor dergelijke programma's uitgetrokken
kredieten vormen in fe i te een rechtstreekse subsidie voor de bedrijven waar
zij worden uitgevoerd.
Tenslotte is het werk in de VS gericht op een - beheerste - spreiding van het
onderzoek over de hele wereld, daar het, zowel voor het onderzoek zel f , als
voor de technologische ontwikkeling, leidt tot het tot stand komen van
samenwerkingsverbanden.
Met deze elementen moet rekening worden gehouden bij het opzetten van een
communautair 0, 0 & D-stelsel. Doordat de Lid-Staten hun inspanning
versnipperen lopen ze de kans dat de Gemeenschap voor lange t i j d de middelen
moet ontberen die nodig zijn voor beslissende doorbraken op gebieden die ook
in de ogen van de Europeanen van groot belang z i jn ; verder bestaat het gevaar
dat de Europeanen worden gereduceerd tot onderaannemers in projecten die zij
niet op hun eigen belangen kunnen afstemmen.
Wanneer we de vergelijking tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap en de rest
van de wereld verder dóórtrekken - ook al is het moeilijk om de ontwikkeling
van het W/T-beleid van de geïndustrialiseerde landen op middellange en lange
termijn te vóórspellen - kunnen we toch enkele tendensen signaleren.
- 9 -
Op grond van een analyse van de tendensen van de afgelopen tien jaar op
het stuk van overheidsuitgaven aan onderzoek en ontwikkeling, kunnen de
middelen die de twaalf Lid-Staten van de Gemeenschap in de
periode 1987-1991 aan onderzoek, ontwikkeling en demonstratie moeten
besteden op ongeveer 230 miljard Ecu (1) worden geschat, terwij l de bruto
binnenlandse uitgaven (2) aan 0 & 0 in deze landen 460 miljard Ecu moeten
gaan bedragen (deze globale schatting verhult in fe i te een zeer ongelijke
onderlinge verdeling van financiële inspanningen over de Lid-Staten van
de Gemeenschap). In diezelfde periode zullen de overheids- en
part icul iere uitgaven in de VS zo'n 1.000 miljard Ecu en in Japan
330 miljard Ecu moeten gaan bedragen (volgens een raming op basis van
extrapolatie van de OESO-cijfers over de afgelopen tien jaar) . De
communautaire inspanning zal dus tussen die van Japan, waarvan de
pres tat ies op technologisch gebied geen verdere uitweiding behoeven, en
die van de VS komen te liggen.
Deze bewering behoeft verdere aanvulling met een vergelijking van het
economisch gewicht van de drie blokken. Kijkend naar het BBP over de
afgelopen tien jaar , s t e l t men vast dat die van Europa en de VS nagenoeg
geli jk z i jn , terwij l dat van Japan ongeveer 50 % lager l ig t . Aannemend
dat deze tendens tot 1991 aanhoudt, moeten de 460 miljard Ecu van de
twaalf Europese landen naast 660 miljard Ecu voor Japan (bij
vergelijkbaar BBP) worden gezet.
Hoewel de redenering misschien niet helemaal opgaat, geeft zi j wel een
duidelijke indicatie van de dynamische st rategie die Japan en de VS op
0 8 0-gebied voor de toekomst hebben uitgestippeld.
Verder stel len we vast dat de Gemeenschap ten opzichte van de andere
partners geen duidelijke machtspositie meer heeft. Zo staat vast dat in
de Sovjet-Unie in 1983 de totale uitgaven aan 0 & 0 26 miljard roebel
bedroegen ofwel 38 miljard Ecu,, tegenover 55 miljard Ecu aan
0 & 0-uitgaven van de Twaalf. Bij zich doorzettende tendensen zullen de
460 miljard Ecu van de Twaalf over de periode 1987-1991 staan tegenover
320 miljard Ecu van de Sovjet-Unie; afgaande op de documenten van het 26e
partijcongres is het overigens zeer waarschijnlijk, dat di t bedrag hoger
zal uitval len en in dit verband wijzen wij op een aanzienlijke toename
van het aantal onderzoekers dat sinds 1965 meer dan verdrievoudigd is en
in 1987 het Amerikaanse niveau zou kunnen bereiken. Verder is er nog de
recente ondertekening op 18 december 1985 van het "Kaderprogramma voor
wetenschappelijke en technische vooruitgang van de Lid-Staten van de
COMECON tot in het jaar 2000", een omvangrijk en ambitieus programma.
Tenslotte moet nog eens de geleidelijke opkomst op wetenschappelijk
gebied worden vermeld van landen als China, Brazi lië , India, Mexico,
Korea waardoor de "internationale concurrentie door innovatie" nog wordt
verscherpt.
(1) De schattingen zijn allemaal uitgedrukt in nominale waarde.
(2) DIRD - Overheids- en part iculiere uitgaven. Het overheidsaandeel in
de totale 0 8 0-financiering bedraagt ^ 50 % voor de Twaalf, 22 %
voor Japan en 52 % voor de VS.
- 10 -
Fundamentele doelstel l ing binnen de geschetste algemene context is voor
de Commissie Europa's aanwezigheid op de wereldmarkt macht te verlenen;
haar te onderbouwen met een wetenschappelijk en technologisch s te lse l
waarmee de uitdagingen vanuit binnen- en buitenland kunnen worden
beantwoord.
De Commissie acht het derhalve noodzakelijk om onderzoek en
technologische ontwikkeling hoge p r io r i t e i t te geven en bij voorkeur voor
deze sector op de begroting ruimte te maken voor een snelle uitbreiding.
- 11 -
iv. De uitdaging voor Europa : Opbouw van een Europese Gemeenschap voor
Wetenschap en Technologie
Europa, een heterogeen gezelschap van ouder wordende Landen in een zich
verjongende wereld, loopt de kans om ondanks de sterke troeven waarover
het beschikt in de s t r i j d met de buitenlandse W/T-concurrentie,
ge leidel i jk achterop te raken, indien het die troeven - de Europese
dimensie en dynamiek - niet voldoende ui tspeel t .
Alle onderzoeken van de Commissie, waarvan de conclusies niet alleen door
het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité, maar ook door
de leidende figuren van het nationale onderzoekbeleid van de Lid-Staten,
alsmede door vertegenwoordigers van de wetenschappelijke wereld en het
bedrijfsleven ruimschoots worden onderschreven, wijzen uit dat de
Europese Gemeenschap de basis en de kern van zo'n onderneming moet
vormen.
De Commissie is van mening dat zij ge l i jk t i jd ig op drie fronten aan de
slag moet gaan :
a. de voltooiing van de interne markt voor 1992. Daardoor krijgen al le
Lid-Staten de kans op het gebied van geavanceerde technologieën de
opening van de markt voor overheidsopdrachten te combineren met de
toegang tot dienovereenkomstige wetenschappelijke en technische
kennis. Dientengevolge moeten een innoverend beleid inzake
overheidsopdrachten en een gemeenschappelijke 0, 0 & D-strategie
gezamenlijk in het oog worden gevat;
b. het aanwenden van nieuwe financieringstechnieken waardoor een
samengaan van openbare en part iculiere financiering tot stand kan
komen;
c. de voortzetting en uitbreiding van een beleid inzake onderzoek en
technologische ontwikkeling dat in de komende jaren wezenlijk gericht
moet zijn op de volgende doelstellingen :
- versterking van de wetenschappelijke en technologische basis van de
Europese industrie en ontwikkeling van haar internationale
concurrentiepositie (onderafdeling V, t i t e l VI van de Europese
Akte);
- versterking van de economische en sociale samenhang van de
Gemeenschap. Alle Lid-Staten en regio's van de Gemeenschap moeten
kunnen profiteren van de resultaten van het kaderprogramma en de
specifieke programma's die daaruit voortvloeien en deelnemen aan de
ontwikkeling die plaatsvindt uitgaande van de aldus gelegde basis.
In dit verband gezien vormen EFRO, de GMP's, de coördinatie van
andere financiële instrumenten (Sociaal Fonds,
EOGFL-Garantieafdeling enz.), de omschrijving van nieuwe
leningsinstrumenten, hulpmiddelen die met elkaar moeten worden
gecombineerd;
- algemene verbetering van de kwaliteit van het bestaan in het kader
van de Gemeenschap (dit streefdoel waaronder talrijke maatregelen in
verband met de gezondheid, de veiligheid, het milieu, enz. vallen,
dient enerzijds als aanvulling op en anderzijds als tegenhanger van
het streefdoel "technologische en industriële concurrentiepositie").
- 12 -
Om deze doelen te bereiken lijken een sterke opvoering van part icul iere
en overheidsinvesteringen in de Lid-Staten en een aanzienlijke verhoging
van de communautaire kredieten voor W/T, gepaard met een omvangrijkere
samenwerking tussen a l le op dit gebied actieve operators (bedrijven,
universi tei ten, enz.) , s t r ik t noodzakelijk.
Op nationaal niveau lijken de uitgaven voor 0,0 & D nog betrekkelijk
gering : gemiddeld niet meer dan 2 % van het BNP, wanneer men bedenkt dat
dit percentage in de VS reeds op 2,8 % (1) l ig t en in Japan aan het einde
van de tachtiger jaren 3 % zal gaan bereiken. Er bestaan wel grote
onderlinge verschillen tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap; het
gemiddelde van 2 % van het BNP voor onderzoek is genomen van nationale
onderzoekinspanningen die variëren van 0,35 % tot 2,4 %.
Het is aan de Lid-Staten om te bepalen op welke manier zij hun
inspanningen willen opvoeren, hetzij door verhoogde overheidsbestedingen,
hetzij door stimulering van de onderzoekinspanningen in het
bedri jfsleven.
Ook op communautair vlak zijn de voor onderzoek uitgetrokken middelen nog
steeds gering, zowel in absolute c i j fe rs als wat het percentage van de
Gemeenschapsbegroting betref t ( 3 % van de algemene begroting van de
Gemeenschappen en 2,5 % van a l le nationale begrotingen voor 0 & 0 bij
elkaar). Rekening houdende met de stimulerende en coördinerende werking
van de communautaire financiële steun op 0 & 0-gebied, zullen deze
middelen aanzienlijk moeten worden vers terkt , waarbij zal worden gemikt
op een optimaal gebruik van de hulpbronnen van de Gemeenschap en de
Lid-Staten.
De verwezenlijking van voornoemde doelstellingen moet de totstandkoming
bevorderen van een wetenschappelijk en technologisch s te l se l dat de
Gemeenschap in s taat s t e l t tot een evenwichtige maar specifiek gerichte
ontwikkeling, een selectieve gerichtheid die evenwel niet mag leiden tot
u i t s lu i t ing van bepaalde gebieden die tot de bevoegdheden van de
Gemeenschap horen (onderwijs en opleiding, verwezenlijking van het Europa
van de wetenschap, landbouw, industrie , behoud en verbetering van het
menselijk leefmilieu, gezondheidszorg, veil igheid, enz.) .
Deze ontwikkeling zou tenslo t te moeten berusten op een keuze van de uit
te voeren projecten waarbij zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van de
"toegevoegde waarde" die voortvloeit ui t de omvang van de Gemeenschap.
In concreto komt deze toegevoegde waarde neer op de volgende voordelen :
- verdeling van de kosten;
- verdeling van het wetenschappelijk r is ico (coördinatie van
doelstellingen en methodes, vermenigvuldiging van de wetenschappelijke
benaderingswijzen);
- uitbreiding van het werkterrein voor competentie en deskundigheid;
- bereiken van de kri t ische massa voor financiële middelen en personeel;
- grotere doeltreffendheid van 0 & 0 (ambitieusere projecten, sneller
bereikte resultaten met a l le voordelen vandien voor de
concurrentiepositie van wetenschap en industr ie) ;
- lanceren van flankerende maatregelen die voor het succes onmisbaar
zi jn.
(1) In de VS bedraagt de ontwerp-begroting voor 0 8 0 voor 1987
63 miljard USD tegen 57 miljard in 1986 (waarvan 42 miljard voor
- 0, 0 8 D en 4,8 miljard voor het SDI-programma alleen).
Select iecri ter ia
Bij het selecteren van de acties en specifieke programma's die deze
communautaire toegevoegde waarde bezitten (zulks in tegenstelling tot
ac t iv i te i ten die 'op regionaal of nationaal niveau of in het kader van
internationale of multilaterale organiaties kunnen worden uitgevoerd)
moet volgens de Commissie worden uitgegaan van een aantal duidelijke
c r i te r ia .
Zij moeten :
- een dusdanige omvang hebben dat de benodigde middelen niet of met
moeite door de Lid-Staten afzonderlijk kunnen worden opgebracht;
- dank zij taakverdeling en mobilisering van voldoende mensen en middelen
duidelijke voordelen bieden in de vorm van een groter rendement en
lagere kosten;
- kunnen leiden tot significante resultaten voor de Gemeenschap als
geheel vanwege het elkaar aanvullen van op nationaal niveau verrichte
taken en in verband met de omvang van de problemen waarvoor men zich
met name op het geografische vlak gesteld z ie t ;
- een gunstig klimaat scheppen voor transnationale samenwerking en
c re a t iv i t e i t ;
- wegens de benodigde middelen of wegens het stimulerende effect dat
ervan ui tgaat, de "kritische massa" bereiken, met betrekking tot
bestaande of geplande, nationale of multi laterale act iv i te i ten ;
- bijdragen tot de uitvoering van het communautaire beleid, met name van
dat , gericht op het tot stand brengen van de grote interne markt.
Deze zes c r i te r ia overlappen elkaar vaak of vullen elkaar aan, zij
sluiten elkaar echter nooit u i t .
Hoofdpunten van het kaderprogramma
Aan de hand van bovenstaande algemene opmerkingen en rekening houdende
met genoemde c r i t e r i a , s t e l t de Commissie voor om bij de opbouw van de
W/T-strategie van de Gemeenschap voor de jaren 1987-1991 uit te gaan van
een indeling in zeven hoofdpunten in het kader waarvan de vaststel l ing
van pr ior i te i ten en programma's zal plaatsvinden.
Hierbij zal , volgens de Commissie, de voorkeur moeten worden gegeven aan
act iv i te i ten die een bijdrage Leveren tot :
- de internationale concurrentiepositie;
- de kwaliteit van het bestaan;
- de verwezenlijking van het Europa van de wetenschap.
Een eerste schets van de richting waarin deze wetenschappelijke en
technische act iv i te i ten in de periode 1987-1991 zouden moeten worden
geleid en van de hiervoor uit te trekken middelen is opgenomen in bijlage
I I ; ti jdens de uitwerking van het off iciële voorstel voor het nieuwe
kaderprogramma zullen deze zaken nader worden bestudeerd en uitgediept,
maar de gedetailleerde inhoud van de te treffen maatregelen wordt
vastgelegd in specifieke programmavoorstellen.
COMMUNAUTAIRE ACTIES
1. Beheer van de hulpbronnen
1.1. Landbouw en visseri j
1.2. Grondstoffen
2. Energiebeheer
2.1. Kernfusie
2.2. Kernsplijting
2.3. Fossiele, nieuwe en vernieuwbare energiebronnen, rationeel gebruik
van energie
3. Concurrentievermogen van de industrie en de dienstensector
3.1. Informatietechnologie
3.2. Telecommunicatietechnologie
3.3. Integrat ie van informatie- en telecommunicatietechnologieën bij
nieuwe toepassingen en diensten van gemeenschappelijk belang
3.4. Samenwerking bij het fundamenteel onderzoek voor
informatietechnologie
*
3.5. Industriële en speciale technologie
3.6. Biotechnologie en agro-industriële technologie
3.7. Materiaalwetenschap en -technologie
3.8. Wetenschap en technologie van de zee
*
3.9. Vervoer
*
3.10. Wetenschappelijke normen, referentiematerialen en -methoden
4. Kwaliteit van het bestaan
4.1. Gezondheid
4.2. Veiligheid
4.3. Milieu en klimatologie
5. Wetenschap en technologie ten dienste van de ontwikkeling
6. Wetenschappelijk en technisch potentieel van Europa - het Europa
van de onderzoekers
7. Algemene maatregelen te r bevordering van de wetenschappelijke en
technische ontwikkeling
7.1. Innovatie
7.2. Communicatie- en informatienetten en wetenschappelijke databanken
7.3. Talenproblematiek
7.4. Prognose, evaluatie en s ta t i s t i sche instrumenten
7.5. Internationale samenwerking
- 15 -
In het kort kunnen de in de bijlage beschreven wetenschappelijke en
technische hoofdpunten op dit ogenblik als volgt in beeld worden
gebracht.
Hoofdpunt 1 : Beheer van hulpbronnen
Op landbouwgebied moeten - in de l i jn van de door het "Groenboek" van de
Commissie geopende perspectieven - de lopende onderzoekwerkzaamheden
worden uitgebreid. In deze sector is coördinatie van nationale
act iv i te i ten van bijzonder groot belang. Er zullen nauwe banden moeten
worden gelegd met in andere sectoren (3.6) uitgevoerde projecten op het
gebied van de biotechnologie en de agro-industriële technologie.
In de visseri j zouden dan eindelijk de Lang verbeide communautaire
ac t iv i te i ten van s ta r t moeten gaan in combinatie met nieuwe act ivi tei ten
op het gebied van oceanologie en zeetechnologie.
Wat de grondstoffen betreft zijn de voorgestelde werkzaamheden
voornamelijk gebaseerd op een door de Raad in december 1985 gegeven
gemeenschappelijke r ich t l i jn en behelzen een selectieve uitbreiding van
bepaalde werkzaamheden.
Hoofdpunt 2 : Energiebeheer
Thermonucleaire kernversmelting is een van de gebieden waarop integratie
van de Europese inspanningen het verst gevorderd is ; het betreft hier
onderzoek op zeer lange termijn, waarvan de resultaten bepalend kunnen
zijn voor de energievoorziening van de Gemeenschap en deze verzekeren.
Continue en stabiele financiële steun van de overheid is dus
noodzakelijk, om niet datgene wat tot nu toe bereikt i s , verloren te
laten gaan door gebrek aan voldoende financiële middelen.
Op het gebied van de kernsplijting komt het accent te liggen op de
veiligheidsaspecten bij de exploitatie van deze energiebron; beheer en
opslag van radioactief afval , regelgeving met betrekking tot de
veiligheid van reactoren en de "spl i j ts tofgaranties" (Safeguards) zijn
onderwerpen waarop de communautaire aanpak volledig tot haar recht komt.
Wat de fossiele , nieuwe en vernieuwbare energiebronnen en het rationeel
energiegebruik betreft moet rekening worden gehouden met de evaluatie van
daarop betrekking hebbende technieken, zoals met het fe i t dat de
ontwikkeling van bepaalde technieken volledig voltooid i s , alsmede met
het gegeven van de uitbreiding van de Gemeenschap, die een betrekkelijk
ingrijpende heroriëntering van de act iv i te i ten noodzakelijk maakt. De
huidige daling van de olieprijzen mag er evenwel niet toe leiden dat deze
ac t iv i te i ten , die nog steeds een belangrijke factor zijn bij de
diversif iëring van onze hulpbronnen en de vermindering van ons
energieverbruik, worden gestaakt.
Hoofdpunt 3 : Concurrentievermogen van de industrie en de dienstensector
Gezien de sociaal-economische s i tuat ie in de Gemeenschap, de
internationale ontwikkelingen op wetenschappelijk en technologisch gebied
en de groeiende druk van de buitenlandse concurrentie, hebben de
ac t iv i te i ten op dit gebied natuurlijk p r io r i t e i t . De Gemeenschap kan hier
een beslissende rol spelen door al le vormen van samenwerking tussen de
Lid-Staten en tussen bedrijven te stimuleren, te bevorderen of te
ondersteunen.
- 16 -
De uitvoering van het ESPRIT-Programma voor informatietechnologie heeft
geleid tot een aanzienlijke uitbreiding van het communautair 0 & 0. Het
tot nu toe bereikte moet verder worden uitgebouwd, waarbij rekening moet
worden gehouden met de waardevolle ervaringen van het eerste programma,
alsmede met de verhoogde inspanningen op dit gebied van Japan en de
Verenigde Staten. Bijzondere aandacht zal worden besteed aan de
software-technologie, die zowel zelf een IT & T-technologie i s , als een
essentieel onderdeel bij de ontwikkeling van toepassingen.
Ook op het gebied van de telecommunicatie is men zich bewust geworden van
de noodzaak van een communautaire inspanning gezien de transnationale
dimensie van deze technologie. RACE is het antwoord van Europa op de
kansen en tekortkomingen van vandaag. Behalve aan specifiek technologisch
gerichte act iv i te i ten moet Europa ook aandacht besteden aan integrat ie
van informatie- en telecommunicatietechnologieën voor toepassingen en
nieuwe diensten van gemeenschappelijk belang. Zo zijn onderwijs en
vervoer voorbeelden van toepassingen van gemeenschappelijk belang, waarin
overigens ook maatschappelijke overwegingen, zoals is aangegeven in het
IRIS-plan, een rol spelen. Bijzonder belangrijk is hier de zorg voor
nauwe samenwerking tussen de nationale programma's. Voorgesteld wordt om
ook aan het stadium dat de technologie voorafgaat aandacht te besteden en
fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in samenwerking te gaan doen op
het gebied van de informatietechnologie, om zo de constante toelevering
van nieuwe kennis naar een zich snel ontwikkelende sector te verzekeren.
In Europa is ook veel aandacht besteed aan het nieuw leven inblazen in de
tradit ionele bedrijfstakken door introductie van nieuwe technieken; het
succes van het BRITE-Programma is het bewijs dat hiermee ook werkelijk
wordt ingespeeld op bestaande behoeften. Op basis van de opgedane
ervaring zijn nieuwe r icht l i jnen geformuleerd voor act iv i te i ten die te
maken hebben met technologieën voor de verwerkende industrie en speciale
technologie ondersteunen.
Ook van de technologie is gebleken dat zij enorme mogelijkheden bezit om
de ac t iv i te i ten van een aantal t radit ionele bedrijfstakken, zoals de
chemische en farmaceutische industrie, wezenlijk te veranderen. Een en
ander is de reden voor het voorstel van de Commissie om de
biotechnologische projecten uit te breiden en met nieuwe projecten te
beginnen op het gebied van de agro-industriële technologie, projecten die
in nauwe samenwerking met het 0 S O-Programma voor de landbouw zullen
worden ontwikkeld, om di t te laten profiteren van de bijdragen van de
biotechnologie.
De toekomst van onze technologie is voor een groot deel afhankelijk van
onze kennis op materiaalgebied; di t is een gebied waar de concurrentie
van de Amerikaanse en Japanse ontwikkelingen zeer sterk i s . Een
gecoördineerde inspanning en de vorming van communautaire netten lijken
noodzakelijk; vandaar de nieuwe voorstellen voor projecten op het gebied
van materiaalwetenschap en -technologie.
Op het gebied van de wetenschap en technologie van de zee worden in het
merendeel van onze Lid-Staten een groot aantal projecten van
uiteenlopende aard uitgevoerd. De Commissie is van mening dat
communautaire maatregelen op dit ui tgestrekte te rre in gerechtvaardigd
zijn om voor één land te kostbare, omvangrijke en dure ui t rust ing te
kunnen gebruiken, om de exploi tat ie van beschikbare uitrust ing (schepen
voor oceanografisch onderzoek, onderwaterapparatuur, enz.) te kunnen
optimaliseren, om de in de Lid-Staten aanwezige deskundigheid op dit
gebied te kunnen poolen, om de resultaten van het onderzoek bij
- 17 -
de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk beléid en bij de steun
voor ontwikkelingslanden te kunnen aanwenden en omdat zij bijdragen tot
het tot stand komen van de interne markt waarvoor gemeenschappelijke
normen moeten worden aanvaard.
Het vervoer is een terrein dat zich bij uits tek leent voor transnationale
act iv i te i ten . Aangezien deze tot nu toe beperkt zijn gebleven tot enkele
waardevolle COST-acties, komen de communautaire 0 & O-inspanningen op dit
gebied voor uitbreiding in aanmerking. De voltooiing van de interne
markt is een van de centrale doelstellingen van de Gemeenschap voor de
komende jaren. De realisering van deze doelstelling omvat een groot
aantal maatregelen, waaronder de defini t ie en vasts tel l ing van
gemeenschappelijke normen, waaraan zeer veel belang moet worden gehecht.
De opstelling van normen en standaarden gebeurt meestal op basis van
onderzoek op het nog niet-commerciële vlak dat, indien op
gemeenschappelijke basis verricht , de goedkeuring van door iedereen
erkende normen en standaarden vergemakkelijkt; vandaar nieuwe voorstellen
voor voortzetting en uitbreiding van de communautaire act iv i te i ten op het
gebied van wetenschappelijke normen en referentiematerialen en -methoden,
met name in het kader van het GCO.
Hoofdpunt 4 : Kwaliteit van het bestaan
Door de nadruk die thans wordt gelegd op de concurrentiepositie van de
industrie en de dienstverlenende bedrijven, mag de aandacht van de
Gemeenschap niet verslappen voor het verbeteren van de kwaliteit van het
bestaan van de burgers.
Als boven reeds vermeld is de Commissie immers van mening dat aan het
bereiken van dit doel bijzondere aandacht moet worden besteed vanwege het
rechtstreekse sociaal-economische belang, de invloed op de sociale
aanvaardbaarheid van de nieuwe technologieën en het effect van het
ondernomen onderzoek op het welzijn van de burgers.
Het gaat hierbij voornamelijk om drie dingen :
- gezondheid : met uitbreiding van de werkzaamheden op het gebied van de
epidemiologie en de vaststel l ing van gemeenschappelijke normen. Ook
moeten speciale projecten voor kanker (Europa tegen kanker) en AIDS
worden opgezet;
- veiligheid : bij verschillende recente ongelukken met industriële
in s ta l la t ie s is eens te meer de noodzaak naar voren gekomen de
veiligheid van potentieel zeer gevaarlijke in s ta l la t ie s te verhogen
door een meer uitgebreid wetenschappelijk onderzoek;
- milieu en klimatologie : op deze gebieden liggen de problemen vooral op
transnationaal niveau; communautair optreden b l i jk t in d i t verband
bijzonder gewenst met name via de wegen die het milieubeleid van de
Gemeenschap heeft geopend.
Hoofdpunt 5 : Wetenschap en technologie ten dienste van de ontwikkeling
Europa moet aandacht bijven besteden aan de problemen van de Derde
Wereld; wetenschap en techniek vormen een belangrijk onderdeel van de
ontwikkeling. De communautaire werkzaamheden op d i t gebied moeten worden
voortgezet en uitgebreid waarbij rekening moet worden gehouden met de
specifieke omstandigheden in de Gemeenschap en de ontwikkelingslanden.
In het bijzonder dient een nauwe samenwerking tot stand te worden
gebracht tussen Europese laboratoria en de inst i tuten in de meest
geavanceerde ontwikkelingslanden; op basis van deze samenwerking kunnen
dan specifieke of regionale projecten worden uitgevoerd ten bate van de
- 18 -
minst ontwikkelde landen (eventueel door versteviging of oprichting van
plaatsel i jke W/T-structuren).
Hoofdpunt 6 : Het Europa van de onderzoekers
V i ta l i te i t en c re a t iv i te i t van de wereld van wetenschap en techniek
berusten in de eerste plaats op de kwaliteit van de mensen en teams die
zich met het technologisch onderzoek en ontwikkelingswerk bezighouden.
De mobiliteit van de onderzoekers, de uitbreiding van de
wetenschappelijke en technische netten, de opleiding, de bijscholing en
een optimale aanwending van bestaande of op te richten grote
wetenschappelijke in s ta l l a t i e s , vormen de onderwerpen waarvoor thans een
beroep wordt gedaan op steun en i n i t i a t i e f op communautair niveau.
Dienovereenkomstig verlopen ook de thans voorgestelde nieuwe
richtsnoeren.
Hoofdpunt 7 : Algemene steun voor wetenschappelijk en technisch
ontwikkelingswerk
Communautaire onderzoek-, ontwikkelings- en demonstratieprojecten kunnen
slechts groeien in een voor hen gunstig klimaat. Dit heeft de Commissie
ertoe gebracht te overwegen om in het nieuwe kaderprogramma ac t iv i te i ten
op te nemen die gericht zijn op het waarborgen van deze groei.
Daarbij gaat het om :
- maatregelen op het gebied van de innovatie en exploitat ie van de
resultaten van communautaire werkzaamheden : communautair 0 & 0-werk
zou moeten kunnen genieten van een beter innovatiemechanisme dat de
aanwending van de resultaten van 0 & 0 door de sociaal-economische
operators waarborgt;
- maatregelen op het gebied van communicatie- en informatienetten en op
dat van wetenschappelijke databanken, een onmisbare infrastructuur voor
Europa waar geografisch gespreide 0 S O-instellingen samenwerken en die
tevens leidt tot verhoging van de kwaliteit en doeltreffendheid van het
0 S 0 alsmede tot bespoediging van de overdrachtsprocessen. De
technieken zijn thans zover geëvolueerd dat een dergelijke ontwikkeling
moge l i jk i s .
O
O O
Op te merken valt dat de Commissie heeft nagegaan in hoeverre het gewenst
is in de l i j s t van onderwerpen die in het kader van het volgende
kaderprogramma moeten worden behandeld, ook de toepassing van de ruimte
en de ontwikkeling van de luchtvaartindustrie op te nemen.
Voor wat de ruimte betref t dient te worden nagegaan in hoeverre de
Gemeenschap, onder eerbiediging van de bevoegdheden van de op de
ruimtevaart gerichte Europese en nationale organisat ies , met name het
European Space Agency, een belangrijke rol zou kunnen spelen op
wetenschappelijk, technologisch en industrieel vlak.
Deze rol zal voornamelijk liggen op het te rre in van de
sociaal-economische aanwending van de op Europees niveau met zoveel
succes ontwikkelde technieken. Voor wat betref t de projecten op het
gebied van de telecommunicatie en de op landbouwkundige mogelijkheden, op
de ontwikkeling en op de milieubescherming toegepaste te lede tec t ie , is
reeds met de exploitat ie begonnen. De Commissie b l i j f t zoeken naar
andere met de ruimte in verband staande gebieden waarop communautaire
maatregelen een toegevoegde waarde zouden kunnen betekenen.
- 19 -
Voor'wat betref t de Luchtvaart is men nog doende na te denken over de
wenselijkheid specifieke maatregelen op communautair niveau voor te
s tel len. Een eerste onderwerp in deze sector komt ter sprake in de
rubriek vervoer van bijlage I.
Uiteraard moet de Gemeenschap, bij de keuze van de wetenschappelijke en
technische onderwerpen alsmede bij de vasts tel l ing van de voor de
behandeling daarvan over een periode van v i j f jaar benodigde middelen,
zorg dragen voor een mogelijkheid tot aanpassing over te gaan zodra
veranderende omstandigheden in de polit ieke, economische,
wetenschappelijke of technische componenten zulks nodig maken. Meer in
het bijzonder moet rekening kunnen worden gehouden met een plotselinge
stroomversnelling in het ontiikkings- en innovatieproces.
In de definit ieve versie v, het kaderprogramma 1987-1991 zal dan ook een
clausule moeten worden opgenomen die een dergelijke aanpassing mogelijk
maakt.
3. Financieel evenwicht
3.1. Voor elk van de communautaire OTO-acties zijn in de tabel in bijlage I
twee u i ters te ramingen vermeld. Deze ramingen staan in verband met de
omvang van het werk dat aan deze projecten wordt besteed.
Verschillende combinaties van ramingen naargelang van de p r io r i t e i t die
aan de projecten wordt toegekend, leiden tot een globaal bedrag van
ongeveer 9 miljard Ecu (nominaal) voor de v i j f jaar van het
kaderprogramma. Daarbij wordt rekening gehouden met een reserve van
15 % waardoor het totale bedrag neerkomt op 10,35 miljard Ecu.
Deze reserve is bestemd ter dekking van de financiering van maatregelen
die de Commissie naar aanleiding van de evolutie van de s i tua t ie op
pol i t iek , wetenschappelijk en technologisch vlak, zou kunnen
voorstellen en die thans nog niet zijn te overzien.
De Commissie is zich bewust van de noodzaak de uitgaven voor 0T0
geleidelijk op te voeren; met deze noodzaak wordt rekening gehouden bij
de opstelling van het profiel voor de evolutie van de vasts te l l ings- en
betalingskredieten voor de periode 1987-1991.
3.2. Rechtstreekse vergelijking van de voor 1987-1991 geschetste
hoofdbedragen en he- financiële evenwicht met die in het voorgaande
kaderprogramma is rauwelijks mogelijk aangezien de structurering van
het kaderprogramma op een geheel andere wijze wordt benaderd. In het
kaderprogramma 1984-1987 had het financiële evenwicht betrekking op de
doelstellingen waartoe de 0, 0 & D-projecten volgens variabele
voorstellen zouden Dijdragen. Zo droeg het Programma Niet-nucleaire
energievormen zowel bij aan de doelstelling "verbetering van het beheer
over energiebronnen" (74 %) als aan de doelstell ing "bevordering van de
concurrentiepositie van de industrie" (16 %) alsmede in geringe mate
(onder de 5 %) tot de overige doelstellingen van het eerste
kaderprogramma. Bij de nieuwe structuur wordt het financiële evenwicht
rechtstreeks toegepast op acties waaronder één of
meer 0 & 0-programma's vallen. Desniettemin b l i jk t ui t de volgende
tabel , zij het ook in zeer grote trekken, hoe de relatieve prior i te i ten
van de afzonderlijke onderwerpen die communautair ingrijpen
rechtvaardigen, zouden kunnen evolueren.
- 20 -
Onderwerpen Stand Kader- Uitvoering Kaderprogramma
1982 orogramma kaderprogram- 1987-1991
1984-1987 ma 1984-1987
December 1985
- Hulpbronnen land
bouw, visserij,
grondstoffen 3,3 % 5,6 % 2,6 % 2 %
Energie 65,4 % 47,2 % 47,3 % 21 %
Concurrentiepositie
industrie 16,9 % 28,2 % 35,7 % 60 %
Kwaliteit van het
bestaan 9,7 % 10,3 % 10,5 % 7,5 %
W/T ten dienste van
de ontwikkeling 0,7 % 4 % 1,7 % 1,5 %
Europees W/T-poten-
tieel 0 2,3 % 1,6 % 5 %
Algemene steun voor
W/T-ontwikkeling 4 % 2,4 % 0,6 % 3 %
100 % 100 % 100 % 100 %
- 21 -
• Verwezenli ik_in.a van_-de_ Gemeenschap vnr>r Werenschap en Techniek
1. Algemeen
De Europese Akte dient als nieuwe politieke en juridische grondslag
voor de ontwikkelingen van de wetenschappelijke en technische
strategie van de Gemeenschap.
Met de Europese Akte heeft de Gemeenschap zich tot taak gesteld de
wetenschappelijke en technische grondslag van de Europese industrie te
verstevigen en de versterking van de concurrentiepositie van die
industrie op de internationale markt te bevorderen.
De Gemeenschap dient haar werkzaamheden op het gebied van onderzoek en
technologische ontwikkeling te verdelen over drie soorten
programma's :
- een kaderprogramma voor enkele jaren dat met eenparigheid van
stemmen wordt vastgesteld en de grondslag vormt voor een
evenwichtige globale ontwikkeling van de communautaire maatregelen;
- specifieke programma's die met gekwalificeerde meerderheid van
stemmen worden vastgesteld, waarin specifieke doelstellingen worden
omschreven, de samenwerking tussen alle betrokkenen (bedrijven,
onderzoekcentra) wordt aangemoedigd en die openstaan voor deelneming
door derde landen;
- aanvullende programma's waaraan slechts enkele Lid-Staten deelnemen.
Zolang de Europese Akte niet door alle Lid-Staten is geratificeerd,
berust het voorstel van de Commissie voor een kaderprogramma 1987-1991
op de artikelen 235 EEG en 7 EGA.
De specifieke programma’s die onder het EEG-Verdrag vallen worden
vastgesteld overeenkomstig de bij de Europese Akte vastgestelde
procedure : op voorstel van de Commissie en in samenwerking met het
Europese Parlement door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van
stemmen genomen besluit; de programma's die onder het Euratom-Verdrag
vallen, worden volgens dezelfde procedure vastgesteld maar daarover
zal het Parlement slechts worden geraadpleegd.
Alle onderzoek-, ontwikkelings- en demonstratieactiviteiten worden
voorgesteld of genoemd in het kaderprogramma. In de tekst van het met
eenparigheid van stemmen door de Raad vast te stellen besluit komen
echter niet voor :
- specifieke programma's die onder het EGKS-Verdrag vallen, daar die
het onderwerp van een besluit van de Commissie vormen;
- demonstratieprojecten op het gebied van de energie daar deze gericht
zijn op de demonstratie van de economische kwaliteiten van de
uitgewerkte produkten of procédés in aansluiting op
OTO-werkzaamheden waardoor zij een verlengstuk vormen van het
onderzoekingswerk van de Gemeenschap.
2. Voorbereidings-, uitvoerings-, financierings- en evaluatiemodaliteiten
Bij de eigenlijke voorbereiding van het kaderprogramma denkt de
Commissie niet alleen overleg te plegen met het Europese Parlement,
het Economisch en Sociaal Comité en het CREST, doch ook in ruime mate
te steunen op adviezen van verschillende bij haar ingestelde
Raadgevende Comités (WTC, CODEST, IRDAC, ESPRIT-Comité, enz.).
- 22 -
In deze comités zitten immers mensen uit wetenschappelijke en technische
kringen, de industrie, de vakbonden, de consumentenbonden enz.; de Commissie
acht deelneming van alle belanghebbenden van wezenlijk belang bij het
uitstippelen van een communautair W/T-beleid dat het beste aansluit bij de tot
uitdrukking gebrachte behoeften en wensen.
A . Bestaande uitvoeringsmodaliteiten - Rol van het GC0
Bij haar streven naar tenuitvoerlegging van de in het kaderprogramma
voorziene maatregelen denkt de Commissie zowel gebruik te maken van de
volledige reeks bestaande modaliteiten als van een reeks nieuwe, nog te
ontwerpen, modaliteiten, waartoe "met name de Europese Aktë~haar de
mogelijkheid biedt.
Ten aanzien van de thans toegepaste modaliteiten (eigen werkzaamheden,
werkzaamheden voor gezamenlijke rekening, gecoördineerde werkzaamheden,
demonstratieprojecten) blijkt uit bijgaande tabel voor welke actie de
voorkeur naar een der voorgestelde modaliteiten uitgaat.
De werkzaamheden voor gezamenlijke rekening worden duidelijk de modaliteit
waarvan in de meerderheid van de gevallen gebruik wordt gemaakt; door de
middelen van de industrie of nationale onderzoekinstellingen te poolen met
die van de Gemeenschap kan een optimaal gebruik worden gemaakt van de
beperkte kredieten waarover Europa beschikt.
Voor wat betreft de eigen werkzaamheden dienen wij even aandacht te
besteden aan de toekomstige taak van het 6C0 : voor de uitvoering van het
kaderprogramma zal de Commissie een beroep op het GCO doen voor die
werkzaamheden waarvoor het is ingericht. Op basis van de huidige algemene
oogmerken van het Kaderprogramma is de Commissie thans doende het nieuwe
programma voor het GCO uit te werken voor de periode 1987-1991; naast dit
programma legt zij een document voor over de richtsnoeren voor de
toekomstige ontwikkeling van het GCO. Bij deze richtsnoeren steunt zij op
de algemene evaluatie die kortelings door de Wetenschappelijke Raad van het
GCO werd opgesteld. Uiteraard houdt het GCO zich voorat bezig met
onderzoek voor het opstellen van normen en standaarden, d.w.z. de
ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis die nodig is om
de wetgevende autoriteiten in staat te stellen de normen en standaarden
vast te leggen op een stevige en neutrale grondslag. Dat is een belangrijk
punt bij het tot stand brengen van de interne markt. Ook is het GCO
betrokken bij onderzoek over de technische veiligheid en de
milieubescherming, gebieden waarop het GCO een duidelijke rol speelt in
verband met de daar aanwezige competentie en proefapparatuur.
Het onderzoek dat thans bij het GCO wordt uitgevoerd omvat reeds een
aantal projecten die goed bij de taak van het Centrum aansluiten, maar
die in het toekomstige programma nog verder moeten worden ontwikkeld;
vergeleken bij de huidige situatie ligt het in de bedoeling de
programma's uit te breiden die in verband staan met de communautaire
acties inzake "concurrentiepositie van de industrie en de
dienstverlenende bedrijven" en de "kwaliteit van het bestaan".
Daarentegen zal het GCO zich minder moeten toeleggen op het
"energiebeheer". Deze wijzigingen vormen een aanzienlijke
verschuiving ten opzichte van het huidige programma. Uit het recente
evaluatierapport van de Wetenschappelijke Raad blijkt dat het GCO deze
wijzigingen kan opvangen.
COMMUNAUTAIRE ACTIES
1. Beheer van de hulpbronnen
1.1. Landbouw en visserij
1.2. Grondstoffen
2. Energiebeheer
2.1. Kernversmelting
2.2. Kernsplijting
2.3. Fossiele, nieuwe en hernieuwbare energiebronnen,
rationeel gebruik van energie
3. Concurrentievermogen van de industrie en de dienstensector
3.1. Informatietechnologie
3.2. Telecommunicatietechnologie
3.3. Integratie van informatie- en telecommunicatietechnologieën
bij nieuwe toepassingen en diensten van gemeenschappelijk belan
3.4. Samenwerking bij het fundamenteel onderzoek voor de
computerwetenschap (*)
3.5. Industriële en speciale technologie
3.6. Biotechnologie, agro-industriële technologie
3.7. Materiaalwetenschap en -technologie
3.8. Wetenschap en technologie van de zee (*)
3.9. Vervoer (*)
3.10. Wetenschappelijke normen, referentiematerialen en -methoden
4. Kwaliteit van het bestaan
4.1. Gezondheid
4.2. Veiligheid
4.3. Milieu en klimatologie
5. Wetenschap en techniek ten dienste van de ontwikkeling
6. Wetenschappelijk en technisch potentieel van Europa
- het Europa van de onderzoekers
7. Algemene maatregelen ter bevordering van de wetenschappelijke
en technische ontwikkeling
7.1. Innovatie
7.2. Communicatie- en informatienetten en wetenschappelijke
databanken
7.3. De talenproblematiek
7.4. Prognose, evaluatie en statistische instrumenten
7.5. Internationale samenwerking
Toelichting : ueze maatregel wordt X : in geringe mate
XX : in aanzienljke omvang
XXX : vooral
met behulp van de betrokken modaliteit uitgevoerd.
Gecoör
dineerde
maatrege
len
XXX
X
X
XX
X
X
XX
XX
XX
XX
XXX
X
XX
XX
XX
Maatreg.
voor ge
zamenlijke
rekening
XX
XXX
XXX
XXX
XXX
XXX
XXX
XXX
XX
XXX
XXX
XXX
XX
XXX
XX
XXX
XXX
XXX
XXX
XX
XX
XXX
XXX
Gemeenschap
pelijk Cen
trum voor
Onderzoek
XX (1)
XX
XXX
X
( 2 )
XXX
XXX
XXX
Aanvul
lende
program
ma’s
XX
XX
Opmerkingen
(1) Tele-
detectie
(2) Mate
rialen van het
GCO onder 3.1
nader te
preciseren
ro
w
- 24 ~
Voor het bereiken van het nagestreefde doel dient het GCO in het kader
van het communautaire onderzoek te worden geplaatst. Nog steeds
uitgaande van de conclusies in het evaluatierapport, heeft de
Commissie het voornemen enerzijds maatregelen te treffen voor een
beter in elkaar opgaan van de verschillende onderzoekmodaliteiten en
anderzijds een beter contact tot stand te brengen tussen het GCO, de
industrie en de nationale onderzoekinstellingen. Ook denkt zij aan
een verhoging van de mobiliteit van het wetenschappelijk personeel van
het GCO alsmede aan het scheppen van meer mogelijkheden voor het
opnemen van wetenschappelijke bezoekers en bursalen uit de Lid-Staten.
B. Nieuwe modaliteiten
Naast exploitatie van de thans bestaande beheers- en
financieringsmodaliteiten zou de Commissie gaarne gebruik maken van
een samenstel van nieuwe methodes die soepeler kunnen worden aangewend
en beter zijn aangepast bij het nieuwe kader waarbinnen de
voorgestelde maatregelen vallen. Bij de diensten van de Commissie is
men thans doende een nieuw samenstel van modaliteiten uit te werken of
te bestuderen.
In dit verband noemen wij nieuwe modaliteiten die op korte termijn
kunnen worden aangewend :
1- Gemeenschappelijke ondernemingen. Het gaat hierbij om de
uitbreiding, na aanpassing en vereenvoudiging, van het in het
EGA-Verdrag voorziene systeem tot het EEG-Verdrag (met of zonder
deelneming van de Gemeenschap, van alle of enkele Lid-Staten en
eventueel van derde landen).
2. Aanvullende programma's. Dergelijke programma's - zoals die in het
kader van het Euratom-Verdrag hebben bestaan of nog bestaan -
kunnen thans op basis van het EEG-Verdrag worden ontwikkeld. Deze
programma's zouden, met of zonder deelneming ten laste van de
begroting van de Gemeenschap, uitsluitend door belanghebbende
Lid-Staten worden omschreven en uitgevoerd en uit nationale
bijdragen worden gefinancierd.
3. Minderheidsparticipaties van de Gemeenschap in nationale en
multinationale acties of projecten. Door gebruik te maken van deze
modaliteit kan de Gemeenschap zich, in ruil voor een zekere
financiële bijdrage, aansluiten bij acties of projecten die van
belang voor de Gemeenschap zijn.
4. Steun van de Gemeenschap ten laste van haar begroting wordt
aangevuld met een samenstel maatregelen op basis van nieuwe
initiatieven van de Commissie inzake financieringstechniek, zulks
met name voor technologische 0 & O-projecten ten bate van de
industrie die kort voor de commerciële exploitatie staan, zoals de
EUREKA-projeeten.
5. Tenslotte is de Commissie bereid, ook weer bij wijze van aanvulling
ten opzichte van de bestaande modaliteiten, de mogelijkheid na te
gaan om te komen tot soepele constructies, zoals "agentschappen",
die als interface kunnen fungeren tussen enerzijds de prioriteiten
en beleidslijnen van de Gemeenschap en anderzijds de specifieke
behoeften van de operators.
C. Evaluatie van de resultaten
Ter afronding van dit samenstel van modaliteiten, denkt de Commissie op basis
van de sedert jaren opgedane ervaring aan de uitbreiding van haar systeem voor
de evaluatie van haar onderzoekprogramma's en de resultaten daarvan.
In het bijzonder zullen de evaluaties door onafhankelijke deskundigen die
reeds bij talrijke communautaire werkzaamheden plaatsvinden (GCO, programma's
inzake vernieuwbare energie, Mid-term review ESPRIT, enz.), systematisch en op
gezette tijden worden ingevoerd.
Flankerende maatregelen
Voorts kan bij de tenuitvoerlegging van de 0, 0 8 D-Programma's een hele reeks
flankerende maatregelen worden aangewend. De volgende voorbeelden kunnen thans
reeds worden genoemd :
- alle initiatieven die van nut kunnen zijn bij de organisatie van de grote
interne markt (normen en standaarden, vrij verkeer van goederen en kapitaal,
harmonisering van fiscale maatregelen). In het bijzonder mikt de Commissie in
het kader van haar concurrentiebeleid op een gemakkelijke totstandkoming van
akkoorden tussen bedrijven inzake 0 8 0 en de exploitatie van de resultaten
daarvan. Bij de toepassing van communautaire concurrentievoorschriften zou de
Commissie veel begrip tonen voor overheidssteun voor 0 8 0 ;
- bepaalde initiatieven die vooral van belang zijn voor staten of regio's in de
Gemeenschap waar nog veel moet worden gedaan aan de wetenschappelijke en
technische ontwikkeling.
Zoals reeds gezegd zal een evenwichtige ontwikkeling van alle Lid-Staten en
regio's in de Gemeenschap wezenlijk worden gewaarborgd door de omzetting van
het kaderprogramma in een samenstel van gerichte specifieke programma's.
Ter aanvulling kan worden overwogen in hoeverre voor bepaalde
infrastructuurprojecten een beroep kan worden gedaan op de EFRO en de GMP'S
terwijl ook het scheppen van nieuwe financieringsstructuren in aanmerking komt
die zowel kunnen dienen voor steun bij infrastructuurprojecten als kunnen
voldoen aan de karakteristieke behoeften van het midden- en kleinbedrijf.
Andere voorstelLen werden overigens reeds door de Commissie gedaan, zoals het
Programma inzake de ontwikkeling van sommige minder begunstigde regio's in de
Gemeenschap met het oog op een betere toegang tot geavanceerde telecommuni
catiediensten (STAR-Programma C0M(85)836 def.). Inmiddels bestuderen de
diensten van de Commi. sie in het kader van actieprogramma's voor 0 8 0 voor
gezamenlijke rekening, de modaliteiten om onderzoekinstellingen en ondernemin
gen uit minder begunstigde regio's te associëren met 0 8 0-instituten uit op
W/T-niveau het meest geavanceerde landen van de Gemeenschap, zulks op gebieden
waar dergelijke associaties tot een vruchtbare kruisbevruchting kunnen leiden;
- tenuitvoerlegging van maatregelen voor het midden- en kleinbedrijf ten einde
dit soort ondernemingen te doen profiteren van de communautaire dynamiek en van
de omvang van de grote interne markt.
- 26 -
De Gemeenschap voor wetenschap en technologie zal immers rekening moeten houden
met het feit dat de geavanceerde industriële economieën zich thans in een fase
bevinden waarin zich grote technologische omwentelingen voordoen tijdens welke
het midden- en kleinbedrijf zich nog het gemakkelijkst kan aanpassen en door
innovatie een sterke concurrentiepositie kan handhaven. Innoverende kleine
bedrijven houden voor Europa de garantie in dat voor ons werelddeel een
redelijke taak is weggelegd bij de nieuwe internationale verdeling van de
arbeid en de verspreiding van technologische kennis. De Gemeenschap zal dan
ook een open oog hebben voor het in stand houden van een milieu dat gunstig is
voor de ontwikkeling van een net van gezonde, dynamische en innoverende kleine
en middelgrote bedrijven in Europa. Binnenkort zat de Commissie een speciaal
op dit type maatregelen toegesneden mededeling aan de Raad voorleggen;
- tenslotte door meer steun te verlenen voor opleiding en herscholing van
wetenschappelijk personeel. In dit verband moet worden opgemerkt dat in het
kaderprogramma alleen communautaire wetenschappelijke en technische
activiteiten zijn opgenomen ten gunste van onderzoekers met een afgesloten
academische opleiding. Deze maatregelen liggen ook in een later stadium dan
die bedoeld in het COMETT-Programma (Community Programme for Education and
Training in Technology) dat immers wezenlijk gericht is op een aanvullende
opleiding voor studenten, onderwijskrachten en technici met het oog op de
evolutie van de nieuwe technologieën; dit programma vormt een noodzakelijke
aanvulling op de in het Kaderprogramma voor 0 & 0 voorziene maatregelen.
4. Een open Gemeenschap voor technologie zonder complexen
Versterking van de communautaire maatregelen voor 0T0 betekent geenszins dat de
Gemeenschap zich op wetenschappelijk en technisch niveau wil opsluiten binnen
haar geografische en institutionele grenzen. Deze versterking dient integendeel
gepaard te gaan met een verruiming van de internationale samenwerking, met name
op een gebied als de thermonucleaire kernversmelting en meer in het bijzonder
binnen Europa.
- De nauwe banden met de Europese Stichting voor Wetenschap, het European Space
Agency, het CERN, de Raad van Europa, moeten worden gehandhaafd, zoniet door de
uitvoering van gezamenlijke projecten worden versterkt.
- De bilaterale samenwerking met de EVA-Landen wordt door de tenuitvoerlegging
van de Kaderovereenkomsten inzake wetenschappelijke en technische samenwerking
die reeds zijn gesloten of binnenkort worden ondertekend, nauwer aangehaald.
De EVA-Landen die reeds zijn betrokken bij verschillende communautaire
programma's in het kader van het Euratom-Verdrag (kernversmelting, radioactief
afval) en in dat van het EEG-Verdrag (milieu, grondstoffen) zouden in de
toekomst hun samenwerking met de Gemeenschap nog moeten uitbreiden op
verschillende gebieden zoals telecommunicatie, informatietechniek,
produktietechnieken en materialen.
- Tenslotte moet bij de uitwerking van het nieuwe kaderprogramma bijzondere
aandacht worden besteed aan de banden met twee multilaterale
samenwerkingsorganisaties : één nieuwe : EUREKA en een oudere : COST. Zoals
men daar thans over denkt, zouden de betrekkingen tussen de activiteiten van de
Gemeenschap en deze beide organisaties het volgende beeld kunnen vertonen.
- 27 -
EUREKA
Ir» EUREKA komt de politieke wil tot uitdrukking van 18 Europese regeringen
en van de Commissie om gezamenlijk het hoofd te bieden aan de uitdaging die
uitgaat van de ontwikkeling van nieuwe technologieën en het opnemen daarvan
in industriële innovatieprocessen.
Het EUREKA-project kwam voor het eerst ter sprake tijdens de vergadering van
de Europese Raad op 28 en 29 juni 1985 te Milaan. Het werd vervolgens
gelanceerd door de Europese Vergadering voor Technologie die op 17 juli 1985
te Parijs werd gehouden en mondde tijdens de op 5 en 6 november 1985 te
Hannover gehouden vergadering van Europese ministers van Buitenlandse Zaken
en Onderzoek, uit in een beginselverklaring waarin met name de
doelstellingen en uitvoeringsmodaliteiten voor dit project werden
vastgelegd. Sedertdien werden 26 in samenwerking tussen bedrijven uit
verschillende landen uit te voeren projecten gelanceerd. De Gemeenschap
neemt aan sommige projecten deel.
In de beginselverklaring wordt gesteld dat "de EUREKA-projecten niet ten
doel hebben in de plaats te komen van de bestaande Europese technologische
samenwerking - zoals de programma's van de Europese Gemeenschappen ... -
noch van de toekomstige ontwikkeling daarvan. Zij hebben integendeel ten
doel deze samenwerking voort te zetten en aan te vullen".
Terwijl de Gemeenschap blijft werken aan de ontwikkeling van programma's van
wetenschappelijke en technische aard die zijn ingericht aan de hand van
doesltellingen, criteria en prioriteiten welke gezamenlijk door de
regeringen en het bedrijfswezen in de Lid-Staten werden vastgesteld, worden
EUREKA-projecten grotendeels verwezenlijkt op basis van gerichte
initiatieven van ondernemingen die zich daarbij willen aansluiten. Deze
ondernemingen zorgen voor het toezicht op het project en meestal ook voor de
financiering daarvan. Deze projecten hebben in het algemeen betrekking op
onderwerpen uit de geavanceerde technologie die bijna aan commerciële
toepassing toe zijn, dan wel op onderwerpen op het gebied van de
infrastructuur die van grensoverschrijdend belang zijn.
De Commissie heeft dit initiatief van de aanvang af gesteund, daar zij van
mening was dat, indiende communautaire programma's en de daaruit
voortvloeiende projecten alsmede de EUREKA-projecten die elkaar immers
aanvullen, op coherente wijze en in een symbiotisch verband worden
uitgevoerd, zij aaneengroeien tot een samenstel dat kan dienen voor het
bereiken van de doelstellingen die beide categorieën inspanningen gemeen
hebben, te weten de versterking van de produktiviteit en de
concurrentiepositi . van de Europese industrie en de nationale economieën óp
de wereldmarkt, die een bijdrage vormt tot grotere welvaart en
werkgelegenheid.
In dit verband zij opgemerkt dat in de algemene begroting van de Europese
Gemeenschappen voor 1986 een nieuw hoofdstuk 78 is ópgenomen dat betrekking
heeft op "Uitgaven in verband met de deelneming van de Europese Gemeenschap
aan wetenschappelijke en technische projecten van communautair
belang - onder andere EUREKA-projecten".
De Commissie is van mening dat de Gemeenschap op verschillende wijze een
bijdrage moet leveren aan EUREKA ten einde dit initiatief in staat te
stellen zijn taak op de juiste wijze te vervullen.
- Het gaat hierbij thans reeds om de deelneming van Europese deskundigen bij
de uitwerking van procedures voor het tot stand komen van het
EUREKA-projeet en om een beginselakkoord om gekwalificeerd personeel te
detacheren bij het secretariaat van EUREKA.
- 28 -
Voorts gaat het erom om, samen met Ierland, het communicatiesysteem voor
informaties, EUROKOM, dat in het kader van ESPRIT werd uitgewerkt, ter
beschikking te stellen.
- Het gaat om de deelneming aan de organisatie van industriële forums zoals
dat over galliumarsenide en biotechnologieën.
- Het gaat om de directe deelneming van de Gemeenschap in een aantal
EUREKA-projecten waarvan bekend is dat zij van communautair belang zijn.
- Dan gaat het nog om samenwerking van de Gemeenschap aan EUREKA-projecten die
als rechtstreeks verlengstuk fungeren van werkzaamheden die in het kader van
communautaire projecten 'werden uitgevoerd (b.v. inzake amorf silicium, de
verplaatsbaarheid van programmatuur, membranen, milieu, onderzoeknetten
enz.).
- Het gaat om de bijdrage van de Gemeenschap tot het welslagen van het
onderzoek door oprichting van een grote interne markt waardoor niet alleen
voor de communautaire, maar ook voor de EUREKA-projecten de meest gunstige
omstandigheden voor economische ontwikkeling worden geschapen.
- Het gaat tenslotte om de latere terbeschikkingstelling van de reeds genoemde
soepel werkende institutionele en financiële organen die in aanmerking komen
voor EUREKA-projecten waarvan de tenuitvoerlegging strookt met de belangen
van de Gemeenschap.
Banden met COST
De Commissie heeft reeds herhaaldelijk gewezen op het belang dat zij hecht aan
de ontwikkeling van het samenwerkingsverband COST. Deze instelling die in 1971
werd opgericht, heeft reeds talrijke projecten mogelijk gemaakt op
verschillende wetenschappelijke en technische gebieden waarbij de voordelen
van een soepele procedure gepaard gingen met een naargelang van hun specifieke
belangen verschillend aantal betrokken landen en de deelneming van niet bij de
Gemeenschap aangesloten Europese landen aan de wetenschappelijke en techniscne
werkzaamheden van het grote Europa.
Sedert de oprichting van COST heeft het kader waarbinnen deze coöperatie zich
ontwikkelt, uiteraard diepgaande wijzigingen ondergaan. Bij het beoordelen van
de toekomst van COST kunnen factoren als de uitbreiding van de Gemeenschap van
zes tot twaalf Lid-Staten, de spreiding van het gamma gemeenschappelijke
0 & O-Programma1s, de steeds gemakkelijkere toegankelijkheid van deze
programma's voor derde landen, de versterking van de banden tussen Lid-Staten
van de EVA en die van de Gemeenschap, met name ten gevolge van de Verklaring
van Luxemburg uit april 1984, en het lanceren van het EUREKA-initiatief in
1985, niet buiten beschouwing worden gelaten.
In de toekomst zal moeten worden gezorgd voor een symbiose tussen programma's
van de Gemeenschap, COST-werkzaamheden en EUREKA-projecten. In het kader van
deze mogelijkheden die Europa geboden worden, lijkt COST in het bijzonder
geschikt voor :
- zeer specifieke werkzaamheden voor korte periodes die zich minder goed lenen
om te worden opgenomen in de grote strategische programma's van de
Gemeenschap en die, hoewel daarbij wordt uitgegaan van het "bottom-up"-
beginsel van EUREKA, ook in dit kader geen plaats vinden wegens hun aard,
bijvoorbeeld omdat zij nog lang niet voor commerciële toepassing in
aanmerking komen;
- 29 -
- werkzaamheden die niet of nauwelijks onder communautaire programma's vallen;
hiervoor kunnen het vervoer en de aquacultuur als voorbeeld dienen.
De Commissie blijft met de Lid-Staten en de overige bij COST aangesloten
landen deelnemen aan de dialoog over de richting waarin COST de komende jaren
moet worden geleid. COST moet een belangrijke plaats worden toegekend bij de
tenuitvoerlegging van het nieuwe kaderprogramma.
- 30 -
VI. Conclusies
Alle geraadpleegde instanties (CREST, CODEST, IRDAC, CGC, ESPRIT-Comité, enz.)
hebben in hun eerste, zij het ook onofficiële, reacties de Commissie versterkt
in haar overtuiging : het tot stand brengen van een Europese Gemeenschap voor
wetenschap en techniek is zowel noodzakelijk als mogelijk.
Wij zullen dan ook energiek aan het werk moeten hetgeen de deelneming
impliceert van alle betrokken instellingen (Openbare Centra voor 0 & 0, grote
bedrijven, midden- en kleinbedrijf, nationale en communautaire overheden) die
tot het bereiken van ons doet kunnen bijdragen.
In dit grote samenstel van uit te voeren werkzaamheden en te nemen
initiatieven moet in de komende maanden de taak worden gepreciseerd die voor
de Gemeenschap is weggelegd, met andere woorden het deel van deze grote
onderneming waarvoor wij gezamenlijk moeten zorg dragen.
Als grondslag voor de Europese wetenschappelijke en technische strategie dient
het "kaderprogramma van de communautaire W/T-activiteiten 1987-1991" het
instrument voor deze onderneming te vormen.
Alvorens een definitief voorstel voor het kaderprogramma uit te werken zou de
Commissie gaarne op basis van dit document - dat niet het officiële voorstel
van de Commissie bevat en waarmede zij niet op de inhoud daarvan wil
vooruitlopen - met de Europese Instellingen van gedachten willen wisselen
over :
- aan te houden W/T-oogmerken in het algemeen;
- in acht te nemen voorrang en evenwicht;
- financiële middelen alsmede de te verwachten geleidelijke "opwarming", zowel
bij de ve-plichtingen als bij de betalingen.
In het licht van deze besprekingen en de conclusies daaruit stelt de Commissie
haar voorstel vast en dient zij dit in juli 1986 bij de Raad en het Parlement
in.
BIJLAGE I
LIJST COMMUNAUTAIRE ACTIES
1. Beheer van de hulpbronnen
1.1. Landbouw en visserij
1.2. Grondstoffen
2. Energiebeheer
2.1. Kernfusie
2.2. Kernsplijting
2.3. Fossiele, nieuwe en vernieuwbare energiebronnen,
rationeel gebruik van energie
3. Concurrentievermogen van de industrie en de dienstensector
3.1. Informatietechnologie
3.2. Telecommuni catietechnologie
3.3. Integratie van informatie- en telecommunicatie
technologieën bij nieuwe toepassingen en diensten van
gemeenschappelijk belang
3.4. Samenwerking bij het fundamenteel onderzoek voor
informatietechnologie
★
3.5. Industriële en speciale technologie
3.6. Biotechnologie en agro-industriële technologie
3.7. Materiaalwetenschap en -technologie
3.8. Wetenschap en technologie van de zee
*
3.9. Vervoer
*
3.10. Wetenschappelijke normen, referentiematerialen en
-methoden
4. Kwaliteit van het bestaan
4.1. Volksgezondheid
4.2. Veiligheid
4.3. Milieu en climatologie
5. Wetenschap en technologie ten dienste van de ontwikkeli
6. Wetenschappelijk en 'chnisch potentieel van Europa -
Het Europa der onderzoekers
7. Algemene maatregelen ter bevordering van de
wetenschappelijke en technische ontwikkeling
7.1. Innovatie
Communicatie- en informatienetwerken en
wetenschappelijke databanken
Talenproblematiek
Prognose, evaluatie en statistische instrumenten
Uiterste ramingen
x 1 mln Ecu (*)
ng
7.2.
7.3.
7.4.
7.5. Internationale samenwerking
Aanvullende programma's (zonder eigen middelen)
Momenteel alleen HFR
90- 180
60- 90
1060- 1200
600- 700
250- 350
2200
1000
700- 900
40- 50
600- 900
350- 460
200- 300
pm(**)
50- 80(***)
300- 350
140- 160
230- 280
230- 320
100- 200
400- 500
80- 150
20
80- 100
30- 35
50- 60
100
(*) In juli 1986 denkt de Commissie in het licht van de besprekingen met de
communautaire instellingen een officieel voorstel met alle
wetenschappelijke en financiële aspecten in te dienen.
(**) Het uiteindelijk aan te houden bedrag komt ten taste van de reserve.
(***) Niet inbegrepen zijn eventuele maatregelen voor de luchtvaart die ten
taste van de reserve zouden worden gebracht.
BIJLAGE II
KORTE BESCHRIJVINGEN VAN DE COMMUNAUTAIRE ACTIES
INHOUD
COMMUNAUTAIRE ACTIES
Bladzi jde
1. Beheer van de hulpbronnen ÏTT-T
1.1. Landbouw en visserij 1.1-1
1.2. Grondstoffen 1.2-1
2. Energiebeheer 2.1-1
2.1. Kernversmelting 2.1-1
2.2. Kernsplijting 2.2-1
2.3. Fossiele, nieuwe en hernieuwbare energiebronnen, rationeel
gebruik van energie 2.3-1
3. Concurrentievermogen van de industrie en de dienstensector 3 - 1
3.1. Informatietechnologie 3.1-1
3.2. Telecommunicatietechnologie 3.2-1
3.3. Integratie van informatie- en telecommunicatietechnologieën
bij nieuwe toepassingen en diensten van gemeenschappelijk
belang 3.3-1
*
3.4. Samenwerking bij het fundamenteel onderzoek voor
informatietechnologie 3.4-1
3.5. Industriële en speciale technologie 3.5-1
3.6. Biotechnologie en agro-industriële technologie 3.6-1
3.7. Materiaalwetenschap en -technologie 3.7-1
3.8. Wetenschap en technologie van de zee 3.8-1
*
3.9. Vervoer 3.9-1
★
3.10. Wetenschappelijke normen, referentiematerialen en
-methoden 3.10-1
4. Kwaliteit van het bestaan 4.1-1
4.1. Volksgezondheid 4.1-1
4.2. Veiligheid 4.2-1
4.3. Milieubescherming 4.3-1
5. Wetenschap en technologie ten dienste van de ontwikkeling 5 - 1
6. Het wetenschappelijk en technisch potentieel van Europa -
Het Europa der onderzoekers 6 - 1
7. Algemene maatregelen ter bevordering van de wetenschappelijke
en technische ontwikkeling 7.1-1
7.1. Innovatie 7.1-1
7.2. Communicatie- en informatienetwerken en wetenschappelijke
databanken 7.2-1
7.3. De talenproblematiek 7.3-1
7.4. Prognose, evaluatie en statistische instrumenten 7.4-1
7.5. Internationale samenwerking 7.5-1
1.1 · · 1
1* BEHEER van pe hulpbronnen
1.1. Landbouw en visserTJ
1.1.1. Landbouw
a. De communautaire activiteiten op het gebied van het Landbouwkundig
onderzoek moeten om principiële redenen en in het algemeen belang
gericht zijn op verbetering van de doeltreffendheid van het menselijk
potentieel in de landbouw en op een doelmatiger gebruik van de
financiële middelen in deze sector; dit kan worden bereikt :
- door er via een betere coördinatie voor te zorgen dat er geen
nutteloze doublures zijn bij het onderzoek;
- door de ontwikkeling van een agrarische wetenschappelijke
gemeenschap in Europa te stimuleren;
- door het onderzoek zodanig te oriënteren dat het beantwoordt aan de
behoeften van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
In het kader van dit beleid moeten oplossingen worden gevonden voor
een aantal belangrijke vraagstukken die van invloed zullen zijn op de
toekomstige ontwikkeling van dit beleid : overschotproduktie van de
belangrijkste landbouwprodukten, de daaruit voortvloeiende druk op de
prijzen, de behoefte aan voedingsmiddelen van hoge kwaliteit, de
noodzaak om afzetmogelijkheden te vinden buiten de
levensmiddelensector, het stabiliseren van de landbouwbevolking in
bepaalde gebieden via mogelijkheden om inkomsten te verwerven uit een
niet-agrarische beroepsactiviteit, de bezorgdheid over de
milieubedreigende risico's van bepaalde moderne landbouwmethoden, enz.
Bij het landbouwkundig onderzoek in communautair verband moet worden
ingespeeld op deze belangrijke problemen en moeten
onderzoekactiviteiten worden ontplooid die oplossingen kunnen
aandragen voor de moeilijkheden die de landbouw en het
gemeenschappelijk landbouwbeleid er ongetwijfeld door zullen
ondervinden.
b. De communautaire activiteiten op het gebied van onderzoek,
ontwikkeling en demonstratie zullen worden toegespitst op de volgende
vier hoofdthema's :
1. doeltreffendheid van de produktiemethoden : efficiency bij de
plantaardige produktie (bosbouw daaronder begrepen) en de
veehouderij, integratie met de industriële activiteiten voor de
toelevering en verwerking (zie de desbetreffende punten in het
onderdeel "agro-industriële technologie"), energiegebruik,
geïntegreerde biologische bestrijding, nieuwe ontwikkelingen op het
gebied van de landbouwtechniek, en voor alle domeinen, toepassing
van de informatietechnologie;
2. bodemgebruik en waterhuishouding : bodemdegradatie en
bodemvruchtbaarheid, alternatieve gebruiksmogelijkheden,
waterbeheer, ontwikkeling van geavanceerde technologieën (in het
bijzonder teledetectie en de daarmee samenhangende
informatietechnologie);
3. regionaal evenwicht : geïntegreerde plattelandsontwikkeling (vooral
in de mediterrane gebieden), specifieke produktieproblemen van de
gebieden met natuurlijke handicaps, diversificatie;
4. gebruik en kwaliteit van landbouwprodukten : onderzoek op het
gebied van traditionele produkten, nieuwe produkten en afgeleide
produkten voor consumptie of industriële doeleinden, verbetering
van de voedingskwaliteit van produkten.
1 . 1 - 2
Deze thema's, die grotendeels overeenkomen met de door het PCOL
(Permanent Comité voor Onderzoek in de Landbouw) besproken opties
voor de coördinatie van het landbouwkundig onderzoek in de Europese
Gemeenschap, moeten worden bestudeerd in nauwe samenhang met
werkzaamheden op het gebied van "biotechnologie en agro-industriële
technologie" (zie punt 3.6).
Voor al deze activiteiten levert de Europese dimensie het
bijzondere voordeel op dat de kosten van precompetitief en algemeen
onderzoek worden gedeeld en de onderzoeksresultaten worden
verspreid, of dat onderzoek kan worden verricht op gebieden waar
het in nationaal verband uitgevoerde onderzoek niet toereikend is.
Voor werkzaamheden als de harmonisatie van methodologieën en
analysemethoden is dat zelfs essentieel voor een coherente
normalisatie.
c. In dit voorstel is enerzijds rekening gehouden met het onderzoek in
vorige jaren (het derde programma loopt van 1984 tot 1988,
krediet : 30 miljoen Ecu), maar anderzijds zijn zowel het effect van
de nieuwe technologische hulpmiddelen als de zich aftekenende nieuwe
beleidsprioriteiten erin terug te vinden. Zo heeft bijvoorbeeld het
onderzoek met betrekking tot de bodemkaart nu meer belang als gevolg
van de grotere behoefte aan nieuwe gebruiksmogelijkheden voor land, en
krijgen ook de regionale behoeften van de mediterrane landbouw meer
betekenis als gevolg van de toetreding van de nieuwe Lid-Staten.
d. Het is de bedoeling dat het merendeel van de voorgestelde
activiteiten, met inbegrip van de maatregelen voor wetenschappelijke
stimulering, voor gezamenlijke rekening worden uitgevoerd. Voorts
worden demonstratieprojecten onontbeerlijk geacht voor een adequate
benutting en verspreiding van de resultaten. Sommige onderwerpen
kunnen via gecoördineerde activiteiten worden uitgevoerd. Het GCO zal
zijn medewerking verlenen op het gebied van de teledetectie.
e. Voor een minimaal effect zal er tussen 60 en 150 miljoen Ecu nodig
zijn voor de periode 1987-1991. Sommige van de hier besproken
doeleinden zijn het voorwerp van onderzoek in het kader van artikel 41
van het Verdrag, ten jedrage van 100 miljoen Ecu.
1.1.2. Visserij
a. Visserijprodukten zijn een belangrijke bron van hoogwaardig eiwit voor
de Gemeenschap. Ondanks haar produktie van circa 6 miljoen ton is er
toch een tekort in de Gemeenschap. Het gemeenschappelijk
visserijbeleid is daarom gericht op verhoging van de produktie waar
dat maar enigszins mogelijk is zonder schade toe te brengen aan de
visstand, en op een adequater gebruik van het aangevoerde materiaal.
Er zijn veel mogelijkheden voor de toepassing van nieuwe methoden voor
visstandbeheer, om verspilling tegen te gaan en om de produktie op te
voeren in bepaalde gebieden waar tot dusver vrij weinig aandacht aan
geschonken is.
b. Het visserijonderzoek is sinds de totstandbrenging van het gemeen
schappelijk visserijbeleid een integrerend onderdeel van de strategie
van de Gemeenschap. Het onderzoek is beslist niet los te maken van de
andere componenten van het beleid dat is uitgestippeld voor de
1.1 - 3
visserij van de Gemeenschap. Afgezien hiervan, zijn er goede redenen
waarom het visserijonderzoek hoge prioriteit dient te hebben in het
kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Dit is zelfs nog
belangrijker geworden sinds de uitbreiding van de Gemeenschap met
Spanje en Portugal, waar de visserij van bijzonder belang is. Het ligt
voor de hand dat wanneer de Gemeenschap de visserij op een rationele
basis wil beoefenen, groot belang moet worden gehecht aan onderzoek
naar de sociaal-economische aspecten van de visserij.
Daarnaast zijn er een aantal onderzoekgebieden die van zeer grote
betekenis zijn voor de Gemeenschap, met name :
- beheer van de visbestanden : raming van de omvang van de bestanden
met moderne methoden (waaronder "teledetectie"), biologische
modellen waarbij rekening wordt gehouden met de wisselwerking van de
soorten, multidisciplinaire aanpak (biologisch, technisch en
sociaal-economisch) voor het beheer van de visserijactiviteiten;
- vangstmethoden : verbetering van vistuig en visserijmethoden;
- aquacultuur : groei, overleving en voedering van de gekweekte
soorten (vissen, schaal-, schelp- en weekdieren), diagnose en
behandeling van ziekten, genetisch onderzoek gericht op de
ontwikkeling van voor visteelt geschikte rassen;
- behandeling en verwerking van de gevangen vis : koeltechniek,
sterilisatie, opslag en bewaring, optimaal gebruik van kleine vissen
en bijprodukten, bewaking en verbetering van de kwaliteit van de
voedi ngsmi ddelen.
De belangrijkste criteria bij de selectie van onderzoekthema's zijn,
zoals hierboven reeds is aangegeven, de behoeften van de markt van de
Gemeenschap en de noodzaak tot instandhouding van de visbestanden.
c. De Gemeenschap heeft tot dusver geen belangrijke activiteiten op het
gebied van het visserijonderzoek ontplooid, maar daar zal binnenkort
verandering in komen wanneer het meerjarig onderzoekprogramma dat de
Commissie heeft opgesteld en dat nu in behandeling is bij de Raad, ten
uitvoer wordt gelegd. Het programma zal op twee manieren worden uitge
voerd : ten eerste zal de Gemeenschap financiële steun verlenen voor
onderzoek waarbij een aantal Lid-Staten samenwerken, en ten tweede zal
zij de uitwisseling van onderzoekers, de publikat ie van gegevens en
het organiseren van symposia en studiebijeenkomsten steunen en
coördineren. Voorts is samenwerking met derde landen mogelijk in het
kader van COST, met name op het gebied van de visteelt.
d. De Gemeenschap zal voor deze activiteiten ongeveer 30 miljoen Ecu voor
een periode van vijf jaar moeten uittrekken.
1 . 2 - 1
1.2. Grondstoffen
1-2.1. Niet-energetische mineralen (*5
a. Ondanks de toetreding van Spanje en Portugal tot de Gemeenschap
waardoor de Gemeenschap zal worden verrijkt met omvangrijke
delfstoffenreserves, zal het tekort op de communautaire handelsbalans
voor primaire minerale grondstoffen (12 miljard Ecu in 1984) voor een
aantal strategische en kritieke metalen hoog blijven (ofschoon het
tekort voor basismetalen zal dalen). Deze situatie maakt het
noodzakelijk de exploitatie te bevorderen van inheemse primaire en
secundaire (door recycling verkregen) hulpbronnen en de rentabiliteit
daarvan te verhogen. Voorts moeten de sectoren mijnbouw en metallurgie
met de rest van de wereld kunnen blijven concurreren. Dergelijke
doelstellingen kunnen niet worden verwezenlijkt zonder voldoende
onderzoek.
De markt voor grondstoffen is aan schommelingen onderhevig. Het door
de overheid gefinancierd onderzoek moet daarvoor ongevoelig zijn,
speciaal omdat de deskundigen op lange termijn een opwaartse trend
voorspellen, zodat er verandering zal komen in de huidige situatie
van slapte.
b. Het onderzoek naar primaire grondstoffen zal geconcentreerd worden op
problemen van gemeenschappelijk belang op het gebied van de exploratie
(voorbereiding van ontwerpen en methoden om te zijner tijd de
exploratiewerkzaamheden weer nieuw teven in te blazen),
mijnbouwtechnotogie (verbetering van de economische haalbaarheid van
bestaande mijnen en ontwikkeling van geavanceerde technologie voor de
mijnen van de toekomst) en ertsverwerking (verwerking van complexe,
arme en moeilijk smeltbare ertsen en ertsen die metalen bevatten voor de
geavanceerde materiaaltechnologie). Daarbij staat de verlaging van
investeringen en bedrijfskosten centraal.
Het onderzoek op deze gebieden zat ten zeerste gebaat zijn bij een
gecoördineerde, multinationale aanpak. Deze overtuiging stoelt
voornamelijk op de volgende motieven :
- de voorkomens en mijnen zijn in de gehele Gemeenschap van
soortgelijk type;
- de moderne beginselen van de exploratie zullen steeds meer berusten
op de gecombineerde verwerking van uit verschillende vakgebieden
afkomstige gegevens en speciaal op ontwikkelingen in sectoren van
hoogwaardige technologie; de in de afzonderlijke Lid-Staten
aanwezige deskundigheid is hierop wellicht onvoldoende berekend;
- de modernisering van verwerkingsinstallaties en mijnen kan alleen
tot stand komen via gemeenschappelijk onderzoek van voldoende
grootschaligheid, dat een passende verspreiding van de resultaten
garandeert ten behoeve van de industrie.
Andere mogelijke richtingen waarin het onderzoek kan gaan, zijn :
- onderzoek naar de hulpbronnen van de zeebodem, speciaal in 200
mijls-EEZ;
- studies van de continentale lithosfeer voor fundamenteel onderzoek
naar de processen van ertsconcentratie (in dit verband moeten er
dwarsverbindingen worden gelegd met nationale en internationale
programma's). De draagwijdte van zulk onderzoek reikt duidelijk
verder dan het potentieel van enige Lid-Staat afzonderlijk.
(*) met uitzondering van staal, dat onder de werkzaamheden van
de EGKS valt
1. 2 - 2
Op het gebied van de secundaire grondstoffen wordt de communautaire
dimensie van het onderzoek gerechtvaardigd door :
- de onderlinge gelijkenis van de problemen die zich in alle
Lid-Staten voordoen;
- de noodzaak de resultaten van het onderzoek door de gehele industrie
te verspreiden, waardoor innovatie wordt bevorderd op een snel
evoluerend gebied;
- overwegingen op het gebied van milieubescherming.
Zo zullen bijvoorbeeld nieuwe materialen, zoals speciale legeringen en
composietmaterialen meer en meer worden gebruikt bij bedrijfstakken
met een hoogwaardige technologische ontwikkeling en deze materialen
moeten ook worden gerecycleerd.
Het onderzoek met betrekking tot de recyclage van stedelijk en
industrieel afval (plastics, glas, papier en organisch afval) zal
worden geconcentreerd op de rendabele terugwinning van materialen die
op de markt kunnen concurreren met primaire grondstoffen.
c. Wat de huidige werkzaamheden betreft, die volgens het evaluatierapport
bemoedigende resultaten hebben opgeleverd, mag voor het toekomstige
onderzoek met de volgende tendensen worden gerekend :
- exploratie : hierbij komt de aandacht minder te liggen op de
basismetalen maar meer op de mineralen die noodzakelijk zijn voor
nieuwe materialen en technologieën;
- mijnbouwtechnologie : nadruk op de robotica, het breken van
gesteenten, transport en veiligheid onder de grond;
- ertsverwerking : het accent komt te liggen op de ontwikkeling van
geavanceerde technieken en nieuwe flotatiereagentia.
d. Het door de EG gesponsord onderzoek zal voor het grootste deel worden
uitgevoerd via contracten voor gezamenlijke rekening in de vorm van
projecten waarbij bedrijven en/of onderzoekorganisaties uit ten minste
twee Lid-Staten betrokken zijn.
De middelen zullen voor een deel worden besteed aan coördinatie, die
hetzij wordt gericht op onderwerpen die al in het kader van nationale
programma's worden bestudeerd, hetzij het ontwerp van gemeenschappe
lijke methoden en normen beoogt.
1.2.2. Hout
a. Zoals onlangs wederom duidelijk werd gesteld op de SILVA-Conferentie
(Parijs, 1986) beloopt het tekort op de handelsbalans van de EG voor
hout en houtprodukten 17 miljard Ecu per jaar hetgeen alleen door
olieprodukten wordt overtroffen. Toch beschikken de twaalf Lid-Staten
over een uitgebreid bosbestand, ten minste een areaal van
53 miljoen ha, maar door een reeks uiteenlopende technische, sociale
en economische redenen wordt de potentiële opbrengst daarvan bij lange
na niet gerealiseerd.
Bossen hebben nog andere nuttige functies. Behalve dat ze bijdragen
tot de houtproduktie reguleren zij de waterreserves, voorkomen zij
bodemerosie, verminderen zij de luchtvervuiling en zijn zij een
waardevol goed voor de bevolking, zowel in de buurt van de steden als
in afgelegen gebieden. Maar onze bossen worden bedreigd door de
vijandige invloeden door menselijk toedoen (vervuiling, brand),
schadelijke organismen (insekten, fungi, virussen), meteorologische
verschijnselen (droogte, wind) en de opmars van de urbanisatie.
1 . 2 - 3
De bebossing van grond die in de nabije toekomst door de Landbouw
wordt prijsgegeven vereist een verstandig beheer, wil zij rendabel
zijn en niet tot grote financiële verliezen leiden.
Onderzoek kan in hoge mate bijdragen tot de oplossing van de
veelvuldige problemen van de Europese bosbouw.
De houtverwerkende industrieën moeten eveneens worden aangemoedigd om
de meest verfijnde technologie te ontwikkelen en toe te passen opdat
zij een optimaal gebruik kunnen maken van basisprodukten die dikwijls
van relatief lage kwaliteit zijn en zij met meer succes kunnen
concurreren met hun grotere, verticaal geïntegreerde Amerikaanse en
Scandinavische tegenhangers.
b. Door de Gemeenschap gesponsord onderzoek op dit gebied is alleszins
gegrond en noodzakelijk voor de aanpak van gemeenschappelijke
problemen. Op het grondgebied van de Lid-Staten zijn soortgelijke
klimaatsomstandigheden en bodemtypen aanwezig : dezelfde boomsoorten
en ecotypen zijn daar aanwezig of moeten er worden geïntroduceerd.
Schadelijke organismen verspreiden zich vrij over de landsgrenzen
heen, evenals verontreiniging, storm of droogte. De aan het gebruik
van bosbouwprodukten verbonden problemen zijn identiek.
Door de Gemeenschap gecoördineerd onderzoek is ook daarom gerecht
vaardigd omdat het een gezonde technische grondslag kan bieden voor
de ontplooiing van de communautaire beleidsvoering (milieubescherming,
normen voor de interne markt, voorschriften inzake grondgebruik,
ontwikkeling van probleemgebieden, geïntegreerde mediterrane
programma's en meer doelgerichte acties op het gebied van de bosbouw,
enz.).
Om ten volle doeltreffend te zijn moet dit onderzoek worden
geïntegreerd voor de gehele "houtketen" van de produktie van zaden tot
het eindgebruik van hout en andere bosbouwprodukten, waaronder tevens
problemen als veredeling, boomfysiologie, bescherming tegen
schadelijke organismen en verontreiniging, houtgebruik als een bron
van vezels en chemische grondstoffen.
c. Het sedert 1982 uitgeveerde communautaire onderzoek heeft de Europese
deskundigen in de gele enheid gesteld nauw samen te werken en heeft
tevens een aantal octrooien en industriële toepassingen opgeleverd op
gebieden zoals zagen, het maken van papierpap, recyclage van papier,
enz. (hierbij zij aangetekend dat ook Zweden en Zwitserland zich bij
dit programma hebben aangesloten). Ieder toekomstig onderzoek zal
profiteren van de reeds verkregen resultaten en meer gericht zijn op
gezamenlijke projecten van gemeenschappelijk belang. Terwijl bij
technologische ontwikkelingen vrij snel resultaten kunnen worden
verkregen, gaat dit veel langzamer bij de bosbouwproduktie als zodanig
en hier is continuïteit van essentieel belang.
d. Het communautair onderzoek op dit gebied wordt voornamelijk uitgevoerd
in de vorm van contracten voor gezamenlijke rekening met onderzoek
organisaties en industriële bedrijven maar de nationale programma's
moeten op veel grotere schaal worden gecoördineerd dan tot dusverre.
o
o o
1.2 - 4
e. Wil deze activiteit die van veel belang is voor een groot aantal
Lid-Staten, speciaal de nieuwe, van significante betekenis kunnen zijn
dan moet er voor dit onderdeel van de activiteiten ten minste een
financieringsbedrag van 60 a 90 miljoen Ecu beschikbaar zijn voor de
periode 1987-1991.
Dit komt overeen met ongeveer 5 a 7 % van de financiering op dit
onderzoekgebied in de Lid-Staten.
2. 1 - 1
2. ENERGIEBEHEER
2.1. Kernversmelting
a. Het potentieel van de kernversmelting op lange termijn als nieuwe,
milieuvriendelijke methode van energieopwekking waarbij een praktisch
onuitputtelijke brandstof wordt gebruikt, blijft een geldig en
krachtig argument om de ontwikkeling ervan energiek voort te zetten.
Kernversmelting kan er over enkele decennia wellicht toe bijdragen dat
de economische, ecologische en politieke kwetsbaarheid van Europa
sterk wordt verkleind.
De weg naar het reactorprototype (DEMO, waarmee de economische
haalbaarheid van de kernversmelting moet worden aangetoond) gaat eerst
via de demonstratie van de wetenschappelijke haalbaarheid van kern
versmelting (die naar wordt gehoopt in het begin van de jaren
negentig kan worden geleverd door JET en de buitenlandse tegenhangers
van dit project) en vervolgens via de demonstratie van de
technologische haalbaarheid van kernversmelting (te realiseren door
NET, de Next European Torus, en soortgelijke projecten; NET bevindt
zich thans in de conceptuele ontwerp-fase).
De kernversmelting heeft nu al een flinke component hoogwaardige
technologie : JET, de gespecialiseerde toestellen die bij de
geassocieerde laboratoria in aanbouw of in bedrijf zijn en de op NET
gerichte ontwikkeling van componenten, zijn op zich zelf reeds een
demonstratie van hoogwaardige technologie, met spin-offs (speciaal op
het gebied van de technologie van supergeleidende magneten, robotica
en microgolfsystemen met hoog vermogen) waarbij ook andere takken van
wetenschap en van de Europese industrie gebaat zijn. Het ligt in de
verwachting dat de industrie op dit gebied een veel grotere rol zal
krijgen wanneer NET in de fase van het bouwkundig ontwerp is
aangeland.
b. In lijn met diverse besluiten van de Raad is het Kernversmeltings-
programma van de Gemeenschap een samenwerkingsproject op lange termijn
waarin alle in de Lid-Staten op het gebied van de beheerste thermo-
nucleaire kernversmelting uitgevoerde werkzaamheden zijn gebundeld.
Het moet te zijner tijd leiden tot de gemeenschappelijke bouw van
reactorprototypen voor industriële produktie en commercialisering.
Een grootschalig, goe ! geïntegreerd programma wordt noodzakelijk door
de lange en moeilijk; weg die moet worden afgelegd voordat
kernversmeltingsenergie op commerciële basis kan worden gerealiseerd,
en tevens door de hoge kosten en de wetenschappelijke onzekerheid
waarmee deze onderneming gepaard gaat. In Europa zijn alle werk
zaamheden van de Lid-Staten (plus Zweden en Zwitserland) gebundeld in
één enkel programma dat door de Commissie wordt gesteund. De
communautaire aanpak maakt Europa tot een aantrekkelijke partner voor
internationale samenwerking (VS, Japan, USSR, Canada _ ) en dit heeft
niet alleen geleid tot kwaliteitsverbetering maar ook tot de creatie
van voorzieningen zoals JET, de oprichting van het NET-team en het
rouleren van personeel.
De activiteit op het gebied van de kernversmelting 1987-1991 is
voornamelijk gericht op het volgende :
. de fysische en technologische basis te leggen die noodzakelijk is
voor het gedetailleerde ontwerp van NET; dit impliceert de
volschalige exploitatie van JET en van diverse middelgrote,
gespecialiseerde tokamaks die reeds aanwezig of in aanbouw zijn en
de versterking van het Programma Technologie;
2. 1 - 2
. zo mogelijk in 1989/1990 een aanvang te maken met het gedetailleerde
ontwerp van NET;
. het reactorpotentieel van sommige alternatieve lijnen te verkennen
(Stellarator en Reversed Field Pinch).
c. De wetenschappelijke en technische resultaten van het Europese
programma maken Europa tot een van de koplopers op de wereldranglijst
van het magnetische kernversmeltingsonderzoek. JET is het meest
vooraanstaande kernversmeltingsexperiment ter wereld, dat zijn
aanvankelijke doelstellingen voor de fase van het basisvermogen op
tijd en binnen het bestek van de beschikbare middelen heeft
gerealiseerd en vervolgens reuzeschreden heeft gezet in de richting
van de demonstratie van de wetenschappelijke haalbaarheid van de
kernversmelting. De Europese middelgrote machines dragen krachtig bij
tot de vooruitgang van de kernversmelting en het toekomstig welslagen
van JET. Europa staat ook vooraan bij het onderzoek op het gebied van
stellarators en reversed field pinches, alternatieve configuraties
naast de Tokamak. De Europese industrie heeft al deze machines gebouwd
(zo werden bijvoorbeeld voor meer dan 98 % van de kosten van
JET-contracten in Europa gestoten) en zij heeft ook opdrachten
ontvangen voor geavanceerd ontwikkelingswerk op de lange termijn
(bijvoorbeeld RF-generatoren met hoge frequentie en hoog vermogen).
Deze betrokkenheid moet tegen 1989/1990 een kwalitatieve en
kwantitatieve sprong voorwaarts mogetijk maken, wanneer eventueel een
besluit kan worden genomen over de start van het bouwkundig ontwerp
van NET.
d. De structuur van het Kernversmeltingsprogramma is zo dat het wordt
uitgevoerd door de ter zake bevoegde nationale instellingen die door
de Commissie worden gecoördineerd binnen een systeem van associaties.
Alle werkzaamheden op het gebied van de kernversmelting in de
Lid-Staten (plus Zweden en Zwitserland) en bij het 6C0 zijn gebundeld
in het "Europese Programma".
Voor de uitvoering van de werkzaamheden op het gebied van de
kernversmelting zijn er drie instrumenten, waarvan de eerste twee
berusten op werkzaamheden voor gezamenlijke rekening :
- JET (een gemeenschappelijke onderneming);
- het Algemene Programma (Associaties, NET en Technologie);
- het GCO (technologie, geconcentreerd op het veiligheidsaspect van
kernversmelting, met onder meer het tritiumlaboratorium, op
materialen en op de ondersteuning van het NET).
e. Op basis van een analytische kostenraming van de verschillende
onderdelen van de hierboven geschetste activiteiten, belopen de
benodigde communautaire middelen ongeveer 1.060 a 1.200 miljoen Ecu
voor het eigenlijke Kernversmeltingsprogramma en de kern-
versmeltingsactiviteiten bij het GCO. Het eigenlijke
Kernversmeltingsprogramma omvat dezelfde activiteiten als werden
bestreken door het bestuit van de Raad van maart 1985.
2 . 2 - 1
2.2. Kernspli jting
a. De ontwikkeling van kernsplijtingsenergie is een van de voornaamste
manieren om - door diversifiëring van de energiebronnen - de
afhankelijkheid van de Gemeenschap van geïmporteerde fossiele
brandstoffen zoals olie te verkleinen. Op de lange termijn kan
splijtingsenergie door geavanceerde technologie - met name snelle
kweekreactoren - praktisch worden beschouwd als een hernieuwbare
energiebron. De voortzetting van een energieke actie op het gebied van
de kernenergie blijft dan ook een essentieel aspect van het Europese
energiebeleid.
De strategische doelstelling om tot een grotere diversifiëring van de
energiebronnen te komen en de afhankelijkheid van ingevoerde energie
te verkleinen moet verenigbaar zijn met de zorg voor de bevolking en
milieu. Daarom is een twee-sporenbeleid nodig :
- enerzijds moeten de veiligheidsgraad en het milieuvriendelijk
karakter van de huidige generatie nucleaire technologie in stand
worden gehouden en bevestigd,
- anderzijds dienen de verdere vooruitgang en innovatie met het oog op
meer presterende systemen te worden verzekerd door mogelijke
technologische verbeteringen.
b. De voorgestelde 0,0&D zal worden uitgevoerd langs de volgende hoofdlijnen :
De problemen op het gebied van de reactorveiligheid - ook die van de
reeds volwassen LWR-industrie - re1 leen verder dan de landsgrenzen : de
geleidelijke harmonisering van veiligheidseisen en -criteria moet in
communautair verband worden aangepakt en in stand gehouden om een
zelfde, adequate mate van bescherming van bevolking/werknemers/milieu
te garanderen en de handel tot ontplooiing te brengen. De
werkzaamheden zullen in eerste instantie zijn gericht op de veiligheid
en betrouwbaarheid van de LWR (waaronder feedback van reeds
verouderende installaties), analyse van de progressie van ongevallen
bij snelle kweekreactoren en integriteit van de kringlopen, alsmede
convergentie van codes en standaarden.
Ook de werkzaamheden in verband met het beheer van radioactieve afval-
stoffen zullen centraal staan. Bij de vraagstukken in verband met de
verwerking van radioactief afval komt een combinatie van
sociale/wettelijke/bestuursreehtelijke/financiële/technische kwesties
kijken, die in één en dezelfde context tot oplossing moeten worden
gebracht. De inspanningen zullen geleidelijk worden gericht op de
demonstratie van veilige opties voor het opbergen van afval met het
doel een Europese consensus te bereiken en de beleidsvoering binnen de
Gemeenschap te harmoniseren.
Andere, meer technisch getinte problemen doen zich voor in verband met
de ontmanteling van kerninstallaties. Op dit gebied zal het werk
worden geconcentreerd op de demonstratie van relevante technologie ten
einde te komen tot harmonisering van de aanpak en beleidsvoering
binnen de Gemeenschap.
De Commissie is een onafhankelijke autoriteit op het gebied van de
veiligheidscontrole (hoofdstuk VII van het Euratom-Verdrag) en
verricht ter ondersteuning van deze institutionele taak 0, 0 & D op
dit gebied. In de toekomst zullen het vervoer en de hantering van
kernmaterialen nog toenemen naarmate de reactoren en andere
kerninstallaties die nu in aanbouw zijn operationeel worden. De
Commissie moet dan ook methodologie en technieken verder ontwikkelen
om voldoende berekend te zijn op het steeds groeiende aantal
uiteenlopende faciliteiten dat moet worden gecontroleerd.
Tenslotte kan het in Gemeenschapsverband uitgevoerde werk een steun
zijn voor de Lid-Staten, die bezig zijn met de ontwikkeling van
geavanceerde reactoren en systemen en de spli jtstofcyclus daarvan.
0 & 0 op het gebied van splijtingsenergie vereist uit de aard der zaak
continuïteit. Wel zal bij dit onderdeel het accent als volgt worden
verlegd :
Het 0 & 0 reactorvei ligheid zal in het algemeen worden besnoeid,
speciaal op het gebied van de lichtwaterreactoren. De Commissie zal de
overdracht van de op dit gebied verkregen ervaring en methodologie
naar andere industriële en potentieel gevaarlijke activiteiten
bevorderen.
Ten aanzien van het beheer van radioactieve afvalstoffen zal het
fundamenteel 0 & 0 teruglopen, maar zal het 0 & 0 dat gericht is op
de demonstratie van veilige opties voor het opbergen van dit afval
aanzienlijk toenemen, waardoor de activiteit in haar geheel wordt
uitgebreid.
Bij de ontmanteling van kerninstallaties zal een zelfde lijn worden
gevolgd als bij het beheer van radioactieve afvalstoffen.
0 & 0 veiligheidscontrole zal enigszins worden uitgebreid.
De ondersteuning van de ontwikkeling van reactorsystemen en hun
splijtstofcyclus is praktisch een geheel nieuwe activiteit die
voornamelijk op demonstratie is gericht.
De tenuitvoerlegging van activiteiten in de sectoren reactor
vei ligheid, radioactieve afvalstoffen en veiligheidscontrole zal zowel
plaatsvinden bij het GCO als via contracten voor gezamenlijke
rekening.
Het onderdeel ontmanteling van kerninstallaties zal uitsluitend worden
uitgevoerd in de vorm van werkzaamheden voor gezamenlijke rekening.
De ondersteunende werkzaamheden voor de ontwikkeling van reactor
systemen en hun splijtstofcyclus zullen voornamelijk worden uitgevoerd
via aanvullende programma's en/of gemeenschappelijke ondernemingen.
Wil de activiteit van de Gemeenschap van significante invloed zijn,
dan zullen volgens de ramingen voor de periode 1987 tot en met 1991
voor 0, 0 & D op bovengenoemde gebieden kredieten noodzakelijk zijn
tussen 600 en 700 miljoen Ecu. Dit komt overeen met 5 a 10 % van de
totale inspanning in de Lid-Staten. Aangezien de activiteit van de
Gemeenschap evenwel selectief is (d.w.z. zij is geconcentreerd op
vei ligheidsgerelateerde kwesties en bestrijkt niet het gehele spectrum
van activiteiten van de Lid-Staten) zullen de percentages van de
communautaire financiering van de voorgestelde activiteiten hoger
zijn.
De eventuele aanvullende programma's Ier ondersteuning van de ont
wikkeling van reactorsystemen en hun splijtstofcyclus komen hier nog
bij.
2.3 - 1
2.3. Fossiele, nieuwe en hernieuwbare energiebronnen/, rationeel gebruik
van energie
a. Het belang van de energietechnologie, die het onderwerp is van
deze actie,volgt rechtstreeks uit het energiebeleid van de
Gemeenschap (*) en de doelstellingen daarvan, die zodanig zijn
opgesteld dat zij bijdragen aan het algemene doel : een grotere
continuïteit van de voorziening en een beperking van de invoer van
energie. Ten aanzien van de desbetreffende technologie vereisen deze
doelstellingen een toename van de bijdrage van vaste brandstoffen en
nieuwe en hernieuwbare energiebronnen tegen het eind van de eeuw en een ver
laging van de intensiteit van de vraag naar energie van 20 tot 25 % tegen het
midden van de jaren '90. De Gemeenschap moet passende maatregelen
nemen om deze doelstellingen op middellange termijn te verwezenlijken
en ook om het energiebeleid op lange termijn te ondersteunen -
onafhankelijk van ontwikkelingen op de energiemarkt op korte termijn.
Eén vereiste voor de verwezenlijking van deze doelstellingen is de
ontwikkeling van een brede scala van innovatiegerichte, in alle
sectoren van onze economie toe te passen energietechnologieën. Dit
vormt een grote uitdaging voor wetenschap en industrie, aangezien de
energietechnologieën van de toekomst niet alleen concurrerend moeten
zijn ten aanzien van de directe kosten, maar ook wat betreft hun
milieu-implicaties; dit geldt met name voor fossiele brandstoffen.
De huidige situatie op de oliemarkt - hoewel deze naar verwachting
niet erg lang zal duren - zal waarschijnlijk tot gevolg hebben dat de
nationale en particuliere bestedingen voor energieonderzoek op door
dit programma bestreken gebieden omlaag gaan. Dit zal gevolgen hebben
voor veel industriële en andere laboratoria, waar het energieprobleem
wordt beschouwd als de drijvende kracht in de richting van innovatie.
De markt voor deze technologie zal in de toekomst een omvang hebben in
de orde van grootte van vele miljarden Ecu per jaar.
b. De Commissie is van mening dat de Europese onderzoeklaboratoria en
industrie verder moeten worden gestimuleerd om een belangrijk aandeel
te veroveren in deze markt, zowel binnen de EG als in andere
geïndustrialiseerde landen en in de ontwikkelingslanden. Dit houdt in
dat de Gemeenschap steun blijft verlenen aan de gemeenschappelijke
financiering van samenwerkingsprojecten, de coördinatie van onderzoek
en testwerkzaamheden alsmede de ontwikkeling van normen en standaards.
Dit betreft niet alleen een aantal van de bekende conventionele
gebieden van energieonderzoek maar ook, en zelfs meer, een groot
aantal "horizontale” gebieden waar een bepaalde behoefte blijkt te
bestaan. Voorbeelden van horizontale gebieden zijn : verbrandings-
wetenschap, sensortechniek, fototronica, energietechniek, enz.
De toegevoegde waarde van dit communautair programma zal hoofdzakelijk
bestaan in een gecoördineerde aanpak van de uitvoering van het
communautair energiebeleid, bevordering van het concurrentievermogen
van de Europese industrie door een optimaal gebruik van deskundigheid
en financiële middelen en stimulering van de totstandkoming van een
werkelijke interne markt voor energietechnologie. Er moet in
voldoende mate rekening worden gehouden met de recente uitbreiding van
de Gemeenschap en de bijzondere behoeften aan ondersteuning bij 0 & 0
van sommige Lid-Staten.
(*) Momenteel in discussie bij de Raad
2.3 - 2
c. Terwijl het "beeld" van het communautair O & 0 in 1987 wordt bepaald
door de lopende werkzaamheden, zullen bij de opzet van het
communautair onderzoek in het tweede gedeelte van de periode 1987-1991
de volgende lijnen worden gevolgd :
Voortzetting (maar bijgestuurd op grond van de resultaten en de
beoordeling daarvan) van activiteiten op het gebied van :
- zonne-energie (mogelijk samengevoegd met een programma voor
bouwtechnologie);
- energie uit biomassa;
- energiebesparing;
- gebruik van vaste brandstoffen;
- exploitatie en gebruik van koolwaterstoffen;
- nieuwe energievormen (mogelijk samengevoegd met het deeIprogramma
voor koolwaterstoffen);
- analyse van energiesystemen.
Afhankelijk van de behoeften van de Lid-Staten zat 0 & 0 naar
geothermische energie langzamerhand worden beëindigd, terwijl
geavanceerd onderzoek op het gebied van exploratie, instrumentatie en
technologie van hete droge gesteenten moet worden uitgevoerd in andere
nieuwe afzonderlijke projecten. Wat zonne-energie betreft kan de
nadruk komen te liggen op "passieve zonne-energie", de verzameling van
gegevens en het uitvoeren van tests. Het onderzoek naar windenergie
moet worden beëindigd. Bij energiebesparing kan men zich gaan richten
op bepaalde zeer geavanceerde technologieën (batterijen, schone auto,
brandstofcellen) en belangrijke horizontale gebieden
(verbrandingswetenschap, sensortechniek, enz.).
Zoals reeds opgemerkt zullen veel van bovengenoemde projecten (met
hulp van het CBC) opnieuw worden ingedeeld, teneinde de nadruk
te leggen op zeer specifieke doelstellingen voor geavanceerde
technologie (bijvoorbeeld op het gebied van vaste brandstoffen het
gebruik van kolen zonder vervuiling) en op horizontale gebieden. Deze
nieuwe indeling zou er ook toe kunnen leiden dat er speciale projecten
worden gewijd aan :
- fotovoltaïsche technologie en systemen,
- bio-ethanol en
- geavanceerde bouwtechnologie (energiebesparing, zonnearchitectuur).
Daarnaast moet er aandacht worden besteed aan een volledig nieuw
gebied door een activiteit op het gebied van :
- gas en geologie op grote diepte (mogelijk met inbegrip van de
technologie van hete droge gesteenten).
Er moet worden opgemerkt dat de keuze tussen de verschillende
hierboven geschetste mogelijkheden alsmede de meer gedetailleerde inhoud
van elk van de activiteiten moet worden bepaald in overleg met het CBC en
rekening houdend met de eerste resultaten van het Derde
0 & O-Programma voor niet-nucleaire energie en van de
GCO-werkzaamheden op dit gebied, die langzamerhand beschikbaar komen.
d. Het groote deel van de werkzaamheden voor dit programma zal via
onderzoek op contract worden uitgevoerd; de specifieke werkzaamheden
voor normen en tests (zonne-energie, gebouwen, besparing) worden
binnen (of onder toezicht van) het GCO uitgevoerd en andere
werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd via (uitgebreide)
gecoördineerde acties.
2.3 - 3
e. Naar schatting is er aan communautaire financiering van onderzoek in
deze actie 250 a 350 miljoen Ecu nodig voor de periode 1987-1991.
Dit bedrag vormt 7 a 12 % van de totale uitgaven van de Lid-Staten op
dezelfde gebieden.
Naast deze werkzaamheden moeten de demonstratieprojecten voor energie
en het in het raam van het EGKS-Verdrag uitgevoerde kolenonderzoek
worden vermeld.
3. CONCURRENTIEVERMOGEN VAN DE INDUSTRIE EN DE DIENSTENSECTOR
Informatietechnologie, telecommunicatietechnologie en toepassingen
daarvan
(Inleiding bij de onderdelen 3.1, 3.2, 3.3 en 3.4)
1. Informatie- en telecommunicatietechnologie (IT & T) spelen vanwege hun
potentieel en alomtegenwoordigheid een sleutelrol bij alle
wetenschappelijke, economische en sociale activiteiten. De resultaten
op deze gebieden zullen de sociaal-economische mogelijkheden voor
Europa sterk beïnvloeden.
Reeds twee derde van het BBP of 55 % van de werknemers wordt ingedeeld
als betrokken bij informatieactiviteiten (verwerving, verwerking,
verzending, opslag, verkoop) en is derhalve afhankelijk van de
resultaten in de IT & T. De concurrentie tussen economische regio's in
de wereld zal in hoge mate worden bepaald door hun vermogen een
effectief en vroegtijdig gebruik te maken van IT & T voor de
verwezenlijking van economische en sociale doelstellingen.
Aangezien door het gebruik van IT 8 T de deskundigheidscomponent en
derhalve de efficiency van alle produktiefactoren toeneemt, is deze
technologie bijzonder geschikt voor Europa, waar het gebruik van de
schaarse natuurlijke hulpbronnen moet worden geoptimaliseerd, de
steeds toenemende negatieve invloed van industriële produktie op het
milieu moet worden gecompenseerd en de betrekkelijk grote
wetenschappelijke pluspunten en vaardigheden zoveel mogelijk moeten
worden opgevoerd.
IT & T biedt enorme mogelijkheden voor het creëren van nieuwe
produkten, processen en diensten voor de aanpak van economische
problemen, maar het is misschien belangrijken dat hierdoor nieuwe
wegen worden geopend voor de aanpak van urgente sociale problemen op
gebieden als gezondheidszorg, verkeersveiligheid en onderwijs aan
volwassenen.
In de Verenigde Staten en Japan, maar ook in andere landen, worden de
werkzaamheden voor IT 8 T steeds verder uitgebreid en geconcentreerd
door de financiering van grote projecten als INS, vijfde generatie
computers, SDI of door het scheppen van gunstige omstandigheden
waardoor samenwerking bij 0 8 0 tussen universiteiten en bedrijven
wordt gestimuleerd.
2. De omvang, het kader en de instrumenten van de Gemeenschap zijn
bijzonder geschikt voor het opzetten van 0 8 0-werkzaamheden op het
gebied van IT.
Kenmerkend voor onderzoek en technologische ontwikkeling in deze
sector zijn :
- de omvang van de uitgaven voor 0 8 0 , die nodig zijn om bij te
blijven. In de Europese of Amerikaanse halfgeleiderindustrie moet
7 tot 10 % van de jaarlijkse omzet worden besteed aan 0 8 0 ;
- de toenemende snelheid van de technologische ontwikkeling (het
tijdsverloop tussen twee technologische generaties bedraagt nog
slechts ongeveer twee jaar);
3 - 2
- dé Relatieve schaarste aan mankracht (een beperkte hoeveelheid
specialisten op door zeer snelle veranderingen gekenmerkte
gebieden);
- de steeds grotere noodzaak van een multidisciplinaire benadering;
- het nuttig rendement van innovaties, die tot stand komen door het
werk van kleine groepen wetenschapsmensen aan universiteiten, het
midden- en kleinbedrijf, enz.
De problemen die deze situatie veroorzaakt (het is moeilijk de
uitgaven voor 0 & 0 terug te verdienen wanneer het aandeel in de
wereldmarkt beneden een drempel van 5 a 10 % blijft, er is hevige
concurrentie tussen bedrijven; er zijn grote technologische en
financiële risico's) kunnen op communautair niveau worden
overwonnen door samenwerking, die de mogelijkheid biedt tot :
- vaststelling van gemeenschappelijke doelstellingen en
strategieën;
- bundeling van schaarse personele en financiële middelen en
derhalve werkverdeling;
- schaalvoordeel (Europese bedrijven in de IT-sector moeten
bijvoorbeeld met veel slechtere resultaten een twee- of driemaal
zo hoog percentage van hun omzet besteden aan 0 & 0 als hun
Amerikaanse of Japanse concurrenten);
- verbreding van de onderzoekgebieden en de te onderzoeken
technologische mogelijkheden;
- een gecoördineerde en samenhangende benadering op het gebied van
standaardisatie en aanvullende maatregelen;
- stimulering van de in geheel Europa bestaande deskundigheid en
zwaartepuntcentra, zoals is gedemonstreerd door de deelname van
alle Lid-Staten aan ESPRIT.
3. Om deze uitdaging aan te kunnen en gebruik te maken van het voordeel
dat de Gemeenschap biedt, is het noodzakelijk de in de afgelopen jaren
op het niveau van fundamentele technologie gestarte activiteiten voort
te zetten en uit te breiden en deze tevens aan te vullen om te komen
tot synergisme bij en gunstige omstandigheden voor de omzetting
daarvan in toepassingen.
Voor dit proces is een aantal specifieke gecoördineerde werkzaamheden
nodig, die betrekking hebben op een aantal nauw samenhangende
sleutelaspecten of onderwerpen :
- verdere versterking van de fundamentele technologie;
- verbetering van het gebruik van de mogelijkheden voor 0 & 0 in de
industrie door samenwerking en werkverdeling;
- een bijdrage tot de vorming van een de gehele Gemeenschap omvattende
markt voor IT & T-produkten, -apparatuur en -toepassingen door een
intensivering van de werkzaamheden op het gebied van
standaardisatie, keuring en openstelling van overheidsaankopen;
3 - 3
- stimulering van de vraag door projecten voor de infrastructuur,
proefprojecten en het scheppen van gunstige omstandigheden voor het
gebruik en de verspreiding van nieuwe toepassingen in brede kring;
- verspreiding van technologie naar minder bevoorrechte gebieden;
- verbetering van het peil van onderwijs en opleiding.
4. Wat de technologische aspecten betreft worden inhoud en doelstellingen
van de projecten voor IT & T en de toepassingen daarvan aan de hand
van het volgende schema vastgesteld :
- een analyse vooraf van het strategisch belang van het mogelijke
project voor Europa;
- vaststelling van de sleutelaspecten en de te volgen werkwijze met de
betrokken partners;
- uitvoering van een definitiefase voor een nauwkeurige omschrijving
van de gedetailleerde doelstellingen en de benodigde personele en
financiële middelen;
- permanente evaluatie van de acties en jaarlijkse herziening van
het werkprogramma.
In de in het Kaderprogramma voor 1987-1991 voorgestelde acties zal
worden voortgebouwd op eerdere projecten, met name op :
- het Programma voor micro-elektronika,
- het Meerjarenprogramma voor informatica,
- fase I van ESPRIT (gestart in 1984), en
- de definitiefase van RACE (gestart in 1985).
Op basis van de beoordeling van de hierboven genoemde programma's en in
overleg met de industrie, de wetenschappelijke wereld en de nationale
regeringen, moet in het nieuwe kaderprogramma de voortzetting worden
opgenomen van :
- ESPRIT I met ESPRIT II, overeenkomstig de aanbevelingen van de Raad, de
tussentijdse beoordeling (najaar 1985) en de industrie. In ESPRIT II
wordt de nadruk gelegd op integratie van technologie en meer ambitieuze
en meer gerichte projecten; tevens zal meer aandacht worden besteed aan
de algemene technologische eisen van geavanceerde toepassingen;
- de definitiefase en het hoofdprogramma van RACE. In het hoofdprogramma
van RACE (start in 1987) komt de technologische basis tot stand, de
precommerciële ontwikkeling en de werkzaamheden die nodig zijn voor
gemeenschappelijke specificaties en standaards, die een vereiste zijn
voor de voortschrijdende introductie van de geïntegreerde
breedband-infrastructuur voor communicatie en diensten;
- verkennend theoretisch onderzoek om de Europese samenwerking bij
fundamenteel onderzoek op het gebied van IT & T te versterken.
Daarnaast zal meer nadruk worden gelegd op de ontwikkeling van nieuwe
toepassingen in overleg met de desbetreffende gebruikers, met benutting
van een synergisme tussen parallelle ontwikkelingen.
3 - 4
Aanvullende projecten, gericht op belangrijke doelstellingen van
gemeenschappelijk belang (en enkele van de zeven in het IRIS-initiatief
genoemde gebieden bestrijkend), hebben onder andere betrekking op het
gebruik van IT & T voor de ondersteuning van :
- leren, doceren en opleiding, waardoor de beperkingen ten aanzien van
afstano en toegankelijkheid bij het leren gedeeltelijk kunnen worden
weggenomen (DELTA);
- verkeersveiligheid, verkeersregeling en mobiele communicaties, waa bij
gebruik kan worden gemaakt van het synergisme tussen parallelle
technologische ontwikkelingen en waaruit een alles omvattende oplossing
kan voortkomen die belangrijke voordelen biedt ten aanzitn van de
kosten en de benodige infrastructuur (DRIVE);
- bio-informatica en medische informatica, waarbij de
kosten/baten-verhouding gunstig kan worden beïnvloed door een
systematische en vroegtijdige invoering en integratie van geavanceerde
IT & T (BICEPS).
Er wordt intensief gezocht naar andere gebieden waar mogelijkheden voor
communautaire werkzaamheden kunnen liggen; hieruit kunnen in de komende
twee jaar voorstellen voor maatregelen voortkomen. Het betreft hier :
- het gebied van technologie voor laboratoriumapparatuur (ter verhoging
van de produktiviteit van 0 & 0) en technologie op financieel gebied
waardoor financiële transacties sneller en veiliger kunnen verlopen;
- andere gebieden die bijdragen tot de sociale doelstellingen in Europa.
Het vervolg op de programma's voor micro-elektronika er informatica wordt
gesitueerd in het kader van ESPRIT.
De vcorgestelde werkzaamheden zullen plaatsvinden in de vorm van
programma's voor gezamenlijke rekening en zullen in nauw overleg met
nationale en internationale werkzaamheden worden uitgevoerd.
De raming van de vereiste middelen zal worden uitgevoerd in overleg met
de verschillende partijen en de regeringen van de Lid-Staten. Geschat in
dit zeer vroege stadium en aannemend dat de huidige methoden worden
gebruikt zal dit bedrag ongeveer liggen tussen 3.940 en 4.150 miljoen Ecu
voor vijf jaar.
Dit bedrag komt overeen met een paar procent van de totale uitgaven van
de Lid-Staten op nationaal niveau. Aangezien dit communautaire programma
is gericht op sleutelgebieden van strategisch belang en versterking van
de technologische samenwerking, zal het effect worden verveelvoudigd en
zal het resultaten opleveren, die veel verder reiken dan de vrij beperkte
kredieten die hiervoor op de begroting van de EG worden aangevraagd, doen
verwachten.
3. 1 - 1
3.1. Informatietechnologie
a. Hieronder valt het ESPRIT-Programma dat ten doel heeft te profiteren van de
communautaire dimensie en zodoende
- de technologische grondslag op het gebied van IT op precommercieel niveau
te versterken, door uitbreiding van het toepassingsgebied en aanwending
van het schaalvoordeel, ten einde met succes in de behoeften van de
wereldmarkt in de jaren '90 te voorzien;
- het gebruik van de wetenschappelijke en industriële 0 S O-capaciteiten
door samenwerking te verbeteren;
- de weg te banen voor algemeen gangbare internationale IT-normen;
- de overdracht van technologie in de IT-sector te bevorderen met
bijzondere nadruk op de behoeften van het MKB.
b. Het programma werd onlangs beoordeeld door een onafhankelijk hoog
gekwalificeerd comité (ESPRIT-Beoordelingscomité). De resultaten van deze
beoordeling, die aantonen dat ESPRIT met succes is opgezet en dat er goede
vorderingen zijn gemaakt met betrekking tot de oorspronkelijke
doelstellingen, zijn aan de Raad en het Parlement medegedeeld
(C0M(85)ó16 def.). Het jaarlijkse werkprogramma van ESPRIT is bovendien
een uniek kenmerk waardoor ervoor wordt gezorgd dat het programma constant
wordt geëvalueerd.
Overeenkomstig de aanbevelingen van het ESPRIT-Beoordelingscomité en na
uitgebreid overleg met deskundigen uit het bedrijfsleven komt men
geleidelijk tot overeenstemming over omvang en inhoud van het programma
vanaf 1987 met als krachtlijnen :
1. Micro-elektronika en perifere technologie :
- siliciumtechnologie. Siliciumtechnologie vormt de basis van de
IC-industrie en de enorme daling van de kosten van elektronische
apparatuur die zich in de afgelopen jaren heeft voorgedaan en die nog
zal voortduren moet worden toegeschreven aan de op silicium gebaseerde
componenten. Specifieke technologische doelstellingen zijn
bijvoorbeeld 4 miljoen transistoren op een chip met gebruikmaking van
0,5-microntechnologieën en 3D-integratie;
- samengestelde halfgeleiders. Verwacht wordt dat het gebruik van
samengestelde halfgeleiders voor snelle schakelingen steeds
belangrijker zal worden voor toekomstige computer- en
telecommunicatiesystemen en ook voor andere toepassingen. Europa
heeft een potentiële kans om een belangrijk leverancier van
samengestelde halfgeleidercomponenten te worden. Er is een
aanzienlijke verhoging van het huidige 0 & 0-niveau vereist om Europa
in staat te stellen een toereikende capaciteit op dit gebied te
berei ken;
- computergesteund ontwerpen (CAD). De beschikbaarheid van CAD voor
zeer grootschalige integratie (VLSI) is nog steeds een beslissende
factor voor het algemene welslagen van de werkzaamheden op het gebied
van micro-elektronika. Toekomstige CAD-projecten zulten kunnen
profiteren van de resultaten die tot dusver in het kader van ESPRIT
zijn bereikt en zullen vooral worden toegespitst op systemen met zeer
groot prestatievermogen, beproevingsaspecten en normalisatieaspecten;
3.1 - 2
~ randapparatuur. Het aandeel van randapparatuur in de totale kosten
van IT-systemen wordt steeds groter. Voor de grote technologische
doorbraak waarmee aan de toekomstige vraag kan worden voldaan zijn in
het bijzonder belangrijke 0 & O-werkzaamheden vereist op het gebied
van magnetische, optische en magnetisch-optische geheugens, printers,
sensors en beeldschermen.
2. Informatieverwerkingssystemen :
- systeemontwerp en architecturen. Het algemene doel is de IT-industrie
de noodzaketijke faciliteiten te bezorgen om snel en economisch
systemen van grote kwaliteit te produceren. Systemen waarvan de
complexiteit vergelijkbaar is met die welke in 1985 werden ontwikkeld,
moeten binnen tien jaar worden ontwikkeld met 10 % van de middelen die
thans voor het ontwikkelen van de systemen zijn vereist. Er moeten
bovendien nieuwe architecturen voor IT-systemen worden ontwikkeld en
geanalyseerd met betrekking tot hun betrouwbaarheid en prestaties;
- kennisengineering. Het gebruik van kennisgebaseerde systemen zal naar
verwachting de kwaliteit van toekomstige IT-toepassingen sprongsgewijs
vergroten. Het algemene onderzoek in samenwerkingsverband op dit
gebied moet onverminderd worden voortgezet om in de jaren '90 de
concurrentiepositie te kunnen handhaven;
- signaalverwerking. Spraakherkenning en verwerking van complexe
beelden zullen naar verwachting belangrijke nieuwe kenmerken van
toekomstige IT-systemen vormen. 0 & 0 op dit gebied zal dan ook
betrekking hebben op doorlopende spraakherkenning met een grote
woordenschat en geavanceerde beeldverwerkingssystemen.
3. Integratie van IT in toepassingssystemen :
- IT-ondersteuningssystemen. Dit gebied heeft betrekking op de
fundamentele IT-technologieën die van belang zijn voor kantoor,
produktie, andere professionele toepassingen en de huishoudelijke
sector. Het omvat bijvoorbeeld 0 & 0 op het gebied van werkstations,
1/0-subsystemen voor breedspectrumtoepassingen,
mens-machine-interfaces en interfaces met de materiële omgeving. Het
potentiële effect daarvan op de marktbehoeften op middellange termijn
zal naar verwachting bijzonder belangrijk zijn;
- fabrieksautomatisering. IT-toepassingen in produktieomgevingen zijn
voor de Europese economie van het allergrootste belang. Het
essentiële doel is het vaststellen van open-systeemarchitecturen, het
bevorderen van CAD/CAM-systemen en besturingssystemen op de werkvloer.
Op dit gebied moet veel meer 0 8 0 worden verricht;
- geïntegreerde IT-systemen omvat technologie-integratieprojecten die op
verschillende technologieën zijn gebaseerd en op geselecteerde
toepassingen zijn gericht.
4. Maatregelen met betrekking tot de verspreiding van de resultaten van
0 8 0-projecten zijn van toenemend belang voor de verdere vooruitgang
van de werkzaamheden.
5. Een ruime deelneming van het MKB aan de werkzaamheden wordt van vitaal
belang geacht voor"het behoud en het stimuleren van het innoverende
karakter daarvan, welke een eerste vereiste is om de algemene
doelstellingen te bereiken.
c. Verwachte resultaten
- de Europese industrie op het gebied van informatietechnologie in staat
stellen met succes te concurreren bij het voorzien in de behoeften op de
wereldmarkt in de jaren '90;
- verspreiding van deze technologieën die via de verschillende sectoren van
onze economie tot nieuwe produkten, processen en diensten moeten leiden.
d. Motivering voor EG-actie :
- bundeling van de middelen en werkverdeling zijn noodzakelijk om te
kunnen concurreren met de uitgebreide overheidsprogramma's in de VS en
Japan;
- een gecoördineerde aanpak is tevens noodzakelijk om gemeenschappelijke
normen uit te werken en industriële samenwerking in Europa aan te
moedigen.
e. Vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven ramen de totale inspanning die
noodzakelijk is voor de uitvoering van de hierboven beschreven
werkzaamheden op 30.000 manjaren die vanaf 1987 geleidelijk moeten worden
geïnvesteerd. Deze ramingen moeten in de komende maanden worden
bevestigd. De Gemeenschapsbijdrage voor deze werkzaamheden komt op
ongeveer 2.200 miljoen Ecu.
3.2 - 1
3.2. Telecommunicatietechnologie
a. Voor het concurrentievermogen van de Europese economie speelt de prijs/
prestatie-verhouding bij telecommunicatiediensten een beslissende rol op de
zich ontwikkelende wereldmarkt. Ten einde een sterke en leidende positie
te behouden bij de overgang naar volledige digitalisering zal Europa te
zijner tijd in de geavanceerde telecommunicatietechnologie moeten
investeren en optimaal gebruik maken van zijn middelen.
De telematica-industrie en de onderzoekinstellingen van
telecommunicatie-exploitanten uit de E6 hebben in 1984 een degelijk
gefundeerde overeenstemming bereikt over de doelstelling :
Invoering van Geïntegreerde Breedbandcommunicatie (IBC) in de gehele
gemeenschap omstreeks 1995, uitgaande van in ontwikkeling zijnde digitale
netwerken voor geïntegreerde diensten (ISDN)
en gemeenschappelijke vereisten uitgewerkt voor :
0 & 0 op het gebied van geavanceerde communicatietechnologie in Europa
(RACE)
dat tot doel heeft de technologische grondslag te Leggen voor de
geleidelijke invoering van IBC-infrastructuur en -diensten in de
Gemeenschap.
Het RACE-Programma is ingedeeld in verschillende fasen of stadia van
verplichtingen welke overeenkomen met een steeds scherpere definiëring van
doelstellingen en vereisten, met name :
Definitiefase (waartoe in 1985 is besloten) voor uitvoering van
aanloopwerkzaamheden die nodig zijn om de 0 & O-werkzaamheden van het
hoofdprogramma nauwkeurig af te stemmen op de toekomstige functionele
vereisten van het netwerk, het terminal-gebied en toekomstige toepassingen
alsmede voor de evaluatie van essentiële technologische opties.
Doelstellingen van fase I (1987-1991) :
- ontwikkeling van de technologische grondslag voor IBC;
- uitvoering van precommerciële ontwikkelingen voor het verkrijgen van
experimentele apparatuur en diensten voor IBC-demonstratie;
- ondersteuning van de werkzaamheden van de CEPT en de CCITT bij de
formulering van gemeenschappelijke voorstellen voor specificaties en
normen.
Fase II (1991-1996) zal, afhankelijk van de resultaten van fase I, als
algemene doelstelling hebben de ontwikkeling van de technologische basis
voor verbeterde IBC-apparatuur en -diensten na 1995.
b. Geplande werkzaamheden (fase I)
1. Specifieke systeemaspecten
Deel 1 heeft betrekking op de systeemengineering van IBC. In dit
deel worden de systeemarchitectuur, de omgeving van de abonnee,
subsystemen van het netwerk en aspecten van exploitatie en
onderhoud onderzocht. Hie bij zullen ISDN en alternatieve
transmissieconcepten en mengvormen in aanmerking worden genomen.
3.2 - 2
De werkzaamheden richten zich op drie nauw verwante maar duidelijk
gescheiden doelen :
- verkenning en identificatie van de evolutie van IBC-systemen;
- identificatie en specificatie van de functionele vereisten waarop
de 0 S O-werkzaamheden met betrekking tot de subsystemen en de
basistechnologie zijn gericht;
- specificatie van de verificatie en beproeving die moet
plaatsvinden voordat kan worden gedacht aan ontwikkeling op volle
schaal, d.w.z. een definitie van de vereiste demonstratie- en
prakti jkproeven.
2. Onderzoek naar de behoeften van gebruikers en dienstverleners
Een begrip van de behoeften van gebruikers en dienstverleners is
een belangrijke vereiste voor de voorstelling en het ontwerp van
toekomstige infrastructuren en diensten. Een aantal behoeften kan
op grond van de ervaringen met voldoende nauwkeurigheid worden
bepaald om de lijnen van de technische ontwikkeling aan te geven.
Begrippen voor nieuwe diensten en exploitatievormen moeten echter
zowel wat gebruikers als wat dienstverleners betreft zorgvuldig
worden onderzocht. Dit vormt op zich reeds een aanzienlijke
multidisciplinaire 0 & O-inspanning.
Uit de ervaringen met de invoering van nieuwe communicatiediensten
is duidelijk gebleken welke risico’s er ontstaan als technisch
onderzoek los van markt-, toepassings- en gebruikersgericht
onderzoek plaatsvindt. Deel 2 is daarom opgezet om de schakel te
vormen tussen de gebruikers en dienstverleners enerzijds en de
technologische mogelijkheden die worden ontwikkeld anderzijds.
3. Sleutel- en ondersteuningstechnieken
Dit deel richt zich op de drie belangrijkste technologische
disciplines waarop de achtereenvolgende generaties van
IBC-implementaties zullen worden gebaseerd :
- elektronische componenten voor communicatie,
- optica en opto-elektronika,
- ontwerp-hulpmiddelen voor communicatiesystemen.
De 0 S O-werkzaamheden op deze gebieden hebben tot doel tot betere
prestatiekenmerken te komen waar het gaat om toepassingen voor de
telecommunicatie, d.w.z. :
- prestatievermogen in termen van bandbreedte en complexiteit,
- systeemcompatibiliteit, met andere woorden geschiktheid voor
normalisatie, \
- kosten van de levenscyclus, met inbegrip van kwaliteit,
betrouwbaarheid en onderhoud.
Hoewel de nadruk in deel 3 vooral ligt op het niveau van de
basistechnologie, wordt er in een aantal gevallen impliciet
rekening gehouden met subsystemen, aangezien bepaalde onderdelen,
(b.v. microprocessoren) gezien hun complexiteit reeds als
subsystemen kunnen worden beschouwd.
3.2 - 3
4. Specifieke communicatieprogrammatuur
Dit deel heeft betrekking op 0 S 0 op het gebied van programmatuur
die gericht is op telecommunicatietoepassingen. Er is van uitgegaan
dat de vorderingen op het gebied van de programmatuurtechnologie
die in de nationale programma's en ESPRIT worden nagestreefd,
inderdaad worden verwezenlijkt en dat hiervan gebruik kan worden
gemaakt bij de werkzaamheden in het kader van RACE.
Er is een grote inspanning nodig om geschikte hulpmiddelen te
ontwikkelen die uit het oogpunt van zowel exploitatie als beheer
voldoen aan de telecommunicatiespecificaties. Dit geldt vooral voor
IBC waarvoor de implementatie van de programmatuur zeer omvangrijk
en ingewikkeld zal worden en een grote verscheidenheid aan functies
zal bezitten.
5. Terminaltèchnologie
Een krachtige en betaalbare IBC-tëchnologie is van essentieel
belang voor de invoering van breedbanddiensten, maar onvoldoende
als niet tegelijkertijd de kostenaspecten van de
terminaltechnologie aanzienlijk worden verbeterd.
IBC is uiteindelijk gericht op dienstverlening aan het grote
publiek en moet dus niet alleen worden beschouwd als
gespecialiseerde dienstverlening aan het bedrijfsleven dat
eventueel bereid is naar verhouding hoge systeemkosten te betalen.
Wil IBC een hoge penetratiegraad bereiken en algemeen ingang
vinden, dan moeten de kosten zeer sterk worden verlaagd.
Om terminalapparatuur te ontwikkelen met de juiste eigenschappen,
gemakkelijk in het gebruik en gebruikersvriendelijk en met een
goede rentabiliteit moet de technologie sterk werden verbeterd en
er zullen zeer omvangrijke werkzaamheden van lange adem nodig zijn.
Er mag niet van worden uitgegaan dat een dergelijke technologie
automatisch voortvloeit uit bedrijfsmatige toepassingen.
In deel 5 worden de 0 & O-werkzaamheden omschreven die naar alle
waarschijnlijkheid zullen leiden tot een rentabiliteit die
toereikend is om het gebruik door het grote publiek op een
voldoende laag prijsniveau mogelijk te maken.
c. Het RACE-Programma moet er vooral op gericht zijn de produktie- en
dienstverlenende bedrijven van de telecommunicatie-industrie in de
Gemeenschap op het gebied van de breedbandcommunicatie een sterke, zo
niet leidende positie op de wereldmarkt te bezorgen alsmede de
ontwikkeling van een sterke en concurrerende Gemeenschappelijke Markt
voor telecommunicatieapparatuur en -diensten te versnellen. Fase I zal
resulteren in een gemeenschappelijke technologische basis en bijdragen
aan de convergentie van technische en functionele specificaties die
van beslissend belang is voor de totstandkoming van een communautaire
markt voor breedbandinfrastructuren, apparatuur en diensten.
d. Het doel het Europese bedrijfsleven in de jaren 1990
telecommunicatiediensten te verschaffen die wat de
prijs/prestatie-verhouding betreft toonaangevend zijn, kan alleen
worden bereikt door ten volle gebruik te maken van alle mogelijkheden
welke Europa in zijn geheel biedt inzake technologie, industriële
capaciteiten, personele en financiële middelen en markten. Aan een
3.2 - 4
gecoördineerde aanpak zijn de voordelen van schaal en draagwijdte
verbonden die ook gelden voor de voornaamste concurrenten van Europa.
De investeringen die voor de ontwikkelingen zijn vereist zijn zo hoog
dat de nationale markten niet meer toereikend zijn om een voldoende
rendement voor de investeringen van exploitanten en industrie te
garanderen.
Het RACE-Programma dat met deelneming van alle Lid-Staten wordt
uitgevoerd, moet mede de aanzienlijke technologische deskundigheid die
in Europa voorhanden is bruikbaar maken op gebieden zoals
opto-elektronika, geavanceerde halfgeleiders en programmatuur voor
breedbandtelecommunicatiesystemen die voor verschillende diensten
bestemd zijn. Hiermee wordt op communautaire schaal voorzien in de
behoeften van het bedrijfsleven aan betaalbare, betrouwbare en veilige
data-, spraak- en beeldcommunicatie, terwijl tevens een aantal
verschillende communicatie- en amusementsdiensten voor particuliere
gebruikers tot stand wordt gebracht.
e. In 1984 is door de telecommunicatie-industrie en -exploitanten een
planningexercitie uitgevoerd waarbij de precommerciële werkzaamheden
zijn vastgesteld die duidelijk kunnen profiteren van het
schaalvoordeel van de Gemeenschap. Volgens deze planningexercitie gaat
het om ongeveer 14.000 manjaren over vijf jaar. De Raad van Ministers
heeft in juli 1985 een besluit genomen betreffende de definitiefase
waarin de omvang en draagwijdte van de in de hoofdfase uit te voeren
werkzaamheden moeten worden vastgesteld. Op deze basis en uitgaande
van een Gemeenschapsbijdrage van 50 % komt men tot een raming van
1 miljard Ecu.
De Raad van Ministers heeft in juli 1985 een definitiefase van
18 maanden goedgekeurd waarin de omvang en draagwijdte van de in het
kader van dit programma uit te voeren werkzaamheden nader moeten
worden omschreven.
3.3 - 1
3.3. Integratie van informatie- en telecommunicatietechnologieën bij nieuwe
toepassingen en diensten van gemeenschappelijk belang
Door de vooruitgang op het gebied van de informatietechnologie en
telecommunicatie (IT & T) zijn de sociaal-economische omstandigheden en de
basis van de wereldeconomie aan een snelle verandering onderhevig. Hierdoor
ontstaan nieuwe mogelijkheden om huidige en toekomstige maatschappelijke
problemen in alle levenssferen op te lossen. De voordelen van deze verandering
zijn afhankelijk van de mate waarin deze technologieën worden beheerst en van
hun bewuste toepassing en keuze voor zover deze door maatschappelijke behoeften
en aspiraties zijn ingegeven. Voor een geslaagde exploitatie van deze nieuwe
mogelijkheden is een wel overwogen en systematische aanpak vereist waarbij de
voornaamste belanghebbenden zijn betrokken, daar in de meeste gevallen de
traditionele sectoren in dit verband diepgaande veranderingen ondergaan.
Behalve de directe toepassing van IT & T opent de systeemintegratie met andere
technologieën, die tot nieuwe toepassingen en diensten leidt, zeer belangrijke
perspectieven voor de toekomst, zowel uit een economisch oogpunt als voor
bijdragen aan sociale doelstellingen in Europa.
A. De systeemintegratie van IT & T met
- studie en onderwiis maakt de totstandbrenging van geavanceerde open
leerconcepten mogelijk waardoor niet alleen de onderwijsgemeenschap over
verbeterde hulpmiddelen kan beschikken, maar waardoor tevens beperkingen
worden opgeheven wat betreft de toegankelijkheid van de studie (DELTA);
- verkeersveiligheid en mobiele communicatie verschaft een sterk middel om het
aantal verkeersongevallen te beperken, de verkeersregeling en bijgevolg ook
de transporteconomie te verbeteren (DRIVE);
- bio-informatica en medische informatica kan worden ontwikkeld om onderzoek,
diagnostiek en gezondheidszorg aanzienlijk verder te verbeteren (BICEPS);
- laboratoriumtechnologie maakt een belangrijke verbetering mogelijk in de
produktiviteit van onderzoek, ontwikkeling en experimenten (PERT);
- financiële technologie maakt vooruitgang mogelijk voor de totstandbrenging
van de gehele Gemeenschap omvattende financiële diensten en markten alsmede
voor misdaadbestrijding (DIME).
Achtergrond en wijze van uitwerking van de acties :
Deze acties die na overleg met de betrokken kringen zijn vastgesteld,
werden in C0M(85)350 en C0M(85)530 "Technologisch Europa" aangegeven als
gebieden waarvoor de Commissie programmavoorstellen uitwerkt. In het kader van
IRIS is bevestigd dat sommige doelstellingen daarvan tevens beantwoorden aan de
sociaal politieke perceptie van de prioriteiten voor de Gemeenschap.
Bij de uitwerking van deze programma's wordt steeds op dezelfde logische wijze
te werk gegaan :
1. een eerste interne analyse van het belang van een communautaire benadering
en de "toegevoegde waarde" die daardoor waarschijnlijk wordt verkregen; aan
de hand van deze analyse worden dan de algemene doelstellingen en
krachtlijnen van het programma vastgesteld;
2. verkennend onderzoek en omschrijving van de gedetailleerde doelstellingen en
optimale benadering voor een doelmatig gebruik van alle middelen die in de
Gemeenschap aanwezig zijn, met de verschillende betrokkenen;
3 . 3 - 2
3. uitwerking van voo rs te l len voor gecoördineerde a c t i e s waarbij de
communautaire maatregelen worden ingepast in na t iona le en in t e rn a t io n a le
a c t i v i t e i t e n ;
4. lancerinq van een d e f i n i t i e f a s e ten behoeve van de systematische
ontwikkeling van 'de ac t i e door de voornaamste betrokkenen;
5. tenui tvoer leag inq met inbegrip van per iodieke beoordelingen en eva lua t ies
van ontwikkelingen waarbij een aanpassing van doe l s t e l l ingen en aanpak
noodzakeli jk kan z i j n ;
6. permanente k r i t i s c h e eva lua t ie en aanpassing in het l i c h t van de ervaringen
die in de loop van de uitvoer ing z i jn verworven.
De ee r s te stap wordt bepaald door de p r i o r i t e i t e n van de Gemeenschap en de
p o l i t i e k e koers van de Raad en het Parlement met betrekking to t IT & T.
Bij de tweede s tap wordt elke ac t i e aan een systematisch onderzoek
onderworpen waarbij tevens een beroep wordt gedaan op externe deskundigen. De
best gekwalificeerde o rg an i sa t ie s worden geselec teerd via een algemene oproep
in het Publ ika t ieb lad .
De derde stap wordt "planning exerc ise" genoemd en daarb i j worden de
voornaamste belanghebbenden systematisch betrokken b i j het uitwerken van de
a c t i e v o o r s t e l l e n .
De d e f i n i t i e f a s e vormt de l a a t s t e stap voor de tenuitvoer legging van een
a c t i e . Hierin worden de e e r s t e werkzaamheden ve r r ich t voor het v e r i f i ë r e n
van de d o e l s t e l l in g en , aanpak en raming van de middelen die voor de u itvoer ing
daarvan z i jn v e r e i s t .
Naarmate het programma ten u itvoer wordt gelegd moet een voortdurende
eva lua t ie plaatsvinden met betrekking to t zowel externe veranderingen, d.w.z.
behoeften, stand van de techniek enz. a l s de vooruitgang van de projecten die
het programma vormen. Het werkprogramma en de toewijzing van de middelen
worden elk jaar opnieuw aan een systematisch onderzoek onderworpen.
In een passend stadium van de tenui tvoer legging vindt een onafhankeli jke
beoordeling p laa ts die de Raad en het Parlement moet helpen b i j het evalueren
van het programma in het l i ch t van de d o e l s t e l l in g en .
Bij elk van de hieronder beschreven onderwerpen is aangegeven welk stadium is
berei k t .
B. In de komende maanden zul len andere programma's die meer in het b ijzonder op
soc ia le do e l s t e l l in g en zin g e r i c h t , worden vas tge s te ld overeenkomstig de
b e l e id s l i jn e n die in het debat over IRIS door de Raad Onderzoek van
december 1985 z i jn u i t g e s t ip p e ld . In d i t verband zul len voorbereidende s tudies
op touw worden gezet voor een verkennend onderzoek naar communautaire
i n i t i a t i e v e n op p r io r i t e i t s g e b ie d e n die betrekking hebben op doe l s t e l l in g en
zoals :
- be tere gezondheid,
- v e i l i g e r leven,
- huishoudeli jke toepassingen,
- verbeter ing van diensten en f a c i l i t e i t e n ten behoeve van de
p la tte landsbevolk ing .
O
O
o
3 . 3 - 3
De ramingen van de middelen worden op de gede ta i l lee rde werkprogramma's
gebaseerd en het i s derhalve in d i t voorbereidende stadium nie t mogelijk
betrouwbare c i j f e r s te verst rekken. Volgens de ee rs te ramingen kunnen de
bi jdragen van de Gemeenschap 700 to t 900 miljoen Ecu belopen.
3 . 3 - 4
DELTA (Ontwikkeling van een geavanceerde leertechnologie voor Europa)
a. Een bevolking met een hoog opleidingsniveau kan te rech t a l s het b e lang r i jk s t e
voordeel van Europa worden beschouwd. Met de sne l le veranderingen in de
a c t i v i t e i t e n van de mens neemt het belang van permanente educatie en ople iding
toe en daarmee ook de behoefte aan een u i tb re id ing van het formele onderwijs
dat een g ro te re soepelheid moet verkr i jgen en gemakkeli jker moet kunnen worden
aangepast aan de behoeften van le e r l in g en l e r aa r . Dank z i j de vooruitgang op
het gebied van informatie- en telecommunicatietechnologieën on ts taa t thans de
mogelijkheid om de beperkingen inzake afs tand en toegang te overwinnen en op
economisch verantwoorde wijze geavanceerde open-leerconcepten to t stand te
brengen (d.w.z. een benadering van het leren waarbij f o rm a l i t e i t e n , p laa ts en
t i j d minder be langr i jke belemmeringen worden).
De leer technologie vormt bovendien een gunstige gelegenheid voor de
apparatuur- en d ien s ten in d u s t r i e en de leerkrachten in de Gemeenschap om in de
toekomst op de wereldmarkt een be langr i jke p la a t s te veroveren.
DELTA is opgezet om de ontwikkeling van appara tuur , systemen en hulpmiddelen
voor geavanceerd open onderwijs door de in d u s t r i e en de u n iv e r s i t e i t e n in de
Gemeenschap te coördineren. De po te n t ië le gebruikers en producenten van
open-leersystemen en bijbehorende apparatuur worden in het kader van d i t
programma op communautair niveau b i j elkaar gebracht, waardoor de Gemeenschap
voortaan kan p ro f i t e r e n van de voordelen die aan de schaalvergro ting z i jn
verbonden. Het synergisme met lopende programma's op het gebied van
informatietechnologie (ESPRIT) en telecommunicatie (RACE) zal DELTA ten goede
komen.
In het programma z i jn de technologische werkzaamheden vas tges te ld die voor het
bereiken van de volgende d o e l s t e l l ingen z i jn v e re i s t :
1988-1990 : overwinning van de moeili jkheden in verband met afs tand en
toegankeli jkheid door aanpassing van bestaande in f r a s t ru c tu r e n , systemen,
apparatuur en technologie ;
1990-1995 : verbeterde behandeling en toegankeli jkheid van informat ie dank z i j
de g e l e id e l i j k e d i g i t a l i s e r i n g van IT & T in combinatie met speci f ieke
onderwijsgerichte kenmerken;
1995-2000 : i n t e l l i g e n t e leerhulpmiddelen gebaseerd op de kenmerken van
computers van de v i j fde genera t ie en geïntegreerde breedbandcommunicatie
(IBC).
b. Geplande werkzaamheden :
1. I n t e r d i s c i p l i n a i r overleg over huidige en toekomstige behoeften t e r
ondersteuning van het leren :
Door te z i jn e r t i j d inz ich t te verwerven in de behoeften en mogelijkheden
zal het mogelijk z i jn in de gehele Gemeenschap een synergisme,
werkverdeling en samenwerking to t stand te brengen waardoor de
doel t re f fendhe id van de beschikbare middelen wordt verbeterd . Ten einde d i t
proces te ondersteunen, het gebruik van de Gemeenschapsmiddelen te
optimal iseren en de onderzoekwerkzaamheden op het j u i s t e doel af te stemmen
is een systematische analyse en systeem-engineeringevaluatie van het
leersysteem en de func t ies daarvan v e r e i s t . Daartoe zal een referentiemodel
voor leersystemen worden ontwikkeld.
3 . 3 - 5
2. O & O op het gebied van leertechnologie en -systemen :
Dit houdt een sytematische ontwikkeling in van de kenmerken die speci fiek
z i jn voor de le e r l i n g - en au teu rs / le raarsbehoef ten . In d i t programma zal
bijzondere nadruk worden gelegd op verbeter ing van de bezorging aan de
l e e r l i n g , communicatie tussen leerl ingen en tu to r e n / l e r a r e n , gemakkelijk te
hanteren auteurssystemen en de economie en het beheer van het systeem in
z i jn geheel.
3. Testen en val ideren :
Het belang van de "menselijke factor" op d i t gebied maakt het noodzakeli jk
dat de leer technologie en concepten in a l l e s tad ia van de ontwikkeling
grondig worden g e t e s t . In het kader van d i t programma zal een op een
s a t e l l i e t gebaseerde o p e n - t e s t f a c i l i t e i t to t stand worden gebracht die in
a l l e delen van de Gemeenschap toegankel i jk i s .
4. Ontwikkeling van de i n t e r o p e r a b i l i t e i t :
Ten einde to t een rede l i jke doelmatigheid en soepel gebruik te komen dient
multimediale i n t e r o p e r a b i l i t e i t to t stand te worden gebracht. Daartoe is
bui ten de lopende normalisatiewerkzaamheden op het gebied van IT & T de
toepassingsgerichte ontwikkeling van normen en conventies v e re i s t waardoor
vooruitgang op d i t gebied in de hand wordt gewerkt.
5. Het scheppen van een gunstig klimaat :
Hoewel leer technologie po ten t iee l zeer aan t rekke l i jk is en voordelige
oplossingen b ie d t , zal d i t proces ver t raging ondervinden indien geen
speci f ieke begeleidende maatregelen worden genomen om de "toegangsdrempel"
t e verlagen.
c. DELTA bespoedigt mede de ontwikkeling van nieuwe technieken, f a c i l i t e i t e n en
hulpmiddelen t e r ondersteuning van het onderwijs, in het bijzonder de
verwezenlijking van nieuwe open-leerconcepten. Het verschaf t onderwijsmensen
en leer l ingen de technieken om zich zoveel mogelijk te onttrekken aan de
beperkingen in verband met afstand en toegang.
d. Op d i t nieuwe gebied dat thans to t ontwikkeling komt z i jn de personen die over
de v e re i s t e deskundigheid beschikken in de Gemeenschap zeldzaam en dun
gezaaid. Er dient n ie t a l leen meer werk te worden gemaakt van het exploiteren
van de mogelijkheden die door de toepassing van leer technologie on ts taan , maar
er zal tevens aandacht moeten worden besteed aan overleg en werkverdeling
binnen een du ide l i jk omschreven kader van d oe ls te l l ingen en maatregelen. De
kansen voor de indus t r ie z i jn afhankeli jk van de marktgrootte die in
communautair verband red e l i jk kan z i jn . Dank z i j DELTA kan beter gebruik
worden gemaakt van de middelen en ondersteuning van de indus t r ie worden
aangetrokken.
e. De noodzakelijk geachte middelen zul len in een l a t e r stadium worden
aangegeven.
3 . 3 - 6
DRIVE (Specifieke verkeersveiLigheidssystemen en in t e l l i g e n t e voertuigen in
Europa)
a. Ieder jaar va l len er op de wegen in de Gemeenschap 55.000 doden en 1,8 miljoen
gekwetsten. Voor de samenleving z i jn de t o t a l e kosten van deze ongevallen zeer
hoog en er is berekend dat door toepassing van informatie- en
telecommunicatietechnologie voor het voorkomen van botsingen 3,2 mi ljard Ecu
per jaar kan worden bespaard.
De ind i rec te gevolgen van de ve rkeersve i l ighe id voor het welzi jn en de
economie z i jn bovendien t a l r i j k en van groot belang, bijvoorbeeld door het
voorkomen van verkeersopstoppingen.
Dank z i j recente vorderingen op het gebied van IT & T onts taan g e l e id e l i j k
nieuwe en veel meer kostenbesparende middelen t e r verbeter ing van de
verkeersve i l ighe id en het beheer van het vervoer in het algemeen.
b. Geplande werkzaamheden :
DRIVE omvat toepass ingsger ich t 0 & 0 & D & T in het bijzonder in verband met
systeemengineering- en systeemintegra t ieaspec ten .
1. Systemen t e r voorkoming van ongevallen :
Dit gebied heef t betrekking op de i n t e g r a t i e van verschi l lende
e lek tronische subsystemen met betrekking to t de v e i l ighe id in een
geïntegreerd con t ro le - en regelingssysteem voor voertuigen.
2. Communicatiesystemen voor voertuigen :
In het komende decennium zal mobiele t e l e fo n ie in toenemende mate gaan
behoren to t de s tandaa rdu i t ru s t ing van voertuigen. De in f r a s t ru c tu u r voor
deze dienst kan t e g e l i j k e r t i j d worden gebruikt t e r ondersteuning van de
verkeersve i l ighe id en verkeersge le id ing .
3. Verkeersgeleiding en - rege l ing
Het gebruik van IT & T a ls onderdeel van een geïntegreerde toepassing zal
aanz ien l i jke vooruitgang mogelijk maken b i j het voorkomen van
verkeersopstoppingen, voor het u i t s t i p p e l e n van een route in s teden, voor
het opgeven van een nieuwe routij b i j opstoppingen en het vrijmaken van de
wegen in n oods i tua t ie s .
c. DRIVE moet het kader vormen waarin in d u s t r i e en overheidsdiensten voor geheel
Europa de technologische middelen kunnen ontwikkelen
- waarmee een d ras t i sche vermindering van e rn s t ig e verkeersongevallen kan
worden bewerkste l l igd en
- waardoor van het schaalvoordeel kan worden geprof i t ee rd om deze technieken
in een vroeg stadium te ontwikkelen en in te voeren.
d. Verbetering van de ve rkee rsve i l ighe id is een gemeenschappelijk doel van a l l e
Lid-Staten en de verdel ing van de la s ten die z i jn verbonden aan de
ontwikkeling van nieuwe middelen t e r verbe te r ing van de verkeersve i l ighe id en
communicatie komt ontegensprekeli jk zowel de burgers a l s de betrokken
bedr ijven ten goede. De weg voor een d e rg e l i j k e ontwikkeling wordt gebaand
door de 0 & 0 & D & T-werkzaamheden die in het kader van DRIVE moeten worden
ondernomen.
3 . 3 - 7
e. Vóór 1987 is een d e f i n i t i e f a s e gepland t e r voorbereiding van het
hoofdprogramma dat in 1988 ten uitvoer moet worden gelegd. Deze d e f i n i t i e f a s e
moet een nauwkeurige formulering mogelijk maken van de werkzaamheden waaraan
dank z i j de communautaire schaal waarop z i j worden uitgevoerd de groots te
voordelen z i jn verbonden en die een aanvulling vormen op werkzaamheden die in
de Lid-Staten worden uitgevoerd.
De raming van de f inanc ië le middelen zal worden medegedeeld wanneer d i t
programma een verder stadium van ontwikkeling heeft be re ik t .
3 . 3 - 8
BICEPS (Europees samenwerkingsprogramma en s t r a t e g i e op het gebied van
bio-informat i ca)
a. De voortdurende s t i j g i n g van de uitgaven voor gezondheidszorg is een
belangr i jk vraagstuk geworden. In de Europese Gemeenschap z i jn de t o t a l e
uitgaven voor soc ia le diensten sinds 1975 in reë le waarde met 27 % toegenomen
en d i t bedrag vertegenwoordigt thans meer dan een vierde van het BBP. De
uitgaven bedragen in t o t a a l 720 miljard Ecu en van dat bedrag heef t meer dan
75 %, d.w.z. 540 mil jard Ecu betrekking op medische diens ten en verzorging
voor bejaarden. Naarmate de gemiddelde levensduur s t i j g t zal ook de behoefte
aan verdere verbeteringen inzake kw al i te i t en r e n t a b i l i t e i t toenemen.
BICEPS ontwikkelt IT & T om te voorzien in de spec i f ieke behoeften van
medische diensten en deze toe te passen op het gebied van medische en
biotechnologische 0 & 0 & D & T.
b. Geplande werkzaamheden :
1. Medische informatica :
Een verdere verbeter ing van de gezondheidszorg en een betere economie van
de vers trekking daarvan z i jn a fhanke l i jk van de vooruitgang op t a l r i j k e
gebieden. Een van de mogelijkheden om vooruitgang te boeken is gebaseerd op
een consequente e x p l o i t a t i e van het po te n t ie e l van IT & T. Toepassing
daarvan bij verschi l lende func t ies kan leiden to t aanz ien l i jke
verbeteringen wat b e t r e f t k w a l i t e i t , beschikbaarheid en r e n t a b i l i t e i t van
medische verzorging.
2. Bio-informatica :
Een aanz ien l i jk gedeelte van de medische uitgaven s t a a t in verband met
farmaceutische produkten en medisch onderzoek. Op d i t gebied is men s te rk
a fhanke l i jk van de vooruitgang op het gebied van biotechnologie en medisch
onderzoek met b io - in format ica .
BICEPS houdt zich dan ook bezig met de behoeften op het gebied van de
medische informatica en van de b io - in format ica .
Er z i jn verbindingspunten met Gemeenschapsprogramma's zoals ESPRIT, RACE en
het BAP alsmede met programma's op het niveau van de Lid-Staten.
c. Verwacht wordt dat de r e su l t a ten van BICEPS een sn e l l e ontwikkeling van
geavanceerde technieken mogelijk zul len maken voor zowel medische diens ten a ls
medische/biotechnologische 0 & 0 & D & T.
d. ESPRIT r e s u l t e e r t in algemene informatie technologie waarop speci f ieke
werkzaamheden op het gebied van b io- informat ica en medische informatica kunnen
voortbouwen. De IT - indus t r ie werkt reeds op communautaire schaal mee. Hierdoor
onts taan gunstige gelegenheden om de deskundigheid en in d u s t r i ë l e capac i t e i t en
b i j e lkaar te brengen en de werkzaamheden op d i t gebied te ondersteunen. Aan
de werkverdeling en samenwerking z i jn bovendien aanz ien l i jke voordelen
verbonden voor zowel de bespoediging van de ontwikkeling a l s het verwerven van
e rvar ing , hetgeen van bes l i ssend belang is voor het vertrouwen van de medici
in nieuwe technieken.
3 . 3 - 9
e. Voor 1987 is een d e f i n i t i e f a s e gepland t e r voorbereiding van het
hoofdprogramma dat in 1988 ten u itvoer moet worden gelegd. Deze fase moet een
nauwkeurige formulering mogelijk maken van de werkzaamheden waaraan door de
u i tvoer ing op communautaire schaal de groots te voordelen z i jn verbonden en die
een aanvulling vormen op werkzaamheden die in de Lid-Staten plaatsvinden.
De ramingen van de f inanc ië le middelen zul len in een la te r stadium van de
voorbereiding van d i t programma worden medegedeeld.
3 . 3 - 10
PERT (Profess ionele e lek tronika en onderzoektechnologie)
a. De p ro d u k t iv i t e i t van de Gemeenschap op het gebied van 0 & 0 en hie r in het
bijzonder op het gebied van geavanceerde technologie is aanmerkelijk lager dan
in de VS en Japan die in d i t opzicht in de l a a t s t e jaren enorme vooruitgang
hebben geboekt dank z i j de consequente toepassing van geavanceerde IT & T.
Het doel van PERT is het verbeteren van de p r o d u k t iv i t e i t van 0 & 0 in de
Gemeenschap to t tenminste hetzelfde niveau a l s dat van de voornaamste
concurrenten.
b. Geplande werkzaamheden :
1. Beheer van informatiemiddelen in de laboratoriumomgeving :
Het beheer van de informatiemiddelen is een van de cen t ra le problemen b i j
laboratoriumwerk. Geavanceerde technieken waarbij gebruik wordt gemaakt van
recente vorderingen op het gebied van IT & T openen nieuwe mogelijkheden
voor belangr ijke verbeter ingen. Gezien de laboratoriumomstandigheden en de
uiteenlopende behoeften dient echter systematisch werk te worden gemaakt
van de ontwikkeling van compatibele componenten en subsystemen die in
onderlinge combinatie kunnen worden gebruikt om aan een uiteenlopende reeks
voorwaarden te voldoen. Dit vormt een be langr i jke taak voor systeem-0 S 0,
systeemengineering en sys teem in tegra t ie .
2. Gegevensverzameling :
Snelle verzameling van gegevens en de voorafgaande verwerking daarvan is
een s l e u t e l f a c t o r b i j het bespoedigen van technologische analyses. Nieuwe
technieken waarbij gebruik wordt gemaakt van de vooruitgang op het gebied
van sensoren en IT & T maken de ontwikkeling van v e e lz i jd ig e r apparatuur
mogelijk om in deze behoeften te voorzien.
3. I n t e r p r e t a t i e van de informatie :
Voor vergel i jkend onderzoek en a l t e r n a t i e v e i n t e r p r e t a t i e van
technologische da ta , concepten en condi t ies z i jn in toenemende mate
geavanceerde hulpmiddelen voor i n t e r p r e t a t i e en s imula t ie v e r e i s t . Hoewel
deze hulpmiddelen voor engineeringdoeleinden reeds z i jn ontwikkeld is nog
maar pas een begin gemaakt met de toepassing daarvan voor ontwerp- en
in te rp re ta t ie -exper im en ten . PERT heef t ten doel algemeen bruikbare
laboratorium/wetenschappeli jke hulpmiddelen voor deze taken te ontwikkelen.
Hieronder va l t de ontwikkeling van kennisgebaseerde gebru ikersv r iende l i jke
toepassingen voor de i n t e r p r e t a t i e van informatie .
c. PERT moet resu l te ren in een aanz ien l i jke verbeter ing van de p r o d u k t iv i t e i t van
technologische 0 & 0 en de to ts tandbrenging van hulpmiddelen met groot
prestatievermogen t e r bespoediging van de i n d u s t r i ë l e ontwikkelingsprocessen.
d. Het is een probleem waarmee a l l e Lid-Staten worden geconfronteerd en bovendien
z i jn investeringen en deskundigen op d i t gebied s lech ts in beperkte mate
beschikbaar . Door werkverdeling en samenwerking worden n ie t a l leen de kansen
voor elk p ro jec t verbeterd , maar gezien de onderlinge afhankel i jkheid van de
systemen is het van belang dat er een synergisme en wisselwerking to t stand
komt. Dit is mogelijk in het kader van een communautair programma dat in
overleg met de voornaamste betrokkenen is va s tg e s te ld .
Voor 1987 is een d e f i n i t i e f a s e gepland t e r voorbereiding van het
hoofdprogramma dat in 1988 moet worden uitgevoerd. Deze fase moet een
nauwkeurige formulering mogelijk maken van de werkzaamheden waaraan door de
u itvoer ing op communautaire schaal de groots te voordelen z i jn verbonden en die
een aanvulling vormen op werkzaamheden die in de Lid-Staten worden uitgevoerd.
De ramingen van de f inanc ië le middelen zullen in een l a t e r stadium van de
voorbereiding van d i t programma worden medegedeeld.
3 . 3 - 12
DIME (DeveLopment of In tegra ted Monetary Elect ronics - Ontwikkeling van
geïn tegreerde e lek tronika voor het geldwezen)
a. De meeste f inanc ië le t r a n sa c t i e s worden reeds via e lek tron isch verkeer
uitgevoerd en de bu i t van e lek tronische d i e f s t a l is ook al veel gro te r dan
van gewapende overval len . Deze en andere recente ontwikkelingen, waarbij
IT & T wordt gebruikt om specia le technologie op f inanc iee l gebied zoals de
"chip -kaar t" (microcomputer op een bankkaart) in te voeren, z i jn tekenend
voor de opkomst van "e lek tron isch geld" en voor belangr i jke veranderingen
in de manier waarop mensen geld ontvangen en uitgeven.
Bij een consequente ontwikkeling van de nu bereikbare technologie kan
"persoonli jk e lek tron isch geld" worden ontwikkeld, dat a l leen door de
wettige eigenaar kan worden gebru ik t , zodat het gevaar van onrechtmatig
gebruik of d i e f s t a l wordt geël imineerd. Gewone bankovervallen kunnen
spoedig to t het verleden behoren.
Daarnaast kan de "ch ip-kaar t" t a l r i j k e andere func t ies vervul len op a l l e
gebieden van menselijke a c t i v i t e i t waarbij i d e n t i f i c a t i e nodig i s .
In het kader van DIME moet 0 & 0 worden uitgevoerd naar het gebruik van
IT & T voor f in a n c ië l e en andere diensten met a l s d o e l s t e l l i n g het voortouw
te nemen bij de ontwikkeling van "persoonl i jk e lek tron isch geld" en
"ch ip-kaar t" - techno log ie , die kan dienen a ls algemeen hulpmiddel bij
c red i te r in g en i d e n t i f i c a t i e .
b. Geplande werkzaamheden :
1. I n t e l l i g e n te bewijzen van kredietwaardigheid :
Het gebruik van geld is u i t e i n d e l i j k gebaseerd op het vermogen aan te
tonen "dat men kredie t hee f t " . Bij conventionele geldsystemen wordt
h ie r toe gebruik gemaakt van wett ige betaalmiddelen. Een recentere
ontwikkeling is de in t roduc t i e van bankkaarten of c red i t cards die
kunnen worden beschouwd a l s een ee r s te genera t ie van persoonl i jk geld.
Deze ontwikkeling is hiermee echter nog lang n ie t vo l too id . Bij
"persoonl i jk e l ek t ron isch geld" zal w el l ich t een "microcomputer op een
instrument in de vorm van een kaar t" cen t raa l s taan . Bij d i t instrument
zulten persoonl i jke kenmerken van de houder, bijvoorbeeld
vingerafdrukken, worden gebruikt voor de bescherming tegen gebruik door
anderen. Op het instrument kan een hoeveelheid kredie t naar keuze van de
houder worden opgeslagen, t e r w i j l b i j de opname van een bedrag een
overeenkomstige hoeveelheid kredie t van de kaar t wordt afget rokken,
zoals momenteel b i j een rekening gebeurt .
De pr inc ipes van d i t systeem z i jn r e l a t i e f eenvoudig, maar voor de
technische u i tvoer ing met de voor algemeen gebruik v e re i s t e mate van
betrouwbaarheid is systematisch op technologie-ontwikkel ing afgestemd
0 & 0-werk op een omvangrijk gebied nodig.
Op t a l r i j k e gebieden zal voor i d e n t i f i c a t i e in hoge mate dezelfde
technologie worden gebruik t . Om een overmatige wildgroei van
versch i l lende kaartsystemen en bewerkingen te vermijden moet de
optimale benadering door onderzoek worden v as tg e s te ld .
2. Maatregelen tegen vervalsingen :
Bij ban k b i l j e t t en en ze l f s c red i t cards bes taa t in toenemende mate het
gevaar van vervalsingen. Bij de ontwikkeling van "nieuwe kredietvormen"
3 . 3 - 13
is d i t probleem van het hoogste belang. Een "microcomputer op een kaart"
b ied t ruim voldoende mogelijkheden, maar de te t r e f f e n tegenmaatregelen
moeten in overeenstemming z i jn met de func t ies van het instrument en de
meest prakt ische van de t a l r i j k e mogelijkheden moet worden
g e ïden t i f icee rd en onderzocht.
c. Het r e su l t a a t van DIME moet z i jn dat er een degel i jke technologische basis
wordt gelegd voor de invoering van "persoonli jk geld" in Europa, waardoor
de mogelijkheden van d i e f s t a l of vervalsing van geld grotendeels worden
geëlimineerd.
d. De bescherming van geld en ander persoonli jk eigendom en ve i l ighe id is een
gemeenschappelijke d o e l s t e l l in g van a l l e burgers en regeringen in de gehele
Gemeenschap. Bovendien is het om volledig p r o f i j t te trekken van deze
nieuwe f inanc ië le technologie noodzakelijk dat deze in de gehele
Gemeenschap kan worden gebruikt . Met het oog op de voor eindapparatuur
benodigde investeringen en u i t economisch oogpunt is de omvang van de
Gemeenschappelijke Markt een bes li ssende fac to r .
e. Voor 1987 is een d e f i n i t i e f a s e gepland t e r voorbereiding op het
hoofdprogramma, waarvan de uitvoer ing in 1988 wordt verwacht. Hierdoor is
een nauwkeurige beschr ijv ing van de werkzaamheden mogelijk, waarbij de
communautaire dimensie de groots te voordelen biedt en die aans lu i t op de
in de Lid-Staten uitgevoerde werkzaamheden.
Een scha t t ing van de benodigde middelen zal in een l a t e r stadium van de
voorbereiding van d i t p ro jec t worden gegeven.
3 . 4 - 1
3.4. Samenwerking b i j het fundamenteel onderzoek voor informatietechnologie
a. Deze ac t ie bes laa t samenwerking b i j onderzoek en gecoördineerde
werkzaamheden met a l s d o e l s t e l l in g een beter gebruik van de
wetenschappeli jke mogelijkheden in de computerwetenschap door samenwerking.
b. Univers i t e i t en en onderzoekinste l l ingen zul len naar verwachting meewerken
aan in d u s t r i ë le p ro jec ten , maar d i t doet n i e t s af aan de noodzaak
precommercieel onderzoek met commerciële toepassingsmogelijkheden nu en in
de toekomst aan te vutten door de st imulering van onderzoek naar IT op een
meer fundamenteel niveau dat n ie t onmiddel l i jk rech ts t reeks kan worden
toegepast . Fundamenteel onderzoek is ook een be langr i jk onderdeel van de
ople iding van hooggeschoold personeel , waaraan zowel in de IT als in andere
industr ie takken grote behoefte b e s t a a t . Dergeli jk onderzoek wordt u i t e raa rd
voornamelijk in u n iv e r s i t e i t e n en openbare of p a r t i c u l i e r e
onderzoekinstel l ingen uitgevoerd.
Een pos i t ieve methode hiervoor is aangegeven door het Beoordelingscomité
van ESPRIT in z i jn aanbeveling, dat een n u t t ig e f f e c t van het programma
moet z i jn dat het geografisch isolement van bepaalde in s t e l l i n g en wordt
doorbroken.
Verder was het Beoordelingscomité er voorstander van dat een aantal
geselecteerde Europese zwaartepuntcentra in IT zich in te rna t ionaa l zouden
gaan o r iën te ren .
In derge l i jke cent ra moet de basis b i j voorkeur worden gevormd door
bestaande a c t i v i t e i t e n en moet ook worden voortgebouwd op ontwikkelingen op
Europees niveau, met name in het kader van COST-projecten op het gebied van
computerwetenschap.
Dergeli jk onderzoek op gebieden van s t r a t e g i s c h belang moet door de
Commissie worden ondersteund mits :
- de Europese dimensie wordt gewaarborgd door een ambitieus
gemeenschappelijk werkprogramma, opgesteld door vooraanstaande
deskundigen in een comité van hoog niveau;
- de beste o rgan isa t ie s op d i t gebied (maximaal v ie r of v i j f ) voldoende
motivatie putten u i t deze opdracht om v r i j w i l l i g op voldoende schaal te
werken aan d i t gemeenschappelijk werkprogramma.
Er moet s te rke nadruk worden gelegd op een aantal geselecteerde
veelbelovende onderzoekgebieden, die nog n ie t volled ig z i jn ontwikkeld en
waar communautaire werkzaamheden derhalve een z ichtbare stimulans kunnen
geven, bi jvoorbeeld :
- moleculaire e lek t ron ika ;
- spec ia le gebieden van kenniswetenschap en kunstmatige i n t e l l i g e n t i e ;
- toepassing van specia le gebieden van de h a l fg e le id e r fy s ica in de IT
(amorf s i l i c ium , magneto-optisch onderzoek, en z . ) .
c. Verwachte r e su l t a ten :
- de IT in Europa door projecten met een k r i t i s c h e massa op gebieden van
s t r a t e g i s c h belang op het hoogste niveau brengen;
- het gebruik van wetenschappeli jke mogelijkheden b i j 0 & 0 in de IT door
samenwerking en gecoördineerde werkzaamheden verbeteren.
d. Motivering voor communautaire werkzaamheden : schaarse en verspre ide
hulpbronnen moeten worden gecoördineerd en gebruikt voor projecten met
k r i t i s c h e massa.
e. Voor een periode van v i j f jaar is naar s cha t t ing een communautaire. b i jdrage
van 40 a 50 miljoen Ecu nodig.
3 .5 - 1
3.5. Indus t r ië le en specia le technologie
a. In de afgelopen jaren begon zich een he rs te l van de Europese indus t r ie af te
tekenen. Technologie is een belangr ijke fac tor b i j de ondersteuning van d i t
h e r s t e l . In de jaren negentig zal deze fac to r nog aan belang winnen wil men
het hoofd kunnen bieden aan de concurrentie u i t de VS, Japan en andere landen
aan de S t i l l e Oceaan. In a l l e sectoren is er behoefte aan geavanceerde
technologie , met name in sectoren a ls de au to - in d u s t r ie , de chemische
in d u s t r i e , t e x t i e l , kleding, scheepsbouw, bouwnijverheid en de meubelindustrie
waarin meer dan 25 miljoen mensen werkzaam z i jn - bijna 70 % van de werknemers
van de Gemeenschap in de indus t r ie - deze sectoren zullen in a l l e landen de
groots te b ijdrage b l i jven leveren to t het aandeel van de indus t r ie in het BBP.
De sch e id s l i jn tussen sectoren a ls de e lektronika en volledig ontwikkelde
industr ie takken zal steeds meer verdwijnen en p laa ts maken voor een
s c h e id s l i jn tussen ondernemingen, ongeacht de s ec to r , die volledig gebruik
maken van de modernste technologie en ondernemingen die d i t n ie t doen. De
mogelijkheden voor verandering z i jn het g roo ts t in sectoren waarin moderne
technologie to t nu toe in het laagste tempo is opgenomen; derhalve moet de
nadruk liggen op deze sectoren en zal de s t imulering door communautaire
programma's hie r rendement opleveren.
Het probleem is n ie t a l leen de ontwikkeling van bruikbare moderne technologie
(met name m u l t i d i s c ip l in a i r e technologie) in het precommercieel stadium en de
toepassing daarvan, maar ook de noodzaak mogelijkheden to t onderzoek
e f f i c i ë n t e r te gebruiken door grensoverschrijdende samenwerking.
De regeringen van de VS en Japan geven hoge p r i o r i t e i t aan onderzoekprojecten
met een i n t e r d i s c i p l i n a i r karakter op het gebied van nieuwe
produktietechnologie en de vervaardiging van nieuwe materialen . De
u n iv e r s i t a i r e en i n d u s t r i ë l e samenwerkende onderzoekcentra op gebieden als
polymeerverwerking, la ssen, procesbestur ing en wrijvingsLeer in de
VS en het 0 & 0-projec t voor fundamentele technologie voor de indus t r ie in de
toekomst in Japan ontvangen bijvoorbeeld j a a r l i j k s enkele honderden miljoenen
do l l a r s van de cen t ra le regeringen. Daarnaast is algemeen bekend dat het
Minis ter ie van Defensie en de NASA in de VS nog steeds op grote schaal
onderzoek op deze gebieden f inanc ie ren ; d i t werkt snel door in de indus t r ie en
veroorzaakt een constante stroom van technische in formatie. Uit deze
programma's b l i j k t du ide l i jk dat deze landen deze technologie van s t r a teg isch
belang achten.
b. De ontwikkeling van het BRITE-Programma wordt in voortdurend nauw overleg met
de indus t r i e voortgezet; de p r i o r i t e i t , die voortdurend in samenwerking met de
indus t r i e opnieuw wordt bezien, l i g t momenteel op de volgende gebieden :
- verhoging van de s t e rk t e en derhalve de betrouwbaarheid gedurende lange t i j d
van cons truct iemate r ia len en -componenten;
- het terugdringen van de kwalitei tsvermindering van materialen door co r ros ie ,
s l i j t a g e , biologische verwering, enz . ;
- wr i jv ingsleer van mechanische systemen; _____
- in d u s t r i ë l e la sertechnologie ;
- verbindingstechnieken : nieuwe verbeterde lastechnieken en adhesiebinding;
- nieuwe testmethoden, bijvoorbeeld n i e t - d e s t r u c t i e f , on-l ine en
computergesteund;
- geavanceerde technieken voor ontwerp en fabr icage , met name voor het midden-
en k le inbed r i j f en gespecia li seerde i n d u s t r i ë l e toepassingen;
- wetenschap en technologie van membranen;
- ka ta lyse en dee l t jes techno log ie ;
3 .5 - 2
- ger ich te toepassingen van geavanceerde materialen (zie ook 3.7) met het oog
op mate r iaa l-0 & 0;
- toepassing van nieuwe technologie b ij fabricageprocessen met specia le
problemen, bijvoorbeeld produktieprocessen waarbij gebruik wordt gemaakt van
f l e x ib e le materia len.
De r eac t ie op de ee r s te oproep to t het indienen van voors te l len is het bewijs
dat de in d u s t r i e ge ïn te resseerd is in samenwerking b i j precommercieel
onderzoek met a l s doel :
- verbeter ing van de coördinatie van onderzoek dat anders onafhankeli jk in
verschil lende Lid-Staten door de in d u s t r i e en andere o rgan isa t ies zou worden
uitgevoerd en,
- s t imulering van grensoverschrijdende samenwerking tussen verschil lende
takken van in d u s t r i e en tussen in d u s t r i e en u n iv e r s i t e i t e n .
De voorwaarden voor deelname (deelnemers u i t meer dan één Lid-Staat met ten
minste één in d u s t r i ë l e deelnemer, b i jdrage in de kosten voor 50 % u i t de
indus t r ie ) vormen een waarborg voor de i n d u s t r i ë l e aard van de voorgestelde
projecten en de in het algemeen hoge kw al i te i t ervan.
Er z i jn 559 voors te l len ontvangen, die vr i jwel a l l e van groot belang en van
hoge kwal i te i t z i jn (met gemiddeld v ie r deelnemers per p r o j e c t ) , maar waarvan
er vanwege de f inanc ië le beperkingen s lech ts 102 konden worden aangenomen. Dit
afvalpercentage is veel te hoog en zou bedr ijven - met name het midden- en
k le in b ed r i j f - van deelname kunnen weerhouden. Ondanks in tens ieve
voorlichtingscampagnes hadden vele bedri jven n ie t t i j d i g genoeg van BRITE
gehoord voor de voorbereiding op de e e r s t e ronde en het aantal mogelijke
deelnemers zal door de toe t red ing van Spanje en Portugal toenemen. Het zou
geen verrass ing z i jn a ls het aantal voo rs te l len voor de tweede ronde van het
BRITE-Programma een paar maal zo groot zou z i jn a ls voor de ee r s te ronde.
Gezien de noodzaak voor de in d u s t r i e een in f r a s t ru c tu u r voor Europese
grensoverschrijdende samenwerking te creëren en het hoofd te bieden aan de
in t e rn a t io n a le concurrentie moet het budget voor de tweede oproep to t het
indienen van voors te l len f l i n k worden opgevoerd (volgens het advies van het
IRDAC is er voor de tweede ronde ten minste 300 miljoen Ecu nodig).
c. U i te inde l i jk moeten de pro jecten van het type BRITE ze l f s t and ig worden en moet
samenwerking binnen een met nieuwe kracht bezielde Gemeenschap een n a tu u r l i jk e
en alom geaccepteerde procedure worden zonder ondersteuning u i t communautaire
middelen. Desalniettemin zal de behoefte aan BRITE w aarsch i jn l i jk to t ver in
de jaren negentig b l i jven bestaan.
Derhalve bes taa t het plan in nauw overleg met de in d u s t r i e een
vervolgprogramma (een herziene vorm van BRITE) te ontwikkelen.
Door de in de ee r s te en tweede ronde van BRITE opgedane ervaring zal een
u i tged iep te en geconcentreerde s t r a t eg i s ch e benadering mogelijk z i jn door het
grondig aanpakken van nieuwe gebieden, bijvoorbeeld
- het probleem om nieuwe in vele gebieden onts tane technologie toe te passen
b i j de fabricage van een brede scala van nieuwe of technologisch verbeterde
produkten, bijvoorbeeld meubelen, t e x t i e l , produkten op bas is van papier en
werktui gmachines;
- het gebruik en de methoden voor het gebruik van nieuwe mater ia len , waarin
a l l e u i t e i n d e l i j k voor rendabele toepassingen benodigde aspecten worden
opgenomen, zoals ontwerp, manipula tie , fab r icage , con t ro le , normen en
ople id ing .
3 . 5 - 3
In het nieuwe programma wordt w aarsch i jn l i jk een gehele reeks proef- en
demonst ratieprojecten opgenomen. Het IRDAC heeft reeds du ide l i jk gemaakt dat
er behoefte bestaat aan samenwerkingsprojecten op basis van " p r o e f in s t a l l a t i e s
voor demonstratie" of "demonstra tiefabrieken" om de toepassing van nieuwe
technologie in de Europese indus t r ie op grote re schaal te st imuleren.
Bovendien zal er binnen een paar jaar een vervolg moeten komen op veel
BRITE-projecten om op grote re schaal of op ware grootte de technologische en
economische levensvatbaarheid van de ontwikkelde procédés te demonstreren.
d. Voor de loop t i jd van het kaderprogramma is er voor deze projecten naar
scha t t ing een bedrag van 600 a 900 miljoen Ecu nodig.
Onderzoek en proefdemonstraties voor de s t a a l s e c to r (nieuwe en verbeterde
produktieprocessen en verbeter ing van de eigenschappen van s taa l en van
fabr i cageprocédés) b li jven gef inancierd u i t de EGKS-begroting.
3.6 - 1
3.6. Biotechnologie en agro-industriële technologie
3.6.1. Biotechnologie
a. Evenals in het kaderprogramma voor 1984-1987 wordt biotechnologie a l s
a fzonder l i jk onderdeel opgenomen vanwege de grote gevolgen die de
toepassingen van de moderne b io logie in landbouw en in d u s t r i e zullen hebben
op verscheidene t r a d i t i o n e l e economische groeperingen. Van ongeveer 40 %
van de in d u s t r i ë l e produktie in een ontwikkelde economie i s de oorsprong
bio logisch en op t a l r i j k e gebieden (produktie van nieuwe oogstgewassen,
synthese van vacc ins , geneesmiddelen en chemicaliën met een hoge
toegevoegde waarde, ontwikkeling van technieken voor verwerking, omzet,
e x t r a c t i e , o n t g i f t i n g , enz.) wordt er nu vooruitgang van fundamenteel
belang geboekt of wordt d i t voor het eind van deze eeuw verwacht.
b. Er i s vas tge s te ld wat de be lan g r i jk s t e redenen z i jn van de huidige r e l a t i e f
zwakke p o s i t i e van de Gemeenschap in de moderne biotechnologie
(C0M(83)672); deze zwakke p o s i t i e kan worden toegeschreven aan de
versnipperde en verspreide u itvoer ing van onderzoek, een teko r t aan
wetenschapsmensen met een geavanceerde ople iding die voldoen aan de eisen
van 0 & 0 voor biotechnologie en de afwezigheid van een ondersteunende
in f r a s t ru c tu u r voor de sne l le ontwikkeling van moderne biotechnologie in de
Gemeenschap. Het doel van de voorgestelde werkzaamheden i s op de
be lan g r i jk s t e gebieden van de biotechnologie een t r a n sn a t io n a le dimensie t e
geven aan de geïso leerde pogingen in iedere Lid-Staat om :
- ta akger ich t onderzoek en de ve rs te rk ing van de i n f r a s t ru c tu u r voor 0 & 0
te st imuleren in die sec to ren , waarin d u id e l i j k be langr i jke knelpunten
z i jn g e ïd e n t i f i c e e r d , die zonder de bundeling van in de Gemeenschap
verspreide deskundigheid en f a c i l i t e i t e n n ie t snel u i t de weg kunnen
worden geruimd;
- deze verspre ide deskundigheid en f a c i l i t e i t e n te kanal iseren voor de
opbouw van een communautair opleidingsnetwerk van u i t z o n d e r l i jk hoge
k w a l i t e i t , waarvan jonge wetenschapsmensen in iedere Lid-Staat volledig
kunnen p r o f i t e r e n .
De communautaire werkzaamheden voor t r ansna t ionaa l onderzoek en
ople id ing door onderzoekprojecten voor gezamenlijke rekening en
ople id ingscon t rac ten , dienen met p r i o r i t e i t t e worden uitgevoerd op
de volgende gebieden van biotechnologisch 0 S 0 :
- databanken : modellen voor b io logische s t r u c tu r e n , processen en
systemen;
- verzamelingen van b io t i s ch m a te r iaa l ;
- enzymmanipulatie en eiwitontwerp;
- genetische manipula tie ;
- f y s io lo g i e , genet ica en moleculaire b io logie van voor landbouw en
in d u s t r i e be langr i jke species (d i t gebied, van e s s e n t i e e l belang
voor innovaties in de biotechnologie op lange te rm i jn , wordt n ie t
bestreken door het lopende APO Biotechnologie (1985-1989));
- technologie van in v i t r o gekweekte ce l len en weefsels;
- ontwikkeling van t e s t s voor farmacologie en tox ico log ie in v i t r o ;
- beoordeling van de r i s i c o ' s die samenhangen met moderne
biotechnologie ;
- de coörd ina t ie tussen de Lid-Staten t e st imuleren b i j de doelmatige
u i tvoer ing van de communautaire werkzaamheden op p r i o r i t e i t s g e b ie d e n ,
waaronder, naast onderzoek en ople id ing en coörd ina t ie z e l f , de volgende
onderwerpen val len : grondstoffen van agrar i sche oorsprong, regelgevende
systemen, i n t e l l e c t u e l e eigendom en demonstratiewerkzaamheden.
■ Dit door de Commissie voorgestelde programma is in f e i t e een voor tze t t ing
en u i tb re id ing van het in het kader van het Programma voor biomoleculaire
engineering (BEP) ( ap r i l 1982-maart 1986) en het APO Biotechnologie
(1985-1989) uitgevoerde onderzoek. Uit de r e su l t a ten van het Programma voor
biomoleculaire engineering en de s t a r t van het APO Biotechnologie in 1985
i s gebleken, dat onderzoek en opleiding in de biotechnologie op
communautaire schaal mogelijk en n u t t ig z i j n . Er z i jn in geheel Europa
t ransna t iona le netwerken van labora tor ia gevormd met een hoog
wetenschappeli jk niveau, waar gemeenschappelijk onderzoek wordt uitgevoerd
voor het u i t de weg ruimen van belangr ijke knelpunten b i j innovatiegerichte
toepassingen en die een scala van diensten en o p le id in g s f a c i l i t e i t e n bieden
die z i jn aangepast aan de complexe e isen van de moderne biotechnologie. In
de periode 1987-1991 moet nu nog verder worden gewerkt aan de in tens iver ing
van de a c t i v i t e i t e n van d i t grote m u l t i d i s c ip l in a i r e en vee lz i jd ige
" i n s t i t u u t zonder muren", dat over het gehele grondgebied van de
Gemeenschap i s versp re id , en moeten e r , nu er -een s tevige bas is i s gelegd
voor een t ransna t ionaa l netwerk, veel a c t ieve r dan in het verleden
samenwerkingsverbanden tussen u n iv e r s i t e i t e n en de indus t r i e op
communautair niveau worden gestimuleerd. De voor tze t t ing en u i tb re id ing van
communautair onderzoek op lange te rmijn , dat moet leiden to t de
ontwikkeling van nieuwe aan de i n d u s t r i ë l e e isen van de Gemeenschap
aangepaste oogstgewassen en to t de s t imulering van innovatieger ichte
technologie voor het gebruik van agrar ische grondstoffen door de in d u s t r i e ,
vormen in d i t verband een zeer be langr ijke taak.
Wat coördinat ie b e t r e f t moeten de in 1985 g e s ta r t e werkzaamheden t e r
beoordeling van het s t r a t eg i sch belang van nieuwe ontwikkelingen in de
biotechnologie en t e r st imulering van de noodzakelijke samenhang tussen de
versch i l lende communautaire be leidsonderdelen, die invloed hebben op of
worden beïnvloed door de b io technologie , worden voortgezet en u i tgebre id ;
d i t ge ldt ook voor de st imulering van de noodzakelijke coördinatie tussen
a c t i v i t e i t e n van Lid-Staten en de Gemeenschap op het gebied van
biotechnologie .
- De in de a c t i e opgenomen werkzaamheden worden uitgevoerd a l s projecten
voor gezamenlijke rekening (onderzoek), ople iding en gecoördineerde
werkzaamheden.
6.2. Agro-industriële technologie
Door de vooruitgang in de moderne bio logie en de biotechnologie is de
p r o d u k t iv i t e i t in de landbouw toegenomen en zal deze b l i jven toenemen; in
de gehele wereld worden ontwikkelde economieën geconfronteerd met het
vooru i tz ich t van toenemende overschotten , die met grote economische en
p o l i t i e k e problemen moeten worden weggewerkt, tenz i j er nieuwe
mogelijkheden voor landgebruik worden ontdekt en nieuwe manieren om
landbouwprodukten een reële waarde te geven. Door vooruitgang in de
genetica van planten en d ie ren , bij de toepassing van wetenschap op de
boerder i j en de omzetting van en de toevoeging van waarde aan
landbouwprodukten, met name door de b io technologie , wordt het assortiment
van mogelijke u i t de landbouw te betrekken grondstoffen en in d u s t r i ë le
produkten u i tgebre id . In Europa is de toestand bijzonder urgent vanwege de
succesvolle produkt iv ite itsverhogingen in het verleden; de mogelijkheden
to t innovatie nemen toe naarmate ons inz icht in moleculaire genetica en
fys io logie van planten , het microbieel en c e l l u l a i r metabolisme en
enzymologie en gis t ingsprocessen toeneemt. De toekomst van de landbouw in
de EG zal in toenemende mate a fhankeli jk worden van de mate waarin bronnen
van inkomsten worden aangeboord in andere sectoren dan voedingsmiddelen.
3 . 6 - 3
b. Om deze nieuwe mogelijkheden u i t te buiten moet een in teg ra le benadering
worden gevolgd en de uitvoerbaarheid hiervan moet worden ontwikkeld en
overtuigend worden aangetoond via or iënterende werkzaamheden en proef- en
demonstra tieprojec ten. Bij de keuze van werkzaamheden zal het kenmerkend
z i jn dat de d e t a i l s worden bepaald door marktoverwegingen, maar de daarbi j
betrokken in d u s t r i e moet daarbi j nauw samenwerken met de
onderzoeklaboratoria en landbouwdeskundigen. Er zal worden ges treefd naar
onderzoek, ontwikkeling en proef- /demons tra t iepro jec ten op de volgende
d r ie gebieden :
- ondersteuning van de landbouw door de in d u s t r i e ;
- nieuwe mogelijkheden voor produkten en/of produktiemethoden via
ag ro - in d u s t r i ë le technologie;
- concurrentievermogen van voedingsmiddelen ten aanzien van kw al i te i t en
produktie.
De invloed van de Gemeenschap op het landbouwbeleid, het belang van een
in teg ra le benadering waarbij het p o l i t i e k e kader op Europees niveau
ondersteunend (of niet-remmend) moet z i jn en de wenseli jkheid van een
bundeling van ervar ing in heel Europa, maken het d iens t ig deze i n i t i a t i e v e n
te p laatsen binnen de context van een communautair kader.
c. Bij het Programma voor biomoleculaire engineering (1982-1986) is de nadruk
gelegd op onderzoekgebieden in de landbouw en de voedingsmiddelenindustrie ,
hetgeen een be langr i jke vooruitgang in de plantengenetica en de enzymologie
to t gevolg heef t gehad; s o o r tg e l i jk e werkzaamheden worden voortgezet binnen
het Actieprogramma voor b iotechnologie . Om het echter mogelijk te maken dat
deze en andere doorbraken op precommercieel niveau bijdragen to t
sociaal-economische d o e l s t e l l in g e n , z i jn er innovaties nodig op het
grensgebied tussen landbouw en in d u s t r i e . Uit r e su l t a ten op andere gebieden
(bijvoorbeeld demonstra tieprojecten voor energie) b l i j k t dat het nu t t ig en
nodig is innovatie op deze manier te s t imuleren. Tot nu toe z i jn er in
communautaire onderzoekprogramma's voor b io technologie hiervoor neg geen
regelingen ge t ro f fen , hoewel het belang van een de rge l i jke systematische
s t imuler ing zowel in de nat ionale programma's van de Lid-Staten a ls door
onze b e lan g r i jk s t e i n d u s t r i ë l e concurrenten in toenemende mate wordt
ingezien.
d. Het l i g t in de bedoeling dat de voorgestelde a c t i e s , uitgevoerd in nauwe
samenhang met de werkzaamheden b i j het landbouwonderzoek, de vorm kri jgen
van werkzaamheden voor gezamenlijke rekening (maximaal 50 % van de t o t a l e
kos ten) . Er worden i n i t i a t i e v e n genomen om te komen to t medefinanciering
door en samenwerking met de in d u s t r i e .
o
o o
e. De voor de f inanc ie r ing van deze a c t i v i t e i t e n benodigde b i jdrage van de
Gemeenschap zou in de orde van groo t te van 350 a 460 miljoen Ecu l iggen.
Hiermee zouden de voornaamste a c t i v i t e i t e n van de verschi l lende Lid-Staten
in de meest be langr i jke sectoren van de biotechnologie een t ransna t iona le
dimensie kr i jgen en kunnen er op het gebied van de ag ro - in d u s t r i ë le
technologie in de l a a t s t e v ie r jaa r van de programmaperiode per Lid-Staat
d r ie projecten per jaar worden g e s t a r t .
3 . 7 - 1
3.7. Materiaalwetenschap en -technologie -------
a. Geavanceerde mater ialen z i jn reeds c ruc ia le elementen in vri jwel a l l e
be langr ijke takken van indus t r ie en zullen d i t in de toekomst b l i jven . De
wetenschappeli jke en technische vooruitgang op het gebied van materialen
zal een belangr ijke invloed hebben op de bloei van sectoren a ls de auto-
i n d u s t r i e , Lucht- en ru imtevaar t , scheepsbouw, spoorwegen, e lek tron ika ,
te lem at ica , bouwnijverheid, energievoorziening, biomedische indus t r ie en
vele andere sectoren.
Dit gebied b e s t r i j k t een grote verscheidenheid aan materia len , bijvoorbeeld
metalen, p l a s t i c s , keramiek, beton, g la s , e lektronische materialen en
composieten. Ook kunnen t a l r i j k e eigenschappen worden verbeterd :
mechanische s t e r k t e , g e w ic h t , s t i j f h e i d , p r i j s , f l e x i b i l i t e i t , e lek t r i sche
en magnetische eigenschappen, eigenschappen b i j hoge of lage temperatuur,
enz.
Het aanz ien l i jk economisch belang van d i t gebied kan het best worden
gedemonstreerd aan de hand van de volgende c i j f e r s : de door de mater iaal-
indus t r ie voortgebrachte toegevoegde waarde voor a l l e Lid-Staten van de
OESO kan worden geschat op ongeveer 500 mil jard USD en het aantal
a rbeidsplaatsen in deze indus t r ie op 20 miljoen.
Door geavanceerde materialen en het ra t ionee l gebruik daarvan kan de
indus t r ie de p r e s t a t i e s van haar produkten verbeteren en deze zo
concurrerender maken. Geavanceerde materialen kunnen ook bijdragen to t
het ra t ionee l gebruik van grondstoffen en energie en de beheersing en
vermindering van verontre in ig ing.
b. Europa is achterop geraakt b i j de Verenigde Staten en Japan. Hoewel er in
Europa materiaal laborator ia z i jn met een goede r e p u ta t i e , neemt hun
mogelijkheid to t innoveren a f . Dit v e r s ch i jn se l , dat het n ie t Lukt b i j te
b l i jven op het gebied van geavanceerde materialen vertoont een zekere
g e l i jk e n i s met wat er is gebeurd op het gebied van de informatie
technologie . De c r e a t i v i t e i t in Europa neemt af en de labora tor ia z i jn
minder e f f i c i ë n t dan die van de partners buiten de Gemeenschap. Vier van de
v i j f oc trooien op materialen worden aangevraagd door Amerikaanse en Japanse
bedrijven en een groot deel van de in Europa verkr ijgbare geavanceerde
materialen wordt in l icent ie 'geproduceerd of geïmporteerd (kools to fvezels ,
specia le polymeren enz . ) .
Geen Lid-Staat kan a fzonder l i jk de middelen opbrengen die nodig z i jn om in
het gehele spectrum van geavanceerde materialen concurrerend te z i jn . Een
communautaire ac t ie is noodzakeli jk om werkverdeling en bundeling van
f inanc ië l e en personele middelen op Europese schaal te st imuleren. Alleen
door het verminderen van dubbel werk en het gezamenlijk gebruik van grote
onderzoekins tell ingen en apparatuur kan Europa het tempo van z i jn
concurrenten bijhouden.
Willen de produkten van de Europese indus t r ie succes hebben, dan is een
e f f e c t i e f gebruik van geavanceerde materialen e s s e n t i e e l . De ontwikkeling
van verbeterde materialen en verbeterde technieken voor de ex p lo i t a t i e
daarvan draagt ex t ra to t d i t doel b i j . Ofschoon het h ie r in het algemeen om
een apart gebied gaat , moeten deze a c t i v i t e i t e n voortdurend in nauwe
samenhang met de overige worden uitgevoerd. Daarom worden de werkzaamheden
op het gebied van materiaalwetenschap en -technologie en die op het gebied
van de technologie voor de verwerkende indus t r i e (zie punt 3.5) nu en in de
toekomst nauw op elkaar afgestemd.
3 . 7 - 2
c. Het vorig Onderzoekprogramma voor vervangingsmaterialen en technische
keramiek was v r i j k le in . Het was beperkt to t de fundamentele aspecten van
de vervanging van s t r a t eg i s ch e metalen a l s chroom, kobalt en wolfraam en
het onderzoek van technische keramiek met betrekking to t de bere iding en de
k a rak te r i se r ing van keramische poeders.
In een communautaire a c t i e , d ie evenredig is aan de u i tdag ing , moet de
hierna genoemde uiteenlopende reeks geavanceerde materialen worden
bestudeerd; deze z i jn veelbelovend ten aanzien van verbeterde of nieuwe
p r e s t a t i e s , func t ies en toepassingen.
Het programma omvat fundamenteel onderzoek ( inz ich t in eigenschappen en
verschi jnse len) alsmede technologisch 0 & 0 naar technieken voor
verwerking, t e s t s , ka rak te r i se r ing en produktie van deze materialen :
- keramische techniek : kw al i te i t en verwerking van poeder, betrouwbaar
heid , brosheid , vormgeving;
- polymeren : met name onderzoek naar nieuwe soorten polymeren met zeer
goede thermomechanische eigenschappen, een groot s t a b i l i t e i t s t r a j e c t ,
mengpolymeren en geleidende polymeren;
- composietmaterialen en vezels : verdere ontwikkeling van composieten met
een organische matrix en zeer s terke veze ls ; op t imal iser ing van
composieten met een meta l l i sche matrix met keramische veze ls ; specia le
composieten met amorfe, g lasach t ige of e l a s t i s c h e matr ices ; ver
sch i jnse len aan het grensvlak tussen matrix en vezel;
- geavanceerde metaal legeringen : l i c h t - en hardmetaallegeringen,
magnetische legeringen; poedertechnieken ( sne l le s t o l l i n g ) , produktie van
"near net shapes";
- wetenschap van e lek tronische materialen : met inbegrip van spec; 'Ie
h a l fge le ide r s (II/VI, amorfe, organische mater ia len , enz.) en
biomaterialen (de d e t a i l s worden vas tges te ld in samenhang met de b i j de
punten 3.1 en 3.4 beschreven werkzaamheden);
- amorfe materialen en materialen met een onregelmatige s t ruc tuu r :
spec ia le mater ia len , onder andere g la ssoor ten , g lasach t ig m a ter iaa l ,
n i e t - k r i s t a l l i j n e vaste s to f f e n , zoals door sne l le afkoel ing gefabr iceerde
amorfe metaal legeringen.
Andere gebieden die a fhanke l i jk van de beschikbare middelen ook in
aanmerking kunnen komen voor d i t programma op communautair niveau z i jn :
supergeleidende mater ia len , geavanceerde bouwmaterialen en biomate r ia len .
In het GCO moet een communautair proef laboratorium worden opgezet , waarin
apparatuur voor de synthese van geavanceerde materialen en onderzoek naar
de verwerking daarvan moet worden samengebracht. Deze io n e n - / l a s e r - /
e l e k t r o n g i e t e r i j zou fungeren a l s een dem onst ra t iepro jec t , dat openstaat
voor i n d u s t r i ë l e deelname en onderzoekers u i t a l l e Lid-Staten.
De meer speci f ieke o r ië n te r in g en de verdel ing van de communautaire
middelen tussen fundamenteel onderzoek en technologisch 0 & 0 en over de
versch i l lende groepen mater ia len , materialen voor ger ich te funct ionele
toepassingen en processen worden op basis van economisch onderzoek en
overz ichten van nieuwe mogelijkheden en in d u s t r i ë l e behoeften en rekening
houdend met de nat iona le werkzaamheden vas tge s te ld en beoordeeld.
3 . 7 - 3
d. Het meeste onderzoek zal via projecten voor gezamenlijke rekening worden
uitgevoerd, waarbij gemiddeld 50 % van de kosten door de Gemeenschap zat
worden gef inancie rd .
Gecoördineerde projecten worden waar mogelijk ook in overweging genomen om
het gezamenlijk gebruik van informatie en ervaring door groepen met een
gevestigde repu ta t ie u i t verschil lende Lid-Staten te st imuleren.
De Gemeenschap zal ook het opzetten van databases , de opleiding van
wetenschapsmensen en de overdracht van kennis via conferenties en symposia
bevorderen.
e. Gezien het s t r a t eg i sch belang van onderzoek naar materialen voor de
Europese indus t r ie moeten de communautaire werkzaamheden voor 0 & 0
aanz ien l i jk worden u i tgebre id om de nog onvoldoende s t r a teg ische samenhang
van de nat ionale werkzaamheden te verhogen en om g e l i jke tred te houden met
de zeer uitgebreide werkzaamheden in de Verenigde Staten en Japan.
Voor de periode 1987-1991 is naar schat t ing een bedrag van 200 a
300 miljoen Ecu nodig. Dit komt overeen met ongeveer 20 % van de huidige
uitgaven van de Lid-Staten (exclusief m i l i t a i r onderzoek).
3 . 8 - 1
.8 . Wetenschap en technologie van de
. öe oceanen zi jfTde l a a t s t e b a r r i è r e en Tiet minst bekende gedee lte van
onze p lanee t . 70 % van het aardoppervlak wordt erdoor bedekt en z i j
z i jn sinds onheugl ijke t i j d e n door de mens gebruik t om andere
continenten te bereiken en voor de voorziening van voedsel en andere
hulpbronnen. Pas zeer onlangs i s men echter ten vo l le gaan beseffen
op hoeveel uiteenlopende gebieden z i j een ro l spelen.
Oceanen hebben een zeer be langr i jke func t ie b i j klimaatmechanismen,
produceren levend mater iaal voor de produktie van voeding, voeder,
kunstmest en geneesmiddelen; onder de con t inen ta le p la teaus bevinden
zich grote reserves van koolwaterstof fen en de diepzeebodem i s een
p o te n t ië le bron van mineralen. Zeewater z e l f i s een oplossing van
veel voor de mens bruikbare chemicaliën. De oceaan i s ook de p la a t s
waar de a fv a l s to f fen van menseli jke a c t i v i t e i t e n u i t e i n d e l i j k t e rech t
komen en daardoor kan het evenwicht daar worden vers toord . Het
vermogen om kooldioxide u i t de atmosfeer t e absorberen zal wel l ich t
een bes li ssende rol spelen b i j de vraag of er door de mens
u i t e i n d e l i j k een i r r e v e r s i b e l e en ongunstige wi jz ig ing van het klimaat
zal worden veroorzaakt.
Het toenemend inz ich t in het belang van het mariene mi lieu voor de
mens heef t onlangs ge le id to t de o p s t e l l i n g van hef Zeerecht en de
aanvaarding daarvan door veel landen.
Het is be langr i jk voor de EG de kennis omtrent de zeeën om ons heen
u i t t e breiden om deze be te r te kunnen beschermen en gebruiken.
Overigens wordt er in de Lid-Staten in de c i v i e l e en m i l i t a i r e sec to r
al veel onderzoek gedaan op het gebied van wetenschap en technologie
van de zee. De overheidsui tgaven voor n i e t - m i l i t a i r 0 & 0 op d i t
gebied bedragen momenteel naar sch a t t in g 400 a 500 miljoen Ecu per
j a a r . Dit i s ve rg e l i jk b aa r met de f in a n c ie r in g van n i e t - m i l i t a i r
onderzoek in de VS, t e r w i j l er in Japan ongeveer 200 miljoen Ecu wordt
uitgegeven.
Het b l i j k t dat op d i t moment veel van de na t iona le
onderzoekprogramma's opnieuw worden beoordeeld of vernieuwd of dat er
spoedig nieuwe ge ïn tegreerde programma's worden g e s t a r t . Het l i j k t
derhalve een bi jzonder geschik t moment voor coörd ina t ie op
communautair niveau.
Er z i jn ve rsch i l lende redenen die een ge r i ch t programma van de EG (*>
op d i t u i tgebre ide gebied rechtvaardigen : het gebruik van gro te of
dure apparatuur die een zware be la s t in g vormt voor de middelen van de
a fzonde r l i jke landen, o p t im a l i s a t i e van het gebruik van bestaande
f a c i l i t e i t e n (onderzoekschepen, duikboten e n z . ) , in de ve rsch i l lende
Lid-Staten beschikbare vaardigheden en deskundigheid die e lkaar
aanvul len, het gebruik van onderzoeksresul ta ten voor de u i tvoer ing van
communautaire be le idsonderde len , hulp aan ontwikkelingslanden, de
b i jdrage aan de totstandkoming van de in te rne markt door de
aanvaarding van gemeenschappelijke normen en s tandaards , enz.
Er z i jn zeker ruime mogelijkheden voor samenwerking op het niveau van
de EG.
(*) Verschil lende lopende of voorgestelde onderzoekprogramma's van de
EG houden zich momenteel g e d e e l t e l i j k bezig met problemen ten aan
zien van de zee : milieubescherming, t e l e d e t e c t i e , n a v ig a t i e ,
m a te r ia len , ene rg ie , v i s s e r i j , s tra l ingsbescherming , verwijder ing
van r a d i o a c t i e f afval en z . , maar er i s geen geïntegreerd
programma.
3 . 8 - 2
b. Op het gebied van wetenschap van de zee z i jn rnogelijke doe ls te l l ingen :
1. Een betere kennis van en inz icht in de EEZ (exclusieve economische
zone) van de Lid-Staten ( fys isch , chemisch, b io logisch ,
geologisch). Er zouden regionale oceanografische pro jecten kunnen
worden g es ta r t voor de Middellandse Zee, het o o s t e l i j k deel van de
Atlantische Oceaan, het Kanaal en de Noordzee en de Oostzee.
Ontwikkelingslanden zouden kunnen worden geholpen b i j so o r tg e l i jk
onderzoek van hun EEZ.
2. De wetenschappeli jke basis voor kustbeheer en -bescherming, waarbij
de Lid-Staten dezelfde problemen en zorgen hebben.
3. Een bijdrage to t de kennis van het Noord- en Zuidpoolgebied.
Voor technologie van de zee (die onder andere kan bijdragen to t een
oplossing van bovengenoemde problemen) z i jn mogelijke d oe ls te l l ingen :
1. De gezamenlijke ontwikkeling van de volgende genera t ie van
instrumenten voor gebruik op zee (boeisystemen, akoestiek onder
water, onbemande duikboten, autonome meetapparatuur voor
ve ron t re in ig ing , en z . ) .
2. De s t imulering van de bouw van een schip voor diepzeeboringen,
waardoor Europa mogelijkheden k r i j g t op d i t gebied.
Voor de bevordering van wetenschap en technologie van de zee in Europa
kunnen ook een aantal ondersteunende en minder kostbare i n i t i a t i e v e n
worden uitgevoerd , bijvoorbeeld :
1. De opr ichting van een "d is t r ibu t iecen trum " voor een op t im a l isa t i e
van het gebruik van zeewaardige schepen voor oceanografie en andere
dure apparatuur zoals de bestaande onderzeeërs voor exp lo ra t ie en
f a c i l i t e i t e n voor de bestudering van gro te mariene ecosystemen
("mesokosmossen") enz.
2. De opleiding van wetenschappeli jke onderzoekers in de
oceanologische d i s c i p l i n e s , met inbegrip van wetenschapsmensen u i t
ontwikkelingslanden.
3. De opbouw var, databases voor wetenschap en technologie van de zee.
4. De verwerving van een minderheidsaandeel in a l dan n ie t mobiele
grote f a c i l i t e i t e n om deze toegankeli jk t e maken voor de Lid-Staten
die n ie t waren betrokken b i j de oorspronkel i jke f inanc ie r ing
daarvan.
Voor een d u id e l i jk e r omschrijving van de werkzaamheden van de EG is
verder overleg met o v e rh e id s in s tan t ie s , de in d u s t r i e en de
wetenschappeli jke wereld nodig, mogeli jkerwijs door middel van een
"oproep to t het doen van sugges t ies" .
3 . 8 - 3
c. Gezien de omvang van het door Lid-Staten uitgevoerde onderzoek zal het
programma w aarsch i jn l i jk worden g e rea l i s ee rd door middel van
(u i tgebre ide) gecoördineerde werkzaamheden, werkzaamheden voor
gezamenlijke rekening en mogelijkerwijs minderheidsdeelnames en
gezamenlijke ondernemingen.
d. In een l a t e r stadium, voor het o f f i c i ë l e voors te l van de Commissie
wordt ingediend, moet worden vas tg e s te ld welke middelen nodig z i jn
voor een be langr ijke a c t i e op communautair niveau. Dit bedrag zal
worden opgenomen u i t de in het f inanc iee l overz ich t vermelde
f in a n c ië l e reserve .
3 . 9 - 1
3.9. Vervoer
3.9.1. Algemeen
a. Het onderzoek in de Lid-Staten heeft r e su l ta ten opgeleverd die de
Gemeenschap op ge l i jke hoogte plaatsen met de ge ïndus t r ia l i see rde landen
die het vers t gevorderd z i jn op het gebied van de nieuwe
t ranspor t technieken.
Deze resu l t a ten werden echter vaak verkregen via programma's die met elkaar
r iv a l i s ee rd en , hetgeen op zich ze l f well icht st imulerend werkte, maar op
het niveau van de toepassing schadel i jke s i t u a t i e s teweegbracht :
- met voor de openbare d ienst of voor gebonden markten bestemde projecten
is het zeer moeil i jk om to t toepassingen op communautaire schaal of
e lders in de wereld te komen; d i t is bijvoorbeeld het geval voor
TGV-spoorvervoer en voor het stadsvervoer ;
- normaal commercieel ger ich te projecten hebben to t voor enkele jaren
weliswaar successen geboekt, die op wereldschaal kunnen concurreren, maar
ondergaan nu de gevolgen van de c r i s i s en zul len met een groeiende
in te rn a t io n a le concurrentie te kampen k r i jgen ; d i t geldt speciaal voor
het weg- en het zeevervoer.
Projecten op basis van in te rna t iona le samenwerking daarentegen hebben het ,
na de commerciële mislukking van sommige in technisch opzicht geslaagde
maar s lech t op de markt afgestemde pogingen, e in d e l i jk mogelijk gemaakt de
transportondernemingen produkten te bezorgen die met hun behoeften
overeenstemmen. Het b e lang r i jk s te voorbeeld is hie r de AIRBUS.
Het b l i j k t dus noodzakeli jk dat het technologisch kapi taa l waarover de
Gemeenschap op het gebied van het vervoer beschikt los te maken u i t de
nat ionale verkokering die nu de regel i s . Het gaat om de p roduk t iv i te i t van
het onderzoek en om het benutten van de onderzoeksresul ta ten. De inzet is
de vraag of de t r an sp o r t sec to r van de Gemeenschap in s taa t is om :
- zich aan te passen aan de nieuwe eisen van de vraag in het
intracommunautaire verkeer en in het verkeer met de res t van de wereld
(wijziging van de ne t ten , e f fec ten van de nieuwe technieken, kwal itat ieve
en kwanti tat ieve veranderingen in de verkeersstromen);
- zich te plooien raar de beperkingen van de economische conjunctuur en van
het socia le mil i u;
- een concurrerende sector te z i jn in de economie van de Gemeenschap en ten
opzichte van de buiten-Europese concurrentie en daardoor een markt te
vormen waarop de communautaire indus t r i e die transportmiddelen en
t ranspor tmater iee l produceert kan steunen.
b. Het gemeenschappelijk vervoerbeleid wil bereiken dat het transportsysteem
van de Gemeenschap z i jn funct ie vervult met de hulp van a l l e takken, zonder
een ervan te bevoordelen of te benadelen. De op basis van het Verdrag
ontwikkelde regels z i jn in die geest opgevat.
Het is echter de taak van het onderzoek om ervoor te zorgen dat het
transpor tsysteem op lange termijn op de behoeften is afgestemd.
In d i t opzicht z i jn de schommelingen van de vraag en de conjunctuur, de
belemmeringen, de geïnduceerde effec ten van andere sectoren van grote en
nog steeds toenemende betekenis .
3 . 9 - 2
Daarom moet het onderzoekwerk op de volgende aspecten worden ger ich t :
. voor het spoorvervoer :
- automatiser ing van de verkeersbewaking, de bediening van de signalen en
de wisse ls ;
- s imulatie van de t r e in b e s tu r in g ;
- vermindering van het gewicht en van het geluidsniveau, aërodynamische
vormgeving van de voertuigen;
- l i n ea i re motoren;
- e f fec ten op de r e i z ig e r s (b.v . tunneldoortochten) en het milieu
(b.v. ge lu id , v isuele i n t r u s i e ) ;
. voor het wegvervoer :
- analyse van verkeersongelukken;
- verbeter ing van de ve i l ighe id van zware vrachtwagens en
personenvoertuigen;
- per fec t ione r ing van de e l e k t r i s c h e auto ;
. voor het zeevervoer :
- beheer, onderhoud, func t ies en s t aa t van de schepen; economische route ;
- methodologie van de vorm en het gedrag van het schip , van de
oneffenheden van de scheepsromp, van de vaarweerstand;
- ontwerpen voor nieuwe scheepstypes en onconventionele
voortstuwingsinr ichtingen die op commerciële behoeften z i jn afgestemd;
- beheer van het zeeverkeer;
- het mens-schip-systeem;
. voor het luchtvervoer :
- brandbaarheid en g i f t ig h e id van de in passagiersruimten gebruikte
mater ia len;
- r a t i o n a l i s a t i e en modernisering van de ve rkeers le id ing .
De Gemeenschap t r e ed t op :
- he tz i j t e r aanvul ling van de a c t i v i t e i t van de Lid-Sta ten , wanneer
na t ionale programma's naast elkaar bestaan en overleg onmisbaar is om de
doel t reffendheid te verbeteren en de verspre id ing en eventueel de
normalisa t ie van de r e su l t a ten te bevorderen;
- he tz i j voor onderwerpen die een communautaire dimensie vereisen wegens de
middelen die nodig z i j n , omdat de voorschr i f ten of de commerciële
voorui tz ich ten onvoldoende st imulerend werken of omdat het u i t e in d e l i j k e
gebruik van communautair belang i s .
c. Al heeft de Gemeenschap geen enkel 0 & O-Programma uitgevoerd op het gebied
van het vervoer , toch hebben een aantal a c t i e s op t ranspor tgebied nu t t ige
gegevens opgeleverd :
- COST-actie "Vervoer";
- COST 301/ gezamenlijke ac t i e van de Gemeenschap bet reffende
hulpsystemen voor de zeevaar t ;
- p rojecten "Vervoer" van de programma's "n ie t -n u c le a i r e energievormen" en
van de demonstratieprogramma' s voor "energiebesparing" .
Daaruit v lo e i t voort dat het nodig is :
- he tz i j a c t i e s voor gezamenlijke rekening, he tz i j gecoördineerde a c t i e s te
kunnen opze t ten , naargelang van het geval ;
- eventueel b i j COST aangesloten derde landen b i j de a c t ie s te betrekken;
- te bestuderen of een aanvullend programma voor een aantal a c t ie s mogelijk
i s .
De betekenis van het onderzoek bet reffende het vervoer v e r s c h i l t namelijk
s te rk van Lid-Staat to t L id -S taa t , maar er wordt daarentegen een grote
onde rzoekac t iv i t e i t ontplooid in derde landen die geografi sch gezien voor
3 . 9 - 3
het vervoer van de Gemeenschap belangr i jk z i j n , zoals Zwitserland,
Oostenrijk en de Noordeuropese Landen : het onderzoek vergt soms
aanz ien l i jke middelen, maar in veel gevallen heeft het vooral behoefte aan
impulsen, st imulering of z e l f s eenvoudig overleg.
d. Een algemene onderzoekactie waarvoor 50 a 80 miljoen Ecu zouden worden
uitgetrokken zou een bijzonder nut t ige impuls kunnen geven aan de
t r a n sp o r t sec to r . Op het gebied van de verkeersve il igheid wordt deze ac t ie
aangevuld met een specifieke a c t i v i t e i t om de informatie- en
telecommunicatietechnologieën op het wegverkeer to t te passen (zie DRIVE,
behandeld in punt 3 .3 ) .
3.9.2. Luchtvaarttechnologie “
a. De Europese luch tvaar t indus t r ie is een belangr ijke bron van kracht voor de
landen van de Gemeenschap. Zij ontwerpt en vervaardigt een compleet scala
van v l iegtu igen en hel ikop te rs . Grote aanta l len v l ieg tu igen , motoren en
u i t rus t ingsonderdelen worden geëxporteerd. De indus t r ie s t a a t aan de sp i t s
inzake ontwikkeling en toepassing van geavanceerde ontwerp-technieken,
materialen en fabricagetechnieken. Afgezien van de d i rec te voordelen van
de sp i ts technolog ie voor de eigen a c t i v i t e i t , draagt de luch tvaar t indus t r ie
grote technologische voordelen over aan andere indus tr ie takken - op
gebieden zoals composietmaterialen, verbindingstechnieken, enz.
Het commerciële succes van een produkt van de Luchtvaart industr ie is
fundamenteel a fhankeli jk van de kw al i te i t van de ontwerp- en
fabricagetechnologie die er in verwerkt i s . Zo wordt a l l e d i rec t bèschikbare
sp i ts technolog ie routinematig geëxplo iteerd en verdere vorderingen z i jn
duur, n ie t a l leen wegens de graad van v e r f i jn in g van de technologieën op
zich z e l f , maar ook wegens de u i t e r s t e zorgvuldigheid waarmede wordt
nagegaan of nieuwe technologieën bruikbaar z i jn u i t het oogpunt van de
ve i l ighe id van het luchtverkeer.
Ondanks de hoge kosten van het verder ontwikkelen van de technologie is het
tempo van de vooruitgang op de wereldmarkt hoog. Al b l i j f t de Europese
research aanmerkelijke bijdragen leveren aan de luchtvaar t technologie , de
huidige s t aa t van de techniek wordt in bes li ssende mate bepaald door de
enorme inspanning die de VS op het gebied van het luchtvaartonderzoek
l e v e r t . Voor een deel wordt d i t onderzoek bekostigd door de Amerikaanse
i n d u s t r i e , maar bovendien wordt er zeer ruime regeringssteun voor ve rs t rek t
in het kader van d .· programma's van de NASA en van het Minis terie van
Defensie. De schaal waarop in de Verenigde Staten aan onderzoek wordt
gedaan, zowel algemeen a ls via grootscheepse programma's zoals SDI en de
ontwikkeling van een hypersonisch transatmosfer isch v l i eg tu ig is dermate
enorm, dat de snelheid waarmede de technologie voorui tgaat het vermogen van
de door nat ionale regeringsprogramma's gesteunde Europese
luch tvaa r t indus t r i e om de ontwikkelingen b i j te houden o v e r t r e f t .
b. De Commissie is van mening dat hieraan i e t s moet worden gedaan op Europees
niveau. Vertrouwen op l i c e n t i e s of invoer van Amerikaanse technologie l i j k t
geen aanvaardbare basis voor het succes van de indus t r ie op lange te rmijn.
Ook opvoering van de afzonder l i jke nat ionale steunprogramma's is geen
doelmatige oploss ing. Daarom is de Commissie van oordeel dat nu werk moet
worden gemaakt van de in v e n ta r i s a t i e van de onderzoekbehoeften op langere
te rmijn van de hele Europese luch tvaa r t indus t r i e met het oog op de
voorbereiding van een geharmoniseerd programma voor het onderzoek dat op
middellange to t lange termijn moet worden v e r r i c h t . Daarbij moet volgens
3 . 9 - 4
haar rekening worden gehouden met de zeer gunstige ervaring die is opgedaan
met de beheersaanpak welke werd toegepast bij het ESPRIT- en het
BRITE-Programma, inhoudend dat de industrie een belangrijke inbreng heeft
in de bepaling en de leiding van de ten uitvoer gelegde programma's.
Specifieke voorstellen voor het opzetten van een actie zijn nog niet
mogelijk, aangezien verder overleg met de industrie en met de
overheidsdiensten van de Lid-Staten vereist is.
c. Ten aanzien van de schaal waaraan voor de te ondernemen activiteit moet
worden gedacht kan ervan worden uitgegaan dat zij, om een significant
effect te sorteren, met een meetbare fractie van de huidige omvang van
het luchtvaartonderzoek moet overeenkomen.
Voor de Gemeenschap als geheel betekent dit dat per jaar enkele
honderden miljoenen Ecu zouden moeten worden besteed. De overeenkomstige
bijdrage van de Gemeenschap zou worden geput uit de in het overzicht
opgenomen financiële reserve.
3 . 1 0 - 1
10. Wetenschappelijke normen,, r e fe ren t iemater ia len en -methoden
Een van de voornaamste doe ls te l l ingen in een aantal bele idssectoren van
de Gemeenschap zoals de vol tooiing van de in terne markt, energie , consu
mentenbelangen, Landbouw, milieu en gezondheid, is te voldoen aan de
behoefte aan verdere harmonisering en normalisering.
Niet a l leen moeten de s c h r i f t e l i j k vastgelegde normen worden
geharmoniseerd maar ook moet de kwal i te i t van een produkt worden
gedemonstreerd en moet worden bewezen dat d i t voldoet aan een norm of
voorschr i f t (hetgeen proeven, metingen en analyses v e r e i s t ) . Verder is
er behoefte aan onderzoek en gegevensbases om de ops te l l ing van
s c h r i f t e l i j k e normen te bevorderen en te vergemakkelijken.
Alle Lid-Staten beschikken over een metrologische d iens t . Deze fungeert
a l s een hooggekwalificeerd wetenschappeli jk orgaan dat zorgt voor de
normalisering van de voornaamste meeteenheden en z i e t erop toe dat a l l e
metingen in het gehele land onderling in overeenstemming z i jn .
De aanwezigheid van zo'n fundamentele metrologische in f ra s t ruc tuu r die
nodig is voor i n d u s t r i ë l e ontwikkelingen, wordt in a l l e landen - ook in
de VS en Japan - a l s een openbare dienst beschouwd.
Problemen in deze sector hebben evenwel dikwij ls een grensoverschrijdend
karakter en de Gemeenschap kan door haar neut ra le p o s i t i e een essen t i ë le
rol vervullen b i j het overbruggen van de bestaande v e r s ch i l l en , speciaal
door het gebruik van de in haar labora to r ia ontwikkelde know-how en door
de coördinatie van de werkzaamheden van de zowel overheids- a ls
p a r t i c u l i e r e labora to r ia in de verschil lende landen.
. De a c t i v i t e i t e n van de Gemeenschap op d i t gebied z i jn d r ie led ig :
1. Via het programma van het BCR z i jn er doel t ref fende formules gevonden
voor samenwerking tussen de metrologische in s t i t u t e n binnen de
Gemeenschap, waardoor een groot aanta l meetproblemen konden worden
opgelost via de ruim 80 samenwerkingsprojecten die to t dusverre z i jn
uitgevoerd. Deze samenwerking zat in het bijzonder worden u i tgebre id
met het oog op de ontwikkeling van de nodige meetmethoden voor de
nieuwe technologieën.
Ook zal het progra-ma van het BCR voor n ie t onder de nat ionale
i n s t a n t i e s ressor erende sectoren to t samenwerkingsverbanden le iden,
waardoor vooral de analysetechnieken kunnen worden verbeterd en er
aanvullende meetmethoden zullen worden ontworpen in
Gemeenschapsverbard. Zo kan er worden gezorgd voor de
reproduceerbaarheid van analyses en t e s t s op zulke gecompliceerde en
uiteenlopende gebieden a ls volksgezondheid, milieu en levensmiddelen,
waarbij overigens de behoeften van de indus t r i e n ie t zul ten worden
verwaarloosd.
Doordat het accent meer zal worden gelegd op normalisering b i j de
voltooiing van de in terne markt en andere bele idssectoren en nieuwe
technologie zal worden ingevoerd, zal de vraag naar d i t soort
a c t i v i t e i t e n nog toenemen,
2 . Het Programma Referentiemetingen en -mater ia len zal in onze eigen,
daartoe b i j u i t s t e k gekwalificeerde labora to r ia in Geel en in
a s s o c ia t i e met soo r tge l i jke grote in s te l l in g en zowel binnen de
Gemeenschap a l s in de res t van de wereld worden voor tgezet, voor de
v a s t s t e l l i n g van nuc lea i re gegevens, voornamelijk voor door
3 . 1 0 - 2
neutronen geïnduceerde r e a c t i e s , waar zulks noodzakeli jk is voor
toepassingen waarbij k e rn sp l i j t i n g en kernversmelting een rol spelen.
Daarnaast zal een belangr i jk deel van de a c t i v i t e i t e n op het gebied
van metingen en re fe ren t iem ate r ia len betrekking hebben op radioactieve
bronnen, neutronenfluxen en -doses , t r e fp laa tm a te r ia len en de analyse
van s p l i j t b a r e materialen en isotopensamenste ll ingen. Het Centrum te
Geel zal ook z i jn ervaring op nuclea i r gebied benutten om ook op
andere gebieden steeds meer met het BCR samen te werken.
3. De werkzaamheden van het GCO inzake materialen en cons t ruc t ies die
worden uitgevoerd in Petten en Isp ra , worden u i tgebre id om te voldoen
aan de groeiende behoefte aan een gro te re betrouwbaarheid en een
betere normaliser ing. Daarbij komt het accent te liggen op de
ontwikkeling van betrouwbaarheidsmethoden, modellen en prakti jkcodes
voor i n d u s t r i ë l e cons t ruc t ies evenals op onderzoek en gegevensbases
betreffende het gedrag van materialen onder extreme b e d r i j f s c o n d i t i e s
met het doel om to t normen te komen.
Ook zal steeds meer samenwerking tot stand worden gebracht met de
werkzaamheden voor gezamenlijke rekening van de Gemeenschap
(bijvoorbeeld BRITE en EURAM) alsmede met nationale laboratoria.
c. De voor de u i tvoer ing van deze a c t i v i t e i t benodigde communautaire
f inanc ië l e middelen worden geraamd op een bedrag tussen 300 en
350 miljoen Ecu.
KWALITEIT VAN HET BESTAAN
1. Volksgezondheid
De verschi l lende Lid-Staten z i j n , met hun lange ervaring en uitgebre ide
middelen, in ee r s te i n s t a n t i e verantwoordeli jk voor de bevordering en de
instandhouding van de gezondheid van hun onderdanen maar z i j kunnen
g e l e id e l i j k de steeds gro ter wordende, lande l i jk n ie t langer te controleren
la s ten van de gezondheidszorg n ie t meer aan.
De globale uitgaven voor de gezondheidszorg in de Gemeenschap worden thans
geraamd op meer dan 150 miljard Ecu per j a a r , waarvan nog n ie t één procent
(c i rca 1,2 miljard Ecu) wordt gespendeerd aan onderzoek op het gebied van
geneeskunde en volksgezondheid. Zulk onderzoek b l i j k t op u i t s lu i t en d
na t ionaal niveau evenwel ontoereikend.
Aangezien de meeste nat ionale programma's bestaan u i t een groot aantal in
verhouding kleine pro jecten die worden uitgevoerd door r e l a t i e f kleine en
versnipperde onderzoekteams, is een coördina tie van de samenwerking
onmisbaar. Speciaal wanneer op de meer geavanceerde gebieden (zoals toepas
sing van de moderne biotechnologie , medische informatica , hoogwaardige
medische technologie) de min of meer schaarse nat ionale deskundigheid in
communautair verband wordt gebundeld en nieuwe mogelijkheden voor 0, 0 & D
gemeenschappelijk worden verkend, zal d i t leiden to t een werkeli jk poten
t i e e l voor innovatie dat oplossingen kan aandragen voor de grote problemen op
het gebied van de gezondheidszorg, de uitgaven daarvoor op doel treffende
wijze kan drukken en to t in d u s t r i ë le ontwikkeling zal bijdragen.
, De werkzaamheden van de Gemeenschap zul len in hoofdzaak worden geconcentreerd
op dr ie sectoren van 0, 0 & D :
Coördinatie van het onderzoek op het gebied van geneeskunde en
volksgezondheid met a l s kernpunten :
. grote gezondheidsproblemen die a l l e Lid-Staten gemeenschappelijk hebben,
met a l s nieuwe doe ls te l l ingen KANKER (ingevolge de wens van de
Topconferentie te Luxemburg) en AIDS (op verzoek van het Europese
Parlement), t e r w i j l eerdere pro jecten zul len worden voortgezet, zoals
bi jvoorbeeld ouderdomskwalen (ook handicaps) en door mil ieufactoren en
l e v e n s s t i j l veroorzaakte gezondheidsproblemen;
. verbeter ing en gemeenschappelijk gebruik van de hulpbronnen op het gebied
van de gezondheidszorg, waaronder zowel 0, 0 & D op het gebied van de
medische technologie , er onderzoek op het gebied van de gezondheidsdiensten
(onderzoek naar de vers trekking van de gezondheidszorg en de organ isa t ie
daarvan).
Een geringe communautaire invester ing voor een derge l i jke a c t i v i t e i t kan zeer
lonend worden (zo zal bijvoorbeeld op het gebied van de e l ek t roca rd iogra f ie
een be tere verwerking met een kostenverlaging van s lech ts 10 % een besparing
opleveren van 100 miljoen Ecu per jaar !).
Ontwikkeling van de prognostische geneeskunde en nieuwe therapie : in het
kader van d i t nieuwe programmapunt zal de toepassing van de meest geavan
ceerde inzichten van de moderne biotechnologie op de geneeskunde en speciaal
op de zeer v roeg t i jd ige diagnose van ziekten en op nieuwe behandelings
methoden worden bevorderd. 0, 0 & D op d i t gebied zal voornamelijk ger ich t
z i jn op een betere kennis van het menselijk genoom, de immuniteitstechnologie
(van toepassing op kanker, ziekten van het auto—immuunsysteem, i n f e c t i e s ) ,
methoden van genetische manipulatie waarmee DNA-gebreken kunnen worden
h e r s te ld (bijvoorbeeld b i j aangeboren genet ische z i ek ten ) , en de in d u s t r i ë l e
produktie van d ia g n o se te s t -k i t s (bijvoorbeeld AIDS).
Met zo'n communautair optreden zullen bepaalde lacunes worden opgevuld die
nog bestaan in de wetenschappeli jke en technologische kennis en die maken dat
4 .1 - 2
de moderne biotechnologie op het gebied van de geneeskunde n ie t ten volle kan
worden benut t e r w i j l hierdoor ook een Europese grensoverschrijdende samenwer
king wordt bevorderd, de implementatie van reeds toepasbare technologie kan
worden versneld en er t e g e l i j k e r t i j d een Europees wetenschappeli jk klimaat
wordt gevormd met een hoog po ten t iee l voor innovatie en veelbelovende
economische im p l ica t ie s .
De v e rb e te r in g van de bedrijfsgeneeskunde is een permanente i n s t i t u t i o n e l e
taak die wordt uitgevoerd in het kader van het EGKS-Verdrag. De h ie ru i t
voortvloeiende a c t i v i t e i t e n z i jn ger ich t op de in v e n ta r i s a t i e van gezond
heidsvraagstukken en beroepsziekten die ge re la tee rd z i jn aan het speci f ieke
milieu van de kolen- en s t a a l i n d u s t r i e . Hieronder va l t onderzoek naar
chronische aandoeningen van bijvoorbeeld de ademhalingswegen, fys iopathologie
en verder aandoeningen die speciaal optreden b i j werknemers in
s ta a l fab r ie k en , cokesfabr ieken, kolen- en i jzermijnen zoals rugkwalen,
huidaandoeningen ___ en de a c t i v i t e i t e n z i jn voorts ger ich t op betere
gezondheidsnormen b i j de bedr i j f s takken van de EGKS door het leggen van
verband tussen beroepsziekten en hinder op de a rbe idsp laa t s en de uitwerking
van preventieve maatregelen, technieken voor de v roeg t i jd ige opsporing van
ziekten en maatregelen om de gevolgen te v e r l i c h t e n .
Bij een groot aantal z iek tegeval len onder zowel mijnwerkers a l s werknemers
van cokesfabrieken en b i j de i j z e r - en s t a a l i n d u s t r i e gaat het om
beroepsziekten en het probleem gaat dan ocrte-ete- gehele Gemeenschap aan.
c. Het onderzoek op het gebied van geneeskunde en volksgezondheid heef t twee
nieuwe doe l s t e l l ingen (kanker en AIDS) t e r w i j l er b i j de eerdere
programmaonderdelen veranderingen zullen worden aangebracht in de
wetenschappeli jke en technische inhoud (diverse pro jec ten worden beëindigd,
andere worden omgebogen t e r w i j l er ook nieuwe worden toegevoegd). Aldus zal
het t o t a l e aantal pro jecten van de huidige 30 worden u itgebre id to t ruim 70.
De b i j het vorige programma opgedane ervaring heef t het belang van een
g e l e id e l i j k e coördinatie aangetoond, t e r w i j l het wetenschappel i jk,
medisch-sociaal en economisch nut van de a c t i e door a l l e evaluat ierappor ten
is bevest igd.
Bij de prognostische geneeskunde en nieuwe the rap ie gaat het om een nieuw
pro jec t dat is gebaseerd op de ervaringen met de Programma's Biotechnologie
en deze onderneming beloof t een schot in de roos te worden.
De derde sec tor omvat permanente a c t i v i t e i t e n in het kader van het
EGKS-Verdrag.
d. Het onderzoek op het gebied van geneeskunde en volksgezondheid wordt
uitgevoerd in de vorm van gecoördineerde a c t i e s waarbij de steun aan
gecen t ra l i see rde voorzieningen zal worden opgevoerd; het Programma
Prognostische geneeskunde en nieuwe the rap ie wordt uitgevoerd in de vorm van
werkzaamheden voor gezamenlijke rekening (of op bas is van marginale kos ten) ,
t e r w i j l voor het onderdeel bedrijfsgeneeskunde voor onderzoek op contract is
geopteerd .
e. De voor de ondersteuning van 0, 0 & D in bovengenoemde sectoren voor de
periode 1987 to t en met 1991 benodigde communautaire f in a n c ië l e middelen
worden geraamd op een bedrag tussen 140 en 160 miljoen Ecu. Daarbij komt nog
het onderzoek op het gebied van de bedri jfsgeneeskunde, dat wordt bekostigd
u i t de EGKS-begroting.
Hierbij wordt t e r ve rge l i jk ing aangetekend dat a l leen voor onderzoek op het
gebied van de geneeskunde en de volksgezondheid de j a a r l i j k s e onderzoekkosten
in de Lid-Staten worden geraamd op meer dan 200 miljoen Ecu in 1987 en meer
dan 400 miljoen Ecu in 1990 hetgeen erop neerkomt dat dan 25 % van de t o t a l e
na t iona le a c t i v i t e i t e n wordt gecoördineerd.
2. Veiligheid
Geen enkele menselijke bedr i jv ighe id is geheel zonder r i s i c o .
Veil igheidsproblemen z i jn er in a l l e soorten en schakeringen. De mens s taa t
onder ieder aspect van z i jn bestaan bloot aan een grote verscheidenheid van
r i s i c o ' s : l ichameli jke r i s i c o ' s u i t hoofde van verschil lende menselijke
a c t i v i t e i t e n en natuurkrachten, chemische r i s i c o ' s u i t hoofde van acute en
chronische b lo o t s t e l l i n g aan g i f t i g e s to f fen , en ze l f s biologische r i s i c o ' s .
Met het voor tschr i jden van de technologie komen daar nieuwe r is ico fac to ren
b i j , waarvan de beheersing steeds gecompliceerder wordt. Tegen deze
achtergrond is er b i j het publiek groeiende be langs te l l ing en bezorgdheid
voor de instandhouding van een v e i l i g milieu .
Veel van de veil igheidsproblemen doen zich in dezelfde vorm voor in de gehele
Gemeenschap en er kunnen derhalve gemeenschappelijke oplossingen worden
uitgewerkt en toegepast . Een communautaire aanpak is vaak de beste oplossing
wanneer er een grote invester ing in t i j d , geld en mankracht nodig is en
wanneer men wil garanderen dat d- b i j het onderzoek verkregen kennis op
doe l t re f fende wijze wordt omgezet in prakt ische toepassingen.
De voorgenomen werkzaamheden zullen ger ich t z i jn op een s e le c t i e van
veil igheidsproblemen zoals r i s i c o ' s van in d u s t r i ë l e en andere menselijke
a c t i v i t e i t e n , specia le technologie voor gevaar l i jke milieus en na tuur l i jke
gevaren. Daarbij is primaire preventie een van de t o p p r i o r i t e i t e n .
1. Tekenend voor een groot aantal in d u s t r i ë l e a c t i v i t e i t e n is dat er zich
h ie rb i j zeer uiteenlopende veil igheidsproblemen kunnen voordoen, waarvan
de oplossing een grootschal ige inspanning, aanz ien l i jke deskundigheid en
in vele geval len overweging van s o c ia l e , w e t te l i jke en bes tuu rs rech te l i jke
aspecten v e r e i s t . Daarbij is het van steeds grote r belang dat er een
in teg ra le aanpak wordt gevolgd, waarbij terdege rekening wordt gehouden
met dwingende, door het milieu en andere factoren ingegeven beperkingen
die de ve i l ighe id kunnen verhogen evenals met technologische vooruitgang.
De werkzaamheden zul len worden geconcentreerd op po ten t iee l s ign i f i can te
technologische r i s ic o ' s ^ o p de bevolkingsgroepen die beroepshalve grotere
ongevallen- en andere r i s i c o ' s lopen, alsmede op be langr ijke
r i s ic o fac to re n die he tze lfde z i jn voor verschil lende bedr i jf s takken :
. het onderzoek naar grote technologische gevaren, wordt ger ich t op het
begr ip , de prevent ie en het opvangen van de gevolgen van zware chemische
en petrochemische ongevallen. Het probleem van de preventie en het
opvangen van derge l i jke incidenten doet zich voor in de gehele
chemische/petrochemische sec to r . Er is dan ook behoefte aan te r zake
dienende regelgeving en ondersteunend onderzoek in communautair verband.
De r i c h t l i j n van de EG inzake "de r i s i c o ' s van zware ongevallen bij
bepaalde i n d u s t r i ë l e a c t i v i t e i t e n " is een ee r s te stap in deze r i c h t in g ;
. aan de verbeter ing van de bedri j f s v e i l i gheid b i j de kolenmijnen en de
i j z e r - en s t a a l i n d u s t r i e , een permanente i n s t i t u t i o n e l e ta ak , wordt
gewerkt in het kader van het EGKS-Verdrag. Op d i t gebied z i jn verdere
gecoördineerde wekzaamheden noodzakeli jk in Gemeenschapsverband om de
toepassing van de onderzoeksresul ta ten te bevorderen;
. het voornaamste argument voor de a c t i v i t e i t e n op het gebied van de
stra lingsbescherming l i g t bes loten in de verpl icht ingen die de Commissie
b i j het Verdrag en de r i c h t l i j n e n van EURATOM z i jn opgelegd om op d i t
gebied handelend op te treden. In d i t verband is wetenschappeli jke
ondersteuning van belang voor de beoordel ing, de beheersing en de
p o l i t i e k e evaluat ie van de problemen in verband met het s t r a l i n g s r i s i c o ,
want d i t is in de gehele Gemeenschap een onderwerp van algemene
bezorgdhei d .
4 . 2 - 2
2. Bijna 80 % van a l l e ongevallen vinden p laa ts in de p r iv é s f e e r , dus
in en om de woning, b i j v r i j e t i j d s b e s t e d i n g , s p o r t , enz. De kosten
van verzekering, medische behandeling, enz. in d i t verband lopen
j a a r l i j k s to t in de miljarden Ecu. Verder z i jn er nog aanz ien l i jke
p ro d u k t iv i t e i t s v e r l i e z e n .
Tot dusverre werd er in communautair verband nog n ie t s ondernomen
om deze uitgaven te drukken, hetgeen wel het geval is in de
Verenigde Staten en Japan.
Het voorgenomen onderzoek zal worden geconcentreerd op het
el imineren van r i s i c o ' s in de p r ivé s fee r en zich speciaal
toesp i t sen op ongevallen door het gebruik van nieuwe apparatuur in
het huisgezin , re levante databanken, de bescherming van de
consument tegen gevaar l i jke produkten, specia le produkten voor
bejaarden en gehandicapten, kinderen, enz.
3. De t o t a l e kosten ten gevolge van branden in de Gemeenschap z i jn
geraamd op gemiddeld ongeveer 1 % van het BNP. Terwijl de
technieken van b randbes t r i jd ing over het algemeen goed z i jn
ontwikkeld, bevinden de methoden voor het optimal iseren van de
beve i l igingsniveaus zich nog in een empirisch stadium.
De voorgenomen werkzaamheden op het gebied van de ve i l ighe id moeten
leiden to t een op wetenschappeli jke lees t geschoeide benadering en
de ontwikkeling van t e r zake dienende kwanti ta t ieve
engineering- technieken. Daarbij staan d r ie punten centraal :
onderzoek in verband met harmonisatie en reglementer ing,
fundamenteel brandonderzoek en toegepast onderzoek.
4. De technologie van de afs tandsbediening kan de mens een betere
toegang verschaffen to t ' s werelds n a tu u r l i j k e rijkdommen en kan
het bereik van z i jn produktieve a c t i v i t e i t e n in vijandige of
gevaa r l i jke milieus vergroten. Het gaat hie r onder meer om
i n s t a l l a t i e s b i j s l e u t e l i n d u s t r i e ë n waarin rad ioac t ieve , bio logisch
ac t ieve , toxische of brandbare materialen worden gehanteerd,
alsmede om de e x p l o i t a t i e van ruimte en oceanen. Tenslotte is er
nog de sector van openbare d iens tve r len ing , waar het gaat om
brandbes t r i jd ing en de rge l i jke —
Een geraamde communautaire markt van 500 miljoen Ecu per jaar vanaf
1990, waarvan dan ongeveer een derde nuc lea i r zou z i j n , is groot
genoeg om a l s springplank te dienen naar een wereldmarkt, maar
a l leen a l s het 0 & 0 ger ich t kan worden uitgevoerd en de op de
gebruiker ger ich te demonstraties worden gecoördineerd.
De voorgenomen werkzaamheden zul len worden to e g e s p i t s t op de dr ie
voornaamste probleemgebieden : demonstratie van prototypen (steeds
voor een groep toepassingen) , vorming van gebruikers en technic i en
basisonderzoek.
5. Ofschoon verwoestende natuurrampen een p l a a t s e l i j k karakter kunnen
dragen, wordt het economisch e f f ec t hiervan door de gehele
Gemeenschap gedragen. Bovendien worden verschi l lende landen van de
EG door dezelfde gevaren bedreigd, zoals bijvoorbeeld aardbevingen,
zodat de methoden en middelen voor t i j d i g e alarmering en e f f i c i ë n t e
prevent ie en het opvangen van de gevolgen een zaak z i jn van
communautaire samenwerking met een m u l t i d i s c ip l in a i r e aanpak en een
gecoördineerd t r e f f e n van cura t ieve maatregelen. Communautaire
4 . 2 - 3
samenwerking is dan ook een instrument b i j u i t s t e k op gebieden wa
er een doe l t re f fend apparaat moet worden opgebouwd voor de snell e
u i tw isse l ing en betrouwbare opslag van gegevens en de opzet van
grensoverschrijdende netwerken voor de controle .
Het onderzoek naar natuurrampen in de EEG zal ger ich t worden op een
beperkt aantal evenwel typische en veel voorkomende verschijnse len
zoals aardbevingen, stormen, overstromingen en bosbranden, die
eventueel grote verl iezen en schade kunnen berokkenen in
dichtbevolkte gebieden. De u i tp u t t in g van de grondreserves door
droogte in ecologisch en maatschappelijk kwetsbare milieus moeten
ook in aanmerking worden genomen.
c. 0, 0 & D op het gebied van de ve i l ighe id v e re i s t u i t de aard der zaak
c o n t i n u ï t e i t . Hier z i jn de volgende ontwikkelingen voorzien :
De draagwijdte van het huidige Programma bet reffende de technologische
geva ren / indus t r ië le r i s i c o ' s zal worden verruimd.
Het onderdeel b e d r i j f s v e i l ig h e id omvat de voor tze t t ing van de
a c t i v i t e i t e n in het kader van het EGKS-Verdrag.
Wat de werkzaamheden in verband met de stral ingsbescherming b e t r e f t ,
zul len de pro jecten van meer fundamentele aard g e l e id e l i j k worden
beperkt , en zal het accent veeleer worden gelegd op scena r io ' s van
b lo o t s t e l l i n g b i j ongevallen en in het leefk limaat , de gevolgen
hiervan voor mens en maatschappij en de beperking van de b lo o t s t e l l in g
met behulp van r i s i c o - e v a lu a t i e en o p t im a l i s a t i e , een en ander om de
basisnormen van de EG kracht b i j te ze t ten .
Bij de gecoördineerde werkzaamheden op het gebied van ongevallen in de
p r iv é s f e e r , brandvei l igheid en speciale technologie voor gevaar li jke
milieus gaat het om nieuwe i n i t i a t i e v e n .
Het bestaande Onderzoekprogramma Klimatologie en n a tu u r l i jk e gevaren
omvat de s tudie van de mi-chanismen en e f fec ten van bepaalde extreme
k limaatsverschijnse len en aardbevingen, maar de kredieten hiervoor
z i jn to t nu toe ver achtergebleven b i j de werkeli jke behoeften.
d. De taken zullen zo goed mogelijk worden verdeeld naargelang van de
beschikbare competentie om optimale baten te kunnen verkri jgen :
Het onderdeel grote technologische r i s i c o ' s zal worden uitgevoerd via
eigen onderzoek, werkzaamheden voor gezamenlijke rekening en gecoördi
neerde a c t i e s , het onderdeel b e d r i j f s v e i l ig h e id in de vorm van con
t r a c t e n , t e r w i j l het onderdeel st ra lingsbescherming de vorm k r i j g t van
werkzaamheden voor gezamenlijke rekening. De werkzaamheden betreffende
r i s i c o ' s in de p r ivésfee r zullen voornamelijk worden uitgevoerd in de
vorm van werkzaamheden voor gezamenlijke rekening en in mindere mate
door het GCO, t e r w i j l voor de brandvei l igheid de formule van gecoördi
neerde a c t i e s en werkzaamheden voor gezamenlijke rekening is gekozen;
deze l a a t s t e formule wordt ook gevolgd voor de specia le technologie
voor gevaar l i jke milieus en voor het onderdeel na tu u r l i jk e gevaren.
e. De communautaire kredieten die nodig z i jn voor 0, 0 & D op
bovengenoemde, ve i l ighe idgere la tee rde gebieden voor de periode 1987
to t en met 1991 worden geraamd op een bedrag tussen 230 en
280 miljoen Ecu. Daarnaast komt nog het onderzoek met betrekking to t
de b e d r i j f s v e i l ig h e id dat u i t de EGKS-begroting wordt bekostigd.
4.2 - 4
Geraamd wordt dat de werkzaamheden op het gebied van de
s tral ingsbescherming een s ig n i f i c a n t deel zul len beslaan (35 å 45 %)
van al het na t iona le onderzoek op d i t gebied (in de twaalf Lid-Staten
wordt d i t geraamd op 80 å 100 miljoen Ecu per jaar) in samenwerking
met bi jna a l l e na t iona le gespec ia l i seerde cen t ra . De werkzaamheden
met betrekking to t spec ia le technologie voor gevaa r l i jke milieus en
n a tu u r l i jk e gevaren kunnen to t 5 å 10 % van de uitgaven in de
Lid-Staten op die gebieden vertegenwoordigen.
3. Milieubescherming
De instandhouding en verbeter ing van het milieu worden nu algemeen erkend
als een condi tio sine qua non voor de overleving van de mens en z i jn
materieel en psychisch welzijn. De economische ontwikkeling op lange
termijn is a fhankeli jk van het behoud en vers tandig gebruik van de
n a tu u r l i jk e hulpbronnen. Van bijzonder veel belang z i jn ook eventuele
klimaatsveranderingen en de gevolgen daarvan. Ook de bescherming en de
instandhouding van ons cu l tu ree l erfgoed komen steeds meer centraal te
s taan.
De problemen die zich h ie rb i j voordoen hebben in essen t ie een
grensoverschrijdend karakter . De economische im pl ica t ies van het
mi lieubele id hebben hieraan noodzakeli jkerwijs een communautaire dimensie
gegeven. Wetenschap en technologie z i jn nodig a ls hechte grondslag voor
iedere regelgeving en moeten ook de technieken leveren voor het he rs te l of
het voorkomen van milieuschade. Ambitieuze doe ls te l l ingen voor
mi l ieukwa l i t e i t werken technische innovatie in de hand. De indus t r ie wordt
zodoende gestimuleerd om meer m i l ieuvr iende l i jke technologie te
ontwikkelen, waarvoor zowel binnen a l s buiten de Gemeenschap afzetgebieden
kunnen worden gevonden.
. Communautaire samenwerking b i j het milieuonderzoek is dus een instrument
b i j u i t s t e k omdat het dient t e r ondersteuning van één van de voornaamste
bele idssec toren van de Gemeenschap die moet s toelen op een gezonde
grondslag van wetenschappeli jke en technische kennis. Terwijl de
onderzoekactie van de EG op d i t zeer g ro te , s te rk ged ivers i f iee rde gebied
n ie t in de p la a t s mag en kan komen van de nat ionale inspanningen die vaak
zeer grootschal ig z i j n , moet z i j deze coördineren en aanvullen en de
bere ik te r e su l t a ten ervan evalueren. Ook kan het communautaire onderzoek
er toe bijdragen dat b i j grote in t e rna t iona le pro jecten (zoals
epidemiologisch onderzoek) het gehele, in de Gemeenschap aanwezige arsenaal
van deskundigheid, bekwaamheid en apparatuur wordt benut.
Het communautaire milieuonderzoek moet een d r ie led ig doel hebben :
- oplossing van onmiddell i jke problemen in verband met de voorbereiding of
de tenuitvoer legging van voorschr i f ten in het raam van het communautaire
mi l ieube le id ;
- afbakening en onderzoek van milieukwesties die zich in de afzienbare
toekomst zul len voordoen, want er z i jn vaak Lange aanlooptijden nodig
voordat er r e su l t a ten kunnen worden verkregen;
- het verkr ijgen van fundamenteel inz icht in ecologische processen en het
k l i m a a t s t e l s e l .
In d i t verband moet er de nadruk op worden gelegd dat de oplossing van de
milieuproblemen een m u l t i d i s c ip l in a i r e (en derhalve vaak in te rna t iona le )
aanpak vraagt ; verder hebben deze problemen zulke grote economische
im p l i ca t i e s , dat z i j van v i t a a l belang z i jn b i j de planning van de
bestedingen in een geïntegreerd economisch geheel a l s de EG.
. Het milieuonderzoek van de EG ging in 1972 van s t a r t en h ee f t , zoals
onlangs door een evaluatiepanel is beves t igd, al veel nu t t ige r e su l ta ten
opgeleverd (Research Evaluation Report nr. 14, 1985). Deze re su l t a ten z i jn
toegepast b i j de formulering van milieumaatregelen.
4 . 3 - 2
Door de jaren heen is het onderzoek van een curat ieve benadering
g e l e id e l i j k overgegaan op een meer preventieve aanpak, t e r w i j l het zich
t e g e l i j k is gaan r ich ten op meer fundamentele kwesties. Dientengevolge is
het onderzoek naar de d i r e c te e f fec ten van de voornaamste
veront re in ig ingen, waarover nu heel wat kennis beschikbaar i s , veel minder
geworden en b l i j f t het nu beperkt to t een r e l a t i e f kle in aantal problemen,
dat nog een oplossing behoeft .
Voor het t i j d sb e s te k 1987-1991 l i g t het in de bedoeling het onderzoek op
d i t gebied te concentreren op de onderdelen milieu a ls zodanig,
klimatologie en cul tuurgoederen.
1. Het milieuonderzoek zal speciaal het volgende be t re f fen :
- technieken voor d e t e c t i e , meting, analyse en monitoring voor een
breed spectrum van verontre in ig ingen en milieuomstandigheden (met
inbegrip van t e l e d e t e c t i e vanuit lucht en ruimte);
- e f fec ten van verontre inigende s tof fen op de gezondheid en op
ecosystemen (bijvoorbeeld de gevolgen van "zure regen") en op ons
cu l tu ree l erfgoed (gebouwen, monumenten);
- beoordeling van het m i l i eukw a l i t e i t sa spec t van menseli jke
a c t i v i t e i t e n , waaronder het t e s t en en beoordelen van chemicaliën;
- verk lar ing van de fundamentele beginselen van bepaalde
milieuprocessen (onderzoek naar ecosystemen, bio-geochemische
kri nglopen);
- ontwikkeling van technologie voor het verminderen en voorkomen van
veront re in ig ing en voor het a fvalbeheer;
- he r s te l van mi li eubederf , speciaal van beschadigde ecosystemen.
2. Het klimatologisch onderzoek b e t r e f t een zeer be langr i jke component van
het menseli jk lee fk l imaat , want d i t is immers bepalend voor onze
oogsten, waterreserves , gezondheid en energiebehoeften . Dit onderzoek
moet ge r ich t z i jn op een grondig begrip van het k l im aa ts te l se l en op de
ontwikkeling van technieken voor klimaatvoorspel l ingen en voor de
eva lua t ie van ecologische en maatschappelijke gevolgen van
klimaatsveranderingen, zoals het vermoedeli jk warmer worden van onze
planeet in de volgende eeuw doordat er door de verbranding van fo s s i e l e
brandstoffen meer C02 in de lucht komt.
In elk geval brengt ook de toe t red ing van Spanje en Portugal to t de
Gemeenschap nieuwe, of meer acute milieuproblemen met zich
(bijvoorbeeld instandhouding van de water rese rves , woestijnvorming)
waarmee rekening moet worden gehouden.
3. Het onderzoek betref fende de bescherming en de instandhouding van
cultuurgoederen b l i j f t n ie t beperkt to t een beoordeling van de
e f fec ten van verontre in ig ing op de reeds genoemde gebouwen en
monumenten, maar moet ook leiden to t het ontwerp van methoden voor het
voorkomen van schade en het el imineren van het aandeel van de mens in
het milieubederf alsmede voor het res taure ren van onvervangbare
cultuurgoederen. De aandacht die to t dusverre meer u itg ing naar
h i s to r i sc h e gebouwen en openbaar toegankel i jke monumenten moet nu ook
worden u i tg e s t r e k t to t openbare k u n s tco l lec t ie s , drukwerken en boeken,
archeologische voorwerpen, enz.
Het onderzoek van de EG op het gebied van de milieubescherming omvat zowel
eigen werkzaamheden, a ls onderzoek op contract en gecoördineerde a c t i e s .
De taken die het GCO op d i t gebied z i jn toebedeeld, z i jn in het algemeen
van meer cen t ra le aard, zoals de opzet van gegevensbases (bijvoorbeeld
ECDIN voor milieuchemical iën), referentiemetingen voor milieubewaking
(bi jvoorbeeld het cent raa l laboratorium voor metingen van de
luch tveron t re in ig ing) , de o rgan isa t ie van gemeenschappelijke experimenten
op het t e r r e i n enz. Ook worden er gecoördineerde ac t ie s uitgevoerd waarbij
diverse Europese landen, die n ie t to t de Gemeenschap behoren, z i jn
betrokken in het kader van het COST-systeem over onderwerpen waarvoor op
lande l i jk niveau reeds een behoorl i jk programma bes ta a t . Contracten voor
gezamenlijke rekening worden gebruikt a l s instrument om leemten in het
onderzoek op te vullen en samenwerking te bevorderen tussen
onderzoekorganisat ies in de Lid-Staten.
Financieel gezien moet het programma van de EG een s ig n i f i c a n t gedeelte
beslaan van de t o t a l e bestedingen binnen de Gemeenschap (EG + nationale
programma's) ten einde te kunnen zorgen voor een doel t reffende coördinat ie
in Europees verband door middel van aanvullend, overbruggend onderzoek op
cont ract en gecoördineerde a c t i e s . Een aandeel van c i rca 15 % van de
t o t a l e overheidsbestedingen in de Gemeenschap voor milieuonderzoek l i j k t
toereikend om d i t doel te bereiken.
Gezien deze overwegingen worden de nodige communautaire middelen voor het
milieuonderzoek geraamd op een bedrag tussen 285 en 320 miljoen Ecu voor de
periode 1987-1991.
5 - 1
5. WETENSCHAP EN TECHNOLOGIE TEN DIENSTE VAN DE ONTWIKKELING
a. De voor de periode 1987-1991 beoogde werkzaamheden met het oog op
wetenschappelijke en technische steun aan de ontwikkeling vormen het
vervolg op het eerste communautaire Programma "Wetenschap en technologie
ten dienste van de ontwikkeling 1983-1986" (*). Het betrof hier het
allereerste initiatief om wetenschap en technologie in te zetten bij de
oplossing van de problemen van de Derde Wereld binnen een goed
gestructureerd meerjarenprogramma voor 0 & 0.
Deze nieuwe communautaire maatregel zal er in belangrijke mate toe
bijdragen dat het tropisch onderzoek in Europa, dat na het onafhankelijk
worden van vroegere koloniën in verval was geraakt, weer nieuw leven wordt
ingeblazen. Ook moet deze nieuwe activiteit ertoe leiden dat
onderzoekinstellingen uit de Derde Wereld op grotere schaal en met meer
succes gaan deelnemen aan de onderzoekprojecten, waarvoor zij
belangstelling hebben.
b. Dit onderdeel beslaat voornamelijk twee onderzoekgebieden :
1. Tropische en subtropische landbouw met onder meer :
- voedselproduktie : ontwikkeling van gewassen die bestand zijn tegen
ongunstige natuurlijke omstandigheden (droogte, ziekten, schadelijke
organismen, enz.), verbeterd beheer van voederreserves, visbestanden
en vee (diergenetica, diergeneeskunde);
- bosbouw : geschikte soorten voor vochtige en droge gebieden;
- instandhouding en regeneratie van grond : bescherming tegen
woestijnvorming, verbetering van de waterreserves;
- verbetering van Landbouwsystemen waarbij rekening wordt gehouden met
de behoeften van de plattelandsbevolking en de instandhouding van de
natuurlijke hulpbronnen;
- technologie na het oogsten en produktverwerking, afgestemd op de
voedingsbehoeften van mens en dier.
Ter ondersteuning van deze activiteiten zullen moderne technieken zoals
teledetectie of andere, op plaatselijke behoeften afgestemde technieken
worden toegepast (speciaal voor de energievoorziening in
plattelandsgebieden).
2. Tropische geneeskunde, gezondheid en voeding met onder meer :
- overdraagbare tropische ziekten (preventie, diagnose, behandeling) en
niet-overdraagbare tropische ziekten (zoals haemoglobinose);
- stelsels van gezondheidszorg en bevolking : sociaal-medisch onderzoek
dat wordt uitgevoerd met de hulp van de bevolking om stelsels van
gezondheidszorg te organiseren; demografische studies en onderzoeken,
toegepast onderzoek met betrekking tot de relatie
bevolking/ecosystemen;
- interdisciplinair onderzoek waarbij de agrarische, sociaal-
economische en medische aspecten van de voeding worden bezien in de
context van de problemen van voedingstekorten, ondervoeding,
voedseltoxi co logi e.
Het reeds uitgevoerde of nog geplande onderzoek in bovengenoemde sectoren
draagt bij tot de versteviging van het communautair beleid op het gebied
van "ontwikkeling" en "wetenschap en technologie". Wetenschap en
technologie worden beschouwd als essentiële instrumenten bij de
ontwikkeling, waardoor de ontwikkelingslanden op de middellange en lange
termijn echte partners van de Lid-Staten van de EG kunnen worden.
(*) PB L 352 van 14.12.1982
Speciaal het door de Gemeenschap bevorderde onderzoek op het gebied van de
tropische geneeskunde biedt meer kansen voor de ontwikkeling van hulpmiddelen
bij de diagnose en de bereiding van doeltreffende geneesmiddelen en vaccins
voor het bestrijden van de meest voorkomende ziekten, waardoor de Gemeenschap,
vanuit humanitair, politiek en economisch oogpunt een betere positie in de
wereld kan krijgen. En het landbouwkundig onderzoek kan dan via het programma
van de Gemeenschap niet alleen steunen op de genetische hulpbronnen van Europa
maar ook op de nog rijkelijk beschikbare hulpbronnen van de
ontwi kkelingslanden.
Het belang van deze communautaire activiteit ligt ook in de opleidings
mogelijkheden en dus de leerkansen die niet alleen aan inwoners van de
ontwikkelingslanden maar ook aan jonge Europese wetenschappers worden geboden.
Voorts kan zowel met deze activiteit als met andere 0 & O-programma1s van de
EG duplicatie van nationale en internationale werkzaamheden worden vermeden
zodat de resultaten zinvoller worden en op ruimere schaal kunnen worden
toegepast.
De nieuwe activiteit beslaat voornamelijk dezelfde sectoren als het eerste
Programma "Wetenschap en technologie ten dienste van de ontwikkeling
1983-1986". Op grond van de evaluatie van het onderzoekpotentieel - hoe groot
dit is blijkt wel uit het feit dat er naar aanleiding van de oproep tot
inschrijving voor het eerste programma ongeveer 2.000 voorstellen
binnenkwamen - en de analyse van de eerste resultaten van ongeveer 430 reeds
gesloten onderzoekcontracten, konden de onderzoekprioriteiten worden
afgebakend die voor het nieuwe programma moeten worden gesteld. Bij de
uitvoering van dit onderdeel :
- zal er meer nadruk worden gelegd op het stimuleren van onderzoekactiviteiten
in de ontwikkelingslanden, waardoor het eigen vermogen van die landen op het
gebied van wetenschap en technologie wordt verbeterd of aangekweekt;
- zullen die landen zo nodig de beschikking krijgen over een geëigende
infrastructuur en wetenschappelijke apparatuur, volgens passende
contractuele procedures;
- zal worden bijgedragen tot een betere samenwerking tussen de wetenschappers
alsmede tot de opbouw van netwerken van associaties;
- zal meer aandacht worden besteed aan het opleidingsaspect met de mogelijk
heid van uitwisseling van wetenschappers tussen laboratoria en/of tewerk
stelling van deskundigen bij projecten, waarbij gespecialiseerde hulp
vereist is;
- zal worden gemikt op een meer doeltreffende toepassing van de onderzoeks
resultaten ten behoeve van de bewoners van de ontwikkelingslanden.
Het programmaonderdeel wordt uitgevoerd door middel van contracten voor
gezamenlijke rekening tussen de Commissie van de EG en instellingen uit de
ontwikkelingslanden en de Lid-Staten. Daarbij wordt evenwel de mogelijkheid
van enkele gecoördineerde acties, speciaal voor de opzet van netwerken van
associaties, niet uitgesloten.
De raming van de financiële middelen die noodzakelijk worden geacht voor de
uitvoering van deze nieuwe actie, is gebaseerd op :
- het onderzoekpotentieel dat tijdens het eerste programma speciaal door de
ontwikkelingslanden is geformuleerd;
- de weerslag van de actie op de bilaterale en multilaterale
activiteiten van de Lid-Staten, zodat hiervan een coördinerend effect kan
uitgaan (7-8 % van het nationale 0 & 0);
- de weerslag op de activiteiten in het kader van het ontwikkelingsbeleid van
de Gemeenschap.
5 - 3
De financiële middelen moeten voor de periode 1987-1991 in totaal tussen 100
en 200 miljoen Ecu liggen waarbij moet worden gelet op bovengenoemde factoren
en het ruimere kader (twaalf Lid-Staten). Door deze uitbreiding zijn er zeker
intensievere inspanningen vereist om het doel van een gemeenschappelijk beleid
en een gemeenschappelijke structuur bij de uitvoering van het nieuwe
programmaonderdeel te verwezenlijken, maar hierdoor zal ook de kans worden
geboden te profiteren van de historische banden die bestaan tussen de twee
nieuwe Lid-Staten en de Latijnsamerikaanse landen.
6 - 1
6. HET WETENSCHAPPELIJK EN TECHNISCH POTENTIEEL VAN EUROPA - HET EUROPA
DER ONDERZOEKERS- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -- ----------------
a ■ Verbetering van het wetenschappelijk en technisch concurrentievermogen
van de Gemeenschap door een einde te maken aan de compartimentering in
Europa's "wetenschappelijke ruimte" en een echt "Europa der
onderzoekers" tot stand te brengen; dit is een belangrijke vereiste
voor de sociaal-economische ontwikkeling van de Gemeenschap op
middellange en lange termijn.
b. Om in de behoefte aan een betere doelmatigheid van het eigen
potentieel voor onderzoek en produktontwikkeling te voorzien, hebben
de Lid-Staten zowel op nationaal als internationaal niveau maatregelen
genomen ter stimulering van de wetenschappelijke en technische
creativiteit. Deze maatregelen, die vaak zijn afgestemd op
individuele deelgebieden van een wetenschappelijke discipline
(bijvoorbeeld moleculaire biologie) of specifiek met het oog op
bepaalde onderzoekobjecten zijn ontworpen, en die uitsluitend effect
sorteren binnen een nationaal of binationaal geografisch gebied, komen
evenwel, ondanks hun onmiskenbare waarde, slechts gedeeltelijk
tegemoet aan de zich voortdurend wijzigende behoeften van de
Gemeenschap en haar Lid-Staten. Zij moeten dus duidelijk een ruimere
draagwijdte krijgen en een groter aantal terreinen bestrijken; dat kan
alleen in het kader van een multinationale aanpak.
Een aanpak op communautair niveau lijkt daarvoor de meest geschikte.
In de moderne wetenschap en technologie moet worden uitgegaan van een
veelheid van gezichtspunten en complementaire benaderingswijzen, die
vaak van multidisciplinaire aard zijn; synergisme tussen mensen en
ideeën en optimaal samengestelde onderzoekteams zijn een eerste
vereiste. Daarvoor is een zo groot mogelijke "geografische context"
nodig. Die context wordt door de Gemeenschap geboden.
Gelet op het voorgaande stelt de Commissie voor om haar activiteiten
ter zake vooral op twee niveaus te ontplooien, namelijk op het niveau
van de onderzoekers en op dat van de voorzieningen.
1. De onderzoekers :
«
Bevordering van de mobiliteit van onderzoekers via maatregelen om
belemmeringen op administratief en sociaal vlak af te breken.
Opleiding op onderzoekgebied, ontwikkeling van specialismen,
aanvullende opleiding van wetenschappers.
Ontwikkeling van intra-Europese samenwerking op wetenschappelijk en
technisch gebied en bevordering van de mobiliteit van onderzoekers.
Financiële en andere maatregelen om te voorkomen dat Europese
toponderzoekers emigreren.
2. De voorzieningen :
Optimale bevordering van de ontwikkeling en exploitatie van grote
wetenschappelijke en technische installaties.
Opheffing van de belemmeringen voor en ondersteuning van het vrije
verkeer van wetenschappelijk en technisch materieel.
In deze context werkte de Commissie het "Plan ter stimulering van de
Europese wetenschappelijke en technische samenwerking en uitwisseling
1985-1988" uit, dat aansluit op het desbetreffende experimentele
communautaire programma 1983/1984.
Dat dit programma van de Gemeenschap een compleet succes is geworden
- een feit, dat door alle betrokken kringen wordt erkend - blijkt uit
de volgende cijfers : tot op heden hebben circa 650 teams van
onderzoekers in de gehele Gemeenschap samengewerkt aan de uitvoering
van 265 projecten en er werden ook tientallen "wetenschappelijke
netwerken" gecreëerd.
Dit initiatief van de Gemeenschap heeft aanzienlijke belangstelling
gewekt, niet alleen bij de Lid-Staten, die in een aantal gevallen
soortgelijke activiteiten hebben opgezet op nationaal niveau, maar ook
bij internationale organisaties zoals de Raad van Europa en bij
Europese derde landen (Oostenrijk, Finland, Noorwegen, Zweden,
Zwitserland). Een aantal van deze laatste heeft officieel de wens te
kennen gegeven om aan de betrokken activiteiten deel te nemen en er
werden, nadat de Raad daartoe in maart 1985 zijn toestemming had
gegeven, onderhandelingen geëntameerd over de desbetreffende
voorwaarden, in het bijzonder wat het financiële aspect betreft.
Gezien het geboekte succes en de getoonde belangstelling, stelt de
Commissie voor om de tot dusver verrichte activiteiten te verdiepen.
Volgens haar moet daarbij bijzondere aandacht worden besteed aan de
sociale en culturele aspecten van het "Europa der onderzoekers" en
moet ervoor worden gezorgd dat de aanzienlijke mogelijkheden die de
Gemeenschap in de vorm van grote wetenschappelijke en technische
installaties biedt, optimaal worden benut.
Acties :
1. Onderzoekers :
Onderzoek naar en uitvoering van contextuele bestuursrechtelijke en
wettelijke maatregelen, die, enerzijds gericht moeten zijn op de
opheffing van de belemmeringen die mobiliteit in de weg staan, en
anderzijds op stimulering van mobiliteit.
Het is ook ditmaal de bedoeling om via financiële stimulansen in
diverse vormen (onderzoektoelagen, associaties van laboratoria,
taakstellingen, beurzen voor specifieke onderzoeksectoren,
geavanceerde opleidingscursussen, toekenning van prijzen voor
verdienstelijk wetenschappelijk werk) te zorgen voor de bevordering
van de opleiding op onderzoekgebied, de totstandkoming van
wetenschappelijke en technische samenwerkingsverbanden, de
bevordering van de mobiliteit van onderzoekers en te voorkomen dat
onze toponderzoekers uit Europa emigreren.
2. Voorzieningen :
Verlening, door de Gemeenschap, van financiële steun ten einde
onderzoekers in de Gemeenschap ertoe in staat te stellen om gratis
en zonder tijdsbeperking gebruik te maken van de voorzieningen van
grote wetenschappelijke en technische installaties. Dit komt ook
ten goede aan de installaties zelf, aangezien deze dank zij de door
de Gemeenschap verleende steun, eventueel kunnen worden aangepast,
van speciale uitrusting kunnen worden voorzien en ook op een meer
economische wijze kunnen worden geëxploiteerd.
6 - 3
.Aangezien het de bedoeling is dat uiteindelijk 5 % van alle Europese
onderzoekers bij dit type transnationale samenwerking wordt betrokken,
is de Commissie van oordeel dat 2,5 % (d.i. 10.000 personen) als
streefcijfer moet worden aangehouden voor het jaar 1991.
voor ogen en op grond van de tot dusver opgedane ervaring
worden de vereiste financiële middelen voor de periode 1987-1991
geraamd op 400 å 500 miljoen Ecu (dit komt overeen met 0,2 %
van de overheidsuitgaven voor 0 & 0 voor dezelfde periode, als
aangegeven in de twaalf nationale begrotingen).
7.1 - 1
7. ALGEMENE MAATREGELEN TER BEVORDERING VAN DE WETENSCHAPPELIJKE EN
’ TECHNISCHE ONTWIKKELING
7.1. Innovatie
De Europese Raad heeft erop gewezen dat er dringend maatregelen moeten
worden genomen voor de verdere ontwikkeling van de wetenschappelijke en
technologische infrastructuur van de Europese industrie en voor de
verbetering van het concurrentievermogen van die industrie.
Om het innovatieproces in de Gemeenschap te stimuleren, stelt de
Commissie maatregelen voor die specifiek gericht zijn op :
- de bevordering van de verspreiding en exploitatie van de resultaten
van het communautaire op technologie-ontwikkeling afgestemde onderzoek
en demonstratiewerk;
- de tenuitvoerlegging van het Strategisch Programma voor de
transnationale bevordering van innovatie en overdracht van technologie
(SPRINT).
7.1.1. Verspreiding en exploitatie van de resultaten van het
communautaire, op technologie-ontwikkeling afgestemde 0 & D-werk
a. In de voorgestelde wijzigingen op het EEG-Verdrag komt zeer duidelijk
tot uitdrukking dat "verspreiding en exploitatie van de resultaten van
het communautaire op technologie-ontwikkeling afgestemde onderzoek- en
demonstratiewerk" één van de vier maatregelen is die de Gemeenschap op
technologisch gebied moet nemen.
Uitgaande van een markt, die de gehele Gemeenschap omvat, zal een
betere verspreiding en exploitatie van de resultaten in het Europa van
de Twaalf resulteren in een uitbreiding van de algemene
wetenschappelijke en technische kennis en een algemene verbetering van
het concurrentievermogen, alsmede bijdragen aan het scheppen van
nieuwe arbeidsplaatsen. Uit bepaalde enquêtes is gebleken dat deze
maatregel, waarvoor tot dusver slechts weinig middelen ter beschikking
werden gesteld, nu reeds (direct en indirect) tot het ontstaan heeft
geleid van circa 3.000 nieuwe permanente banen, bij kosten, die
aanzienlijk lager liggen dan doorgaans in zowel de openbare als de
particuliere sector het geval is. Ongeveer de helft van die nieuwe
banen kon worden gecreëerd in het kader van transnationale
activiteiten.
b. Deze horizontale maatregel zal ten goede komen aan alle regio's in de
Gemeenschap en ten uitvoer worden gelegd via werkzaamheden van drie
types, namelijk :
1. Werkzaamheden met betrekking tot de verspreiding van alle
resultaten van het communautaire op technologieontwikkeling
afgestemde 0 & D-werk, met inbegrip van :
. octrooi-onderzoek, -registratie en -verdediging, ten einde erop
toe te zien dat exploiteerbaar materiaal wordt beschermd;
. vertaling van de resultaten van het communautaire op
technologie-ontwikkeling afgestemde 0 & D-werk in verschillende talen
en verspreiding daarvan, via adequate kanalen, onder de wetenschappers,
de openbare en particuliere instanties met beslissingsbevoegdheid en
het grote publiek van de Gemeenschap.
2. Werkzaamheden met betrekking tot de exploitatie van de resultaten van het
0 & 0-werk dat in het GCO wordt verricht : evaluatie van de marktwaarde
van uitvindingen van het GCO; verlening van steun ten behoeve van de
constructie van prototypes en mode (.installaties; het aantrekken van
industriële partners voor de exploitatie van de resultaten van onderzoek
of de verdere ontwikkeling van uitvindingen; licentieverlening;
publiciteitscampagnes.
3. Werkzaamheden met betrekking tot de exploitatie van de resultaten van
alle overige op technologie-ontwikkeling afgestemde 0 & D-activiteiten,
waarbij de Gemeenschap als zodanig is betrokken (werkzaamheden voor
gezamenlijke rekening, met inbegrip van demonstratieprojecten;
COST-acties; EUREKA; samenwerkingsovereenkomsten met derde landen, enz.),
ten einde :
. erop toe te zien dat de belangen van de Gemeenschap niet worden
geschaad bij de exploitatie van de resultaten en dat de desbetreffende
wettelijke en contractuele verplichtingen op het stuk van de
bescherming, exploitatie en licentieverlening worden nagekomen;
. in het precommerciële stadium selectieve steun te verlenen ten behoeve
van maatregelen op het vlak van de bescherming en exploitatie van de
resultaten en op dat van de licentieverlening. De steun zou alleen
bepaalde contractanten ten deel vallen (onderzoekinstellingen, die
geheel of gedeeltelijk onder de nationale overheid ressorteren, het
midden- en kleinbedrijf en de universiteiten) en uitsluitend worden
verstrekt ten behoeve van projecten met een transnationaal karakter of
die niet adequaat via overheidsmaatregelen kunnen worden ondersteund.
Bovendien zou aan de steunverlening de voorwaarde zijn verbonden dat de
communautaire steun wordt terugbetaald via royalties.
De ervaring heeft de diensten van de Commissie geleerd dat dergelijke
werkzaamheden beter worden verricht door gespecialiseerde diensten en dat
het derhalve de voorkeur verdient om voor ieder afzonderlijk
onderzoekprogramma een beroep te doen op een team van specialisten op het
stuk van de bescherming van uitvindigingen, de verspreiding van informatie
en de exploitatie van onderzoeksresultaten.
De voordelen, verbonden aan een aanzienlijke uitbouw van de bestaande
horizontale maatregel zullen ruimschoots opwegen tegen de in dit verband
gemaakte kosten, die, wanneer men ze relateert aan de totale begroting voor
onderzoek, vrij bescheiden blijken te zijn.
De bij b) genoemde werkzaamheden zullen - met name om redenen van
bevoegdheid en efficiency en uit budgettaire overwegingen - worden verricht
door de gespecialiseerde diensten van de Commissie (die nodig moeten worden
uitgebreid), daarin bijgestaan door externe deskundigen, die via contracten
zullen worden ingeschakeld en in nauwe samenwerking met de voor de tenuit
voerlegging van de programma's voor op technologie-ontwikkeling afgestemd
0 & D-werk bevoegde personen, onderzoekers en uitvinders en, eventueel, met
technische ondersteuning door het GCO. Voor de uitvoering van exploitatie-
projecten, in het kader waarvan in de verdere ontwikkeling van uitvindingen
moet worden voorzien of voor de constructie van modelinstallaties zal de
Commissie contracten sluiten met externe ondernemers.
1.2. Strategisch Programma voor de transnationale bevordering van innovatie
en overdracht van technologie (SPRINT)
In de voorgestelde wijzigingen op het EEG-Verdrag komt zeer duidelijk tot
uitdrukking dat de Gemeenschap moet streven naar de uitbreiding van de
wetenschappelijke en technologische infrastructuur van de Europese industrie
alsmede naar de verbetering van het concurrentievermogen van die industrie.
Te dien einde moet de Gemeenschap de instellingen en ondernemingen, met
inbegrip van het midden- en kleinbedrijf, de onderzoekcentra en de
universiteiten, ertoe aanzetten hun activiteiten op het gebied van onderzoek
en technologie-ontwikkeling uit te bouwen; zij moet met name alle samen
werkingsinitiatieven van de diverse instanties ondersteunen ten einde, in
het bijzonder, de ondernemingen ertoe in staat te stellen de mogelijkheden,
die door de interne markt van de Gemeenschap worden geboden, ten volle te
benutten.
De in deze context voorgestelde horizontale maatregel heeft dan ook ten doel
de ontwikkeling van een Europese infrastructuur ter bevordering van
innovatie en overdracht van technologie, die in het bijzonder ten goede moet
komen aan het midden- en kleinbedrijf.
In het verleden is gebleken dat het midden- en kleinbedrijf, om doeltreffend
te kunnen innoveren en aan exploitatie van onderzoeksresultaten te kunnen
doen, dringend moet kunnen beschikken over een infrastructuur die het over
de nationale grenzen heen toegang verschaft tot de financiële middelen, de
informatie en de in advisering gespecialiseerde diensten, die het nodig
heeft. Vermeldenswaard in dit verband is wel dat precies het midden- en
kleinbedrijf de ruimste mogelijkheden voor innovatie biedt.
Wil het midden- en kleinbedrijf ten volle van de grootte van de Europese
interne markt kunnen profiteren, dan moet die infrastructuur de gehele
Gemeenschap bestrijken.
De voorgestelde actie beoogt drie doelstellingen :
1. Het tot stand brengen van "menselijke netwerken" - het is met name de
bedoeling in een transnationaal net te voorzien, waarvan de verschillende
intermediairs, die over de voor het midden- en kleinbedrijf broodnodige
know-how beschikken, deel zouden uitmaken; het betreft met name.
specialisten op het gebied van technologie-overdracht, kamers van
koophandel, adviseurs inzake technologiemanagement, commerciële
adviseurs, houders van risicokapitaal, enz.
2. De ontwikkeling van een instrumentarium, dat het midden- en kleinbedrijf
(of zijn intermediairs) gemakkelijk toegang verschaft tot de informatie
uit andere Lid-Staten, waarover zij moeten kunnen beschikken, en die het
volgende betreft : technologische conferenties, informatiesystemen over
technologieën waarvoor een licentieaanvraag is ingediend, onderzoek-
laboratoria waarop een beroep kan worden gedaan, de in de verschillende
landen geldende technische normen en specificaties, onderzoekrapporten
die op nationaal niveau zijn verspreid en waarin gegevens zijn opgenomen
die door de industrie kunnen worden geëxploiteerd, enz.
3. Systematisch overleg tussen de Lid-Staten over de maatregelen die op
nationaal vlak moeten worden genomen ter bevordering van het onderzoek,
de innovatie en de overd-acht van technologie; daarbij is het niet alleen
de bedoeling de Lid-Staten ertoe in staat te stellen van eikaars ervaring
te profiteren maar tevens om aanwijzingen te krijgen omtrent op
communautair niveau te nemen maatregelen.
De voorgestelde actie moet de voortzetting mogelijk maken van de
werkzaamheden die werden geëntameerd in het kader van een eerste
experimentele actie die op 25 november 1983 door de Raad voor een periode
van drie jaar werd vastgesteld met betrekking tot een "Programma voor de
transnationale ontwikkeling van een infrastructuur met het oog op de
bevordering van innovatie en overdracht van technologie".
Uit de ervaring, die met de tenuitvoerlegging van dit programma - dat
intussen meer dan twee jaar loopt - is opgedaan, blijkt dat de gekozen
aanpak - ontwikkeling van een infrastructuur - de enige juiste is. Daarbij
is terzelfder tijd duidelijk geworden dat transnationale "menselijke
netwerken" evenals een doeltreffend systeem voor overleg tussen de
Lid-Staten beslist de meest belangrijke bouwstenen van zo'n infrastructuur
zijn.
Vermeldenswaard daarbij is dat dit overleg niet alleen tot uitwisseling van
ervaring leidt, maar bovendien ook de nodige feedback over het programma
oplevert, wat de Commissie er onder meer toe in staat stelt nieuwe gerichte
acties op communautair niveau uit te werken.
In het kader van deze actie moeten zowel een aantal voorbereidende
studies of proefprojecten worden gerealiseerd als grootschalige
transnationale werkzaamheden worden verricht via contracten voor
gezamenlijke rekening.
o o
De voor de uitvoering van deze acties vereiste kredieten worden geraamd
op 80 a 150 miljoen Ecu voor de gehele duur van het kaderprogramma (vijf
jaar). De kosten van activiteiten op het stuk van de verspreiding en
exploitatie van onderzoeksresultaten, zullen uit de begrotingen van de
diverse programma's worden bestreden.
7.2 - 1
7.2. Communicatie- en informatienetwerken en wetenschappelijke databanken
a. Communicatie- en informatienetwerken op Europese schaal zijn van
primordiaal belang voor :
1. De uitbouw van de Europese onderzoekinfrastructuur :
bij het fundamenteel, technologisch en toegepast onderzoek bestaat
een reële behoefte aan goede, op computers gebaseerde
communicatiemedia, ten einde
- de onderzoekers er> ondanks het feit dat zij over de gehele
Gemeenschap verspreid zijn, toe in staat te stellen efficiënt te
werken door hen beter en sneller toegang te verschaffen tot
informatiebronnen en in een betere communicatie met andere
wetenschappers te voorzien;
- de Europese capaciteit op het stuk van het fundamenteel onderzoek
zoveel mogelijk op te voeren om onze concurrenten voor te zijn.
De totstandbrenging van een Europees geïntegreerd computernetwerk
moet ertoe leiden dat bij het wetenschappelijk onderzoek een op het
netwerk gebaseerde aanpak ingang vindt en dat de samenwerking
tussen individuele nationale onderzoekinstellingen op gang wordt
gebracht of geïntensiveerd.
2. Bevordering van het innovatieproces en -tempo alsmede van de
exploitatie op industriële schaal, van de resultaten van het in de
bedrijven verrichte onderzoekwerk doordat universiteiten,
onderzoekcentra van bedrijven, deskundigen op het gebied van
normalisatie en commerciële experts met elkaar in verbinding kunnen
treden via nieuwe communicatiekanalen.
3. Een consequente aanpak van het normalisatieproces en de invoering
van Europese gemeenschappelijke normen. (Bovendien moet dit
Europese computernetwerk dienen voor de opvang van de gebruikers
van EARN, wanneer dat netwerk niet langer door IBM wordt
gefinancierd.)
b. Het doel is de totstandbrenging van een gemeenschappelijke,
geïntegreerde, op computers gebaseerde communicatie-infrastructuur en
bijhorende diensten, waarvoor zal worden uitgegaan van openbare
datanetwerken. De computers van universiteiten, academies, openbare en
industriële onderzoekcentra zullen op het Europese computernetwerk
zijn aangesloten en de personen die aan de verschillende betrokken
instellingen zijn verbonden, zullen dus in de gelegenheid zijn om met
elkaar te communiceren. Deze infrastructuur moet de gebruikers in
staat stellen om data software, boodschappen en onderzoeksresultaten
op Europese schaal uit te wisselen en toegang verschaffen tot enorme
en dure hulpmiddelen als informatiebanken, supercomputers,
gespecialiseerde diensten, centra voor deskundige systemen en
kunstmatige intelligentie.
Voor het tot stand brengen van deze infrastructuur zal worden
uitgegaan van de werkzaamheden die worden verricht met het oog op de
ontwikkeling en invoering van OSI-normen en de terbeschikkingstelling
in de EEG van ultrasnelle en/of beeldbandcommunicatiediensten (in het
kader van de Programma's ESPRIT en RACE).
7.2 - 2
RARE (Réseaux Associés pour la Recherche Européenne) is een onder
auspiciën van de Commissie opgerichte associatie die de realisering
nastreeft van een op de PTT-datadiensten gebaseerde
netwerkinfrastructuur tot ondersteuning van Europese
onderzoekactiviteiten en academische werkzaamheden.
Het Europese netwerk voor het onderzoek CERN) is een ander belangrijk
Europees project waarbij de Commissie betrokken is. Het beoogt
dezelfde doelstellingen. Momenteel worden bij de Commissie discussies
gevoerd over een eventuele actieve deelneming en bijdrage aan dit
netwerk.
c. Verantwoording van actie op EEG-niveau :
- exploitatie van de 0 & O-capaciteiten van de gehele Gemeenschap en
bijdrage aan de verwezenlijking van het Europa der onderzoekers;
- mogelijkheid om voor de nodige coördinatie te zorgen bij de
ontwikkeling en toepassing van gemeenschappelijke normen (in
samenwerking met CEPT);
- de aanzienlijke kostenbesparing die wordt verkregen door de
ontwikkeling van een Europees netwerk, in plaats van een groot
aantal nationale netwerken die voor hetzelfde doel zijn opgezet,
maar onderling niet compatibel zijn;
- verbetering van de overdracht van technologie op Europese schaal,
ook bij het midden- en kleinbedrijf en in minder begunstigde regio's
van de Gemeenschap, door het neerhalen van de geografische barrières
die tot nu toe alle toegang tot benodigde informatie onmogelijk
maakten.
d. In dit zeer vroege stadium wordt uitgegaan van een bijdrage van de
Gemeenschap van circa 20 miljoen Ecu. De reële uitgaven in het kader
van de verschillende nationale programma's van de Gemeenschap worden
voorlopig op circa 80 miljoen Ecu per jaar geraamd.
Bovendien wordt een gedeelte van de werkzaamheden, waaraan geen op
technologie-ontwikkeling afgestemd 0 & D-werk te pas komt verricht in
het kader van andere programma's zoals INSIS en ESPRIT, alsmede in het
kader van het actieprogramma dat de vaststelling van normen op het
gebied van de technologie beoogt.
7.3 - 1
7.3. De talenproblematiek
a. Het voornaamste hulpmiddel waarover de mens beschikt om met zijn
medemens te communiceren en om kennis op te tekenen, is de taal. Door
het feit dat er binnen haar grenzen negen officiële talen worden
gebruikt wordt de Gemeenschap geconfronteerd met problemen van
tweeërlei aard. Welke oplossing zij aan die problemen geeft, zal
bepalend zijn voor het welslagen van haar verdere ontwikkeling, en
zelfs voor haar voortbestaan. Die problemen zijn de volgende :
- Veeltaligheid : de nationale en culturele identiteit van de
Lid-Staten is onlosmakelijk verbonden met hun nationale (en
regionale) talen. Het is derhalve de plicht van de Gemeenschap om
ervoor te zorgen dat alle Lid-Staten, zonder enige vorm van
discriminatie, zowel met de Instellingen van de Gemeenschap als
onderling in de eigen taal kunnen communiceren. Daarvoor moet men
snel en goedkoop betrouwbare schriftelijke en mondelinge vertalingen
kunnen leveren, wat eigenlijk alleen maar kan via de grootschalige
toepassing van geavanceerde informatietechnologie. Wil Europa ver
mijden dat het tot zowel externe als interne vormen van linguïs
tisch en cultureel kolonialisme komt - met alle economische conse
quenties vandien - en ervoor zorgen dat alle Lid-Staten gelijke
kansen krijgen, dan moeten de taalbarrières voorgoed worden
ges lecht.
- Taalinzicht : de Gemeenschap en haar Lid-Staten leveren aanzienlijke
inspanningen om hun achterstand goed te maken op het gebied van de
geavanceerde informatietechnologie, waarvan algemeen wordt aangeno
men dat zij aan de basis moet liggen van de toekomstige economische
groei in Europa. In het kader van het onderzoek op het gebied van
de informatietechnologie worden werkzaamheden op het vlak van de
geavanceerde informatieverwerking, die onder andere de ontwikkeling
van expertsystemen voor kennis-engineering en (de mondelinge en
schriftelijke) communicatie tussen mens en machine omvatten, als
prioritair aangemerkt. Aangezien de menselijke kennis overwegend in
de natuurlijke taal is opgetekend en wordt medegedeeld, hangt het
succes van de technologie uiteindelijk af van ons vermogen om deze
informatiebron exploiteerbaar te maken via geavanceerde informatie
systemen en de gebruikers deze kennis mede te delen in hun eigen
taal.
Bij onze Amerikaanse en Japanse concurrenten staat het inzicht in de
structuur van de natuurlijke taal hoog op de lijst van de prioriteiten
die in hun respectieve informatietechnologieprogramma's worden aange
houden. Zij exporteren niet Langer alleen maar het materieel, maar in
toenemende mate ook op de natuurlijke taal (meestal het Engels)
gebaseerde componenten, zoals bijvoorbeeld componenten voor tekstver
werker, databases, spraaksynthese, enz. Hier staat niet alleen het
concurrentievermogen van de Gemeenschap in de snel groeiende taal-
industrie maar uiteindelijk ook haar eigen identiteit op het spel.
Door haar veeltalige dimensie en de werkzaamheden die in het verleden
zowel op communautair als op nationaal vlak op dit terrein werden
verricht, heeft Europa hier een zekere voorsprong ten opzichte van
haar concurrenten. Zij moet die voorsprong behouden en zo mogelijk
nog vergroten via gecoördineerde inspanningen van alle betrokkenen.
b. Op lange termijn beoogt een communautair 0 & O-programma (te coördi
neren met de nationale programma's) de ontwikkeling van methodes,
instrumenten, technologie, kennisbanken en modelsystemen, die het
uitgangspunt moeten vormen voor de ontwikkeling van een autonome
Europese taalindustrie met een stevige concurrentiepositie. De des-
7.3 - 2
betreffende maatregelen moeten op communautair niveau worden genomen
en ten uitvoer worden gelegd, met name omdat de fundamentele problemen
waarvoor men zich op dit terrein gesteld ziet - bijvoorbeeld analyse
en synthese van de gesproken en geschreven taal, de interface tussen
linguïstische modules en informatiesystemen, enz. - grotendeels eigen
zijn aan alle talen en derhalve gemeenschappelijke oplossingen moeten
krijgen. De te ontwikkelen gemeenschappelijke methodes en instrumenten
moeten door de Lid-Staten (in het kader van in onderlinge samenwerking
uit te voeren projecten) worden gebruikt om ééntalige en veeltalige
analyse- en synthesemodules te ontwerpen, die dan op hun beurt in een
veelheid van (model-)toepassingssystemen kunnen worden geïntegreerd.
Voor vele van de bestaande problemen zal naar alle waarschijnlijkheid
vóór de eeuwwisseling geen passende oplossing meer worden gevonden,
aangezien daarvoor langlopend fundamenteel onderzoek is vereist. De
voor de periode 1987-1991 geplande concrete werkzaamheden hebben
voornamelijk het volgende ten doel :
- realisering, tegen het jaar 1990, van een eerste prototype van
machine voor een veeltalig systeem voor automatische vertaling
(EUROTRA) voor overbrenging van en naar alle officiële talen van de
Gemeenschap van teksten van een specifiek type en met betrekking tot
een specifiek gebied. De ontwikkeling van EUROTRA werd in november
1982 door de Raad goedgekeurd (een programma met een looptijd van
vijf-en-een-half jaar en een begroting van 16 miljoen Ecu). Na de
toetreding van Spanje en Portugal heeft de Commissie voorgesteld om
de looptijd van het programma met 18 maanden te verlengen en de ter
beschikking gestelde kredieten met 11 miljoen Ecu te verhogen,
gezien de uitbreiding van het aantal talen van zeven tot negen (en
van het aantal talencombinaties van 42 tot 72);
- ondersteuning van de ontwikkeling, op industriële schaal, van een
systeem voor automatische vertaling, dat zich voor een groot aantal
toepassingen in verschillende sectoren leent (Instellingen van de
Gemeenschap, industrie, handel, dienstensector, informatie en
documentatie). Met de voorbereiding van dit programma zou in 1988
een aanvang moeten worden gemaakt, terwijl het programma zelf in
1990 moet gaan lopen (EUROTRA-II);
- ontwikkeling van methodes en instrumenten met het oog op het
hergebruik van lexicale hulpmiddelen in computertoepassingen en de
uitwerking van normen voor lexicale en terminologische gegevens
(LEXTERM). Daarbij moet ook worden gedacht aan ondersteuning ten
behoeve van de uitwerking van nationale woordenlijsten voor
gebieden, waarvoor die nog ontbreken (voorbereidingsfase 1987,
uitvoering 1989);
- langlopend fundamenteel onderzoek met het oog op de ontwikkeling van
de volgende generatie van systemen voor automatische vertaling van
hoogstaande kwaliteit en van andere op natuurlijke taal gebaseerde
verwerkingssystemen. Dit onderzoek moet onder andere werkzaamheden
omvatten op het gebied van de geavanceerde semantische methodes,
expertkennis, inferentietechnieken, de interface tussen
taalverwerkingsmodules en informatie- en expertsystemen,
spraakanalyse en -synthese (EUROTRA III).
De voor de uitvoering van het EUROTRA-project gekozen formule
- decentralisatie en in onderlinge samenwerking verrichte
werkzaamheden - is de juiste gebleken, aangezien daarvan een
stimulerende en katalyserende werking is uitgegaan. Daarbij is echter
ook een zekere structurele zwakheid van het nationaal 0 & 0-werk op
het gebied van de talenproblematiek aan het licht gekomen, die er in
een aantal gevallen oorzaak van is geweest dat er aanzienlijke
vertraging ontstond bij het starten van de nationale werkzaamheden in
het kader van het programma. Vooral de doelgerichte contract-research
is in vele Lid-Staten in ontoereikende mate georganiseerd en
toekomstige programma's moeten in de verbetering van de structuren en
de opleiding van de professionele onderzoekers voorzien.
Alle projecten in het kader van dit programma zullen worden uitgevoerd
via werkzaamheden voor gezamenlijke rekening. Projecten, die
overwegend op onderzoekwerkzaamheden zijn afgestemd moeten worden
gefinancierd door de overheidssector (Gemeenschap, nationale
overheden), terwijl het de bedoeling is om de uitvoering van duidelijk
ontwikkelingsgerichte projecten te financieren via bijdragen van de
particuliere sector.
De voor de uitvoering van dit programma vereiste kredieten worden in
totaal op circa 280 miljoen Ecu geraamd, waarvan 80 a 100 miljoen Ecu
door de Gemeenschap ter beschikking zal worden gesteld, terwijl de
Lid-Staten en de particuliere sector respectievelijk 80 miljoen Ecu en
110 miljoen Ecu voor hun rekening zouden nemen. De bijdrage van de
Gemeenschap zal zodoende tussen 15 en 20 % bedragen van de totale
middelen die hiervoor momenteel door de nationale overheden worden
gespendeerd.
7.4 - 1
7.4. Prognose/ evaluatie en statistische instrumenten
7.4.1. Prognose (FAST)
a. De prognostiek en de analyse van de implicaties en consequenties, die
aan wetenschappelijke en technologische veranderingen op lange termijn
vastzitten voor de economische en sociale ontwikkeling van de
Lid-Staten van de Gemeenschap zijn nog steeds de voornaamste
instrumenten waarover de Commissie beschikt om nieuwe doelstellingen
en prioriteiten vast te stellen voor haar 0 & O-werkzaamheden op het
terrein van de technologische ontwikkeling.
b. Tijdens de uitvoering van FAST II werd een volledig nieuwe generatie
van 0 & O-Programma1s en -acties uitgewerkt (ESPRIT, RACE, BRITE,
CUBE, STIMULATION ...), waarbij de Commissie de beschikking over nog
meer middelen kreeg om de wetenschappelijke en technologische
ontwikkeling op lange termijn te analyseren en haar strategieën bij te
stellen.
Bovendien wordt nu ook door andere diensten bij de Commissie (in het
bijzonder door het Directoraat-generaal Werkgelegenheid, Sociale Zaken
en Onderwijs) in meerdere mate en op een meer systematische manier
aandacht besteed aan technologische veranderingen en de implicaties en
consequenties daarvan op economisch en sociaal vlak. Ook het Europese
Parlement heeft in 1985 besloten dat er dringend een parlementaire
commissie moest worden ingesteld die zich meer in het bijzonder moet
buigen over de evaluatie van de keuzemogelijkheden voor de
wetenschappelijke en technologische ontwikkeling.
Het FAST-Programma zal nu niet langer het enige kader bij de Commissie
en de Europese Instellingen zijn, waarbinnen zulke activiteiten op het
gebied van prognostiek en evaluatie voor wetenschap en technologie
worden verricht.
Ook de Lid-Staten tonen nu, op het niveau van zowel de uitvoerende
als wetgevende organen (respectievelijk regering en
volksvertegenwoordiging) nieuwe belangstelling voor de analyse van de
implicaties en consequenties op lange termijn, die aan de
wetenschappelijke en technologische ontwikkeling zijn verbonden voor
de samenleving.
Gelet op het voorgaande moet dringend worden gezorgd voor :
1. de uitbouw van de specifieke rol van het FAST-Programma;
2. de diversifiëring van de aanpak en de activiteiten in het kader van
het FAST-onderzoek.
c. Ad.1. Uitbouw van de specifieke rol van het FAST-Programma in het
licht van de nieuwe omstandigheden bij de Commissie en recente
ontwikkelingen in de Lid-Staten.
Dit betekent dat bij de FAST-werkzaamheden
- de aandacht moet worden verlegd naar het totale gamma van
technologische "families" en in het bijzonder naar de
vooruitzichten op de lange termijn voor de integratie ervan
(tussen informatietechnologie, materialen en biotechnieken,
tussen opto-elektronika, automatisering, informatietechnologie
en materialen, enz...), alsmede naar de consequenties ervan
voor de Europese 0 & O-structuur, voor het bedrijfsleven en
voor de onderwijssystemen;
7.4 - 2
- de nadruk meer moet vallen op de analyse van de implicaties en
consequenties van nieuwe terreinen voor wetenschappelijke en
technologische toepassingen;
- het accent in grotere mate moet worden gelegd op een op het
"netwerk" gebaseerde aanpak; daarbij zou worden uitgegaan van
alle prognoses en analyses, die bij de Commissie en de
Instellingen van de Gemeenschap alsmede in de Lid-Staten worden
verricht en zouden de beleidskeuzen op het gebied van wetenschap
en technologie worden vastgesteld aan de hand van de uitkomsten
daarvan.
Ad.2. Diversifiëring van de aanpak en activiteiten in het kader van
het FAST-onderzoek.
Dit houdt het volgende in :
- verbetering en diversifiëring van de beschikbare instrumenten
(databases, bevordering van de instelling van ad
hoc-werkgroepen van deskundigenobservatoria) ten einde het
mogelijk te maken veranderingen in de wetenschappelijke en
technologische systemen eerder te onderkennen en beter te
analyseren;
- er moet meer aandacht worden besteed aan de factoren op lange
termijn en de dynamiek van de innovatieprocessen en de
overdracht en verspreiding van technologie;
- er moeten op een meer systematische manier studies worden
verricht inzake de ontwikkelingen op wereldniveau, problemen
en vooruitzichten op het stuk van de wetenschappelijke en
technologische ontwikkeling, in het licht van de versnelde
transnationalisering van de economie, de technologie en
het 0 S 0-werk;
- de banden met de fabrikanten en met de gebruikers van
geavanceerde wetenschap en technologie in nieuwe toepassingen
moeten, via intensieve gebruikmaking van IRIS, nauwer worden
aangetrokken.
d. De betrokken werkzaamheden zullen worden verricht in het kader van een
actie voor gezamenlijke rekening, zoals dit overigens steeds het geval
is geweest in het kader van de FAST-Programma's.
e. De voor deze actie vereiste kredieten worden geraamd
op 15 a 18 miljoen Ecu voor de periode 1987-1991.
7.4.2. Evaluatie
a. Het verloop van wetenschappelijke activiteiten moet van zeer nabij
worden gevolgd, niet alleen met het oog op de ontwikkeling van een
meer doeltreffend wetenschappelijk beleid, maar ook om erop toe te
zien dat het grote publiek - dat steeds vaker aandringt op
verantwoording van de uitgaven - de verzekering krijgt dat de
overheidsmiddelen die voor onderzoek worden gespendeerd ook werkelijk
bijdragen aan de realisering van de sociale en economische
doelstellingen, die door de Gemeenschap en haar Lid-Staten worden
7.4 - 3
aangehouden. Men is zich er ook steeds meer van bewust dat 0 & 0 een
belangrijke bijdrage kan leveren aan de economische groei en dit heeft
ertoe geleid dat er steeds meer belang wordt gehecht aan de evaluatie
van het 0 & 0-werk. Dit blijkt overigens ook uit de belangstelling
die daarvoor door de Lid-Staten en door verschillende internationale
organisaties, zoals de VN en de OESO worden getoond.
b. In de periode 1987-1991 zal de Commissie haar werkzaamheden verder
blijven baseren op de beginselen, die zijn omschreven in het
Communautair Actieprogramma voor de evaluatie van
communautaire 0 & O-werkzaamheden dat op 28 juni 1983 door de Raad
werd goedgekeurd. De evaluatiewerkzaamheden hebben betrekking op
iedere individuele activiteit en worden tijdig verricht, zodat het
volgende programma op de uitkomsten daarvan kan worden gebaseerd. Zij
zijn gebaseerd op het principe van de "peer evaluation" en worden
verricht door externe groepen van onafhankelijke deskundigen, die
zoveel mogelijk ook rekening houden met kwantitatieve gegevens.
Met het oog op de nodige doeltreffendheid hierbij zal de Commissie het
desbetreffende onderzoek in de Gemeenschap blijven stimuleren en haar
inspanningen tot ontwikkeling van adequate evaluatiemethodologieën en
van een communautair netwerk voor evaluatie blijven voortzetten.
c. Bij de evaluatie zal rekening worden gehouden met het feit dat in het
kader van het communautair 0 & 0-werk in steeds toenemende mate
prioriteit wordt verleend aan programma's, die de verbetering van het
industrieel concurrentievermogen van de Gemeenschap beogen. Een en
ander betekent dat speciale aandacht zal worden besteed aan de analyse
van alle aspecten die aan de bevordering van de industriële innovatie
en de verbetering van het concurrentievermogen van de Europese
industrie bijdragen.
Een aantal Lid-Staten heeft er reeds herhaalde malen op gewezen dat
vooral de evaluatie van consequenties op sociaal-economisch vlak van
groot belang is. Wil men dit aspect grondig onderzoeken, dan moeten
er evaluaties op een hoger aggregatieniveau dan tot dusver het geval
was, worden verricht.
d. De voor evaluatiewerkzaamheden vereiste financiële middelen worden
op 10 a 12 miljoen Ecu geraamd voor de periode 1987-1991.
7.4.3. Statistische instrumenten
a. Uitgebreide statistische databanken zijn onmisbare hulpmiddelen ter
ondersteuning van de werkzaamheden op het terrein van prognostiek en
evaluatie. Daarbij zijn echter niet alleen de gegevens van essentieel
belang, men zou ook profijt moeten kunnen trekken van de deskundigheid
van diegenen, die die gegevens verzamelen en gebruiken. In dit verband
wordt aan de ontwikkeling gedacht van op kennis gebaseerde
expertsystemen. Het doel van dergelijke systemen is om de
produktiviteit van statistische informatie te verbeteren door de
waarde ervan voor de gebruiker te verhogen.
b. In deze context moeten de problemen, die zich voordoen bij de
constructie van statistische expertsystemen uitvoerig worden
onderzocht, en moeten er, met het oog op compatibiliteit van
toekomstige verwezenlijkingen op dit gebied, normen worden uitgewerkt;
er moeten ook complete prototypes worden gerealiseerd van systemen
voor specifieke toepassingen. Naast deze meer op specifieke resultaten
7.4 - 4
op het gebied van de statistiek gerichte werkzaamheden zal ook het
opdoen van ervaring met de ontwikkeling van expertsystemen worden
nagestreefd.
Het is de bedoeling om de in een aantal Lid-Staten lopende
werkzaamheden via een communautaire aanpak te coördineren en te
intensiveren door ze in te passen in een algemeen kader en door de
ontwikkeling van gemeenschappelijke normen ter bevordering van een
meer algemeen gebruik van deze nieuwe instrumenten.
c. Deze nieuwe werkzaamheden van de Gemeenschap moeten worden verricht in
het kader van projecten voor gezamenlijke rekening; de desbetreffende
uitgaven worden op circa 5 miljoen Ecu geraamd voor de
periode 1987-1991. Dit zou overeenkomen met 5 a 10 % van de
bestedingen hiervoor in de Lid-Staten.
7.5 - 1
7.5. Internationale samenwerking
a. Een meer actieve aanwezigheid van de Gemeenschap in de ontwikkelingslanden op
het terrein van de wetenschap vormt steeds meer een belangrijk onderdeel van
de communautaire strategie. Voor het nemen van ter zake dienende maatregelen
is uitvoerige kennis van de behoeften van de partners van de Gemeenschap
vereist. Alleen door de samenwerking tussen Europa en de ontwikkelingslanden
te versterken, kan het werkelijk tot overdracht van technologie naar die
landen komen.
Door de intensivering van de wetenschappelijke betrekkingen met al die landen
worden er nieuwe markten opengesteld en ontstaan er nieuwe afzetmogelijkheden
voor de Gemeenschap, terwijl zij terzelfder tijd in de gelegenheid wordt
gesteld om in ruimere mate bij te dragen aan de ontwikkeling van minder
begunstigde bevolkingen.
De Europese landen beschikken stuk voor stuk over een aanzienlijk
wetenschappelijk en technologisch protentieel; de vraag naar samenwerking van
de zijde van de ontwikkelingslanden neemt echter voortdurend toe en de
Gemeenschap kan hieraan alleen via een collectieve inspanning voldoen.
De wetenschappelijke en technische samenwerking vormt steeds meer de hoeksteen
van de nationale samenwerkingsovereenkomsten die de Gemeenschap met de Derde
Wereld sluit. De geïndustrialiseerde landen en in het bijzonder de EVA-Landen
hebben overigens de wens te kennen gegeven om aan soortgelijke initiatieven
van de Gemeenschap deel te nemen ten einde hun eigen wetenschappelijk
potentieel uit te breiden en hun onderzoekkredieten efficiënt te gebruiken.
Van hun kant hebben de ontwikkelingslanden de wetenschappelijke en technische
hulp van de Gemeenschap nodig voor een snellere ontwikkeling.
b. In 1984 werd met een bescheiden begroting een programma opgezet van
communautaire maatregelen, die de wetenschappelijke en technische samenwerking
moesten bevorderen tussen de geïndustrialiseerde landen en de
ontwikkelingslanden, meer speciaal de niet-geassocieerde landen van de Derde
Wereld. Deze wetenschappelijke en technische activiteiten beogen de in een
meer algemene context tot stand gebrachte samenwerking in andere
beleidssectoren van de Gemeenschap te versterken.
De doelstellingen en methodes in het kader van de internationale samenwerking
op het stuk van wetenschap en technologie verschillen naargelang de samen
werkingspartner een ontwikkelingsland dan wel een geïndustrialiseerd land is.
1. Voor de ontwikkelingslanden zijn deze activiteiten hetzij gericht op de
aanvulling van het 0 & O-Programma “Wetenschap en Techniek ten dienste van
de ontwikkeling" (zie punt 5) of op de voorbereiding van toekomstige
0 & O-programma's.
De ontwikkelingslanden hebben vooral steun nodig voor de uitbouw van hun
lokale onderzoekactiviteiten; in dit verband wordt voornamelijk getracht
betrekkingen te vormen tussen Europese onderzoekinstellingen en de onder
zoekinstituten van de ontwikkelingslanden. Als einddoel bij deze vorm van
samenwerking wordt de gezamenlijke uitvoering van onderzoekwerkzaamheden op
terreinen van gemeenschappelijk belang nagestreefd.
Om dit doel te bereiken wordt voornamelijk aan de volgende acties gedacht :
- het verlenen van bijstand bij de vaststelling van onderzoekprogramma's,
- de opleiding van wetenschappers,
- de uitwisseling van informatie,
- de gezamenlijke organisatie van seminaria, workshops en conferenties,
- het tot stand brengen van onderzoeknetwerken, waarbij zowel Europese
onderzoekinstellingen als instellingen in de Derde Wereld zijn betrokken;
- gemeenschappelijk onderzoek.
2. Wat betreft de geïndustrialiseerde landen wordt in het kader van de
samenwerking op wetenschappelijk en technologisch gebied
daarentegen voornamelijk gestreefd naar de bevordering van de
uitwisseling van informatie en wetenschappelijk personeel tussen de
Gemeenschap en deze landen, ten einde :
- de onderzoekcapaciteiten te vergroten;
- de kosten van onderzoek terug te dringen;
- doublures op onderzoekgebied te voorkomen en
- de werkzaamheden te coördineren.
In dit verband worden momenteel de volgende acties uitgevoerd :
- uitwisseling van informatie;
- organisatie van seminaria, workshops;
- organisatie van gezamenlijke vergaderingen;
- werkbezoeken, opleiding en voorlichting;
- uitvoering van gemeenschappelijke projecten en uitwisseling van
onderzoekers.
Als het om Europese landen gaat die niet tot de Gemeenschap behoren,
worden deze activiteiten aangevuld met rechtstreekse deelneming van die
La n d e n in communautaire O&Q-programma's.
De terreinen die door dit nieuwe initiatief worden bestreken, zijn
uiterst verscheiden en variëren al naargelang van de behoeften en de
wederzijdse belangen. Tot nu toe werd met name in de ontwikkelings
landen het grootste aantal onderzoekacties op stapel gezet op het
gebied van de landbouw, het milieu en de nieuwe technologie.
Daarentegen wordt in het kader van de samenwerking met de
geïndustrialiseerde landen meer aandacht besteed aan de meer
geavanceerde technologieën en het fundamenteel onderzoek.
Op welke terreinen de samenwerking plaatsvindt, wordt in gezamenlijk
overleg tussen de partners bepaald er zo wordt ook de kwestie van de
financiële deelneming geregeld. In principe wordt voor het
financieringsaspect uitgegaan van de graad van ontwikkeling, vooral op
wetenschappelijk gebied, en van de financiële capaciteit van het
betrokken land. Zeker in het begin waren de financiële lasten althans
wat bepaalde ontwikkelingslanden betreft (China, de ASEAN-Landen,
India, Brazilië, Mexico, enz.) nagenoeg geheel voor rekening van de
Gemeenschap.
De laatste tijd bestaat evenwel steeds meer de tendens om dit soort
steunacties om te vormen tot een samenwerking in de ware zin van het
woord waarbij de ontwikkelingslanden een gedeelte van de kosten van de
onderzoekactiviteiten zelf moeten dragen. Eén van de voordelen daarvan
is dat er daardoor meer activiteiten kunnen worden uitgevoerd.
Op administratief en budgettair vlak moet de verruiming van deze
internationale samenwerking vooral worden gebaseerd op afspraken met
onze partners over kadercontracten en gemeenschappelijke financiering.
Wil de Commissie in staat zijn om te kunnen voldoen aan de vraag naar
wetenschappelijke samenwerking, die naar alle waarschijnlijkheid
aanzienlijk zal toenemen gezien vooral de nieuwe associaties die zijn
gesloten met landen in Latijns-Amerika (en mede gezien de toetreding
van Spanje en Portugal tot de Gemeenschap), dan moet zij over aanzien
lijke kredieten kunnen beschikken. Voor de uitvoering van deze actie
moet, gezien de behoeften waarin moet worden voorzien en de doelstel
lingen die daarbij worden aangehouden, over aanzienlijke middelen
kunnen worden beschikt. Deze worden geraamd op 50 a 60 miljoen Ecu
voor de periode 1987-1991.
Full & Egal Universal Law Academy