18.3.87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 70/3
II
(Voorbereidende besluiten)
COMMISSIE
Ontwerp-resolutie van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake de voortzetting en
uitvoering van een communautair milieubeleid en milieu-actieprogramma
(1987-1992)
COM(86) 485 def.
(Door de Commissie bij de Raad ingediend op 15 oktober 1986)
(87/C 70/03)
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap voor Kolen en Staal,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap voor Atoomenergie,
Gezien het ontwerp van de Commissie,
Gezien het advies van het Europese Parlement,
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal
Comité,
Overwegende dat in de verklaring van de Raad van de
Europese Gemeenschappen en de Vertegenwoordigers
van de Regeringen der Lid-Staten, in het kader van de
Raad bijeen, van 21 november 1973 (') wordt opgeroe-
pen tot uitvoering van een milieu-^actieprogramma van de
Europese Gemeenschappen;
Overwegende dat het actieprogramma over de periode
1977-1986 uitbreiding en aanvulling heeft gekregen bij
de resoluties van de Raad en de Vertegenwoordigers van
de Regeringen der Lid-Staten, in het kader van de Raad
bijeen, van 17 mei 1977 (2) en van 7 februari 1983 (3);
Overwegende dat de taken van de Europese Gemeen-
schappen zijn vastgelegd in de Verdragen tot oprichting
van de Gemeenschappen;
Overwegende dat met name overeenkomstig artikel 2
van het Verdrag tot oprichting van de Europese Econo-
mische Gemeenschap het de taak van genoemde
Gemeenschap is de harmonische ontwikkeling van de
O PB nr. C 112 van 20. 12. 1973.
(2) PBnr. C 139 van 13.6. 1977.
(J) PB nr. C 46 van 17. 2. 1983.
economische activiteit en een gestadige en evenwichtige
expansie in de gehele Gemeenschap te bevorderen, het-
geen, ook in gewijzigde economische omstandigheden,
ondenkbaar is zonder een zo rationeel mogelijk gebruik
van de in het milieu aanwezige hulpbronnen of zonder
verbetering van de kwaliteit van het bestaan en de
bescherming van het milieu;
Overwegende dat derhalve verbetering van de kwaliteit
van het bestaan en het zo rationeel mogelijk gebruiken
van de in het milieu aanwezige natuurlijke hulpbronnen
tot de fundamentele taken van de Europese Economische
Gemeenschap behoren; dat een milieubeleid van de
Gemeenschap tot verwezenlijking van deze doelstelling
zal bijdragen;
Overwegende dat in de Europese Akte als doelstellingen
voor een milieubeleid van de Gemeenschap worden ver-
meld de kwaliteit van het milieu te behouden, te bescher-
men en te verbeteren, bij de dragen tot de bescherming
van de gezondheid van de mens, zorg te dragen voor een
behoedzaam en rationeel gebruik van de natuurlijke
hulpbronnen; dat hierin wordt bepaald dat het optreden
van de Gemeenschap op milieugebied berust op de be-
ginselen van preventief handelen, dat de bestrijding van
milieuaantastingen bij voorrang aan de bron moet ge-
schieden, dat de vervuiler betaalt en dat de Gemeenschap
bij het uitwerken van haar optreden op milieugebied re-
kening moet houden met de beschikbare wetenschappe-
lijke en technische gegevens, de milieuomstandigheden in
de onderscheiden regio's van de Gemeenschap, de poten-
tiële voordelen en lasten die kunnen voortvloeien uit op-
treden, onderscheidenlijk niet-optreden, alsmede de eco-
nomische en sociale ontwikkeling van de Gemeenschap
als geheel en de evenwichtige ontwikkeling van haar
regio's;
Overwegende dat voorkomen dient te worden dat de
Lid-Staten onderling afwijkende maatregelen vaststellen,
waardoor distorsies in de gemeenschappelijke markt
kunnen optreden;
Overwegende dat rekening moet worden gehouden met
de economische en sociale aspecten van het milieubeleid,
Nr. C 70/4 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 18. 3. 87
met name met de bijdrage die het kan leveren tot ver-
zachting van de huidige economische problemen, waar-
onder de werkloosheid;
Overwegende dat de doelstellingen en beginselen van het
milieubeleid van de Gemeenschap, als bekrachtigd door
de Raad in zijn verklaring van 22 november 1973 en op-
nieuw bekrachtigd in de resoluties van de Raad van
17 mei 1977 en 7 februari 1983, onverminderd van
kracht blijven;
Overwegende dat het Milieu-actieprogramma van 22 no-
vember 1973, als uitgebreid en aangevuld op 17 mei 1977
en 7 februari 1983, nog steeds van kracht is; dat het in
de periode 1987-1991 verder moet worden uitgevoerd en
aangevuld met nieuwe taken die noodzakelijk blijken;
Overwegende dat naast de reeds lopende projecten op
het gebied van de bestrijding van verontreiniging, waar-
bij een zo economisch mogelijk gebruik wordt gemaakt
van de in het milieu aanwezige natuurlijke hulpbronnen,
de preventieve aspecten van het milieubeleid in het kader
van een totaalbeleid moeten worden versterkt en dat mi-
lieuoverwegingen moeten worden ingebouwd in het eco-
nomisch, industrieel, landbouw-, regionaal en sociaal be-
leid, zoals dat door de Gemeenschap en de Lid-Staten
wordt gevoerd;
Overwegende dat op vele gebieden geharmoniseerde mi-
lieunormen noodzakelijk zijn voor de voltooiing van de
interne markt;
Overwegende dat te dien einde milieunormen moeten
worden vastgesteld op basis van hoge beschermings-
niveaus;
Overwegende dat deze aanpak stimulerend kan werken
op de innovatie en het scheppen van nieuwe economische
kansen, zowel binnen de Gemeenschap als voor de ex-
port;
Overwegende dat het milieubeschermingsbeleid op deze
en nog andere wijze kan bijdragen tot een betere econo-
mische groei en het scheppen van werkgelegenheid;
Overwegende dat het Europese Jaar van het Milieu, dat
op 21 maart 1987 begint, een unieke gelegenheid biedt
om een mentaliteitsverandering te bevorderen en de
eerste activiteiten op gang te brengen die nodig zijn om
deze ideeën in de praktijk te brengen,
KEURT de algemene aanpak van het actieprogramma in
de bijlage GOED.
VERKLAART dat met name op de volgende gebieden ac-
tiviteiten van de Gemeenschap belangrijk zijn:
a) de geleidelijke ontwikkeling en tenuitvoerlegging
van strenge milieunormen;
b) integratie van de milieudimensie in de overige tak-
ken van beleid;
c) bredere toepassing van milieueffectbeoordelingspro-
cedures;
d) strengere toepassing van het beginsel „de vervuiler
betaalt" en bredere toepassing hiervan ter dekking
van de kosten van het voorkomen van verontreini-
ging en van de bestrijding achteraf, alsmede van de
kosten van de naleving van de milieueisen met be-
trekking tot produkten en processen;
e) beperking van verontreiniging en hinder, zo moge-
lijk aan de bron, in het kader van een aanpak die
beoogt te voorkomen dat verontreiniging van het
ene deel van het milieu naar het andere wordt over-
gedragen, met name op de volgende gebieden:
— bestrijding van de luchtverontreiniging,
— bestrijding van de verontreiniging van zoet en
zeewater,
— bestrijding van de bodemverontreiniging;
f) in dit verband, uitbreiding van het gebruik van mul-
timedia-analyses voor het beoordelen van de alge-
hele verontreinigingsrisico's van gevaarlijke stoffen
en bepaling van de meest doeltreffende en kosten-
effectieve controlemaatregelen;
g) geluidshinder en met name de geluidshinder die
wordt veroorzaakt door vervoermiddelen;
h) gevaarlijke chemische stoffen en preparaten;
i) milieubeschermingsaspecten van de biotechnologie;
j) milieubeschermingsaspecten van een verhoogde acti-
viteit van de Gemeenschap op het gebied van kernin-
stallaties;
k) ontwikkeling van betere beheersmethoden voor alle
mogelijke soorten afvalstoffen: beperking van de
hoeveelheden, verwerking, recycling en hergebruik;
vooral meer aandacht voor toxische, gevaarlijke en
radioactieve afvalstoffen, met inbegrip van het grens-
overschrijdend transport hiervan;
1) stimulering van de ontwikkeling van schone techno-
logieën;
m) bestrijding van grensoverschrijdende verontreiniging;
n) bescherming van voor de Gemeenschap belangrijke
gebieden die vanuit milieuoogpunt bijzonder kwets-
baar zijn alsmede andere natuurbeschermende maat-
regelen;
o) een algehele en geïntegreerde milieubescherming in
het Middellandse-Zeegebied, waarbij rekening
wordt gehouden met alle bovengenoemde aspecten
en speciale aandacht wordt geschonken aan de spe-
cifieke eigenschappen van dat gebied bij de prak-
tische uitvoering van het actieprogramma;
18.3.87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 70/5
p) bestrijding van de erosie en verbetering van water-
voorziening en -beheer;
q) richtlijnen voor de ontwikkeling van meer doeltref-
fende en kosteneffectieve economische en werkgele-
genheid scheppende instrumenten voor het bevorde-
ren van de activiteit op bovengenoemde gebieden;
r) actieve deelname aan de activiteiten van internatio-
nale organisaties die zich bezighouden met milieube-
scherming;
s) samenwerking met ontwikkelingslanden op milieu-
gebied, vooral met betrekking tot vraagstukken als
woestijnvorming en tropische wouden.
DRINGT er bij de Commissie op AAN zich speciaal te
buigen over de noodzaak meer aandacht te besteden aan
de tenuitvoerlegging, toepassing en praktische uitwerking
van de communautaire wetgeving.
BELOOFT om zo mogelijk binnen negen maanden na de
dag van indiening door de Commissie of eventueel negen
maanden na de dag van indiening van de adviezen van
het Europese Parlement en het Economisch en Sociaal
Comité over deze voorstellen te beslissen.
BELOOFT de financiële middelen beschikbaar te stellen
die nodig zijn voor de uitvoering van deze resolutie en
het daaraan gehechte actieprogramma volgens de gebrui-
kelijke procedures.
Nr. C 70/6 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 18.3.87
BIJLAGE
VIERDE MILIEU-ACTIEPROGRAMMA
(1987-1992)
INHOUD
Bladzijde
1. Inleiding 7
2. Algemene lijnen van het beleid
2.1. Wijzigingen van het Verdrag van Rome 8
2.2. Tenuitvoerlegging van richtlijnen van de Gemeenschap 9
2.3. Integratie met andere takken van Gemeenschapsbeleid 10
2.4. Economische en werkgelegenheidsaspecten van het milieubeleid en de desbetreffende maat-
regelen 15
2.5. Economische hulpmiddelen 16
2.6. Voorlichting en educatie 16
3. Voorkoming van en controle op verontreiniging
3.1. Algemene beginselen 18
3.2. Controle op de verontreiniging in de verschillende media 19
3.3. Op de stof gerichte controlemaatregelen 20
i 3.4. Op de bron gerichte controles 20
3.5. Produktnormen, emissiegrenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen en -normen voor het
milieu 21
3.6. Conclusies 22
4. Maatregelen in specifieke sectoren
4.1. Luchtverontreiniging 22
4.2. Zoet water en zeewater 24
4.3. Chemicaliën 26
4.4. Biotechnologie 27
4.5. Lawaai 29
4.6. Nucleaire veiligheid 29
5. Beheer van milieurijkdommen
5.1. Natuurbehoud 30
5.2. Bodembescherming 32
5.3. Afvalverwerking 33
5.4. Stedelijke gebieden, kustgebieden en bergstreken 35
6. Onderzoek 36
7. Werkzaamheden in internationaal verband
7.1. Werkzaamheden binnen internationale organisaties en in samenwerking met derde landen 37
7.2. Samenwerking met ontwikkelingslanden op milieugebied 38
8. Europees Jaar van het Milieu 40
9. Conclusies 41
Bijlage 1: Doelstellingen en beginselen van een communautair milieubeleid 41
Bijlage 2: Milieubepalingen in het nieuwe Verdrag 44
18.3.87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C70/7
VIERDE MILIEU-ACTIEPROGRAMMA
1. INLEIDING
1.1. In het in 1973 aangenomen Eerste Milieu-actieprogramma van de Gemeenschap (') werden de doel-
stellingen en beginselen uiteengezet van het milieubeleid, waarna een opsomming werd gegeven van een
groot aantal hoofdzakelijk curatieve acties die op communautair niveau nodig werden geacht. De doelstel-
lingen en beginselen gelden nog steeds (2) en een aantal van de specifieke acties moet nog worden voltooid;
de communautaire aanpak van de milieubescherming heeft evenwel ondertussen een zeer grote ontwikke-
ling doorgemaakt.
1.2. Het in 1977 aangenomen Tweede Milieu-actieprogramma vormde hoofdzakelijk een actualisering
en uitbreiding van het eerste, maar omstreeks 1983, toen het Derde Milieu-actieprogramma moest worden
aangenomen, begon er reeds een andere trend in het politieke denken en in de benadering van de milieube-
scherming merkbaar te worden. De preventieve benadering — dat wil zeggen aan economische en sociale
ontwikkelingen de eis stellen dat deze niet tot milieuproblemen mogen leiden — was centraal komen te
staan. Ingezien werd dat de milieurijkdommen de basis, maar ook de grens vormden van een verdere
economische en sociale ontwikkeling. Om een goede preventie te bereiken moesten de milieueisen een
onderdeel gaan vormen van de planning en tenuitvoerlegging van maatregelen in veel economische en
sociale sectoren; de nadruk werd gelegd op milieueffectrapportage als essentieel instrument om een derge-
lijke integratie tot stand te brengen.
1.3. Nu de Gemeenschap een vjerde milieu-actieprogramma aanneemt voor zes jaar (1987-1992), heeft
het beeld zich wederom gewijzigd. Niemand zou nog willen bestrijden dat het müieubeschermingsbeleid
een centrale rol moet spelen in het geheel van communautaire beleidspunten en dat milieubescherming als
een fundamentele factor moet worden beschouwd als er economische besluiten worden genomen. Gezien
de voortdurende — en in veel gevallen erger wordende — aantasting van het milieu is de Commissie tot de
overtuiging gekomen dat het opstellen van strenge normen voor de milieubescherming niet langer een
vrijblijvende aangelegenheid is; het is een zaak van essentieel belang geworden. Aangezien het publiek
steeds meer aandringt op betere milieubeschermingsnormen en milieuvriendelijke produkten — zowel in de
Gemeenschap als daarbuiten — is de Commissie er bovendien van overtuigd dat de industrie in de Ge-
meenschap alleen succesvol kan zijn als zij zich beter gaat instellen op dergelijke normen en op de produk-
tie van milieuvriendelijke produkten. Hoge milieubeschermingsnormen zijn aldus een dwingende noodzaak
geworden, ook op economisch vlak.
1.4. Deze nieuwe opvattingen over het belang en de rol van het müieubeschermingsbeleid voor de Ge-
meenschap worden onderschreven door twee recente conclusies van de Europese Raad, waarin min of
meer het schema en de hoofdlijnen worden aangegeven voor de voorstellen van de Commissie voor het
Vierde Milieu-actieprogramma van de Gemeenschap.
1.5. De eerste conclusie betrof, uiteraard, het besluit van de Europese Raad — op aanbeveling van de
Intergouvernementele Conferentie — om voor te stellen een hoofdstuk inzake het milieu op te nemen in
het gewijzigde Verdrag van Rome. In dit besluit, waarmee de behoefte wordt erkend aan een gedegen
milieubeleid van de Gemeenschap als kernpunt van de andere beleidslijnen van de Gemeenschap, worden
de hoofdlijnen van een dergelijk beleid aangegeven. Hierbij is het vooral van belang dat het milieubeleid
(artikel 130 R) het enige gemeenschappelijke beleidspunt in het gewijzigde Verdrag is, waarvoor is vastge-
steld dat de eisen op dit gebied een bestanddeel vormen van de andere takken van Gemeenschapsbeleid, en
dat, met name in verband met nonnen op basis van artikel 100 A van het gewijzigde Verdrag, is bepaald
dat de Commissie bij haar voorstellen inzake onder andere milieubescherming zal uitgaan van een hoog
beschermingsniveau. In dit artikel wordt ook bepaald dat nationale maatregelen die in naam van de milieu-
bescherming worden getroffen niet mogen worden gebruikt als middel tot willekeurige discriminatie of als
een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten. De voorgestelde wijzigingen van het Verdrag
die van belang zijn voor het milieu zijn opgenomen in bijlage 2 van dit programma.
(*) PB nr. C 112 van 20. 12. 1973.
O PB nr. C 139 van 13. 6. 1977 — zie bijlage 1.
Nr. C 70/8 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 18.3.87
1.6. De tweede conclusie in verband met het milieubeleid betreft de erkenning door de Europese Raad
in maart 1985 (') van het feit dat het milieubeleid kan bijdragen tot een verbetering van economische groei
en werkgelegenheid. In het verleden werden de milieueisen vaak alleen gezien als synoniem met extra
voorschriften en kosten voor industrie, landbouw, vervoer, enz. In een wereld, waarin in toenemende mate
behoefte bestaat aan hogere milieunormen, moet de verwezenlijking van dergelijke normen thans steeds
meer worden gezien als een essentieel element voor het toekomstige economische succes van de Gemeen-
schap. De Europese Raad gaf vervolgens de wil te kennen om aan dit beleid de dimensie te geven van een
essentieel bestanddeel van het economisch, industrieel, agrarisch en sociaal beleid van de Gemeenschap en
haar Lid-Staten.
1.7. Hiermee zijn het schema en de uitgangspunten aangegeven voor het Vierde Milieu-actieprogramma
van de Gemeenschap. Hier ligt de uitdaging — en tegelijkertijd ook de mogelijkheid — om middelen te
vinden om verdere vooruitgang te boeken op milieugebied en daarbij de door de Europese Raad verwachte
gunstige gevolgen voor de economie en de werkgelegenheid eveneens te realiseren.
2. ALGEMENE LIJNEN VAN HET BELEID
2.1. Wijzigingen van het Verdrag van Rome
2.1.1. In het EEG-Verdrag als gewijzigd bij de Europese Akte is op twee manieren voorzien in een
milieubeleid op communautair niveau. In de eerste plaats zal in het Verdrag een speciaal hoofdstuk (titel
VII) worden gewijd aan het milieubeleid (artikelen 130 R tot en met 130 T), waarin de doelstellingen en
beginselen van dit beleid zijn neergelegd, met name de noodzaak preventief te handelen, die in één adem
wordt genoemd met de bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu. Voorts zal in het
Verdrag expliciet worden gesteld dat de eisen ter zake van milieubescherming een bestanddeel vormen van
de andere takken van Gemeenschapsbeleid.
2.1.2. Daarnaast wordt in het Verdrag erkend dat milieumaatregelen een belangrijke rol spelen bij de
totstandbrenging van de interne markt — een hoofddoel van de Gemeenschap in de komende vijf jaar. Het
ligt voor de hand dat milieumaatregelen van de Lid-Staten op nationaal niveau al snel kunnen leiden tot
nieuwe belemmeringen voor de intracommunautaire handel of tot concurrentievervalsing. In dit verband zij
erop gewezen dat in artikel 100 A — betreffende de vaststelling van maatregelen inzake de onderlinge
aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten die de instelling en de
werking van de interne markt betreffen — niet alleen is bepaald dat dergelijke maatregelen met gekwalifi-
ceerde meerderheid van stemmen worden vastgesteld, maar ook dat de Commissie bij haar voorstellen
krachtens artikel 100, eerste alinea, op het gebied van de volksgezondheid, de veiligheid, de milieubescher-
ming en de consumentenbescherming uitgaat van een hoog beschermingsniveau.
2.1.3. De Commissie is voornemens de bepalingen van het nieuwe Verdrag ten volle te benutten, met
name de bevoegdheden uit hoofde van artikel 100 A. Ook zij is van mening dat twee van de hoofddoelstel-
lingen van het Verdrag, de totstandbrenging van de interne markt en de realisering van hoge milieunormen
in de Gemeenschap, dienen te worden gecombineerd in maatregelen om het milieu doeltreffend te bescher-
men. Bovendien is de Commissie ervan overtuigd dat de ontwikkeling van hoge milieunormen strookt met
en soms nodig is voor de bescherming en de verbetering van de toekomstige concurrentiepositie van de
industrie in de Gemeenschap.
2.1.4. Bovendien zij erop gewezen dat in artikel 130 B van de Europese Akte de nadruk wordt gelegd op
de bevordering van de economische en sociale samenhang in de Gemeenschap en op de verkleining van de
verschillen tussen de regio's. Bovendien wordt in het hoofdstuk inzake het milieubeleid expliciet gesteld dat
de Gemeenschap bij de verdere uitwerking van haar milieubeleid onder andere rekening zal houden met de
milieuomstandigheden in de onderscheiden regio's van de Gemeenschap; en met de economische en sociale
(') „De Europese Raad is van mening dat men zich bij een communautair milieubeleid moet laten leiden door de vol-
gende overwegingen:
i) uitgaande van de constatering dat een dergelijk beleid kan bijdragen tot een verbetering van de economische groei
en tot het scheppen van werkgelegenheid, geeft hij de wil te kennen om aan dit beleid de dimensie te geven van een
essentieel bestanddeel van het economisch, industrieel, agrarisch en sociaal beleid van de Gemeenschap en haar
Lid-Staten;
ii) hij erkent de noodzaak van een coherent optreden van de Lid-Staten in communautair verband inzake de bescher-
ming van lucht, zee en bodem omdat alleenstaande acties weinig doeltreffend, zoniet schadelijk kunnen zijn.
Hij verzoekt de Raad zijn werkzaamheden met bekwame spoed voort te zetten en samen met de Commissie alles in
het werk te stellen om in de komende jaren aanzienlijke vooruitgang te boeken bij de communautaire maatregelen ter
bescherming van het milieu in Europa en in de wereld.
In dit verband heeft de Europese Raad besloten om 1987 tot ,Europees Jaar van het Milieu' te maken.". Bulletin van
de Europese Gemeenschappen, maart 1985.
18.3.87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 70/9
ontwikkeling van de Gemeenschap als geheel en de evenwichtige ontwikkeling van haar regio's. Het ligt
dan ook voor de hand dat tijdens het Vierde Milieu-actieprogramma vooral belang zal worden gehecht aan
een nauwe samenwerking bij de tenuitvoerlegging van het milieubeleid en het regionale beleid van de
Gemeenschap. De Commissie zal de nodige maatregelen treffen om deze samenwerking te bewerkstelligen.
2.1.5. Naast maatregelen om de rol van het communautaire milieubeleid in de andere takken van com-
munautair beleid uit hoofde van het gewijzigde Verdrag te versterken zal er de komende vijf jaren een
aantal andere maatregelen met uiteenlopend karakter worden getroffen. Zo zal de Commissie het beleid in
de verschillende milieusectoren zorgvuldig en kritisch evalueren om na te gaan of op grond van de ervarin-
gen met de wetgeving in het verleden en de tenuitvoerlegging daarvan nieuwe strategieën geboden lijken,
waarom delen van de eerdere milieu-actieprogramma's niet ten uitvoer zijn gelegd en welke lering uit het
verleden kan worden getrokken en in de toekomst kan worden gebruikt.
2.1.6. De Commissie zal zich opnieuw buigen over de in de bestaande richtlijnen neergelegde verplich-
tingen van de Lid-Staten om verslag uit te brengen over de toepassing van deze richtlijnen. Hiertoe zal zij
een voorstel indienen voor een richtlijn waarin de algemene verplichting om verslag uit te brengen wordt
gestandaardiseerd en gerationaliseerd, terwijl de verslagen beter worden gecoördineerd met de driejaar-
lijkse opstelling van de verslagen van de Gemeenschap over de stand van de milieubescherming. Tevens
stelt de Commissie voor meer bekendheid te geven aan de verslagen over de verschillende milieurichtlijnen
en aan de verslagen van de Commissie over de gevolgen van de communautaire milieuwetgeving.
2.1.7. In het Kennisgevingsakkoord van 1973 (') kwamen de Lid-Staten overeen de Commissie in kennis
te stellen van hun plannen om op nationaal niveau milieuwetten in te voeren. Gezien de bepalingen in het
gewijzigde Verdrag inzake zowel het milieubeleid als de voltooiing van de interne markt in 1992, op grond
waarvan op communautair niveau binnen dezelfde tijdschaal eventuele milieunormen die betrekking heb-
ben op bepaalde produkten moeten worden opgesteld, is de Commissie van mening dat thans het tijdstip is
aangebroken om het Kennisgevingsakkoord om te zetten in een verbindend communautair instrument.
Daarom zal de Commissie een voorstel indienen voor een richtlijn om de kennisgeving van voorgestelde
milieuwetten verplicht te stellen, voor zover dit niet reeds wordt bestreken door de bepalingen van Richtlijn
83/189/EEG (2), zodat op meer systematische wijze kan worden nagegaan of het nodig is in communau-
tair verband milieumaatregelen te treffen.
2.2. Tenuitvoerlegging van richtlijnen van de Gemeenschap
2.2.1. Het is voor de Gemeenschap van het hoogste belang dat de communautaire milieuwetten door alle
Lid-Staten daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd.
2.2.2. De omzetting van Gemeenschapsrecht in nationale wetgeving vindt gewoonlijk binnen een rede-
lijke termijn plaats, hoewel in sommige gevallen pas na de in de richtlijnen vastgestelde data; uiteraard
zullen met name de nieuwe Lid-Staten de komende jaren hier een extra inspanning moeten leveren. De
Commissie heeft in het verleden evenwel een groot aantal — soms zeer aanzienlijke — lacunes en afwij-
kingen in de nationale wetgevingen aangetroffen en heeft zich genoodzaakt gezien wegens schending van
het Gemeenschapsrecht procedures in te leiden tegen de betrokken Lid-Staten om de nationale wetgeving
in overeenstemming te brengen met het Gemeenschapsrecht.
2.2.3. Naar alle waarschijnlijkheid zal de omzetting van richtlijnen van de Gemeenschap in nationale
wetgeving in de toekomst aandachtiger door het geïnteresseerde publiek worden gevolgd, aangezien de
Commissie heeft besloten haar database met informatie over de zowel speciaal aangenomen als reeds be-
staande nationale wetgeving waarmee het Gemeenschapsrecht formeel ten uitvoer wordt gelegd, open te
stellen voor het publiek.
2.2.4. Afgezien van eventuele gerechtelijke stappen, zijn ook aan de wijze waarop de bepalingen van het
Gemeenschapsrecht op nationaal niveau in de praktijk worden gebracht en de doelmatigheid waar het
erom gaat de kwaliteit van het milieu daadwerkelijk te verbeteren, aanzienlijke problemen verbonden.
2.2.5. In theorie heeft de Commissie de bevoegdheid om te controleren of het Gemeenschapsrecht en de
daarop gebaseerde nationale wetgeving op lokaal of regionaal niveau volledig in de praktijk worden ge-
bracht. Deze bevpegdheid vloeit voort uit artikel 155 van het Verdrag en ook uit artikelen in de verschil-
lende richtlijnen waarin wordt bepaald dat de Lid-Staten aan de Commissie verslag uitbrengen over de
tenuitvoerlegging van de richtlijnen. De nationale verslagen worden evenwel niet altijd regelmatig inge-
diend en bevatten vaak onvoldoende details om de Commissie in staat te stellen de praktische uitvoering
goed te beoordelen.
(») PBnr. C9van 15.3. 1973.
PB nr. C 86 van 20. 7. 1974.
O PB nr. L 109 van 26. 4. 1983, blz. 8.
Nr. C 70/10 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 18.3.87
2.2.6. In verband met beide aspecten — formele wettelijke naleving en praktische uitvoering — is de
Commissie van plan de dialoog met nationale (of, indien nodig, regionale) instanties van de Lid-Staten te
intensiveren om tot een beter geharmoniseerde interpretatie en benadering van de wettelijke en praktische
problemen in verband met de tenuitvoerlegging te komen en er bij de betrokken instanties op aan te drin-
gen ervoor te zorgen dat het Gemeenschapsrecht en de daarop gebaseerde nationale wetgeving daadwerke-
lijk worden toegepast. Sommige instanties kunnen via dergelijk overleg wellicht profiteren van de ervaring
van instanties in andere Lid-Staten. Ook moet dit overleg ertoe leiden dat de Commissie zo min mogelijk
haar toevlucht behoeft te nemen tot inbreukprocedures.
2.2.7. Bovendien is de Commissie van plan nog andere maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat
de bepalingen van de communautaire milieuwetgeving beter worden nageleefd en toegepast. Enkele maat-
regelen zijn:
— nagaan of in bepaalde gevallen milieucontroleurs van de Gemeenschap moeten worden aangesteld orq
samen met nationale ambtenaren toe te zien op een geharmoniseerde en doeltreffende tenuitvoerlegging
van het Gemeenschapsrecht;
— betere publiciteit voor het milieubeleid van de Gemeenschap en de gevolgen daarvan op lokaal, regio-
naal en nationaal niveau, om het publiek beter bewust te maken van de noodzaak van een doeltreffende
milieubescherming;
— aanmoediging van particulieren, particuliere organisaties of plaatselijke overheden om gevallen waarin
het Gemeenschapsrecht niet of onvoldoende wordt nageleefd ter attentie van de Commissie te brengen,
zodat deze passende maatregelen kan treffen;
— organisatie van studiebijeenkomsten, workshops en andere fora waar geïnteresseerden en organisaties
ervaringen kunnen uitwisselen over de toepassing van het Gemeenschapsrecht en de doeltreffendheid
ervan wat de verbetering van het milieu betreft;
— het inleiden van inbreukprocedures krachtens artikel 169 van het Verdrag tegen Lid-Staten, om ervoor
te zorgen dat de Lid-Staten hun verplichtingen uit hoofde van het Gemeenschapsrecht daadwerkelijk
nakomen.
2.2.8. De Commissie is ervan overtuigd dat een volledige en doeltreffende tenuitvoerlegging van de
milieuwetgeving van de Gemeenschap door alle Lid-Staten een zaak van het hoogste belang is en dat aldus
de kwaliteit van het milieu aanzienlijk kan worden verbeterd, dat wordt bijgedragen tot een betere integra-
tie van het nationale milieubeleid en nationale maatregelen en dat de samenhang van de Gemeenschap
wordt versterkt. Zij zal in het Vierde Milieu-actieprogramma dan ook hoge prioriteit toekennen aan te
tenuitvoerlegging van het Gemeenschapsrecht.
2.3. Integratie met andere takken van Gemeenschapsbeleid
2.3.1. Terwijl er enerzijds geen gedegen milieubeleid kan zijn, tenzij er tegelijkertijd vooruitgang is op
economisch en sociaal vlak, kan er anderzijds geen blijvende economische en sociale vooruitgang zijn, als
er geen rekening wordt gehouden met de milieuaspecten en deze niet worden gezien als een essentieel
onderdeel van de economische en sociale ontwikkeling. Dit is duidelijk erkend door de Europese Raad
toen hij de wil te kennen gaf om aan het milieubeleid de dimensie te geven van een essentieel bestanddeel
van het economisch, industrieel, agrarisch en sociaal beleid van de Gemeenschap en haar Lid-Staten.
2.3.2. Als één van de kernpunten van de activiteiten van de Commissie tijdens het Vierde Milieu-actie-
programma zal dan ook worden getracht deze doelstelling grotendeels te realiseren — in eerste instantie
wat het beleid en de maatregelen van de Gemeenschap betreft, vervolgens op het niveau van het nationale
beleid van de Lid-Staten en zo spoedig mogelijk in een meer algemeen verband, zodat bij de planning en
uitvoering van alle economische en sociale ontwikkeling in de gehele Gemeenschap, opgezet door open-
bare of particuliere instellingen of door een combinatie van beide, volledig rekening wordt gehouden met
de milieueisen.
2.3.3. In verband met deze sterk verstrekkende initiatieven zal uiteraard prioriteit worden gegeven aan
projecten, terwijl er ook voor dient te worden gezorgd dat bij de praktische realisering van allerhande
ontwikkelingen voldoende rekening wordt gehouden met de milieueisen. De Commissie zal zich evenwel
ook zo spoedig mogelijk gaan bezighouden met beleidspunten en beleidsverklaringen, plannen en de uit-
voering daarvan, procedures, programma's (met inbegrip van de algemene doelstellingen en onderdelen
daarvan) en afzonderlijke projecten.
2.3.4. Wat de verschillende takken van het beleid van de Gemeenschap zelf betreft, zijn de projecten en
programma's die worden gefinancierd uit de structuurfondsen en andere Fondsen van de Gemeenschap nu
reeds van bijzonder belang. Uiteraard zullen de onlangs ingestelde permanente regelingen voor nauwe
coördinatie van activiteiten in het kader van alle structuurfondsen er aanzienlijk toe bijdragen dat rekening
18.3.87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 70/11
wordt gehouden met de milieueisen. In het kader van deze coördinatieregelingen werkt de Commissie
reeds aan de ontwikkeling van efficiënte interne procedures om ervoor te zorgen dat bij de beoordeling en
goedkeuring van voorstellen voor alle ontwikkelingen die uit deze Fondsen moeten worden gefinancierd
rekening wordt gehouden met de milieueisen. Deze procedures zullen nauw worden gebaseerd op de in-
houd van de richtlijn betreffende milieueffectbeoordeling (85/337/EEG) (*). Ook zal daarbij worden voor-
zien in de verplichting om in bepaalde gevallen een volledige milieueffectrapportage te verrichten. Nadat
deze procedures zijn opgesteld voor het Gemeenschapsbeleid, zal de Commissie nagaan of zij meer alge-
meen toepasbaar zijn en ter zake voorstellen doen.
2.3.5. Milieueffectbeoordeling van ontwikkelingsvoorstellen is op zich evenwel niet voldoende voor een
adequate integratie van milieueisen in andere beleidstakken. Om een indruk te geven van de initiatieven die
nodig zijn om deze eisen volledig in te bouwen in de planning en uitvoering van economische en sociale
activiteiten in de Gemeenschap, worden in de volgende punten de plannen van de Commissie geschetst
voor bepaalde beleidstakken waar, volgens de Commissie, specifieke acties nodig zijn.
2.3.6. Landbouw. Het zozeer bewonderde Europese landschap is in de loop van de eeuwen door de
landbouw gevormd. De ontwikkeling van moderne landbouwmethoden roept evenwel problemen op waar-
voor dringend een antwoord moet worden gevonden. Door een verkeerd grondgebruik wordt schade toe-
gebracht aan de kwaliteit van landschappen en aan gebieden die voor het natuurbehoud van bijzonder
belang zijn; door misbruik van chemicaliën en ongecontroleerde lozing van agrarisch afval worden water-
voorraden vervuild en wordt schade toegebracht aan flora en fauna. De Commissie heeft reeds (na publika-
tie van haar Groenboek inzake „Perspectieven voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid" (J) en haar
daarop volgende mededeling „Een toekomst voor de Europese landbouw" (J)) haar eerste voorstellen aan-
gekondigd, die tot doel hebben ervoor te zorgen dat bij het landbouwbeleid en de landbouwmethodes in
de Gemeenschap meer rekening wordt gehouden met het milieu en dat het waardevolle erfgoed aan land-
schap en soorten behouden blijft. Deze voorstellen hebben betrekking op maatregelen om de landbouw te
steunen in gebieden waar de landbouw van essentieel belang is voor de ruimtelijke ordening, de handha-
ving van het sociale evenwicht en de bescherming van milieu en landschap en op de noodzaak de boeren
beter bewust te maken van milieuaspecten.
2.3.7. Voorts heeft de Commissie in COM(85) 750 uiteengezet dat volgens haar een reeks maatregelen
in verband met onder meer het gebruik van landbouwchemicaliën, de verwerking van agrarisch afval en het
behoud van soorten, habitats en landschappen nodig is om een goed evenwicht te bereiken tussen agrari-
sche ontwikkeling en de soms daarmee botsende eisen van het natuurbehoud. Wat grootschalige land- en
bosbouwprojecten en -programma's betreft, heeft de Commissie in het verleden meermalen te kennen ge-
geven dat milieueffectrapportages een vereiste zijn. Zoals in de recente mededeling van de Commissie aan
de Raad betreffende communautaire actie in de bosbouwsector (4) is aangegeven, is uitbreiding van het
bosareaal in de Gemeenschap om een aantal redenen gewenst, bjj voorbeeld vanwege de bijdrage tot de
bescherming en verbetering van het milieu die hiervan kan uitgaan. De Commissie zal zo spoedig mogelijk
met voorstellen inzake deze aangelegenheden komen.
2.3.8. Voorts vormt een systematische controle van de bossterfte een essentiële maatregel met het oog op
maatregelen om de luchtvervuiling te bestrijden; voorstellen in dit verband (en ook in verband met de
bestrijding van bosbranden) liggen reeds geruime tijd bij de Raad; de Commissie dringt aan op een zo
spoedig mogelijke goedkeuring.
2.3.9. Industrie. De integratie van milieuoverwegingen in het industriebeleid gaat veel verder dan preven-
tie of vermindering van vervuiling en milieueffectrapportage. Er dient rekening te worden gehouden met
het milieu bij de bepaling van de vestigingsplaats en het ontwerp van industriële installaties, de keuze van
produkten en procédés door de industrie en de industriële aanpak van het afvalbeheer. Anderzijds mag
evenwel ook niet uit het oog worden verloren dat de industrie de rijkdom oplevert die onder meer de
nodige investeringen in en verbetering van het milieu mogelijk maakt.
2.3.10. Het beleid van de Commissie is er duidelijk op gericht bij het opstellen van voorstellen voor
milieuwetgeving nauw overleg te plegen met de industrie. Tevens wordt ernaar gestreefd om, waar moge-
lijk, van te voren mogelijke veranderingen in de wetgeving met het oog op strengere milieunormen of
-^eisen aan te kondigen zodat de industrie hierop tijdig kan inspelen en rekening kan houden met de
nieuwe normen bij de planning van haar toekomstige investeringen, beleidslijnen en produkten.
(') PB nr. L 175 van 5. 7. 1985.
O COM(85) 333 van 13. 7. 1985.
O COM(85) 750 van 18. 12. 1985.
{') COM(86) 26 van 31. 1. 1986.
Nr. C 70/12 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 18.3. 87
2.3.11. De wetgeving is evenwel slechts één aspect. Het is duidelijk dat de milieunormen steeds strenger
zullen worden en dat het publiek steeds meer zal aandringen op een beter milieu. Het is dan ook van het
hoogste belang dat de industrie, op eigen initiatief en in haar eigen belang, zich meer gaat inspannen om
bij haar beleid en haar procédés en methodes rekening te houden met milieuaspecten. In dit verband heb-
ben al veel industriële ondernemingen belangrijke stappen gedaan; hetzelfde geldt voor bepaalde banken,
vezekeringsmaatschappijen, enz. Er kan evenwel pas van een volledige integratie van de milieuaspecten in
alle economische en sociale activiteiten worden gesproken als deze aanpak algemeen wordt gevolgd.
Daarom zal de Commissie tijdens het Vierde Milieu-actieprogramma in nauwe samenwerking met de indus-
trie geschikte richtsnoeren en praktij kregels opstellen, om een dergelijke ontwikkeling zo spoedig mogelijk
te stimuleren.
2.3.12. Hierbij dient er rekening mee te worden gehouden dat strengere normen vooral problemen ople-
veren voor oudere bedrijven die in een herstructureringsproces gewikkeld zijn en veel oude fabrieken bezit-
ten. Een aantal van de nieuwe bedrijven die hiervoor in de plaats komen, maken gebruik van nieuwe
technologieën die van nature minder vervuiling en minder milieuproblemen opleveren dan de oude. Een
aantal van de nieuwe technieken kan bovendien worden gebruikt, en wordt gebruikt, in bedrijven die zich
met het milieubeheer bezighouden (bij voorbeeld apparatuur ter bestrijding van de vervuiling), zodat een
beter milieubeheer en technologische innovatie hier hand in hand gaan.
2.3.13. Hoewel het voor bepaalde bedrijven meer of minder moeilijk zal zijn om te voldoen aan stren-
gere milieunormen, is de Commissie ervan overtuigd dat het concurrentievermogen van de communautaire
industrie op de wereldmarkten in de jaren '90 door de bank genomen gedeeltelijk afhankelijk zal zijn van
de vraag of haar produkten voldoen aan milieunormen die tenminste even streng zijn als die van haar
concurrenten. Als dit niet het geval is, dan zullen de communautaire producenten niet alleen op internatio-
nale markten, maar ook op de interne, markt hun marktaandeel verliezen. Bovendien moet worden opge-
merkt dat vervuiling een verspilling van hulpbronnen betekent en vaak samenhangt met verouderde techno-
logieën. Zowel het een als het ander houdt in dat het vaststellen van ambitieuze milieunormen in de rest
van de jaren '80, waardoor technologische innovatie om hieraan te voldoen wordt gestimuleerd, op lange
termijn markten en werkgelegenheid zal beschermen. Deze in ontwikkeling zijnde normen zullen een ware
uitdaging vormen voor de industrie, maar tegelijkertijd ook belangrijke mogelijkheden bieden.
2.3.14. Strengere milieunormen zullen waarschijnlijk speciaal de kleine en middelgrote ondernemingen
groeikansen bieden. De Gemeenschap heeft ingezien dat dergelijke ondernemingen een belangrijke factor
kunnen zijn in het algehele proces van economische groei en toenemende werkgelegenheid in Europa. Op
de zeer specifieke behoeften op het stuk van produktontwikkeling, innovatie en fabricage die het gevolg
zijn van hogere milieunormen zal in eerste instantie worden ingespeeld door kleinere ondernemingen die
daartoe over de nodige flexibiliteit beschikken. De hieruit voortvloeiende oprichting en ontwikkeling van
kleine en middelgrote ondernemingen zal in de komende jaren een significante bijdrage leveren tot de
Europese economie. Anderzijds moeten de kleine en middelgrote ondernemingen zelf ook aan steeds stren-
gere milieunormen voldoen, waardoor zij in moeilijkheden kunnen raken. In sommige gevallen kan het
noodzakelijk worden dat de overheidsinstanties deze ondernemingen helpen bij het doen van de investerin-
gen die nodig zijn om aan die normen te voldoen. Tegelijkertijd dienen de wetgevers, zowel op commu-
nautair als nationaal niveau, rekening te houden met de kosten die voor zulke ondernemingen uit de
wetgeving voortvloeien. Hoge milieunormen moeten dan ook met zo min mogelijk bureaucratische omhaal
en op de meest kosteneffectieve wijze tot stand komen.
2.3.15. Mededingingsbeleid. Sinds 1974 heeft de Commissie onder bepaalde voorwaarden steunmaatrege-
len ter bevordering van de milieubescherming toegestaan in het besef dat deze het algemeen Europees
belang dienden. Het toelaten van beperkte overheidssteun voor dit doel beoogt de invoering en de aanpas-
sing van de industrie aan voorschriften die een meer doeltreffende milieubescherming garanderen en uitein-
delijk leiden tot de bevordering van het beginsel „de vervuiler betaalt". De kaderregeling voor de goedkeu-
ring van dergelijkte steun loopt op 31 december 1986 af en de Commissie bestudeert momenteel de moge-
lijkheid deze regeling te verlengen.
2.3.16. Regionaal beleid. Een van de belangrijkste sectoren van het communautaire beleid is het regionale
ontwikkelingsbeleid dat erop gericht is de economische ontwikkeling te bevorderen van de regio's van de
Gemeenschap die minder ontwikkeld zijn of een economische achterstand hebben, en zodoende economi-
sche verschillen te verminderen. Veel van de uit het Regionaal Fonds gefinancierde projecten zijn tamelijk
grootschalige infrastructuurprojecten. Veel van de gesteunde gebieden bevatten zones die vanuit milieuoog-
punt belangrijk of kwetsbaar zijn en het is dan ook uitermate belangrijk dat de milieueisen worden geïnte-
greerd in de planning en uitvoering van het regionaal ontwikkelingsbeleid en de desbetreffende program-
ma's (en afzonderlijke projecten). Deze integratie kan tot stand worden gebracht via de onder punt 2.3.4
genoemde procedures.
2.3.17. De wijze waarop het regionaal beleid en het milieubeleid in elkaar grijpen gaat evenwel verder
dan dit hoofdzakelijk preventieve aspect. In de gebieden in de Gemeenschap met een zekere economische
18.3.87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen N r . C 70/13
achterstand is het mogelijk dat de nodige milieuverbeteringen worden vertraagd door de financiële implica-
ties voor de aanwezige ondernemingen. Bovendien kampen de overheden in bepaalde gebieden van de
Gemeenschap nu reeds met economische problemen bij de toepassing van communautaire maatregelen, met
name in verband met de totstandbrenging van een fundamentele milieu-infrastructuur. In verband met deze
problemen zal de Commissie een voorstel indienen voor een programma van de Gemeenschap in het kader
van het Regionaal Fonds, dat tot doel heeft steun te verlenen aan de probleemgebieden in de Gemeenschap
bij de uitvoering van de milieurichtlijnen van de Gemeenschap — hetgeen zowel de sociaal-economische
ontwikkeling van dergelijke gebieden als het milieubeleid van de Gemeenschap ten goede komt. Deze
plannen, die zijn aangekondigd in COM(86) 76, komen in de punten 2.5.4 en 5.4.6 nog eens ter sprake.
De Commissie hoopt in de eerste helft van 1987 met duidelijke voorstellen te kunnen komen. Overeen-
komstig de algemene lijnen van de resolutie van de Raad van 17 februari 1983 betreffende de vaststelling
van het Derde Milieuprogramma van de Gemeenschap (')> zal de Commissie zich onder meer laten leiden
door de noodzaak rekening te houden met de verschillende economische en ecologische omstandigheden
en de uiteenlopende structuren in de Gemeenschap.
2.3.18. Energie. De energieproduktie is in sterke mate afhankelijk van het gebruik van fossiele brandstof-
fen, zodat luchtverontreiniging onvermijdelijk een rol speelt in het energiebeleid. Anderzijds zijn milieuei-
sen van invloed op de energieprijzen en op de wijze waarop verschillende energiebronnen met elkaar con-
curreren. Zoals gezegd in de recente mededeling van de Commissie betreffende nieuwe energiedoelstellin-
gen voor de Gemeenschap (2) is het dan ook van het hoogste belang dat er een evenwicht wordt gevonden
tussen milieu- en energiedoelstellingen. Energiebesparing en alternatieve niet-fossiele energiebronnen kun-
nen een bijdrage leveren tot een betere luchtkwaliteit. Er bestaan technieken om de uitstoot van schadelijke
stoffen door elektriciteitscentrales die op fossiele brandstoffen werken tegen een redelijke prijs aanzienlijk
te verlagen; bij de voorstellen van de Commissie met het oog op de vermindering van de uitstoot van grote
stookinstallaties (zie punt 4.1.4) is hiervan uitgegaan.
2.3.19. Speciaal het veilige gebruik van kernenergie in de Gemeenschap komt zeker uitgebreid ter sprake
tijdens de diepgaande evaluatie die op dit ogenblik plaatsvindt zoals aangekondigd in de mededeling van
de Commissie aan de Raad over de consequenties van het ongeluk te Tsjernobyl (3). In het kader van deze
evaluatie zullen een aantal maatregelen in verband met de milieubescherming worden onderzocht en zullen
ter zake voorstellen worden gedaan (zie de punten 4.1.7, 4.2.2, 4.3.8, 5.3.7 en 7.1.6 (tweede onderdeel));
deze hebben betrekking op de mogelijkheid om voor kerninstallaties de voor de niet-nucleaire industrie
ontwikkelde benadering te volgen voor emissienormen en veiligheidscriteria: het dumpen van afval in zee
en het vervoer van gevaarlijke stoffen (met inbegrip van kernmaterialen).
2.3.20. Het is duidelijk dat het gebruik van fossiele brandstoffen op langere termijn tot ernstige proble-
men kan leiden, als de toename van de kooldioxydeconcentraties in de atmosfeer en het „broeikaseffect"
(zoals sommige wetenschappers vrezen) ernstige gevolgen blijken te hebben voor het klimaat en de land-
bouwproduktie in de geheje wereld. Voor het geval uit verder wetenschappelijk onderzoek mocht blijken
dat dergelijke gevolgen waarschijnlijk zijn, dient de Commissie zich nu reeds te beraden over mogelijke
antwoorden en alternatieve energiestrategieën. De Commissie zal haar studies in dit verband voortzetten.
2.3.21. Over het algemeen is het dan ook duidelijk dat bij alle maatregelen op het gebied van het ener-
giebeleid rekening moet worden gehouden met zowel milieuaspecten als economische aspecten (em omge-
keerd). Er is reeds een zekere integratie tot stand gebracht, maar er kunnen, zoals gezegd, nog tal van
echte problemen opduiken. Het beheer van radioactief afval, waarvoor de Gemeenschap een onderzoek-
programma en een actieprogramma (1988-1992) heeft opgezet, blijft een belangrijk milieuprobleem. Bij de
nodige versterking van het communautaire beleid moet worden voortgebouwd op resultaten van werk-
zaamheden die reeds lopen, met name in het kader van de onderzoekprogramma's van de Gemeenschap,
met het oog op de uitwerking van duidelijke communautaire richtlijnen voor de verwijdering van zulk
afval.
2.3.22. Interne markt. De voltooiing van de interne markt in 1992 is een algemeen aanvaarde taakstelling
van de Gemeenschap en een van de belangrijkste uitdagingen waarvoor de Gemeenschap zich geplaatst
ziet. Om deze doelstelling te bereiken, moet vanuit alle andere beleidssectoren van de Gemeenschap actieve
steun en medewerking worden verleend. Wat het milieubeleid betreft, zullen de belangrijkste potentiële
(') PB nr. C 46 van 17. 2. 1983.
O COM(85) 245 van 28. 5. 1985.
O COM(86) 327 van 12. 6. 1986.
Nr. C 70/14 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 18.3.87
gevolgen van de voltooiing van de interne markt betrekking hebben op produktnormen. In belangrijke
gevallen kunnen nationale normen, speciaal wat het aspect van de milieubescherming betreft, sterk uiteen-
lopen. In dergelijke gevallen is het van essentieel belang dat al in een vroeg stadium in communautair
verband de met het oog op het milieu vereiste harmonisatie van deze normen tot stand wordt gebracht. In
de Europese Akte is bepaald dat bij de onderlinge aanpassing van de milieuwetgeving zal worden uitgegaan
van een hoog beschermingsniveau (zie punt 1.5). De Commisie zal in de periode tot 1992, gedurende het
Vierde Milieu-actieprogramma, ter zake voorstellen doen.
2.3.23. Vervoer. Het vervoer en het milieu hebben tal van raakvlakken. Vervoer in de meest algemene
zin van het woord ligt ten grondslag aan veel milieuproblemen (lawaai, luchtverontreiniging, aantasting van
het landschap, enz.), maar kan anderzijds rechtstreeks een positieve bijdrage leveren tot het scheppen of
verbeteren van bepaalde ecosystemen. Een betere toegankelijkheid maakt dat mensen gebieden die voor het
milieu van belang zijn, gemakkelijker kunnen leren kennen en waarderen. Anderzijds lijdt het geen twijfel
dat slecht geplande transportverbindingen nefast kunnen zijn voor de kwaliteit van het milieu. Het is van
belang dat er milieuvriendelijker voertuigen worden ontwikkeld; zoals elders opgemerkt, wordt hieraan
reeds gewerkt. Er dient evenwel vooral aandacht te worden geschonken aan grote infrastructuren voor het
vervoer, ten einde de nadelige gevolgen voor het milieu te minimaliseren en de voordelen te maximaliseren;
in vrijwel alle gevallen zal uiteraard een milieueffectrapportage moeten plaatsvinden uit hoofde van Richt-
lijn 85/337/EEG. De Commissie zal erop toezien dat meer aandacht wordt geschonken aan al deze raak-
vlakken, die, gezien de nieuwe stimulans aan de ontwikkeling van het gemeenschappelijk vervoerbeleid,
steeds belangrijker zullen worden.
2.324. Toerisme. Het effect van het toerisme op het milieu en omgekeerd is eveneens een punt van grote
zorg, speciaal in het licht van de noodzaak de kwaliteit van Europa's natuurlijk en architectonisch erfgoed
in stand te houden en te verbeteren.
2.3.25. Sociaal beleid. De essentiële rol van het milieubeleid in het sociale beleid staat buiten twijfel. Er
zijn talrijke raakvlakken, met name wat betreft de bescherming van de werknemers, de beroepsopleiding en
de algemene arbeidsomstandigheden. De opleidingen op milieugebied en de mate waarin het milieubeleid
nieuwe banen kan opleveren (zie de punten 2.4.6 en 2.4.7) zijn duidelijk van belang voor het sociale beleid.
De tenuitvoerlegging van het sociale beleid en de milieu-actieprogramma's dienen dan ook zo nauw moge-
lijk te worden gecoördineerd. Wellicht dienen er in het kader van het milieubeleid nieuwe maatregelen te
worden getroffen die ook voor het sociale beleid van groot belang zijn. Deze kunnen onder meer betrek-
king hebben op de functie en de status van degenen die in fabrieken zijn belast met een correcte toepassing
van de milieuvoorschriften.
2.3.26. Bescherming van de consument. Maatregelen op dit gebied bieden tal van mogelijkheden om reke-
ning te houden met de milieudimensie en zodoende het milieubeleid van de Gemeenschap te steunen. In
programma's voor consumenteneducatie en -voorlichting, waarvan een aantal via instrumenten van de Ge-
meenschap wordt bevorderd, dienen naast de consumentenaspecten ook de milieuaspecten van produkten
en diensten te worden behandeld. Aan de produktveiligheid, bij voorbeeld op cosmeticagebied, die terecht
in de belangstelling staat, zijn ook milieuaspecten verbonden. Hetzelfde geldt voor typische consumenten-
belangen als de kwaliteit van drinkwater en het ontwerp en de duurzaamheid van produkten. De Commis-
sie zal de nodige stappen nemen met het oog op een nauwere coördinatie van het beleid op beide gebieden.
2.3.27. Ontwikkelingssamenwerking. De integratie van milieueisen in de ontwikkelingsprogramma's van
de Gemeenschap wordt van bijzonder belang geacht. Veel van de problemen in de Derde Wereld zijn
namelijk in wezen milieuproblemen; een beleid dat er rechtstreeks op gericht is het milieu te beschermen en
te verbeteren en de voorwaarden te scheppen voor een blijvende economische groei, is dan ook van essen-
tieel belang voor een doeltreffende aanpak van de ontwikkelingsproblemen.
2.3.28. Algemeen. Over het algemeen zal de Commissie ernaar streven dat de nodige stappen worden
genomen om de milieueisen te integreren in de planning en tenuitvoerlegging van alle economische, indus-
triële, agrarische en sociale beleidslijnen, overeenkomstig de wens die is geuit in de in punt 2.3.1 genoemde
conclusies van de Europese Raad. In eerste instantie zal het zwaartepunt, zoals gezegd in punt 2.3.2,
komen te liggen op het beleid van de Gemeenschap zelf; daarom zal de Commissie interne procedures en
praktijkregels opstellen om ervoor te zorgen dat deze integratie van milieufactoren routinematig geschiedt
in alle andere beleidssectoren. Tevens zal de Commissie tijdens het Vierde Milieu-actieprogramma werken
aan de ontwikkeling van richtsnoeren, procedures en andere hulpmiddelen om een zelfde integratie in het
beleid in de Lid-Staten van zowel openbare als particuliere economische subjecten te bevorderen.
18. 3. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 70/15
2.4. Economische en werkgelegenheidsaspecten van het milieubeleid en de desbetreffende maatregelen
2.4.1. Milieugerichte maatregelen vormen een integrerend bestanddeel van de economische activiteiten
van de Gemeenschap. Milieubescherming verhoogt de kwaliteit van het bestaan en waarborgt natuurlijke
hulpbronnen waardoor het mogelijk wordt de voordelen van de economische activiteiten volledig te benut-
ten, zulks door het ontstaan van een betere indeling van de economische groei en de werkgelegenheid met
het dienovereenkomstige gunstige effect op het concurrentievermogen van de industrie. De Commissie is
zich echter bewust van de moeilijkheden bij het opstellen van een balans van de positieve en negatieve
invloed op economie en werkgelegenheid van het milieubeleid en dienovereenkomstige maatregelen. Wil
men uit een dergelijke balans iets kunnen aflezen dan moeten de voordelen evenals de kosten van milieu-
maatregelen volledig worden verwerkt bij de besluitvormingsprocedure, ongeacht of deze in geld zijn uit te
drukken.
2.4.2. In dit licht gezien is het van groot belang dat de amendementen op het Verdrag van Rome,
waarover de Regeringen van de Lid-Staten het eens zijn geworden, onder meer bepalen dat bij milieumaat-
regelen van de Gemeenschap rekening zal worden gehouden met de kosten en baten van dergelijke maat-
regelen, dan wel van het niet nemen daarvan. De Commissie zal trachten beoordelingsmethodes te ontwik-
kelen die deze taak kunnen helpen verlichten en die, voor zover mogelijk, zullen worden gebruikt bij de
opstelling van een kosten/baten-analyse als grondslag voor voorstellen op het gebied van het milieu. '
2.4.3. Bij deze beoordeling moet duidelijk ook rekening worden gehouden met de effecten op korte en
lange termijn. De Commissie ziet uiteraard in dat economische winst ten gevolge van de aanwending van
uitsluitend milieugerichte eisen niet zonder kosten op korte termijn valt te realiseren. In sommige gevallen
kunnen er derhalve op korte termijn problemen op het gebied van de financiering en de concurrentiepositie
ontstaan. In andere gevallen wordt de investering zo snel terugverdiend dat op korte termijn zowel econo-
mische als milieugerichte winst te verwachten is. In weer andere gevallen staan tegenover de kosten op
korte termijn van de uitvoering van milieumaatregelen economische voordelen op langere termijn (indien
daardoor bij voorbeeld de ontwikkeling en invoering van kostenbesparende technologieën worden gestimu-
leerd of een betere concurrentiepositie wordt bereikt in markten met strenge milieubepalingen).
2.4.4. Zelfs indien de economische winst ten gevolge van milieugerichte maatregelen slechts op langere
termijn valt te realiseren, kunnen er toch nog gezonde milieugerichte en economische redenen bestaan voor
het doen van de nodige investeringen. De OESO concludeerde dat de voordelen ten gevolge van milieuge-
richte maatregelen (met inbegrip van de vermeden kosten van schade) in het algemeen groter zijn dan de
daaraan verbonden kosten. Bij de berekening en vergelijking is het steeds van wezenlijk belang rekening te
houden met de schadekosten die ontstaan bij het niet nemen van milieugerichte maatregelen.
2.4.5. Ook is het echter van belang in gedachten te houden dat de kosten op korte termijn die voort-
vloeien uit de invoering van nieuwe milieunormen een nadelige invloed kunnen hebben op de concurrentie-
positie van bepaalde ondernemingen die hieraan moeten voldoen. Daarom moet niet alleen zorgvuldig
aandacht worden besteed aan de aard en het niveau van milieunormen die moeten worden ingevoerd, maar
ook aan het tijdschema voor het van kracht worden daarvan. Bij het uitwerken van milieugerichte maatre-
gelen streeft de Commissie er derhalve naar te waarborgen dat de doelstellingen en middelen de industrie
duidelijk worden gemaakt en dat bedrijven over voldoende tijd beschikken om zich bij de nieuwe normen
te kunnen aanpassen. Aanpassing aan nieuwe milieunormen kan onder bepaalde omstandigheden worden
vereenvoudigd met financiële steun (zie punt 2.5).
2.4.6. Voor wat betreft de werkgelegenheid is de Commissie duidelijk van mening dat een strenger
milieubeleid in het algemeen een gunstige invloed zal hebben op het scheppen van werkgelegenheid door
de milieugerichte infrastructuur en investeringen en door de fabricage van nieuwe produkten die in recht-
streeks verband staan met de verbetering van de kwaliteit van het milieu. Hoewel in sommige gevallen,
waarin milieumaatregelen leiden tot verhoging van de kosten van de industrie op korte termijn, een nega-
tieve invloed op de werkgelegenheid kan worden uitgeoefend, beschikt de Commissie over talrijke bewij-
zen dat in het verleden het milieubeleid uiteindelijk in het algemeen een gunstige invloed op de werkgele-
genheid heeft gehad. Vast staat in ieder geval dat talrijke milieumaatregelen direct en indirect een positieve
invloed hebben op de schepping van werkgelegenheid (zoals de maatregelen gericht op het tegengaan van
de verloedering van stadscentra, het hernieuwd gebruik van braakliggend land of het herstel van schade
aan het landschap in van nature fraaie streken). Van deze mogelijkheden is echter tot op heden geheel
onvoldoende gebruik gemaakt. In het algemeen dienen de milieumaatregelen zo te worden gestructureerd,
dat ze een zo gunstig mogelijk effect op de werkgelegenheid hebben.
2.4.7. Daarom denkt de Commissie op korte termijn een vijfjarenprogramma voor de hele Gemeenschap
voor te stellen van „demonstratieprojecten" in alle Lid-Staten die ten doel hebben aan te tonen hoe milieu-
maatregelen en de tenuitvoerlegging van het milieubeleid kunnen leiden tot de schepping van werkgelegen-
heid; tevens ligt het in de bedoeling veel ervaring en informatie te vergaren waarop de industrie en alle
Lid-Staten in de toekomst een beroep kunnen doen.
Nr. C 70/16 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 18. 3. 87
2.5. Economische hulpmiddelen
2.5.1. De meest uiteenlopende maatregelen en procedures kunnen worden aangewend ter verbetering of
handhaving van de kwaliteit van het milieu. Hieronder vallen uiteraard wettelijke voorschriften voor pro-
dukten, procédés, emissies en afval maar ook economische maatregelen (zoals belastingen, heffingen, over-
heidssubsidies, verhandelbare lozingsvergunningen) en overeenkomsten met vervuilers. De keuze van het
meest geschikte instrument of instrumenten voor individuele gevallen hangt af van de omstandigheden, het
-wettelijke en bestuursrechtelijke kader en de aard van het te behandelen milieuprobleem.
2.5.2. De Gemeenschap speelt een belangrijke rol bij het ontwikkelen van hulpmiddelen van economi-
sche aard ter beheersing van de verontreiniging en bij het opstellen van richtsnoeren voor de aanwending
daarvan bij de tenuitvoerlegging van communautaire bepalingen. Al dat soort maatregelen moeten uiter-
aard worden gebruikt op een wijze die verenigbaar is met de beginselen van het communautaire milieube-
leid, met name met het „de vervuiler betaalt"-principe en de preventieve benaderingswijze.
2.5.3. De aanbeveling inzake toewijzing van kosten (') van 1975 voorziet in het gebruik van heffingen
onder omstandigheden waarin zulks nuttig wordt geacht. De Commissie heeft het voornemen hieraan te
blijven werken om te komen tot de aanwending van economische hulpmiddelen ter ondersteuning van de
communautaire wetgeving. De aanbeveling van 1975 voorziet tevens in overheidssubsidies voor maatrege-
len ter controle op de verontreiniging indien men van mening is dat een afwijking van het „de vervuiler
betaalt"-principe gerechtvaardigd is. Binnen een door de Commissie vastgesteld kader mogen de Lid-Staten
reeds bestaande bedrijven beperkte financiële steun verlenen ter vereenvoudiging van de invoering van
nieuwe bepalingen voor de controle op de verontreiniging; deze regeling loopt op 31 december 1986 ten
einde en de Commissie gaat momenteel na of verlenging ervan wenselijk is.
2.5.4. Ook overweegt de Commissie te blijven bijdragen aan de steun voor maatregelen ter controle op
de verontreiniging. Zij zal in het kader van het Regionaal Fonds een voorstel indienen voor een Gemeen-
schapsprogramma (zie punt 2.3.16) ter verbetering van de milieugebonden infrastructuur en ter ondersteu-
ning van de tenuitvoerlegging van de richtlijnen van de Gemeenschap op het gebied van het milieu in
minder begunstigde regio's van de Gemeenschap.
2.5.5. Tenslotte denkt de Commissie aandacht te besteden aan de draagwijdte van een betere definitie
van de aansprakelijkheid op het gebied van het milieu (met inbegrip van de mogelijkheid dat de vervuiler
een grotere aansprakelijkheid aanvaardt voor schade die ontstaat door produkten of procédés) en aandacht
te besteden aan het vraagstuk van de coördinatie van hulpmiddelen indien er bij produktnormen of grens-
overschrijdende verontreiniging aanzienlijke moeilijkheden ontstaan.
2.5.6. Meer concreet gesteld heeft de Commissie het voornemen van economische hulpmiddelen gebruik
te maken bij de tenuitvoerlegging van het Gemeenschapsbeleid op het gebied van de luchtverontreiniging
(zie punt 4.1), de waterverontreiniging (zie punt 4.2), de bescherming tegen geluidshinder (zie punt 4.5),
de milieubescherming (zie punt 5.1) en het afvalbeheer (zie punt 5.3).
2.6. Voorlichting en educatie
2.6.1. Op de noodzaak het hele proces van regulering en aanwending van bestaande regels transparenter
te maken, vooral voor het grote publiek, werd reeds gewezen. In dit verband is het van belang de mogelijk-
heden te verbeteren waarover particulieren en groepen op grond van de nationale wetgeving beschikken
voor het verdedigen van hun rechten of belangen in administratieve procedures. Volgens de Commissie
moet bijzondere aandacht worden besteed aan situaties waarin de toegang tot informatie een onderdeel
vormt van de betere bescherming van mens of milieu, zulks door de betere aanwending van voorschriften
of anderszins. Een soortgelijke aandacht zou moeten worden besteed aan de toegang tot informatie bij
grensoverschrijdende verontreiniging.
2.6.2. Volgens de Commissie zou het mogelijk moeten zijn wegen te vinden voor een betere toegang van
het publiek tot de informatie waarover milieubetrokken autoriteiten beschikken terwijl tevens die informa-
tie, welke terecht als vertrouwelijk kan worden beschouwd, wordt afgeschermd. De Commissie bestudeert
de noodzaak en de wenselijkheid van een communautair voorschrift inzake de vrije toegang tot milieube-
trokken informatie-en zal dienovereenkomstige voorstellen doen.
2.6.3. Nog afgezien echter van de vraag het recht van toegang tot stand te brengen, bestaat er geen
twijfel dat een ruimere verspreiding van informatie over milieu en milieuproblemen, de desbetreffende be-
leidslijnen en programma's tot een aanzienlijke steun kan leiden voor zowel de evolutie als de aanvaarding
door het publiek van de vereiste milieumaatregelen. Hieraan werd nog niet voldoende aandacht besteed al
moet worden geconstateerd dat een aantal Lid-Staten nu op gezette tijden nationale rapporten over de
stand van het milieu publiceren. Harerzijds denkt de Commissie om met ingang van 1987 om de drie jaar
O PB nr. L 194 van 25. 7. 1975.
18.3.87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen N r . C 70/17
soortgelijke rapporten voor de gehele Gemeenschap te publiceren waarvoor zij gebruik maakt van de door
de Lid-Staten krachtens bepalingen van communautaire richtlijnen verstrekte informatie alsmede van infor-
matie waarover zij kan beschikken door de steeds verdergaande ontwikkeling van het communautaire in-
formatiesysteem over de stand van het milieu en over natuurlijke hulpbronnen (CORINE) (') (zie punt
2.6.6).
2.6.4. Meer in het algemeen gesproken heeft de Commissie het voornemen de hele opzet van haar ver-
spreidingswijze voor informatie over milieuvraagstukken te herzien. Er zou veel meer aan voorlichting
kunnen worden gedaan waarbij dan tevens de publieke opinie zou kunnen worden overgehaald te pleiten
voor een strikt milieubeleid. Als vermeld in punt 2.2 heeft de Commissie het voornemen ervoor te zorgen
dat informatie over de uitvoering van de milieugerichte wetgeving van de Gemeenschap op grotere schaal
wordt verspreid. Ook zal de Commissie ervoor zorg dragen dat een veel groter aantal van de talrijke
rapporten over de wetenschappelijke, technische en economische aspecten, die in het kader van de ontwik-
keling van voorstellen voor een beleid ten behoeve van de diensten van de Commissie worden opgesteld
(maar waarvoor ook elders belangstelling kan bestaan), naar behoren worden gepubliceerd. Ook verleent
de Commissie steun bij het lanceren van een nieuw maandblad over milieubeleid en -wetgeving van de
Gemeenschap. Om de voorlichtingscampagnes doeltreffender te maken, zal de Commissie daarnaast zor-
gen voor een betere coördinatie tussen het Directoraat-generaal Voorlichting, Communicatie en Cultuur
en de andere betrokken diensten.
2.6.5. Het Europese Jaar van het Milieu (zie punt 8) heeft wezenlijk ten doel ieder individu in de Ge-
meenschap te overtuigen van het belang van het milieu en daardoor over te gaan tot het innemen van een
ander standpunt (zowel van de maatschappij als van particulieren) ten opzichte van strenge normen ter
bescherming van het milieu. Het biedt zowel een gelegenheid als een uitdaging voor een duidelijke verbete-
ring van het overbrengen van belangrijke informatie waarbij dit overbrengen zo dient te geschieden dat
deze informatie door de gehele maatschappij ter kennis kan worden genomen. Tevens biedt het een kans
om het publiek te overtuigen van de noodzaak zich (zowel gedurende het jaar als daarna) toe te leggen op
het streven naar praktische verbeteringen.
2.6.6. Voor wat betreft de pure feiten over parameters die voor het milieu van belang zijn, zal het
communautaire informatiesysteem over de stand van het milieu (CORINE) van steeds grotere waarde en
belang zijn. Het voornaamste doel van CORINE is ervoor zorg te dragen dat er een gezonde grondslag
beschikbaar is voor vergelijkbare milieugegevens en dat de economische en politieke besluitvormers in de
hele Gemeenschap hiervan gebruik kunnen maken bij het uitstippelen van hun beleid, de uitvoering van de
wetten en het opnemen van milieuaspecten in andere beleidslijnen. Thans wordt gewerkt aan de praktische
tenuitvoerlegging van het CORINE-Programma en gedurende het Vierde Milieu-actieprogramma zal men
aan de ontwikkeling daarvan blijven werken. Aan het einde van de werkperiode die onder het besluit van
de Raad valt, zal de Commissie aan de Raad rapport uitbrengen en voorstellen voorleggen die ertoe leiden
dat in de hele Gemeenschap een uitgebreide reeks bijgewerkte en vergelijkbare gegevens over het milieu en
de natuurlijke hulpbronnen beschikbaar zijn die op zodanige wijze kunnen worden voorgelegd dat zij van
het grootste praktische nut zijn voor besluitvormers.
2.6.7. Gelijktijdig en met het oog op de aanvulling van de informatie die in het kader van het CORINE-
Programma wordt geproduceerd, denkt de Commissie meer nadruk te leggen op de milieugerichte aspec-
ten van de statistische programma's van de Europese Gemeenschap; in dit verband wordt meer in het
bijzonder voorgesteld betere informatie te verschaffen over het verband tussen economische en milieuge-
bonden aspecten.
2.6.8. Milieueducatie is vooral belangrijk wanneer het erom gaat bij het publiek een grotere belangstel-
ling te wekken voor milieuzaken. Als reeds opgemerkt dient iedereen ervan overtuigd te worden dat hij
door zijn eigen gedrag kan bijdragen tot een verbetering van de milieuomstandigheden. Het stadium
waarin dit het best kan geschieden is tijdens de opleiding. Milieueducatie die reeds in vroegere actiepro-
gramma's ter sprake kwam, blijft daarom steun op communautair niveau genieten. Het net van proefscho-
len (eerst lagere, later ook middelbare scholen) heeft de laatste acht jaar met succes gewerkt en kreeg veel
steun van de Lid-Staten. Veel kostbare ervaring werd opgedaan. De Commissie heeft het voornemen tij-
dens het Europese Jaar van het Milieu een volledig rapport te publiceren over het tot nu toe met het net
van proefscholen verrichte werk en over de daarbij opgedane ervaring. Voorts zal zij een mededeling aan
de Raad zenden over de grondslag waarop het net zou moeten worden geconsolideerd en uitgebreid tot
hoger onderwijs, zulks gebruik makende van de tot nu toe opgedane ervaring en van de laatste ontwikke-
lingen op het gebied van de educatiewetenschappen.
2.6.9. Het werk van particuliere organisaties bij de ontwikkeling van het milieubeleid en de gedachten
daarover is van fundamentele betekenis. Bij de uitstippeling en uitvoering van het milieubeleid moet vaak
zorgvuldig worden afgewogen tussen de belangen van sociale en economische groeperingen. Niet alleen
(*) Beschikking 85/338/EEG (PB nr. L 176 van 6. 7. 1985).
Nr.C70/18 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 18.3.87
met de belangen van bepaalde industrietakken en die van werknemers en werkgevers moet rekening wor-
den gehouden, maar ook met de verschillende situaties in de Lid-Staten. Daarnaast bestaan nog pressie-
groepen die bepaalde of sectoriële belangen voorstaan. In dergelijke complexe situaties is het bestaan van
particuliere organisaties die kunnen worden geacht de algemene milieubelangen te vertegenwoordigen en
als partners van de beleidsbepalende organen kunnen optreden, van groot belang. Daarom blijft de Com-
missie haar constructieve en permanente contacten met representatieve milieuorganisaties op Europees ni-
veau, met name met het Europese Bureau voor het Milieu, onderhouden.
2.6.10. Werkgeversorganisaties (zoals UNICE) en werknemersorganisaties (zoals EVV) streven er steeds
naar op zowel nationaal als Europees niveau mede te werken bij het opstellen en uitvoeren van het milieu-
beleid. De Commissie meent dat het van groot belang is de samenwerking met zowel de werkgevers- als de
werknemersorganisaties efficiënter te organiseren en blijft zich hierop toeleggen. In dit verband hoopt de
Commissie de bijdragen van de Europese Stichting voor de Verbetering van de Levens- en Arbeidsomstan-
digheden optimaal te benutten.
3. VOORKOMING VAN EN CONTROLE OP VERONTREINIGING
3.1. Algemene beginselen
3.1.1. Milieubeleidslijnen worden uitgestippeld en uitgevoerd in verschillende etappes uitgaande van het
tijdstip waarop men zich van een milieuprobleem bewust wordt (daarbij kan het of om een actueel pro-
bleem gaan of — en bij voorkeur — om een vooralsnog alleen potentieel probleem) tot op het tijdstip
waarop curatieve of preventieve maatregelen worden vastgesteld en van kracht worden. Een fundamentele
eigenschap van dergelijke maatregelen is dat zij trachten mens en milieu van schade te vrijwaren of, indien
de schade reeds is opgetreden, de situatie te herstellen.
3.1.2. De te treffen maatregelen bij milieuproblemen zijn in de praktijk onvermijdelijk nogal verschillend
van aard, onder andere naargelang van de waargenomen of gevreesde nadelige effecten, van de oorzaken
daarvan en de bron van de problemen. Zo kunnen verontreinigingsproblemen in verschillende mate:
— acuut of chronisch zijn;
— plaatselijk of geografisch verspreid voorkomen;
— vooral in verband staan met één verontreinigende stof of met een combinatie van verschillende derge-
lijke stoffen;
— in één medium geconcentreerd voorkomen (lucht, water of land) dan wel verschillende media aantasten
terwijl ook de verplaatsing van verontreinigende stoffen tussen de media een rol kan spelen;
— de verontreiniging kan bovendien uit één of verschillende bronnen voortvloeien dan wel van diffuse
aard zijn, een vaste standplaats hebben of verplaatsbaar zijn en zij kan vooral in één industrietak voor-
komen of in verschillende.
3.1.3. Gezien deze complexe aard is het natuurlijk en vanzelfsprekend dat in de praktijk de controle op
de verontreiniging op verschillende wijzen wordt aangepakt naargelang de technische, administratieve en
wettelijke mogelijkheden voor controlemaatregelen, alsmede de wijze waarop de gevolgen van de veront-
reiniging en de controlemaatregelen zijn verspreid. Wel dienen wij in te zien dat deze verschillende aan-
pakmethodes niet berusten op een verschil in de fundamentele beginselen. Zo kan bij voorbeeld een op één
verontreinigende stof geconcentreerde maatregel gerechtvaardigd zijn, indien er (onder de gegeven om-
standigheden en in het licht van de beschikbare wetenschappelijke kennis) geen significante interacties met
andere verontreinigende stoffen lijken te bestaan; een dergelijk speciaal geval doet echter geen afbreuk aan
het algemene beginsel dat bij de controle op de verontreiniging met dergelijke wisselwerkingen rekening
moet worden gehouden.
3.1.4. De eerste stap bij het vinden van een oplossing voor het vraagstuk van de controle op de veront-
reiniging is zorgvuldig onderzoek om na te gaan welke factoren er bij zijn betrokken en hoe deze op
elkaar inwerken. In het algemeen kunnen verontreinigingsproblemen worden omschreven dóór vier hoofd-
factoren: de verontreinigende stof, de bron van de verontreiniging, het milieu waarin de verontreinigende
stof wordt geloosd, waarin deze optreedt of waardoorheen hij wordt getransporteerd en het milieu waarin
hij uiteindelijk belandt. De controle kan worden uitgeoefend op één of meer van deze onderdelen van het
probleem.
3.1.5. De verontreiniging kan bestaan uit een enkelvoudige chemische stof of uit een mengsel van derge-
lijke stoffen; zij kan bestaan uit organische, anorganische of uit beide soorten stoffen; het kan ook gaan
18.3.87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen N r . C 70/19
om een fysische grootheid zoals geluid of warmte. Maatregelen voor controle op de verontreiniging hebben
ten doel de emissie van een bepaalde stof of type verontreiniging uit ongeacht welke bron in het betrokken
medium te voorkomen of te beperken. Controle aan de bron heeft ten doel de emissie bij de voornaamste
bronnen te beperken voor alle media waarin de verontreiniging optreedt.
3.1.6. Ook al gaat bij de controle de aandacht vooral uit naar het betrokken medium, dan kunnen er
uiteraard één of meer betrokken zijn bij de lozing en het transport van verontreinigende stoffen. De voor-
naamste media zijn lucht, water, bodem, bezinksel en biota. Controlemaatregelen op basis van het medium
dienen meestal ter beperking van de emissie van één specifieke stof uit alle voornaamste bronnen in dat
medium.
3.1.7. De verontreiniging is meestal gericht op een levend organisme maar het kan ook om dode materie
gaan zoals een gebouw of de bodem. Met controlemaatregelen op de plaats waarop de verontreiniging is
gericht, tracht men het organisme of het milieu te beschermen. Hierbij gaat het dus om kwaliteitsdoelstel-
lingen voor het milieu in de vorm van controlemaatregelen.
3.1.8. Zodra een milieuprobleem is onderkend en onderzocht, kan worden besloten welke controlestra-
tegie in aanmerking komt. Onder deze strategie kunnen vallen: biologische normen, blootstellingslimieten,
kwaliteitsdoelstellingen of normen voor het milieu, emissienormen, normen voor de vervaardiging of bedie-
ning, produktnormen, limieten voor de totale emissie of een reeks preventieve controlemaatregelen op
nationaal of regionaal niveau (zoals de aanwending van procedures voor de evaluatie van de invloed op het
milieu of eisen inzake testen en mededelen van nieuwe industriële procédés en produkten) of een combina-
tie daarvan.
3.1.9. De vastgestelde controlestrategie kan uiteraard leiden tot verschillende vormen van maatregelen
op communautair niveau, bij voorbeeld in verband met de verspreiding en de aard van de milieuproblemen,
de gevolgen van eventuele maatregelen op de werking van de gemeenschappelijke markt voor goederen en
diensten en wisselwerkingen met andere communautaire beleidslijnen.
3.2. Controle op de verontreiniging in verschillende media
3.2.1. Indien de problemen rijzen door de emissie van verontreinigende stoffen vanuit talrijke bronnen in
één medium (zonder dat de grenzen van andere media op significante wijze worden overschreden) kan de
meest geschikte behandelingswijze bestaan uit emissielimieten of kwaliteitsnormen voor het milieu. Tot nu
toe is men bij het milieubeleid van de Gemeenschap in het algemeen hiervan uitgegaan. Hoewel in het
Derde Milieu-actieprogramma wordt verwezen naar de noodzaak overdracht van verontreiniging te ver-
mijden die het gevolg zou kunnen zijn van partiële maatregelen, ging de tendens meestal uit naar de
behandeling van verontreinigingsproblemen zoals die zich in de verschillende media (lucht, water, bodem)
voordoen. Er werden uiteraard een aantal belangrijke horizontale maatregelen uitgevaardigd zoals het
„zesde amendement" (') en de kortelings vastgestelde richtlijn betreffende milieueffectbeoordeling (2), maar
in het algemeen werden de zaken per sector beoordeeld; deze opvatting kwam ook tot uitdrukking in de
structuur van de afdelingen van de Commissie die zich met het milieu bezighouden.
3.2.2. Zo werden reeds in een vroeg stadium kwaliteitsdoelstellingen voor water voor verschillende doel-
einden op communautair niveau vastgesteld; daarna kwamen communautaire emissienormen voor de lozing
van bepaalde gevaarlijke stoffen in water (hoewel de zogenaamde parallelle benaderingswijze volgens
Richtlijn 76/464/EEG (J) betekende dat deze normen vergezeld gingen van kwaliteitsdoelstellingen). Ook
bij verontreiniging van de lucht werden kwaliteitsnormen voor lucht vastgesteld op communautair niveau
waarna een kaderrichtlijn werd aangenomen inzake emissies uit bepaalde industriële installaties (4) die was
gericht op de vaststelling van emissielimieten voor de hele Gemeenschap. Vervolgens diende de Commissie
voorstellen in voor emissielimieten voor de lozing in de lucht vanuit grote stookinstallaties. Het afvalpro-
bleem werd benaderd met een reeks richtlijnen, gericht op de vaststelling van een algemeen kader voor het
lozen van afval op het land, vooral wanneer het gaat om giftig of gevaarlijk afval. Het storten van afval in
zee vormt het onderwerp van een recent voorstel van de Commisie (s).
3.2.3. Een onvermijdelijk gevolg van de benaderingswijze per sector is dat zodra de normen in één regio
strenger worden, de belasting in andere regio's kan stijgen. Indien er beperkingen worden opgelegd aan het
lozen in de lucht of in het water, dan gaat de voorkeur al gauw uit naar lozing op het land. Indien de
controlemaatregelen bij lozing van afval op land of in zee weer strenger worden kunnen zich andere
moeilijkhedea voordoen. De Commissie is ervan overtuigd dat de Gemeenschap moet overgaan op steeds
strengere milieunormen in alle sectoren. Onder deze omstandigheden valt er althans over te twisten of een
sectorgewijze benadering van het verontreinigingsprobleem niet noodzakelijk de in economisch opzicht
meest efficiënte oplossing vormt, dat wil zeggen zij leidt niet noodzakelijkerwijze tot een maximale beper-
(') PB nr. L 259 van 18. 9. 1979.
O PB nr. L 175 van 5. 7. 1985.
O PBnr. L 129 van 18.5. 1976.
(4) PBnr. LI 88 van 16.7. 1984.
O PB nr. C 245 van 26. 9. 1985.
Nr. C 70/20 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 18.3.87
king van de verontreiniging (wanneer wij alle media te zamen beschouwen) tegen een bepaald bedrag aan
economische kosten.
3.3. Op de stof gerichte controlemaatregelen
3.3.1. Wanneer wij de communautaire wetgeving overzien blijkt dat de ten aanzien van de verontreini-
ging van verschillende milieusectoren aangewende benaderingswijze niet altijd even evenwichtig was.
Wanneer vanuit het oogpunt van het milieubeheer het onderling op elkaar inwerken van verontreinigende
stoffen niet als zeer belangrijk wordt beschouwd zou een coherente strategie gericht moeten zijn op:
a) de beoordeling van de blootstelling van een bepaalde target door een bepaalde verontreinigende stof via
de verschillende wegen (water, lucht, bodem);
b) de beoordeling van het effect van een dergelijke blootstelling met inbegrip van de gevaren voor de
gezondheid en het milieu en
c) waar zulks dienstig is, het opstellen van normen ter beperking van de invloed van de verontreiniging.
3.3.2. Gezien de voornamelijk sectoriële oriëntering van vroegere communautaire maatregelen was men
geneigd zich te concentreren op lozingen van één verontreinigende stof in één medium (bij voorbeeld
water) en niet op de invloed daarvan op andere media zoals lucht en bodem. Onder sommige omstandig-
heden staat deze benaderingswijze aan kritiek bloot daar de mediumoverschrijdende effecten niet te ver-
waarlozen zijn. In vroegere actieprogramma's van de Gemeenschap inzake het milieu en in verschillende
teksten die reeds door de Raad zijn vastgesteld, komen reeds 'verschillende lijsten van bij voorrang te
behandelen stoffen voor. In het algemeen zijn deze lijsten echter sectorgebonden (bij voorbeeld de „zwarte
lijst" en de „grijze lijst" van stoffen die slechts op gecontroleerde wijze mogen worden geloosd in het
aquatische milieu krachtens de bepalingen van Richtlijn 76/464/EEG) ('). Er werd in de Gemeenschap nog
geen consequente poging ondernomen om stoffen te beoordelen op grond van verschillende media of om
een controlestrategie uit te stippelen op een dergelijke basis hoewel in de praktijk in sommige gevallen het
naast elkaar leggen van verschillende normen die in de loop van de tijd voor verschillende sectoren werden
vastgesteld voor een afzonderlijke stof, kan hebben geleid tot een min of meer efficiënte controle.
3.3.3. Bij een geïntegreerde, op de stof gerichte benaderingswijze voor chemicaliën:
— dient rekening te worden gehouden met het optreden van een bepaalde stof uit ongeacht welke bron;
— dient te worden overgegaan tot een geïntegreerde risico-evaluatie waarbij rekening wordt gehouden
met de verschillende wegen waarlangs de mens en het milieu kunnen zijn blootgesteld;
— dient te worden gekomen tot een keuze van de meest doeltreffende en efficiënte oplossing voor de
veroorzaakte problemen.
3.3.4. Een dergelijke geïntegreerde aanpak van het beheer over chemicaliën zal ertoe leiden dat op het
niveau van de Gemeenschap een voorlopige lijst wordt opgesteld van met voorrang te behandelen stoffen in
verband met het milieubeleid. Nadere beoordeling en evaluatie kunnen dan leiden tot een definitieve lijst
van met voorrang te behandelen stoffen hetgeen dan op zijn beurt er wederom toe kan leiden dat men op
communautair niveau efficiënte controlestrategieën uitstippelt voor afzonderlijke stoffen zoals PCB's, cad-
mium, lood, fosfaten, arsenicum, koper, kwik, asbest, dioxynes, enz.; bij dergelijke strategieën moet uiter-
aard rekening worden gehouden met controles die op bepaalde gebieden reeds op communautair niveau
bestaan.
3.3.5. De Commissie is in bijzondere gevallen reeds begonnen met werkzaamheden uitgaande van een
stofgerichte benadering. Een voorbeeld van een mogelijke toepassing van deze benadering is te vinden in
het voorstel van de Commissie inzake de vermindering van de door asbest veroorzaakte milieuverontreini-
ging O-
3.3.6. Hetzelfde principe kan ook op andere manieren worden toegepast. Zo is de Commissie nu bezig
met een uitgebreid onderzoek over de gehele linie naar door cadmium veroorzaakte milieuproblemen. Dit
onderzoek moet uitkomst bieden over de vraag of de bestaande communautaire wetgeving waardoor lozin-
gen van deze stof in het milieu, langs welke weg ook, worden beperkt, afdoende is dan wel of er nog
leemten bestaan; en zo ja, welke controlestrategie op de meest rendabele wijze voor afdoende bescherming
kan zorgen. Zo nodig worden ter zake dienende voorstellen gedaan.
(
3.4. Op de bron gerichte controles
3.4.1. In principe dient in het milieubeleid rekening te worden gehouden met wisselwerkingen tussen
diverse bronnen van verontreiniging (wanneer bij voorbeeld tegenover verschillende lozingen maar een
beperkt absorberend vermogen staat). In sommige gevallen echter kan het ook zinvol zijn de controles op
één brontype toe te spitsen (vooral wanneer er verder geen andere bronnen of verontreinigingen van bete-
kenis zijn). Tot op zekere hoogte gaan de (vastgestelde of voorgestelde) richtlijnen van de Gemeenschap
inzake auto's en grote stookinstallaties uit van zulk een brongerichte benadering, in die zin namelijk dat
(') PBnr. L 129 van 18.5. 1976.
O PB nr. C 349 van 31. 12. 1985.
18.3.87 Puplikatieblad van de Europese Gemeenschappen N r . C 70/21
een bepaalde groep of klasse van vervuilers (verkeer, elektriciteitscentrales) wordt beoogd. Het is evenwel
niet de bedoeling het geheel van de verontreinigende lozingen (waaronder ook de produktie van afval) van
de desbetreffende klasse of groep in beschouwing te nemen. Ten aanzien van de „brongerichte" benade-
ring zoals omschreven in hoofdstuk 5 van het Eerste Milieu-actieprogramma (specifieke acties voor be-
paalde industriesectoren en voor de energieproduktie) is nog niet veel vooruitgang geboekt, tenminste niet
op communautair niveau, al werden er in genoemd programma 15 belangrijke industriesectoren aangewe-
zen en zijn er al tal van studies gemaakt.
3.4.2. In feite werden er slechts voor twee industriesectoren voorstellen ingediend, namelijk voor titaan-
dioxyde (waarbij een „multi-media"-benadering werd gevolgd) en voor papier en papierpap (waarbij de
nadruk lag op lozingen in water). Het „papier- en papierpap"-voorstel is door de Raad nog niet goedge-
keurd en zelfs nog niet in overweging genomen, terwijl de geschiedenis van het „titaandioxyde"-voorstel
allerminst bemoedigend kan worden genoemd. Niettemin is een brongerichte aanpak (waarmee bepaalde
industriesectoren of industriële doelgroepen worden beoogd en waarbij alle lozingen in lucht, bodem of
water, alsmede de produktie van zowel vast en vloeibaar afval als afvalgassen, in beschouwing worden
genomen) in bepaalde omstandigheden aangewezen. Het is een van de mogelijke alternatieve benaderin-
gen, die misschien opnieuw in overweging kan worden genomen.
3.4.3. Ter ondersteuning van een dergelijke benadering is er zeker behoefte aan een beter en vollediger
inzicht in de lozingen van afvalstoffen door grote emissiebronnen in lucht, water en bodem, alsmede een
zekere kennis van de te verwachten ontwikkelingen op dit gebied. Er moeten emissieoverzichten worden
opgesteld en bijgehouden; de vooruitgang van de technologie inzake de controle op emissies dient ook van
nabij te worden gevolgd, en samen met de ermee gepaard gaande kosten bekendgemaakt aan de betrokke-
nen en het publiek. Dergelijke maatregelen zijn in elk geval wenselijk, welke benadering er voor de con-
trole op de verontreiniging uiteindelijk ook wordt gevolgd. In samenwerking met de Lid-Staten en de
betrokken industrieën zal de Commissie het nodige doen om vorderingen in deze zin mogelijk te maken.
3.4.4. De Commissie zal zich nog verder op deze vraagstukken bezinnen en de nodige studies en bespre-
kingen op gang brengen om meer klaarheid in het denken te brengen. Daarbij mogen de moeilijkheden
niet uit het oog worden verloren die de vooruitgang tot dusver hebben belemmerd, onder meer het gevoel
van openlijke „discriminatie" tegen bepaalde industriesectoren en het probleem van overlapping als veront-
reinigingen die onder een brongerichte benadering vallen ook door sectoriële wetgeving worden geregu-
leerd. Voorts dient er ook rekening mee te worden gehouden dat er, wil een algemene, verschillende
verontreinigingenbestrijdende „multi-media"-aanpak doeltreffend werken, een zeer geperfectioneerd con-
trolemechanisme nodig is, alsmede het vermogen om gefundeerde uitspraken te doen over het optimale
pakket controlemaatregelen waarmee afval kan worden beperkt, beheerd of verspreid op een wijze
waarmee het minst schade wordt toegebracht aan en tegelijk het best gebruik wordt gemaakt van het
milieu (waardoor dus de grootste baten voor het milieu zeker worden gesteld tegen de geringste kosten).
Bovendien moet ook de bevoegdheid bestaan om dergelijke uitspraken te doen naleven. Dit heeft op zijn
beurt onontkoombare institutionele implicaties voor de Lid-Staten: een sterk centraal controlegezag dat
arbitrerend kan optreden tussen verschillende milieusectoren ten einde de gunstigste oplossingen door te
drukken, is onlosmakelijk met een dergelijke aanpak verbonden. Overigens pleiten nog tal van andere
redenen voor de wenselijkheid van dergelijke instellingen.
3.5. Produktnormen, emissiegrenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen en -normen voor het milieu
3.5.1. Milieuvoorschriften waarbij normen voor produkten of emissies worden vastgesteld, kunnen wor-
den gebaseerd op de technische eigenschappen van de door het voorschrift beoogde industriesectoren of
produkten en/of op een formeel omschreven kwaliteitsdoelstelling of -norm voor het milieu waarin wordt
geloosd. Concreet zijn al heel wat verschillende benaderingen toegepast.
3.5.2. In de tot dusver aangenomen wetgeving heeft de Gemeenschap bij voorbeeld grenswaarden vast-
gesteld voor uitlaatgassen van motorvoertuigen; en ten aanzien van bepaalde luchtverontreinigende stoffen
heeft de Commissie voorgesteld dat emissiewaarden zouden worden vastgesteld voor een aantal vaste bron-
nen. Tegelijkertijd is in communautair verband voor sommige luchtverontreinigende stoffen, zoals SO2,
zwevende deeltjes en lood, overeenstemming bereikt inzake milieugerichte luchtkwaliteitsnormen. Wat de
lozing van gevaarlijke stoffen in water betreft heeft de Gemeenschap gekozen voor de zogenaamde paral-
lelle benadering ten aanzien van stoffen van de „zwarte lijst", waarbij de Lid-Staten vrij kunnen kiezen
tussen een aanpak op grond van milieugerichte kwaliteitsdoelstellingen of van emissiegrenswaarden, terwijl
er inzake de lozing van stoffen van de „grijze lijst" (zie de richtlijnen betreffende voor bijzondere doelein-
den bestemd water) op wordt aangedrongen dat de benadering op grond van kwaliteitsdoelstellingen wordt
aangehouden.
Nr. C 70/22 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 18.3.87
3.5.3. Ter zake van de bodemverontreiniging is in de eerste richtlijn die op dat gebied is vastgesteld —
namelijk betreffende het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (l) — bepaald dat zowel kwaliteitsnor-
men als emissiegrenswaarden (verspreidingsdichtheid en hoeveelheid) gelijktijdig in acht moeten worden
genomen. In andere richtlijnen daarentegen zijn de eisen slechts in algemene termen geformuleerd.
3.5.4. In een groot aantal belangrijke gevallen (bij voorbeeld lood in benzine, zwavelgehalte van petro-
leum) zijn er produktnormen vastgesteld met als tweeledig doel het beschermen van het milieu en het
tegengaan van kunstmatige handelsbelemmeringen of concurrentievervalsing. In andere gevallen is weer
voor een andere aanpak gekozen — zoals de eis om programma's op te stellen (bij voorbeeld de richtlijn
betreffende de verpakking van vloeibare levensmiddelen (2) of afspraken over beperkingen van het gebruik
(bij voorbeeld de beschikking inzake CFC's (5)). Bij sommige richtlijnen betreffende de kwaliteit van water
zijn zowel richtwaarden als dwingende waarden vastgesteld. Uiteraard kunnen ook nog andere richt-
snoeren voor het goede gebruik van stoffen worden gegeven.
3.5.5. Nog een belangrijk element bij het vaststellen van normen op communautair niveau is „de stand
van de technologie", met andere woorden de meest recente technologische ontwikkelingen op dat gebied.
Daarbij rijst de vraag hoe dit algemene begrip in concrete waarden kan worden vertaald. Van belang
hierbij is dat er in de recente milieuwetgeving van de Gemeenschap (voornamelijk met betrekking tot lucht-
en waterverontreiniging) steeds meer wordt verwezen naar de beste beschikbare technologie. In dit licht
kunnen afspraken in communautair verband ter bevordering van een doeltreffender uitwisseling van infor-
matie tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en de Commissie over hun eigen ervaring met
en kennis van ter zake dienende technologieën van groot nut zijn. De Commissie is voornemens voorstellen
te doen over de wijze waarop een dergelijke uitwisseling van informatie het beste tot stand kan komen.
3.6. Conclusies
3.6.1. Volgens de Commissie is het niet zo dat een bepaalde benadering noodzakelijkerwijze de voor-
keur verdient. Veel hangt namelijk af van de omstandigheden. In de toekomst zullen dan ook telkens
normen worden voorgesteld volgens een benadering die het beste aansluit bij milieubeschermingseisen en
de verantwoordelijkheden van de Gemeenschap. Zo zal bij communautaire maatregelen die er in de eerste
plaats op zijn gericht handelsbelemmeringen als gevolg van door Lid-Staten eenzijdig genomen maatrege-
len tegen te gaan (bij voorbeeld voorschriften inzake produktlawaai), de nadruk veeleer liggen op techni-
sche voorwaarden voor de handhaving van de kwaliteit van het milieu, terwijl er bij maatregelen ter bestrij-
ding van grensoverschrijdende verontreiniging, bij voorbeeld zure regen, rekening moet worden gehouden
met zowel milieugerichte kwaliteitsdoelstellingen als technische eisen voor curatieve maatregelen.
3.6.2. De Commissie vindt echter wel dat de Gemeenschap nu over zoveel ervaring beschikt met de vele
verschillende benaderingswijzen van milieubescherming die tot dusver in de communautaire wetgeving zijn
gevolgd — en die hierboven zijn omschreven en besproken — dat een algemene herziening van deze hele
beleidskwestie wenselijk en nuttig is geworden. De bedoeling hiervan is na te gaan of er een algemeen
principe kan worden uitgewerkt dat als richtsnoer kan dienen voor de benaderingswijze die in de toekom-
stige wetgeving van de Gemeenschap bij voorkeur moet worden gevolgd. In nauwe samenwerking met de
Lid-Staten zal de Commissie dan ook het nodige doen om een algemeen onderzoek op te zetten naar de
waarde en de doeltreffendheid van de tot dusver gevolgde wijze van normstelling ter zake, gepaard met
een beschouwing van mogelijke ontwikkelingen in de toekomst (onder meer de rol van economische in-
strumenten, zie punt 2.5.6).
4. MAATREGELEN IN SPECIFIEKE SECTOREN
4.1. Luchtverontreiniging
4.1.1. Ofschoon de Gemeenschap enige vooruitgang heeft geboekt bij de aanpak van de traditionele
oorzaken van luchtverontreiniging zoals rook, zwevende deeltjes en zwaveldioxyde in geïndustrialiseerde
stedelijke gebieden, doen er zich sinds enige tijd nieuwe problemen voor die onder andere verband houden
met het toegenomen verkeer en zure depositie en die zorg zullen blijven baren. Van de betrokken luchtver-
ontreinigende stoffen, in het bijzonder zwavel, stikstofoxydes, koolwaterstoffen en fotochemische oxydan-
tia, is bekend dat ze afzonderlijk, gezamenlijk en in synergisme een verzurend effect hebben op de bodem
en op oppervlaktewateren, de plantengroei afremmen en schade veroorzaken aan monumenten, gebouwen
en constructies; bovendien kunnen ze schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens.
O PBnr. L181 van 4. 7. 1986.
O PBnr. L 176 van 6. 7. 1985.
C) PB nr. L 329 van 25. 11. 1982.
18.3.87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 70/23
4.1.2. Industriële procédés, vuilverbranding en andere menselijke activiteiten waarbij bekende of ver-
meende persistente, gevaarlijke of toxische stoffen (bij voorbeeld zware metalen, PCB's, asbest) in de lucht
vrijkomen, kunnen niet alleen de lucht verontreinigen maar er ook toe leiden dat verontreiniging naar
andere delen van het milieu wordt overgebracht en daar schadelijke effecten heeft op mensen en ecosyste-
men. Dit is een reden te meer om lozingen in de lucht te beperken.
4.1.3. Op de Europese Raad van Stuttgart in juni 1983 werd opgeroepen tot een bespoediging en inten-
sivering van maatregelen op nationaal, communautair en internationaal vlak met het oog op het bestrijden
van milieuvervuiling in het algemeen en luchtverontreiniging in het bijzonder. Als eerste antwoord daarop
deed de Commissie een aantal voorstellen aan de Raad toekomen, die waren gericht op het beperken en
verminderen van emissies door grote, vaste en mobiele bronnen ('); parallel daarmee werd een grote inspan-
ning geleverd op het gebied van onderzoek naar de oorzaken en effecten van luchtverontreinigingen, met
de bedoeling een precies inzicht te verkrijgen in de wijze waarop de waargenomen schade kon zijn veroor-
zaakt.
4.1.4. De Commissie liet er ook geen twijfel over bestaan dat zij een strategische aanpak voorstond
waarbij een aanzienlijke algemene vermindering van de lozing van verzurende stoffen door alle belangrijke
bronnen zou worden geëist. Dit beleid wordt voortgezet. In dit verband is het van groot belang dat het
voorstel van de Commissie inzake beperking van de emissie door grote stookinstallaties — dat nog steeds
ter bespreking bij de Raad ligt — weldra wordt aangenomen, hopelijk nog vóór het begin van het Vierde
Milieu-actieprogramma (2). Zo zullen ook de afronding en de tenuitvoerlegging van de nieuwe „Europese
normen" voor uitlaatgassen van motorvoertuigen leiden tot verdere beperkingen van stikstofoxydes, kool-
waterstoffen en andere verontreinigende stoffen. Maar deze maatregelen zonder meer zijn ongetwijfeld
niet voldoende.
4.1.5. De Commissie is momenteel bezig met het uitwerken van een algemene strategie op langere ter-
mijn ter beperking van de luchtverontreining, zowel binnen als buiten de grenzen van de Europese Ge-
meenschap, met het doel een afdoende algehele aanpak uit te werken als antwoord op de oproep van de
Europese Raad van Stuttgart. Deze algemene strategie wordt in de loop van 1987 als een mededeling aan
de Raad gepubliceerd.
4.1.6. De belangrijkste doelstellingen van deze strategie zijn:
— bepaling van de luchtverontreinigende stoffen (in binnen- en in buitenmilieu) die momenteel en poten-
tieel de grootste bedreiging vormen voor de gezondheid van de mens en het milieu;
— vaststelling van de aangewezen middelen — stof- en/of brongericht — voor de bestrijding van be-
staande of te verwachten belangrijke verontreinigingen, waarbij erop wordt gelet dat luchtverontreini-
ging niet gewoon wordt overgedragen naar water of bodem;
— opstelling en tenuitvoerlegging van doelstellingen voor de gehele Gemeenschap inzake aanzienlijke
beperkingen van de totale emissie door alle desbetreffende bronnen in de lucht, ter bestrijding van zure
depositie en daarmee gepaard gaande schade, onder meer ook corrosie en bossterfte;
— op langere termijn, beperking van de concentraties van de belangrijkste verontreinigende stoffen in de
omgevingslucht tot niveaus die aanvaardbaar worden geacht voor de bescherming van kwetsbare ecosys-
temen;
— vaststelling en tenuitvoerlegging van preventieve maatregelen tegen verontreiniging van het binnen-
milieu door een toenemend aantal stoffen;
— ontwikkeling en tenuitvoerlegging van hulpmiddelen die tot de verwezenlijking van deze doelstellingen
kunnen bijdragen, onder meer:
— een overzicht van emissies en voornaamste categorieën bronnen,
— een overzicht van de beste beschikbare technologieën ter bestrijding van de luchtvervuiling, met de
daarmee gepaard gaande kosten,
— nieuwe, weinig verontreiniging veroorzakende technologieën,
— bewakingsnetten,
— modelleringstechnieken,
— economische hulpmiddelen ter voorkoming van verontreiniging.
(') Zie het 17e Algemeen Verslag over de werkzaamheden van de Europese Gemeenschappen, 1983, punten 377-381.
O PBnr. C 49 van 21. 2. 1984.
Nr. C 70/24 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 18.3.87
4.1.7. Ter voortzetting van werkzaamheden die reeds in het kader van de vorige actieprogramma's wa-
ren begonnen, moeten de belangrijkste categorieën industriële installaties, vermeld in Richtlijn
84/360/EEG betreffende de bestrijding van door industriële installaties veroorzaakte luchtverontreini-
ging (l) waarin voor de gehele Gemeenschap geldende emissienormen worden gegarandeerd, worden aan-
gepakt. Voorts kunnen er ook communautaire emissienormen nodig zijn, gebaseerd op de beste beschik-
bare technologie, voor bronnen die nog niet onder deze richtlijn vallen (met name voor kerninstallaties en
met olie en vaste brandstoffen gestookte installaties), zodat over afzienbare tijd een kader tot stand is
gebracht waarbinnen controle op alle belangrijke luchtverontreinigingen door de grote categorieën van
installaties op samenhangende wijze kan worden uitgeoefend. Met betrekking tot al deze aandachtspunten
zal de Commissie de nodige voorstellen doen.
4.1.8. Er zullen verdere maatregelen worden voorgesteld ter beperking van de luchtvervuiling door cate-
gorieën vervoermiddelen die nog niet onder communautaire wetgeving vallen. Luchtkwaliteitsnormen kun-
nen ook worden vastgesteld voor sommige verontreinigende stoffen zoals fotochemische oxydantia, waar-
onder ozon vermoedelijk een belangrijke rol speelt vanwege de synergistische effecten van deze stof in
verband met zure depositie. Er zal aandacht worden besteed aan de ontwikkeling van milieugerichte
luchtkwaliteitsnormen in communautair verband, onder meer ter bestrijding van zure depositie in bossen en
andere gevoelige ecosystmen.
4.1.9. Buiten de Gemeenschap blijft de noodzaak van gecoördineerde internationale maatregelen tegen
luchtvervuiling van het grootste belang. Wil men daadwerkelijk vooruitgang boeken, dan zal de Gemeen-
schap, ook als zij in eigen huis orde op zaken heeft gesteld, nog een actieve en opbouwende rol moeten
blijven spelen in de werkzaamheden van internationale organisaties zoals de Economische Commissie voor
Europa of de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, alsmede door het sluiten van desbetreffende
internationale verdragen, telkens als en overal waar vraagstukken op het gebied van luchtverontreiniging
worden gesignaleerd en besproken.
4.2. Zoet water en zeewater
4.2.1. Volgens het Derde Milieu-actieprogramma zou de Commissie verder werken aan de maatregelen
waaraan in de eerste twee programma's was begonnen en uitvoering geven aan de door de Raad vastge-
stelde richtlijnen en besluiten met het oog op voorkoming en beperking van waterverontreiniging. Deze
richtlijnen en besluiten hadden met name betrekking op het vaststellen op communautair vlak van kwali-
teitsnormen ten aanzien van voor bepaalde doeleinden bestemd water (tot nog toe zijn er normen vastge-
steld voor oppervlaktewater, drinkwater, zwemwater en grondwater, alsmede voor vis- en schelpdierwater).
Verder zijn ook maatregelen genomen ter beperking van verontreiniging veroorzaakt door de lozing van
bepaalde gevaarlijke stoffen in het aquatische milieu. De belangrijkste punten van het derde programma
waren:
— de bestrijding van de verontreiniging door gevaarlijke stoffen;
— de bestrijding van de verontreiniging door olielozingen;
— de bewaking met het oog op verbetering van de waterkwaliteit en beperking van de verontreiniging.
4.2.2. Deze prioriteiten blijven in het Vierde Milieu-actieprogramma gehandhaafd en de Commissie zal
met betrekking tot al deze punten voorstellen doen. Voorts moet er echter op worden gewezen dat aan de
vervuiling van de zee een steeds grotere prioriteit wordt toegekend en dat de Commissie in dat verband
veel aandacht zal besteden aan andere in het zeewater aanwezige gevaarlijke stoffen, en aan olie. In docu-
ment COM(86) 327 heeft de Commissie ook haar voornemen bekendgemaakt na te gaan of er op basis van
de beste momenteel beschikbare technologie communautaire emissienormen kunnen worden voorgesteld
voor kerninstallaties. Voorts zal zij voorstellen indienen met het oog op de toetreding van de Gemeenschap
tot het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval
en andere stoffen (London Dumping Convention).
4.2.3 Wat de waterverontreiniging door de lozing van gevaarlijke stoffen in het aquatische milieu be-
treft, is het wellicht zinvol de voordelen en beperkingen van de bij Richtlijn 76/464/EEG ingestelde „pa-
rallelle" benadering (zie punt 3.3 hierboven) opnieuw in beschouwing te nemen. Beide benaderingen lenen
zich niet even goed voor het aanpakken van zowel puntbronnen als diffuse bronnen van verontreiniging.
De Commissie zal de mogelijkheid bestuderen om voorstellen uit te werken voor een meer samenhangend
beleid inzake de bestrijding van verontreiniging waarbij beide soorten verontreinigingsbronnen worden
aangepakt en oordeelkundiger gebruik wordt gemaakt van één van deze parallelle benaderingen, dan wel
van beide.
4.2.4. Ondertussen wil de Commissie doorgaan met de volledige en nauwkeurige tenuitvoerlegging van
Richtlijn 76/464/EEG. Nu de algemene kaderrichtlijn voor het vaststellen van emissiegrenswaarden en
O PB nr. L 188 van 16. 7. 1984, blz. 20.
1 8 . 3 . 8 7 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen N r . C 7 0 / 2 5
kwaliteitsdoelstellingen voor gevaarlijke stoffen is vastgesteld (') kan er sneller werk worden gemaakt van
het vaststellen van waarden voor stoffen die behoren tot de 129 stoffen van de in 1982 door de Commis-
sie (J) gepubliceerde „zwarte lijst" (bijlage I). Gedurende de looptijd van het Vierde Milieu-actiepro-
gramma zal de Commissie voorstellen doen voor grenswaarden voor een groot aantal van deze stoffen.
Ook zal verder worden gewerkt aan de stoffen van de „grijze lijst" (bijlage II) en is de Commissie voorne-
mens voorstellen in te dienen voor kwaliteitsdoelstellingen voor een aantal van deze stoffen, met name
lood, koper, nikkel en zink, indien dit op basis van de op nationaal niveau opgedane ervaring nodig wordt
geacht.
4.2.5. Toch zijn, zelfs indien de hierboven geschetste werkzaamheden in een sneller tempo worden uit-
gevoerd, de maatregelen ter bescherming van het aquatische milieu van de Gemeenschap nog lang niet
volledig. Nieuwe maatregelen zijn dan ook noodzakelijk op een aantal gebieden. Daarom neemt de Com-
missie zich voor voorstellen in te dienen voor richtlijnen inzake de bestrijding en vermindering van water-
verontreiniging ten gevolge van de verspreiding of de lozing van vloeibaar afval uit de veehouderij en het
buitensporige gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen; ook zijn advies- en educatiecampagnes
noodzakelijk om de boeren beter van de problematiek te doordringen; zo kan de landbouw, net als andere
sectoren, een bijdrage leveren tot hetgeen door de Gemeenschap wordt gedaan om de waterverontreiniging
terug te dringen. De Commissie zal ook minimumnormen op lange termijn voor alle wateren in de Ge-
meenschap voorstellen en opnieuw nagaan of er kwaliteitsnormen kunnen worden opgesteld voor water dat
bestemd is voor andere doeleinden dan die welke zijn vermeld in punt 4.2.1 hierboven, met name voor
water dat bestemd is voor gebruik in de industrie en de landbouw.
4.2.6. Voor de bescherming van de zee zijn de toekomstige maatregelen Voornamelijk op het volgende
gericht:
— de tenuitvoerlegging van de desbetreffende internationale verdragen en protocollen waarbij de Gemeen-
schap verdragsluitende partij is (') en actieve deelneming aan de werkzaamheden van andere internatio-
nale instanties die zich bezighouden met de bestrijding van verontreiniging van de zee (4);
— de ontwikkeling van een strategie en actieplan (MEDSPA) ter bescherming van het Middellandse-Zee-
gebied (uiteraard met inbegrip van de Middellandse Zee zelf), zoals beoogd in de mededeling van de
Commissie aan de Raad van 24 april 1984 (5);
— de tenuitvoerlegging van de verklaring goedgekeurd op de Vierde Gewone Vergadering van de ver-
dragsluitende partijen bij het Verdrag van Barcelona in Genua (september 1985);
— de tenuitvoerlegging van besluiten die zijn genomen op de Eerste Noordzeecönferentie en actieve deel-
name aan de tweede conferentie in 1987;
— de beperking van de lozing van verontreinigende stoffen in zee vanaf het land via rivieren, het storten
van afval en de lucht;
— de geharmoniseerde bekrachtiging door de Gemeenschap van facultatieve bijlagen bij het MARPOL-
Verdrag 1973-1978;
— de ontwikkeling en praktische uitvoering van het communautaire informatiesysteem ter bestrijding van
incidenteel in zee geloosde schadelijke stoffen;
— de voortzetting van het programma van demonstratieprojecten ter bescherming van de zee tegen olie en
andere chemische stoffen; met deze projecten wordt gestreefd naar verbetering van nationale mogelijk-
heden om te reageren in noodsituaties en/of nieuwe middelen en methoden te ontwikkelen voor het
aanpakken van belangrijke incidentele lozingen; zij kunnen ook helpen verduidelijken in hoeverre be-
paalde aspecten van scheepsontwerp, maatregelen inzake het stouwen van ladingen en het verpakken en
etiketteren van schadelijke in vaten getransporteerde stoffen, een doeltreffend optreden bij ongevallen
in de hand kunnen werken;
— de opleiding van al diegenen die verantwoordelijkheid dragen bij het bestrijden van door olie en andere
schadelijke stoffen veroorzaakte verontreiniging van de zee;
— een betere integratie van milieueisen in het beleid inzake zeevervoer.
Op al deze beleidsterreinen zal de Commissie de nodige initiatieven nemen, in nauw overleg met de Lid-
Staten, via de kanalen van de Raad of via de desbetreffende raadgevende comités.
(') PBnr. L 181 van 4. 7. 1986.
O PB nr. C 176 van 14. 7. 1982.
(3) — Het Verdrag van Barcelona inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging en de vier
daarbij behorende protocollen (verontreiniging door storten vanuit schepen en luchtvaartuigen, verontreiniging
vanaf het land, verontreiniging bij ongevallen, speciaal beschermde gebieden);
— Verdrag van Parijs ter voorkoming van verontreiniging van de zee vanaf het land;
— Overeenkomst van Bonn betreffende samenwerking bij het bestrijden van verontreiniging van de Noordzee door
olie en andere schadelijke stoffen.
O Bijvoorbeeld IMO, UNEP, Port State Control, IAO.
(s) PBnr. C 133 van 21. 5. 1984.
Nr. C 70/26 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 18.3.87
4.2.7. Naast de bovenvermelde maatregelen is naar de mening van de Commissie ook een aantal nieuwe
specifiek preventieve maatregelen noodzakelijk. Deze hebben vooral betrekking op het verbeteren van de
beschikbare mogelijkheden voor de inzameling van afvalolie en ander door schepen vervoerd afval, als-
mede op betere methoden van vuilverwerking. De Commissie zal ter zake de nodige voorstellen indienen.
4.2.8. Andere aangelegenheden die van invloed kunnen zijn op zowel zoet als zeewater en waaraan de
Gemeenschap wellicht meer aandacht moet besteden, zijn onder meer problemen in verband met de ver-
werking en verwijdering van verontreinigde sedimenten; de eutrofiëring van wateren in bepaalde gebieden
van de Gemeenschap, en het bijwerken van de lijst van gevaarlijke stoffen. Deze kwesties zullen door de
Commissie diepgaand worden onderzocht en er zullen verdere initiatieven worden genomen om deze pro-
blemen aan te pakken.
4.2.9. Verbetering van de watervoorziening en -huishouding blijft één van de belangrijkste taken van de
Gemeenschap, voornamelijk in sëmi-aride gebieden en op de kleine eilanden van de Gemeenschap. De
Commissie blijft zich hiervoor inzetten en zal speciale aandacht aan dit onderwerp besteden bij de werk-
zaamheden inzake het Middellandse-Zeegebied in het kader van het MEDSPA-Plan.
4.2.10. De Commissie blijft ook verder actief deelnemen aan de werkzaamheden van de Rijncommissie
ten einde een betere bescherming van de Rijn tegen alle vormen van verontreiniging te waarborgen. Daar-
naast neemt de Commissie, samen met de Bondsrepubliek Duitsland, deel aan de onderhandelingen over
een regeling inzake natuurbescherming in het stroomgebied van de Donau.
4.3. Chemicaliën
4.3.1. De tenuitvoerlegging van het nieuwe systeem van kennisgeving van chemicaliën (Richtlijn 79/831/
EEG) en van de voorschriften inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van nieuwe en
bestaande chemicaliën (l) blijft prioritair.
4.3.2. Dankzij het krachtens Richtlijn 79/83l/EEG opgezette systeem van kennisgeving kunnen de
Commissie en de Lid-Staten toezicht houden op de gevaren, de verspreiding en het gebruik van chemica-
liën die na 18 september 1981 op de markt zijn gebracht. Een soortgelijke procedure is nodig voor de
geïntegreerde risicobeoordeling van „bestaande chemicaliën" (voor de bovenvermelde datum op de markt
gebracht en opgenomen in de Europese inventaris van de in de handel bestaande chemische stoffen
(EINECS)).
4.3.3. Er zal een voorstel worden gedaan voor een richtlijn die een algehele structuur biedt voor risico-
beoordeling en regulering van bestaande chemicaliën, voor zover een dergelijke beoordeling nodig is. In
die richtlijn wordt een procedure vastgesteld voor het aanleggen van een prioriteitenlijst van chemicaliën
die onmiddellijke aandacht behoeven, het verzamelen van informatie waarvoor tests nodig zijn en het
beoordelen van de risico's voor mens en milieu. Ook kan dit een mechanisme zijn om de ontwikkeling van
specifieke controlestrategieën te coördineren, voor zover dit nodig blijkt.
4.3.4. De Commissie blijft voortdurend toezicht houden op de in richtlijnen inzake het milieu vastge-
stelde indelingsstelsels, beproevingseisen en testvoorschriften ten einde overal waar dit mogelijk is een ver-
dere rationalisatie door te voeren. Daarbij wordt met name rekening gehouden met de werkzaamheden die
momenteel binnen de OESO en elders aan de gang zijn inzake de ontwikkeling, de validatie en het ge-
bruik van alternatieve methoden waarbij geen of minder dieren worden gebruikt of minder pijnlijke proce-
dures worden aangewend.
4.3.5. De stofgerichte benadering van problemen inzake milieuverontreiniging door op grote schaal ge-
bruikte stoffen en/of chemicaliën is hierboven al genoemd (zie punt 3.2). Zoals aangegeven wordt in die
benadering:
— rekening gehouden met de aanwezigheid van een bepaalde stof uit verschillende bronnen;
— gewerkt naar een geïntegreerde risicobeoordeling, waarin wordt gelet op de verschillende routes waar-
langs mens en milieu worden blootgesteld;
— door middel van de juiste keuzen gestuurd naar de doeltreffendste maatregelen (via wetgeving of an-
dere soorten maatregelen) om de voorkomende problemen op te lossen.
De Commissie past deze benadering reeds toe bij haar werkzaamheden inzake bepaalde stoffen die op
grote schaal worden gebruikt en in ruime mate in het milieu zijn verspreid — met name cadmium en lood.
Er zullen ter zake dienende voorstellen worden ingediend.
O PB nr. L 259 van 15. 10. 1979, blz. 10.
18.3.87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 70/27
4.3.6. Een volgende grote stap wordt de geïntegreerde regulering van gevaarlijke chemicaliën. De Com-
missie zal nagaan of de bestaande communautaire wetgeving, in het bijzonder Richdijn 79/663/EEG in-
zake het op de markt brengen en het gebruik (') van chemische stoffen, die in het verleden is gebruikt voor
de controle op onder andere PCB's en asbest, afdoend is.
4.3.7. Er zijn reeds voorstellen gedaan voor wetgeving en communautaire maatregelen op internationaal
vlak met betrekking tot de in- en uitvoer van gevaarlijke chemicaliën die in de Gemeenschap verboden of
sterk aan banden gelegd zijn. De kwestie van de export van gevaarlijke industriële procédés en installaties
naar derde landen blijft evenwel een zaak van grote prioriteit. De Gemeenschap moet een wetgeving in-
zake de export van gevaarlijke industriële processen uitwerken op basis van de informatie en de ervaring
die zijn opgedaan in het kader van Richtlijn 82/501/EEG inzake de risico's van zware ongevallen (2):
zodra voldoende ervaring ter zake is opgedaan, zal de Commissie de nodige voorstellen ter zake indienen.
4.3.8. In een andere mogelijke toepassing van de in het kader van Richtlijn 82/501/EEG opgedane
ervaring zal de Commissie nagaan of de krachtens die richtlijn vastgestelde procedures voor bedrijfsinterne
veiligheid, het voorkomen van ongevallen, het opstellen van noodplannen, opleiding, informatie, enz. ook
van nut kunnen zijn voor kerninstallaties. Hierover wordt zo spoedig mogelijk verslag uitgebracht aan de
Raad.
4.3.9. Meer algemeen moet worden gesteld dat de bezorgdheid over transport en produktie op interna-
tionale schaal van gevaarlijke chemicaliën, afvalstoffen en installaties snel toeneemt. Ongevallen op dit
terrein doen zich gelukkig zelden voor, maar kunnen catastrofale gevolgen hebben (Seveso, Bhopal). Naast
de systematische tenuitvoerlegging en ontwikkeling van communautaire voorschriften inzake gevaarlijke
chemische stoffen (zoals hierboven vermeld) en het grensoverschrijdende vervoer van toxische en gevaar-
lijke afvalstoffen (zie punt 5.3 hieronder), is dringend aandacht vereist voor de ontwikkeling op internatio-
naal niveau van de nodige controlemaatregelen en kennisgevings- en vergunningsprocedures, die leiden tot
een hoge mate van veiligheid zonder de wettige produktie van en handel in gevaarlijke produkten in de
weg te staan. Het is dan ook zeer raadzaam dat de Gemeenschap, in samenwerking met de OESO en de
Verenigde Naties, meehelpt aan de snelle ontwikkeling van over de hele wereld geldende gedragscodes ter
aanvulling van de specifieke wettelijke maatregelen die nodig zijn om bepaalde aspecten van deze aangele-
genheden te regelen. De Commissie zal initiatieven daartoe nemen.
4.3.10. De Gemeenschap is samen met een aantal Lid-Staten reeds partij bij het Internationaal Verdrag
ter bescherming van de ozonlaag. Een protocol inzake chloorfluorkoolwaterstoffen (CFC's) wordt momen-
teel uitgewerkt. Bij een aantal beschikkingen van de Raad heeft de Gemeenschap het gebruik van CFC's in
de Gemeenschap beperkt en het is van groot belang dat de Gemeenschap ook partij wordt bij het interna-
tionale protocol. Samen met een aantal Lid-Staten neemt de Commissie actief deel aan de voorbereidende
werkzaamheden die momenteel aan de gang zijn en te zijner tijd zullen voorstellen worden ingediend voor
een mandaat om over de definitieve tekst te onderhandelen.
4.4. Biotechnologie
4.4.1. Op het gebied van de biotechnologie hebben er zich in de afgelopen jaren ingrijpende ontwikke-
lingen voorgedaan die aanzienlijke implicaties hebben voor de communautaire beleidsvorming. De Com-
missie heeft een leidende rol gespeeld bij de uitwerking van een communautaire strategie voor Europese
biotechnologie, met onder meer: de ontwikkeling van een rationele benadering van het onderzoek op het
gebied van recombinant DNA. De Gemeenschap beschikt al heel lang over voorschriften op bepaalde toe-
passingsgebieden van de biologie die zonodig steeds worden bijgewerkt zoals bij voorbeeld voor levensmid-
delen, geneesmiddelen en landbouw. Het onderzoek in verband met de risico-evaluatietechnieken vormt
een onderdeel van het huidige Actieprogramma voor Onderzoek biotechnologie 1985-1989 en dit onder-
zoek zal worden voortgezet en uitgebreid wanneer het programma wordt herzien.
4.4.2. Vanuit het oogpunt van de milieubescherming zijn twee aspecten van belang. Enerzijds kan de
biotechnologie bijdragen tot de milieubescherming, bij voorbeeld bij de waterzuivering, bij het reduceren
van het BZV van organisch afval van bedrijfstakken die biologisch materiaal verwerken en bij het ontgiften
van afval. Anderzijds leeft er ongetwijfeld de nodige bezorgdheid onder het publiek, dat nog maar weinig
vertrouwd is met de meest recente vooruitgang op het gebied van de genetische technieken en speciaal
huiverig is voor het te verwachten grootschalige gebruik van nieuwe organismen in landbouw en milieu en
de hieraan verbonden risico's.
4.4.3. Het belang voor de Europese Gemeenschap van het beheersen van mogelijke gevaren in verband
met de biotechnologie is overduidelijk: doordat nieuwe organismen zich kunnen vermenigvuldigen, kunnen
(') PB nr. L 262 van 27. 9. 1976, blz. 201.
(2) PB nr. L 230 van 5. 8. 1982.
Nr. C 70/28 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 18.3.87
zij aanleiding geven tot problemen die vergelijkbaar zijn met problemen uit het verleden als gevolg van het
indringen van natuurlijke ziektekiemen in nieuwe omgevingen (bij voorbeeld de iepziekte). Ook betekent
de snelle uitbreiding van industrieën waarin van moderne genetische technieken gebruik wordt gemaakt,
dat de mogelijke milieueffecten van de biotechnologische processen en produkten zich snel kunnen ver-
meerderen indien niet de juiste voorzorgsmaatregelen worden getroffen.
4.4.4. De lange ervaring op het gebied van de gezondheidszorg en de milieubescherming toont aan dat
het beter is mogelijke gevaren zoveel mogelijk in te schatten voordat tot grootschalige produktie wordt
overgegaan, zodat zo nodig preventief kan worden opgetreden. Uiteraard is het aan de innovator om de
regelgevende instanties de juiste gegevens voor een dergelijke beoordeling te verschaffen. Dergelijke beoor-
delingen vooraf kunnen worden aangevuld met een bewaking achteraf'm het licht van opgedane ervaring.
4.4.5. Er zijn sterke argumenten voor het nemen van dergelijke maatregelen op communautair vlak —
zowel ter bescherming van de gezondheid en het leefklimaat van de burgers van de Gemeenschap als ter
vrijwaring van de gemeenschappelijke markt tegen eenzijdige nationale voorschriften. Uit gesprekken met
hooggeplaatste ambtenaren van de Lid-Staten is duidelijk gebleken dat de Gemeenschap snel en beslist
moet optreden ten einde een algemeen wettelijk kader tot stand te brengen voor de ontwikkeling van
processen en produkten waarbij potentieel gevaarlijke, nieuwe organismen zijn betrokken. De Commissie is
dan ook reeds begonnen met werkzaamheden via een speciaal daartoe opgericht comité — het Biotechno-
logy Regulation Interservice Committee (BRIC) — met het oog op de beoordeling en zonodig verdere
uitwerking van gezondheids- en milieuvoorschriften op dit terrein.
4.4.6. Een brede aanpak van de bescherming van het milieu tegen mogelijke gevaren door genetisch
gewijzigde of exotische organismen kan daarom nodig zijn met betrekking tot:
1. de aard (en mogelijke levensvatbaarheid in het milieu) van de geproduceerde organismen;
2. de toegepaste produktieprocessen;
3. bedrijfslozingen in het milieu;
4. afvalverwijdering en -verwerking;
5. voorkoming van ongevallen, alsmede de aard van de risico's indien er bij ongevallen organismen vrij-
komen;
6. toepassingsmethoden en -lokaties wanneer men voornemens is organismen opzettelijk in het milieu te
brengen;
7. detectie, bewaking en beheersing van de overleving, vermeerdering en verspreiding van dergelijke orga-
nismen;
8. blootgestelde bevolkingsgroepen en blootstellingsroutes;
9. effecten van de desbetreffende organismen op de mens, andere soorten en ecosystemen.
4.4.7. Er kan geen wezenlijk onderscheid worden gemaakt tussen de risico's in verband met de reeds
bestaande organismen, organismen die met de traditionele methoden van genetische wijziging zijn verkre-
gen en organismen die worden geproduceerd met de veel nauwkeurigere methoden van de moderne bio-
technologie. Door de grote verscheidenheid en veelheid van nieuwe toepassingen die worden ontwikkeld
voor genetisch gewijzigde organismen, zou er evenwel voor de risico's van deze toepassingen een schaal-
vergroting kunnen optreden, tenzij de ontwikkeling ervan binnen een nauw omlijnd wettelijk kader plaats-
vindt.
4.4.8. Bij voorschriften met betrekking tot nieuwe organismen moet onderscheid worden gemaakt tussen
de risico's op twee verschillende gebruiksterreinen: enerzijds de risico's van industrieel gebruik van gene-
tisch gemanipuleerde micro-organismen in een ingesloten omgeving, waarvoor vermoedelijk geen funda-
menteel andere maatregelen noodzakelijk zullen zijn dan die welke er al waren; anderzijds is er de even-
tualiteit van een gepland loslaten van genetisch gewijzigde organismen in het milieu (zoals levende entstof-
fen, micro-organismen voor het ontgiften van afval of biologische bestrijdingsmiddelen) waar de ervaring
(bij voorbeeld met het ecologische effect van de invoering van exotische soorten op bestaande populaties)
heeft geleerd dat er speciale voorzorgsmaatregelen nodig kunnen zijn.
4.4.9. De Commissie zal de behoeften beoordelen en ter zake dienende voorstellen aan de Raad voor-
leggen op twee gebieden:
1. de classificatie, afbakening en beheersing van risico's voor mens en milieu van de produktie, het gebruik
en de verwijdering van nieuwe organismen;
2. kennisgeving van en overleg over het voorgenomen gebruik van nieuwe organismen in het milieu.
Met betrekking tot het eerste punt zal het vermoedelijk nodig zijn normen en procedures te harmoniseren
voor classificatie, afbakening, ongevallenbeheersing, noodplannen en noodmaatregelen en de verwijdering
in de vorm van afval van potentieel gevaarlijke organismen die worden gebruikt bij industriële produktie-
processen. Met betrekking tot het tweede punt, het gepland loslaten van organismen, moet er vermoedelijk
een Europees systeem van kennisgeving en vergunningen worden opgezet voor het in het milieu brengen
van nieuwe organismen.
18.3.87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 70/29
4.4.10. Omdat geen van de Lid-Staten (in feite zelfs nog geen enkel land) tot nu toe een allesomvattende
wetgeving op dit terrein bezit, heeft de Gemeenschap hier een goede gelegenheid om de nodige reglemen-
tering zelf uit te werken en andere landen een model te bieden. Parallel met de bovenvermelde interne
communautaire maatregelen zal de Commissie er dan ook naar streven de doeltreffendheid van dergelijke
maatregelen uit te breiden en te versterken via onderhandelingen in de OESO en andere internationale
organisaties.
4.4.11. Verder zal de Commissie het wetenschappelijke onderzoek in verband met de beoordeling van
gevaren gepaard gaande met de ontwikkeling en het gebruik van biologische middelen voortzetten en
uitbreiden.
4.5. Lawaai
4.5.1. Alle tot dusver aangenomen richtlijnen van de Gemeenschap inzake geluid hebben betrekking op
lawaai van produkten. Krachtens deze richtlijnen zijn er grenswaarden vastgesteld voor de toegestane ge-
luidsemissies van vierwielige voertuigen, trekkers, motorrijwielen, bouwmaterieel, luchtvaartuigen en gras-
maaiers. Daarnaast zijn er voorgestelde richtlijnen ter vaststelling van emissiegrenswaarden voor hef-
schroefvliegtuigen en inzake een geluidsetikettering van huishoudelijke apparaten in bespreking bij de
Raad.
4.5.2. De vraag is nu in hoeverre de Gemeenschap zich bezig moet houden met geluidsvraagstukken die
niet specifiek betrekking hebben op produkten. In het Tweede Milieu-actieprogramma werd weliswaar in
ambitieuze termen gesproken van „het definiëren en uitvoeren van een communautair antilawaaibeleid",
dat onder meer zou resulteren in een programmavoorstel van de Commissie waarin het algemene kader
wordt aangegeven voor een reeks maatregelen gericht op lawaaibestrijding op verschillende niveaus (met
daarbij kwaliteitsdoelstellingen, zone-indelingen, lawaaiheffingen en dergelijke) maar in de praktijk is de
Commissie nog niet verder gegaan dan de produktgerichte benadering.
4.5.3. Toch is lawaai een milieuprobleem dat nagenoeg elke burger van de Gemeenschap raakt en dat,
volgens opinieonderzoek, van groot belang blijft. De Commissie wil dan ook gedurende de looptijd van het
Vierde Milieu-actieprogramma blijven proberen op een aantal punten vooruitgang te boeken. Zo onder
meer inzake:
— het omschrijven van kwaliteitsdoelstellingen of -richtsnoeren waarbij grenswaarden worden vastgesteld
voor omgevingslawaai in diverse omstandigheden;
— het reguleren van het geluid dat bij de vervanging van de knalpot van motorfietsen is toegestaan;
— het opnemen van geluidsinspectiemaatregelen in de technische keuring van voertuigen in de Lid-Staten;
— de uitbreiding van bestaande EEG-richtlijnen inzake vliegtuiglawaai met een verbod op verdere inge-
bruikneming, waarmee in de Gemeenschap de normen van de ICAO, bijlage 16, hoofdstuk 3, binnen-
kort van kracht worden;
— de ontwikkeling van een gemeenschappelijke benadering van geluidsafhankelijke landingsheffingen
voor luchtvaartuigen (hetgeen volledig strookt met het principe „de vervuiler betaalt").
4.5.4. In het algemeen bestaat de benadering van de Gemeenschap erin de vaststelling van grenswaarden
voor de geluidsemissie van bepaalde produkten te combineren met de vaststelling van grenswaarden voor
omgevingslawaai. Daarnaast overweegt de Commissie het eventuele gebruik van heffingen (of andere eco-
nomische instrumenten) waarmee de meer lawaaiige produkten onaantrekkelijk worden gemaakt en geluids-
arme produkten worden bevorderd, hetgeen de fabrikanten moet stimuleren tot het ontwikkelen van min-
der geluid voortbrengende artikelen. Tenslotte zal de Commissie, in samenwerking met de desbetreffende
normstellende instanties (zoals de ISO), proberen de basis te leggen voor de beoordeling van lawaai af-
komstig van het verkeer, de industrie, bouwwerkzaamheden en dergelijke.
4.6. Nucleaire veiligheid
4.6.1. Het feit dat de Gemeenschap zich steeds meer inzet voor het veilige gebruik van kernenergie
binnen het kader van het Euratom-Verdrag (naast andere vreedzame aanwendingen van radioactieve mate-
rialen) brengt ongetwijfeld vanuit het oogpunt van de milieubescherming aanzienlijke vraagstukken met
zich mee.
4.6.2. In haar Kadermededeling aan de Raad over de consequenties van het ongeluk te Tsjernobyl (l),
kondigde de Commissie het voornemen aan voorstellen uit te werken voor een samenhangend beleid dat
gericht was op de bescherming van werknemers, bevolking en milieu. De in die mededeling beoogde pre-
ventieve aanpak (naast maatregelen in het geval van een crisissituatie) laat zich natuurlijk volledig rijmen
met de in eerste instantie preventieve opzet van het communautaire milieubeleid.
4.6.3. Tot dusverre kon een hoge mate van bescherming tegen radioactiviteit worden verzekerd via de in
het Euratom-Verdrag neergelegde benadering, waarbij voor de burgers van de Gemeenschap internationaal
(') COM(86) 327 def..
Nr. C 70/30 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 18. 3. 87
overeengekomen niveaus van stralingsbescherming worden nageleefd, waaraan de eis is gekoppeld dat
iedere blootstelling zo laag moet worden gehouden als redelijkerwijs mogelijk is (A1ARA). Doel van deze
benadering is ervoor te zorgen dat de blootstelling van de mens wordt beperkt tot niveaus die in ieder
geval voldoen aan internationale normen en aan de dienovereenkomstige basisnormen die in de commu-
nautaire wetgeving zijn neergelegd (*). Wel heeft de Commissie, zowel in haar mededeling over de conse-
quenties van het ongeluk te Tsjernobyl als in haar daaropvolgende mededeling over de kwesties in het
kader van de toepassing van hoofdstuk III van het Euratom-Verdrag (2) erkend dat een aantal specifiek
milieugerelateerde aspecten van de nucleaire veiligheid (naast de aspecten van stralingsbescherming) nu
verder in detail moesten worden bestudeerd.
4.6.4. Het gaat hier onder meer om het volgende:
— de vraag of het concept van emissienormen moet worden toegepast op kerninstallaties, in de weten-
schap dat in ieder geval de basisnormen van kracht zullen blijven;
— de problemen bij de harmonisatie van de veiligheidscriteria en de in dit verband te treffen maatregelen;
— de vraag of de bepalingen van de basisnormen van Euratom betreffende preventieve maatregelen ter
beperking van ongevallenrisico's, zoals kennisgeving van de kenmerken van kerninstallaties en van
noodplannen, correct worden toegepast en toereikend zijn om het publiek te beschermen;
— het vervoer van gevaarlijke materialen (met inbegrip van radioactieve materialen) waarover een studie
beschikbaar is sedert het ongeval met de Mont Louis in 1984. Zoals vermeld in punt 5.3.7 zal er bin-
nenkort een volledig rapport over deze werkzaamheden aan de Raad worden toegezonden waarin is
vermeld dat de Commissie voorstellen hoopt te doen ten einde van de bepalingen van de relevante
internationale overeenkomsten inzake het vervoer van dergelijke materialen via communautaire wetge-
ving op het internationale vervoer van toepassing te laten worden; de voorstellen van de Commissie
moeten tevens verzekeren dat de Lid-Staten voor het nationale vervoer voorschriften vaststellen die op
dezelfde beginselen gebaseerd zijn;
— het beheer van radioactieve afvalstoffen. In het algemeen mag worden gesteld dat de werkzaamheden
aan het onderzoekprogramma en het actieprogramma van de Gemeenschap (1988-1992) naar voldoe-
ning verlopen, maar de Commissie stelt zich op het standpunt dat het beheer van nucleaire afvalstoffen
een zaak blijft waarop uit milieuoverwegingen een strikt toezicht moet worden uitgeoefend. Het com-
munautaire beleid moet worden versterkt door voort te bouwen op de resultaten van de reeds lopende
werkzaamheden, speciaal in het kader van de communautaire onderzoekprogramma's, ten einde op
communautair niveau duidelijke richtlijnen uit te werken voor de verwijdering van dergelijk afval. Wat
de verwijdering van radioactief afval op zee betreft (hetgeen internationaal wordt geregeld bij het
Dumpingverdrag van Londen) acht de Commissie het voorts uiterst wenselijk dat de Gemeenschap als
zodanig deelneemt aan de werkzaamheden van dat verdrag; vóór eind 1986 zullen daartoe strekkende
voorstellen bij de Raad worden ingediend.
4.6.5. Meer in het algemeen wordt de Commissie zich steeds meer bewust van de mogelijke milieu-im-
plicaties van zowel het bedrijf van allerlei kerninstallaties en de lozingen daarvan als van de ten aanzien
van het beheer en de verwijdering van radioactief afval gevolgde beleidslijnen en methodes. Bij het vervul-
len van haar verplichtingen uit hoofde van het Euratom-Verdrag (en ook haar verplichtingen op grond van
het gewijzigde EEG-Verdrag) zal de Commissie dan ook nauw toezicht houden op de kwestie van de
milieubescherming in de context van het gebruik van kernenergie (en andere vreedzame aanwendingen vari
radioactieve materialen) en zal zij zo nodig voorstellen doen voor communautaire maatregelen.
5. BEHEER VAN MILIEURIJKDOMMEN
5.1. Natuurbehoud
5.1.1. Tijdens het Vierde Milieu-actieprogramma moet een aantal belangrijke ontwikkelingen plaatsvin-
den op het gebied van het natuurbehoud. Van alle aspecten van het milieubeleid heeft waarschijnlijk geen
zozeer de belangstelling en de zorg van het publiek als de bescherming van natuur, landschap, fauna en
flora tegen verdere aantasting en verarming. Het Eerste Milieu-actieprogramma dat in 1973 werd goedge-
keurd bevatte belangrijke hoofdstukken over de bescherming van het natuurlijk milieu en ook in de twee
daaropvolgende programma's werd hierop de nadruk gelegd.
O PB nr. L 246 van 17. 9. 1980, gewijzigd bij PB nr. L 265 van 5. 10. 1984.
O COM(86) 434 def..
18. 3. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 70/31
5.1.2. Meer dan zes jaar zijn nu verlopen sinds de Raad Richtlijn 79/409/EEG en de resolutie over de
instandhouding van de vogelstand (') aannam. Uiteraard is het van wezenlijk belang ervoor te zorgen dat
de richtlijn en de resolutie in de Lid-Staten volledig worden toegepast. Zo is ook de daadwerkelijke toepas-
sing van Verordening (EEG) nr. 3626/82 tot uitvoering van de Overeenkomst inzake de internationale
handel in bedreigde soorten (CITES) (2) binnen de Gemeenschap noodzakelijk. Beide maatregelen zijn van
groot belang voor het natuurbehoud zowel binnen als buiten de grenzen van de Gemeenschap; de verdere
tenuitvoerlegging van beide maatregelen blijft dan ook gedurende het Vierde Milieu-actieprogramma prio-
ritair. Maar dit alleen is niet genoeg; de tijd is nu voor de Gemeenschap en de Lid-Staten rijp om een
belangrijke nieuwe stap te doen op het gebied van het natuurbehoud.
5.1.3. Een aantal voorgenomen maatregelen op andere terreinen, zoals de mogelijke hervormingen van
het gemeenschappelijk landbouwbeleid die zijn uiteengezet in de mededeling van de Commissie aan de
Raad en het Parlement van 15 juli 1985 (Perspectieven voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid) (*) en
van 18 december 1985 (Een toekomst voor de Europese landbouw) (4), beogen veranderingen die, mits ze
worden uitgevoerd, een belangrijk positief effect kunnen hebben voor de natuur en het natuurbehoud.
Maatregelen ter beperking van de verontreiniging van lucht, water en bodem kunnen namelijk ook ten
goede komen aan fauna en flora. De voorstellen tot wijziging van het structuurbeleid vormen een belang-
rijke stap in die richting ('). Toepassing van de procedures inzake milieueffectrapportage, die in Richdijn
85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 (') zijn beschreven, draagt wellicht bij tot het voorkomen van
de meer in het oog lopende gevaren voor het natuurlijk milieu. Maar nogmaals, deze maatregelen zonder
meer zijn niet genoeg.
5.1.4. Wat in wezen nodig is, is een communautair instrument dat dient voor de bescherming, niet alleen
van vogels maar van alle soorten fauna en flora, en niet alleen van de leefgebieden van vogels maar van die
van de levende natuur — dieren en planten — in het algemeen. Een dergelijk algemeen kader moet ervoor
zorgen dat er in de gehele Gemeenschap positieve maatregelen worden genomen ter bescherming van alle
vormen van leven in de natuur en van de habitat daarvan. Dergelijke maatregelen dienen te zijn gericht op
de drie hoofddoelstellingen van de wereldstrategie voor natuurbehoud:
— de instandhouding van essentiële ecologische processen en levensondersteunende systemen;
— de instandhouding van de genetische verscheidenheid, en
— het verantwoord gebruik van soorten en ecosystemen.
5.1.5. De Commissie zal de nodige voorstellen in deze zin doen. Voorts is zij bezig met het opstellen
van een omvangrijke lijst van gebieden in de gehele Gemeenschap die beschermd zijn volgens de verschil-
lende categorieën van beschermde gebieden. Een dergelijke lijst vormt een van de essentiële grondslagen
voor de consequente uitvoering van bovenvermelde kadermaatregelen.
5.1.6. In dit verband is het duidelijk dat maatregelen ter bescherming van bedreigde planten en dieren,
zoals die welke zijn opgenomen in de aanhangsels bij het Verdrag van Bern, dringend noodzakelijk zijn.
Uit recente rapporten blijkt zonder meer dat het met de toepassing van het Verdrag van Bern in de Lid-
Staten van de Gemeenschap en 'elders slecht is gesteld. Een algemeen kader van natuurbeschermingsmaat-
regelen op Gemeenschapsniveau moet helpen de situatie voor bedreigde plant- en diersoorten in de Ge-
meenschap te verbeteren en tegelijk bijdragen tot de verwezenlijking van de drievoudige doelstelling van de
wereldstrategie voor natuurbehoud.
5.1.7. Naast de communautaire maatregelen van de bovengenoemde soort dient het hoofdstuk „Natuur-
behoud" van Verordening (EEG) nr. 1872/84 inzake communautaire acties voor het milieu (CAM) (7) te
worden uitgebreid ten einde bovengenoemde doelstellingen te verwezenlijken; het is logisch noch wenselijk
om het toepassingsgebied te beperken tot de soorten die vallen onder de „Vogelrichdijn"; de Commissie
zal de nodige voorstellen hiertoe doen. Voorts is ook de mogelijke bijdrage van andere beleidssectoren tot
het natuurbehoud belangrijk; de Commissie zal zeker profiteren van de gelegenheid tot het nemen van
soortgelijke maatregelen op grotere schaal, die wordt geboden door het feit dat het gemeenschappelijk
landbouwbeleid voortdurend aan de behoeften wordt aangepast.
(') PB nr. L 103 van 25. 4. 1979.
O PB nr. L 384 van 31. 12. 1982.
O COM(85) 333 van 13. 7. 1985.
O COM(85) 750 van 18. 12. 1985.
(s) COM(85) 188 def..
(') PB nr. L 175 van 5. 7. 1985.
(') PB nr. L 176 van 13. 7. 1984.
Nr. C 70/32 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 18.3.87
5.1.8. In een communautaire structuur voor natuurbescherming is niet alleen plaats voor milieuorganisa-
ties en milieudepartementen, maar ook voor veel ruimere belangen zoals die van industrie, handel en land-
bouw. In de eerste plaats dienen bewustzijn en begrip te worden verruimd, alsmede de wil tot handelen op
een gebied waar onmiddellijke economische belangen slechts zelden door dergelijke maatregelen worden
gediend. Daarom — en ook vanwege het intrinsieke belang van deze zaak en de brede steun ervoor van
het publiek — neemt het thema natuurbehoud een belangrijke plaats in tussen de activiteiten die in het
Europese Jaar voor het Milieu zullen worden ontplooid.
5.1.9. In het hoofdstuk milieubeleid van haar werkprogramma voor 1985 verklaarde de Commissie het
volgende:
„De verbetering van de kwaliteit van het bestaan houdt ook respect in voor het leven van dieren in de
Lid-Staten, hetgeen weer een rol speelt in de betrekkingen die de Lid-Staten met de rest van de wereld
onderhouden. De steeds terugkerende discussies over de methoden waarmee op jonge zeehonden
wordt gejaagd mogen de ernst van de vraagstukken die zich in Europa bij de exploitatie van dieren
voordoen niet verdoezelen: dierexperimenten, industrialisering van de fokkerij van voor de consumptie
bestemde dieren, de handel in die dieren en de verwerking ervan. De Commissie zal nagaan welk
pakket maatregelen op deze gebieden kan worden genomen.".
Het komt er nu op aan om in het kader van het Vierde Milieu-actieprogramma deze beknopte verklaring
met concrete maatregelen in te vullen.
5.1.10. Tot de prioritaire maatregelen behoren de betere toepassing van bestaande communautaire richt-
lijnen betreffende dierenbescherming en het voorstellen van nieuwe communautaire maatregelen waar dit
van toepassing is, bij voorbeeld inzake de bescherming van laboratoriumdieren en het welzijn van land-
bouwhuisdieren.
5.2. Bodembescherming
5.2.1. Er wordt steeds meer ingezien dat er speciale aandacht moet worden besteed aan de bodembe-
scherming. Dit komt in de eerste plaats door het besef dat de bodem in toenemende mate wordt bedreigd
en dat de geleden schade steeds groter wordt. Voorts is het duidelijk dat, zoals reeds in afdeling 3 is
uiteengezet, een afdoend beleid voor de bestrijding van de vervuiling niet beperkt kan blijven tot een
sectoriële aanpak; en dat wat de bodem betreft, maatregelen, die zich uitsluitend tot het beheer van afval
beperken, niet zonder meer voldoende zijn om de nodige bescherming tot stand te brengen. Op het gebied
van de bodemerosie hebben inspanningen om de landbouw voort te zetten, overeenkomstig Richtlijn
75/268/EEG betreffende de landbouw in probleemgebieden ('), en met name maatregelen inzake brandbe-
strijding, een bijdrage geleverd tot de oplossing van dit probleem.
5.2.2. Het is evenwel geen gemakkelijke taak de bescherming van de bodem zeker te stellen, want het
betreft hier een complex medium dat nauw is verweven met andere media (en vice versa) dat tal van
functies vervult (bij voorbeeld waterreservoir en -filter, vindplaats van primaire delfstoffen, basis van mense-
lijke activiteit).
5.2.3. De bedreiging van de grond is drieërlei:
;
— verontreiniging door schadelijke stoffen (of door stoffen die moeilijk biologisch afbreekbaar zijn) van
diverse oorsprong (huisvuil, landbouw- of industrieel afval; landbouwchemicaliën; zure depositie, enz.);
— aantasting van de fysische of chemische structuur; erosie, natuurlijke risico's, verdichting door het ge-
bruik van zware machines;
— verkeerd gebruik en verspilling als gevolg van activiteiten die veel ruimte in beslag nemen.
5.2.4. Ten einde met deze eigenschappen rekening te houden en de bedreiging van de bodem tegen te
gaan, is een globale aanpak van bodembescherming noodzakelijk.
5.2.5. De Commissie zal dan ook binnenkort beginnen met werkzaamheden met het oog op de ontwik-
keling van een dergelijke communautaire aanpak ter aanvulling van de huidige maatregelen. In dit verband
zal de Commissie voorstellen indienen voor specifieke maatregelen ter bestrijding van de drie hoofdoorza-
ken van bodembederf, namelijk verontreiniging, fysische aantasting en verkeerd bodemgebruik; deze voor-
stellen zullen gericht zijn op:
— versterking van de regelingen voor de coördinatie tussen beleidssectoren zodat meer aandacht wordt
geschonken aan het aspect bodembescherming, in het bijzonder bij het agrarisch en regionaal ontwikke-
lingsbeleid van de Gemeenschap;
— beperking van de schade die door de landbouw wordt aangericht aan de ecologische infrastructuur
door het voorstellen van maatregelen (tegen de achtergrond van de hervorming van het gemeenschap-
pelijk landbouwbeleid) ter bevordering van minder intensieve veehouderijsystemen, beperking van het
gebruik van landbouwchemicaliën en stimulering van het verantwoord verwerken van landbouwafval
(met name van de intensieve veehouderij — zie ook punt 2.3);
O PB nr. L 128 van 19. 5. 1975.
*
18.3.87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 70/33
— voorkoming van bodemerosie en van snelle afvloei van water (onder meer het aanwijzen en in kaart
brengen van voor erosie vatbare gronden in de Gemeenschap);
— aanwijzing en sanering van verontreinigde afvalstortplaatsen; stimulering van het herstel en hergebruik
van verontreinigd of verwaarloosd land (bij voorbeeld oude industrieterreinen, mijnbouwterreinen, en
dergelijke); beperking van de schade aan de bodem door het storten van afval;
— stimulering van de ontwikkeling van nieuwe bodembeschermingstechnieken en de overdracht van de
beschikbare kennis ter zake.
5.2.6. Voorts moet worden opgemerkt dat ook de voorgestelde maatregelen ter beperking van verontrei-
nigende emissies in de lucht (punt 4.1) en ter bescherming van het oppervlakte- en grondwater (punt 4.2)
bijdragen tot de bescherming van de bodem. Tenslotte zal de bodem centraal staan in de maatregelen
betreffende milieubeheer in stedelijke gebieden en in kust- en bergstreken (punt 5.4).
5.3. Afvalverwerking
5.3.1. In de Gemeenschap wordt per jaar meer dan 2 miljard ton afval geproduceerd, waarvan ongeveer
80 % in aanmerking komt voor hergebruik en recycling, waarbij grondstoffen of energie kunnen worden
gewonnen; een deel ervan is ook toxisch of gevaarlijk, en een deel ervan kan zonder meer voorkomen
worden door het gebruik van betere produktiemethoden in landbouw en industrie. De hoeveelheid afval
neemt gestaag toe. Driekwart van alle afval wordt op het land gestort —- maar al te vaak zonder degelijke
afdekking.
5.3.2. Om hierin verbetering te brengen moeten nieuwe technologieën worden gestimuleerd. Onlangs
heeft de Commissie een eerste reeks steunmaatregelen voor schone technologieën goedgekeurd krachtens
Verordening (EEG) nr. 1872/84 van de Raad inzake communautaire acties voor het milieu (CAM) ('). Het
ligt voor de hand dat steunmaatregelen voor de ontwikkeling van nieuwe technologieën, gepaard aan de
totstandbrenging van de passende marktvoorwaarden voor een rationeler aanpak van afvalverwerking,
moeten leiden tot een beter gebruik van hulpbronnen, economisch voordeel en meer werkgelegenheid,
minder afhankelijkheid van de import en minder risico's van verontreiniging.
5.3.3. In het Tweede Milieu-actieprogramma, dat door de Raad op 17 mei 1977 (2) werd goedgekeurd,
werd uitvoerig een communautaire strategie uitgestippeld voor „afvalbeheer door middel van een samen-
hangend beleid van voorkoming, terugwinning en verwijdering". Het programma was toegespitst op drie
grote onderwerpen: beperking van het ontstaan van afval; meer recycling en hergebruik; en veilige verwij-
dering van onvermijdbaar afval. De doelstellingen van deze aanpak werden bevestigd in het Derde Actie-
programma dat in februari 1983 werd goedgekeurd en zullen ook tijdens het Vierde Actieprogramma
worden aangehouden.
5.3.4. Onder het eerste beleidspunt — voorkoming van afval — zullen verdere maatregelen worden
genomen voor de uitbouw van het programma „Schone technologie", waarin in de CAM-verordening is
voorzien. De met de eerste reeks CAM-acties op het gebied van schone technologie opgedane ervaring zal
worden geëvalueerd en er zullen voorstellen worden gedaan voor de voortzetting en de uitbreiding van de
CAM-acties. Deze voorstellen zullen met name zijn gericht op de uitbreiding van het „Schone technolo-
gie"-programma tot niet-vervuilende technieken op gebieden die tot dusver niet onder de verordening
vallen, alsmede tot het ruimere terrein van afvalbeheer. Ook zal worden gewerkt aan het opstellen van
criteria voor „milieuvriendelijke produkten", dat zijn produkten die in de opruimfase weinig of geen afval
opleveren.
5.3.5. Wat het tweede beleidspunt betreft — recycling en hergebruik van afval — is het duidelijk dat het
marktmechanisme een belangrijke rol zal blijven spelen. De Gemeenschap kan desondanks dit proces mis-
schien sturen, in het bijzonder door:
— het aangeven van haalbare doelstellingen;
— het bevorderen van onderzoek- en demonstratieprojecten op het gebied van afvalrecycling;
— het bevorderen van de evaluatie van de kosten en baten van alternatieve vormen van afvalverwerking;
— het vaststellen van financiële regelingen die bedoeld zijn om het principe „de vervuiler betaah" in toe-
passing te brengen (en daarmee recycling en hergebruik te bevorderen) (zie punt 2.5);
O PB nr. L 176 van 13. 7. 1984.
O PB nr. C 139 van 13. 6. 1977.
Nr. C 70/34 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 18.3.87
— het gebruik van economische instrumenten ter stimulering van de scheiding en de recycling van be-
paalde soorten afval;
—' het ontwikkelen van programma's voor informatie-uitwisseling en consumentenvoorlichting ter bevor-
dering van de recycling van produkten.
5.3.6. Ten aanzien van het derde beleidspunt — veilige verwijdering van afval — zal de Commissie de
bestaande reeks richtlijnen moeten aanvullen met richtlijnen op speciale gebieden, bij voorbeeld accu's,
PCB's (speciaal met het oog op het probleem van de verwijdering van PCB's uit transformatoren), oplos-
middelen en dergelijke. Meer herzieningen van de lijst met stoffen die vallen onder Richtlijn 78/319/EEG
betreffende toxische en gevaarlijke afvalstoffen (') zijn nodig. De werkzaamheden inzake wettelijke aan-
sprakelijkheid en verzekeringen met betrekking tot het grensoverschrijdende vervoer van dergelijke afval-
stoffen zullen worden afgerond en er zullen voorstellen ter zake worden ingediend. De kwestie van het
saneren van terreinen waar in het verleden op ongecontroleerde wijze afval is gestort zal worden onder-
zocht, evenals een eventuele steun uit Gemeenschapsfondsen, zoals het Regionaal Ontwikkelingsfonds.
5.3.7. Na het ongeval met de Mont Louis in 1984 is de Commissie ingegaan op een verzoek van het
Europese Parlement om het gehele vraagstuk van de reglementering van het vervoer van gevaarlijke mate-
rialen en afvalstoffen aan een omstandig onderzoek te onderwerpen. Een volledig verslag over deze werk-
zaamheden wordt binnenkort aan de Raad voorgelegd. Hierin zal de Commissie voorstellen aankondigen
om de bepalingen van de desbetreffende internationale overeenkomsten inzake het vervoer van dergelijke
materialen krachtens de communautaire wetgeving toe te passen op zowel het vervoer binnen de Gemeen-
schap als het internationaal vervoer. Deze voorstellen zullen betrekking hebben op gevaarlijke stoffen en
afvalstoffen, alsmede op kernmateriaal. Voorts zal de Commissie bij de Raad voorstellen indienen inzake
de harmonisatie van de eisen die worden gesteld aan de opleiding van chauffeurs van voertuigen waarmee
gevaarlijke stoffen, waaronder ook afvalstoffen, worden vervoerd.
5.3.8. Tenslotte hoopt de Commissie de Raad een speciale mededeling te doen toekomen over het on-
derwerp afvalbeheer, waarin een praktisch kader voor een meer rationeel afvalbeheer, en in het bijzonder
voor het stimuleren van recycling wordt voorgesteld. De Commissie is namelijk van mening dat van alle
maatregelen die op het stuk van de afvalverwerking noodzakelijk zijn, op lange termijn de belangrijkste er
wellicht in bestaat een veel grotere mate van hergebruik en recycling van afval tot stand te brengen dan
momenteel het geval is, en dit in alle Lid-Staten en voor de meeste van de vele soorten afval.
5.3.9. Een dergelijke ontwikkeling kan leiden tot besparing van hulpbronnen, vermindering van veront-
reiniging en beperking van de vraag naar grond voor het storten van afval. Bovendien kan, mits er gunstige
economische voorwaarden aanwezig zijn, vooruitgang in de richting van meer hergebruik en recycling van
afval bijdragen tot de economische groei en bevorderlijk zijn voor de werkgelegenheid. Het Europese Jaar
van het Milieu is een uitstekende gelegenheid om met een dergelijke inspanning te starten en de Commissie
wil de bevordering van schone, weinig afvalproducerende technologieën, recycling en beter beheer van
afval in het algemeen een belangrijke plaats geven tussen de aandachtspunten van het beleid tijdens dat
jaar.
5.3.10. Het is evenwel een uiterst complexe zaak om op dit terrein concrete praktische vooruitgang te
boeken. Elk soort afval brengt eigen mogelijkheden en problemen mee. De aard van het geproduceerde
afval en de manier waarop bepaalde soorten afval zich aandienen (bij voorbeeld in min of meer hanteer-
bare vorm of sterk vermengd of gecombineerd met andere stoffen) hebben een invloed op de verwerkings-
mogelijkheden. Maar er kan worden gekozen; in veel gevallen zijn er alternatieven voorhanden, evenals
minder gevaarlijke vervangmaterialen voor toxische of gevaarlijke stoffen, zowel in produkten als in procé-
dés. Veel hangt dan ook af van het ontwerp en het materiaal van produkten (want vrijwel alle produkten
komen uiteindelijk in de afvalstroom terecht), de keuze van de gebruikte procédés, de voorzieningen die
zijn getroffen voor bedrijfsinterne recycling van materialen (schone technologieën, gesloten kringloopsyste-
men), en tal van andere factoren.
5.3.11. Veel hangt eveneens af van de mate waarin nieuwe en innoverende middelen kunnen worden
ontwikkeld en in gebruik genomen om problemen op het gebied van afvalverwerking aan te pakken, onder
meer betere technieken voor het hanteren, sorteren, behandelen, omzetten, hergebruiken, terugwinnen,
ontgiften en verwijderen van allerhande afval. Ook het uitwisselen van afval en betrouwbare gegevens over
het ontstaan van afval kunnen hierbij een rol spelen. Maar uiteindelijk is de belangrijkste factor toch de
mate waarin nieuwe, milieuvriendelijker methoden, processen en werkwijzen op lange termijn economisch
aantrekkelijk zijn of kunnen worden gemaakt. Zodra dit het geval is, bestaat er maar weinig twijfel over
dat de afvalverwerkende bedrijven in de Gemeenschap deze taak ter hand zullen nemen.
(') PB nr. L 84 van 31. 3. 1978, blz. 43.
18.3.87 Publikatiebladvan de Europese Gemeenschappen N r . C 70/35
5.3.12. In haar mededeling zal de Commissie met al deze factoren rekening proberen te houden en
pogen een rationele grondslag te leggen voor het afvalbeheer in de Gemeenschap door haalbare doelstellin-
gen (in het bijzonder inzake recycling) aan te geven. Voor zover de beschikbare middelen dit toelaten,
hoopt de Commissie een dergelijk document in het begin van de door het Vierde Milieu-actieprogramma
bestreken periode aan de Raad te kunnen voorleggen.
5.4. Stedelijke gebieden, kustgebieden en bergstreken
5.4.1. De afgelopen tien jaar hebben zich in alle Lid-Staten in de stedelijke gebieden snelle en radicale
veranderingen voltrokken en deze ontwikkelingen zullen zich in de komende jaren nog voortzetten. In
sommige landen hebben snelle urbanisatie als gevolg van migratie van het platteland naar de stad en nu de
groei van de stedelijke bevolking zelf geleid tot slechte huisvesting, wanverhouding tussen vraag en aanbod
van arbeidskrachten, onvoldoende of overbelaste stadsinfrastructuur en -diensten, en verslechtering van de
milieukwaliteit. In andere landen heeft urbanisatie geleid tot suburbanisatie en in vele gevallen tot ontstede-
lijking of decentralisatie. De bevolking en de investeerders hebben gezocht naar nieuwe locaties in plaats
van de oudere industriële agglomeraties, die sterk te lijden hebben gehad van de economische structuurver-
anderingen met hoge werkloosheidscijfers, verwaarloosde of verontreinigde terreinen, leegstaande gebou-
wen en verouderde woningen en infrastructuur als gevolg.
5.4.2. In vele stedelijke gebieden heeft de economische neergang met de daaraan verbonden moeilijkhe-
den geleid tot een verslechtering van het leef- en werkklimaat van de inwoners. De situatie in 1985 is in
vele Europese steden dan ook aanzienlijk slechter dan tien tot vijftien jaar geleden. In het milieubeleid van
de Gemeenschap moet nu hogere prioriteit worden verleend aan stadsmilieuproblemen. In enkele steden
zoals Belfast en Napels worden nu nieuwe projecten uitgevoerd waarbij men zich sterk richt op economi-
sche ontwikkeling en schepping van infrastructuur.
5.4.3. Deze programma's kunnen worden uitgebreid tot andere noodlijdende stedelijke gebieden, als-
mede worden aangevuld met breed opgezette milieuprogramma's. Hierbij kan worden gedacht aan terug-
winning van verwaarloosde en verontreinigde grond, de aanleg van parken en andere landschappelijk ver-
fraaide gebieden, de behandeling van storende plekken en maatregelen voor het restaureren van oude
gebouwen. Deze activiteiten zullen op zich zelf al stimulerend werken voor de lokale economie en de
grondslagen leggen voor economisch herstel.
5.4.4. De omvang van het probleem is echter zeer groot. Uit recente studies van de Commissie blijkt dat
er jaarlijks over een periode van twaalf jaar 1 miljard Ecu nodig is uit de overheids- en particuliere sector
om de door vroegere industriële activiteiten verontreinigde bodem schoon te maken alvorens deze opnieuw
te gaan gebruiken. Ook met andere soorten stadsvernieuwing kunnen grote bedragen gemoeid zijn. Boven-
dien kan gebrek aan middelen betekenen dat ook de uitvoering van de communautaire milieuwetgeving in
deze gebieden op moeilijkheden kan stuiten.
5.4.5. Eén en ander betekent dat er van de Lid-Staten en de structuurfondsen van de Gemeenschap
grote financiële inspanningen worden verwacht. Verder moeten nieuwe technologieën in het kader van het
Onderzoek- en Ontwikkelingsprogramma van de Gemeenschap prioriteit krijgen, aangezien de ontwikke-
ling van efficiëntere „schoonmaak"-methoden en schonere preventief gerichte technologieën een aanzien-
lijke bijdrage kunnen leveren tot verbetering van de kwaliteit van het leven in de stad en de economische
activiteit in de sector bestrijding van milieuverontreiniging bevorderen.
5.4.6. De Commissie heeft in document COM(86) 76 reeds verklaard dat zij in het kader van het Regio-
naal Fonds een voorstel voor een communautair programma voor hulpverlening aan probleemgebieden in
de Gemeenschap zal indienen ter uitvoering van de milieurichtlijnen van de Gemeenschap. Om tot een
werkelijk effectieve aanpak van de problemen van de stedelijke gebieden te komen zal echter veel meer
moeten worden gedaan. Ten eerste moet worden nagegaan in hoeverre de bestaande structuurfondsen van
de Gemeenschap (met name het Europees Regionaal Fonds) kunnen worden aangewend voor breed opge-
zette milieuprogramma's in binnensteden. Daarom is het van groot belang dat er voldoende gelden be-
schikbaar komen om de Gemeenschap in staat te stellen om, samen met overheidsinstanties en het lokale
bedrijfsleven, op voldoende grote schaal deel te nemen aan stadsvernieuwingsprogramma's waarin ten volle
rekening wordt gehouden met aspecten van milieu- en regionaal beleid.
5.4.7. De Commissie zal een rapport opstellen voor de Raad waarin wordt onderzocht hoe overheids-
en particuliere instellingen en andere belangengroepen kunnen samenwerken bij de sanering van bepaalde
stedelijke gebieden en daarmee bijdragen tot ondersteuning van hun economische ontwikkeling. Belangrijk
in dit verband is het programma van „demonstratieprojecten" met betrekking tot het scheppen van werkge-
legenheid door middel van milieumaatregelen (zie punt 2.4). Stadsvernieuwing zal een belangrijk thema
worden voor het Europese Jaar van het Milieu.
Nr. C 70/36 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 18.3.87
5.4.8. Door de Commissie in het kader van vroegere actieprogramma's uitgevoerde werkzaamheden met
betrekking tot de ontwikkeling en het ecologische beheer van Europese kustgebieden en soortgelijke werk-
zaamheden van verschillende internationale organisaties hebben duidelijk gemaakt dat kustgebieden speci-
fieke problemen hebben waarvoor dringend naar oplossingen moet worden gezocht. De Commissie heeft
van het begin af aan de werkzaamheden van de Conferentie van perifere kustgebieden gesteund en het
Europese Handvest voor kustgebieden is het resultaat van een gemeenschappelijke inspanning. Het Euro-
pese Parlement heeft deze werkzaamheden nauwlettend gevolgd en de Commissie verzocht het beleid en
de maatregelen op dit gebied in de geest van het Handvest (') ten uitvoer te leggen.
5.4.9. Natuurlijk is het in de eerste plaats aan de kustgebieden zelf om op dit verzoek in te gaan. Dit te
doen is zonder meer in het belang van hun milieu, maar ook (aangezien hun belangrijkste economische
troef juist wordt gevormd door de kwaliteit en de mogelijkheden van hun milieu) in hun economisch
belang. Van haar kant wil de Commissie de uitvoering van het communautaire beleid op de betreffende
gebieden geheel volgens de beginselen van het Europese Handvest voor kustgebieden laten verlopen. Daar-
naast zal de Commissie verdere studies verrichten betreffende de praktische uitvoering van het Handvest en
de resultaten daarvan publiceren.
5.4.10. De bergstreken hebben te maken met soortgelijke problemen als de kustgebieden: zij moeten
verschillende, vaak met elkaar in strijd zijnde functies vervullen. Zij moeten het welzijn van de plaatselijke
bevolking waarborgen, opvang bieden aan een toenemend aantal toeristen uit alle landen van Europa en
tegelijkertijd de woongebieden van in het wild levende dieren beschermen. Bovendien hebben communau-
taire maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid nu meer dan tien jaar lang bijge-
dragen tot het tot stand komen van landschapsveranderingen in bergstreken. Recente voorstellen van de
Commissie aan de Raad beogen aanvulling en aanpassing van de richtlijn inzake steunverlening aan boeren
in deze gebieden (2) om zo een grotere bijdrage te leveren tot het behoud van waardevolle natuurgebieden
en het op peil houden van het inkomen van de boer.
6. ONDERZOEK
6.1. Sedert 1973 wordt het Milieu-actieprogramma van de Gemeenschap ondersteund door een reeks
meerjarenprogramma's voor milieuonderzoek. De voornaamste doelstellingen van het communautaire on-
derzoek op milieugebied zijn:
— het aandragen van wetenschappelijke en technische gegevens ter ondersteuning van het Milieu-actiepro-
gramma;
— het aanpakken van milieuproblemen op langere termijn, waarmee de weg kan worden geëffend voor de
ontwikkeling van een preventief en anticiperend beleid dat rekening houdt met te verwachten trends opv
milieugebied, alsmede het verschaffen van middelen om de doelmatigheid van het huidige milieubeleid
te beoordelen;
— het verschaffen van een instrument voor de verdere coördinatie op communautair vlak van diverse
nationale onderzoekactiviteiten op milieugebied, met het oog op het verbeteren van het totale rende-
ment hiervan door stimulering van gezamenlijke projecten, het wegwerken van doublures en het aan-
wijzen van leemten in het huidige onderzoek.
6.2. Via een actieprogramma voor onderzoek wordt voortdurend gestreefd naar een efficiënte coördina-
tie van de verschillende activiteiten die worden uitgevoerd in de vorm van contractueel onderzoek, gecoör-
dineerde acties en eigen onderzoek binnen het programma van het GCO. Diverse andere onderzoekpro-
gramma's binnen het Kaderprogramma van de Gemeenschap voor O & O, zoals recyclage van afval en
secundaire grondstoffen, dragen verder bij tot de uitvoering van het Milieu-actieprogramma. Het nieuwe
voorstel voor het Tweede Kaderprogramma voor O & O 1987-1991 voorziet in een verdere uitbreiding van
het milieuonderzoek.
6.3. Het Programma voor Milieuonderzoek bestrijkt voornamelijk vier gebieden:
— milieubescherming als zodanig — met onder meer volksgezondheid en ecologische effecten van veront-
reinigende stoffen, evaluatie van chemicaliën, kwaliteit van lucht, water en bodem, onderzoek op het
gebied van afvalstoffen en technologie voor emissiebeperking;
— klimatologie en natuurlijke risico's, die zijn toegespitst op problemen op lange termijn, zoals mogelijke
klimaatsveranderingen ten gevolge van een toenemend C02-gehalte in de lucht;
— grote technologische risico's, zoals het bij ongeluk vrijkomen van gevaarlijke produkten bij industriële
processen;
— teledetectie uit de ruimte.
(') PB nr. C 182 van 19. 7. 1982.
O Richtlijn 75/268/EEG inzake landbouw in bergstreken en in sommige probleemgebieden.
18.3.87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 70/37
6.4. Het Vierde Programma voor Milieuonderzoek met zijn contractresearch en gecoördineerde acties
(1986-1990) werd op 10 juni 1986 door de Raad goedgekeurd; hierbij werd een totaal van 75 miljoen Ecu
toegewezen voor onderzoek op het gebied van de milieubescherming (55 miljoen Ecu), klimatologie en
natuurlijke risico's (17 miljoen Ecu) en grote technologische risico's (3 miljoen Ecu).
6.5. Het lopende programma van het GCO (1986/1987) en de voorgestelde herziening voor het laatste
jaar daarvan omvatten werkzaamheden op de gebieden milieubescherming, industrieel risico en teledetectie
uit de ruimte. In het licht van de beschikbare vaardigheden en know-how bestrijkt dit programma onder
meer de volgende specifieke taken:
— het fungeren als coördinatiecentrum voor de studie van bepaalde milieuvraagstukken die waarschijnlijk
op korte termijn van invloed zullen zijn op de regelgeving door de Commissie (bij voorbeeld „zure
depositie");
— het maken van studies op middellange en lange termijn om de trends op milieugebied te signaleren en
om het GCO in staat te stellen zijn plaats binnen het Europese milieuonderzoek te handhaven;
— het verlenen van wetenschappelijke steun aan andere diensten van de Commissie bij de tenuitvoerleg-
ging van richtlijnen van de Raad (bijvoorbeeld ECDIN en het Centrale Laboratorium voor Luchtver-
ontreiniging).
6.6. Bij het opstellen en uitvoeren van deze programma's is alles in het werk gesteld om het onderzoek
zoveel mogelijk af te stemmen op de behoeften van de milieu-actieprogramma's (hetgeen in een recente
evaluatie van de onderzoekprogramma's door een onafhankelijk panel van deskundigen werd bevestigd).
Verder zal er niets worden nagelaten om deze samenwerking nog te verbeteren en de relaties tussen onder-
zoek en beleidsvorming constant in het oog te houden.
7. WERKZAAMHEDEN IN INTERNATIONAAL VERBAND
7.1. Werkzaamheden binnen internationale organisaties en in samenwerking met derde landen
7.1.1. Steeds duidelijker wordt dat er vele voor de Gemeenschap van belang zijnde milieuvraagstukken
zijn waarvoor geen doeltreffende aanpak op lokaal, regionaal, nationaal of zelfs cbmmunautair niveau
bestaat. Sommige vraagstukken hebben een internationaal (of zelfs mondiaal) karakter. Een internationale
of mondiale aanpak is derhalve van essentieel belang. Voor de Gemeenschap en de Lid-Staten betekent dit
dat zij een actieve rol moeten gaan spelen bij de internationale activiteiten op het gebied van milieubescher-
ming.
7.1.2. Van meet af aan is het belang van de internationale dimensie van de communautaire werkzaamhe-
den op milieugebied benadrukt en in de afgelopen jaren ook sterk ontwikkeld. De Europese Raad van
maart 1985 spoorde de Raad en de Commissie aan om „alles in het werk te stellen om in de komende
jaren belangrijke vooruitgang te boeken bij het optreden van de Gemeenschap voor de bescherming van het
milieu" en verklaarde dat met deze inspanning niet alleen vooruitgang in Europa maar ook „in de gehele
wereld" wordt beoogd. Het Werkprogramma van de Commissie heeft ook speciale nadruk gelegd op het
belang van de internationale activiteiten op milieugebied.
7.1.3. Deze activiteiten impliceren dat de Gemeenschap een steeds actievere rol gaat spelen in de vele
internationale organisaties. Tevens hebben de deelname aan de talrijke internationale overeenkomsten die
als internationale milieumaatregelen en als milieubeleid van de Gemeenschap zijn aanvaard aan kracht
gewonnen. Voor deze deelname is nauwe samenwerking vereist tussen de Raad en de Commissie, die de
Gemeenschap vertegenwoordigt.
7.1.4. Wanneer de Commissie namens de Gemeenschap onderhandelt gebeurt dat volgens de door de
Raad gegeven richdijnen. Wanneer Lid-Staten deelnemen aan een overeenkomst, kan het nodig zijn dat zij
handelen in het kader van een door de Raad vastgesteld gemeenschappelijk standpunt. Er kunnen zich
moeilijkheden voordoen bij het van tevoren vaststellen van een Gemeenschaps- of gemeenschappelijk
standpunt. De Commissie zal, zoals zij dat steeds heeft gedaan, doorgaan met het zo vroeg mogelijk
opstellen van zo geschikt mogelijke voorstellen voor onderhandelingsmandaten en gemeenschappelijke
standpunten. Deze voorstellen zijn erop gericht om onaanvaardbare standpunten tijdens internationale on-
derhandelingen te vermijden en beogen tegelijkertijd te besluitvormingsproces binnen de betreffende inter-
nationale lichamen te vergemakkelijken.
7.1.5. Om voor deze problemen op Gemeenschapsniveau een bevredigende oplossing te vinden is een
zaak van steeds groter belang geworden, aangezien de strekking, omvang en het belang voor het eigen
milieubeleid van de Gemeenschap van op internationaal vlak getroffen maatregelen steeds groter is gewor-
den. Een en ander heeft nog een consequentie. Het is duidelijk dat zowel de Gemeenschap als de Lid-Sta-
ten hun daadwerkelijke deelname (en eventueel hun financiële bijdrage) aan de werkzaamheden van inter-
nationale organisaties en de effectieve tenuitvoerlegging van internationale overeenkomsten en protocollen
op het gebied van milieubescherming moeten opvoeren.
Nr. C 70/38 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 18.3.87
7.1.6. Met andere woorden, de Commissie is van mening dat naast de elders in dit actieprogramma (*)
beschreven internationale prioriteiten nog andere doelen moeten worden nagestreefd:
— actievere deelname door de Gemeenschap aan de bescherming van de regionale zeeën (deelname door
de Gemeenschap aan het Verdrag van Helsinki en het Verdrag van Oslo is noodzakelijk evenals, even-
tueel, deelname aan verdragen die zijn gesloten in het kader van het UNEP-Programma voor regionale
zeeën);
— naleving door de Gemeenschap en de Lid-Staten van de beginselen van het Verdrag inzake het recht
van de zee (1982), voor zover het gaat om bescherming van het marine milieu;
— deelname door de Commissie aan het Verdrag van Londen inzake storting van afval in zee (zie punt
4.2.2);
— meer doeltreffende deelname door de Gemeenschap aan de werkzaamheden in het kader van het Ver-
drag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (CCAMLR) (*)
en effectieve coördinatie van de standpunten de Lid-Staten die partij zijn bij het Verdrag inzake
Antarctica met als doel een betere bescherming van het unieke ecosysteem in het Antarctische gebied;
— deelname door de Commissie aan de werkzaamheden in het kader van het Verdrag van de Raad van
Europa inzake de bescherming van gewervelde dieren die worden gebruikt voor experimentele en an-
dere wetenschappelijke doeleinden;
— deelname aan de werkzaamheden van de Wereldcommissie voor Milieu en Ontwikkeling;
— het in overleg met de Lid-Staten verhogen van de steun aan bepaalde internationale organisaties die
zich bezighouden met milieubescherming, bevolkingsvraagstukken en duurzame ontwikkeling (bij voor-
beeld UNEP, UNDP, UNFPA, FAO, OESO, ECE/Genève);
— stimulering van deelname aan het Europese Jaar van het Milieu door internationale organisaties (bij
voorbeeld EVA, Raad van Europa, UNEP, WGO, enz.) en door derde landen.
7.1.7. Het opnemen van milieuaspecten in andere beleidslijnen is ook bij de internationale werkzaamhe-
den van de Gemeenschap van groot belang. Zo moet de Gemeenschap:
— een belangrijke rol spelen bij de werkzaamheden in het kader van de Internationale Overeenkomst
inzake tropisch hout om ervoor te zorgen dat natuurbeschermingsaspecten prioriteit krijgen;
— bevordering van praktische beschermende maatregelen bij regionale visserij- of natuurbeschermingsor-
ganisaties, zoals het Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische
wateren en de Visserijorganisatie voor het Noordwestelijk Deel van de Atlantische Oceaan.
7.1.8. Het niet-naleven door bepaalde landen van het moratorium op commerciële walvisvangst, waartoe
door de Internationale Walvisvangstcommissie in 1982 is besloten, baart de Gemeenschap grote zorgen. In
1981 heeft de Raad een verordening (3) vastgesteld inzake de invoer van produkten afkomstig van walvis-
achtigen en in 1982 de verordening (4) inzake de toepassing van het Verdrag van Washington dat ook
betrekking heeft op walvissen. De Commissie dient langs diplomatieke en andere kanalen alle mogelijke
moeite te doen om de naleving van het moratorium op commerciële walvisvangst door alle landen te verze-
keren.
7.1.9. Tenslotte hecht de Commissie belang aan de bilaterale samenwerking met bepaalde derde landen
— vooral met de EVA-Landen, de Verenigde Staten, Canada en Japan. Deze samenwerkingsovereenkom-
sten — die gewoonlijk hoofdzakelijk betrekking hebben op informatie-uitwisseling, alsmede op beleids- en
juridische kwesties — kunnen van nut zijn bij het verbeteren van de onderlinge verstandhouding, het be-
vorderen van beleidsharmonisatie op internationaal niveau en bijdragen tot het welslagen van onderhande-
lingen over internationale overeenkomsten.
7.2. Samenwerking met ontwikkelingslanden op milieugebied
7.2.1. De grote milieuproblemen van de Derde Wereld — woestijnvorming, ontbossing, explosieve be-
volkingsgroei in de steden en op het platteland, uitsterving van in het wild levende diersoorten en het
verlies van genetische verscheidenheid — behoren tot de meest angstaanjagende en gevaarlijke ontwikke-
lingen op milieugebied ter wereld. Het ontwikkelingsbeleid van de Gemeenschap in het kader van de
Derde Overeenkomst van Lomé (Lomé III) wil de steeds sterkere achteruitgang van de natuurlijke hulp-
bronnen tegengaan door uitvoering van actieprogramma's, waarin meer dan ooit specifiek rekening wordt
gehouden met milieufactoren.
O Zie de punten 4.1.9, 4.2.6, 4.2.7, 4.3.4, 4.3.7, 4.3.8, 4.3.9, 4.4.8, 5.1.6 en 5.3.7.
(2) Op 4 september 1981 heeft de Raad een besluit vastgesteld betreffende de sluiting van het Verdrag inzake de instand-
houding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (81/691/EEG; PB nr. L 252 van 5. 9. 1981).
O Verordening (EEG) nr. 348/81 van 20 januari 1981 (PB nr. L 39 van 12. 2. 1981, blz. 1).
O Verordening (EEG) nr. 3626/82 van 3 december 1982 (PB nr. L 384 van 31. 12. 1982, blz. 1).
18.3.87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 70/39
7.2.2. Speciale aandacht is reeds besteed aan de vraagstukken van de woestijnvorming en het behoud van
de natuurlijke rijkdommen van Afrika, problemen waarvan de oplossing voor bepaalde landen met het oog
op een duurzame ontwikkeling van hun landbouw en platteland onontbeerlijk is (zie COM(86) 16 def.) (*).
7.2.3. In het algemeen dient in de ontwikkelings- en samenwerkingsprogramma's van de Gemeenschap
-een nog grotere plaats te worden ingeruimd aan de bossen. De tropische wouden behoren tot de meest
onschatbare natuurlijke hulpbronnen van de aarde. De gehele geschiedenis door zijn zij belangrijke bron-
nen van voedsel, brandstof, onderdak, geneesmiddelen en vele andere zaken geweest. De mens en zijn
leefklimaat konden alleen voortbestaan doordat bodem en waterreserves door de aanwezigheid van deze
wouden werden beschermd; zij hebben een verstrekkende invloed op het klimaat en op de natuurlijke cycli
van de aarde; naar schatting 50 °/o van 's werelds planten en diersoorten komen in deze wouden voor.
Omdat de mens zoveel aan de tropische wouden te danken heeft, geeft de steeds sneller verlopende ont-
bossing reden tot grote bezorgdheid. . . ,
7.2.4. Meer dan een miljard mensen in de ontwikkelingslanden, voornamelijk de armen op het platteland
en in de stad, worden geteisterd door periodieke overstromingen, gebrek aan brandhout, bederf van de
bodem en waterkwaliteit en vermindering van de landbouwopbrengsten — alles geheel of gedeeltelijk het
gevolg van ontbossing. Volgens schattingen van deskundigen zijn al 40 % van de biologisch rijke tropische
regenwouden gerooid of aan verval onderhevig. Elk jaar gaat zo'n 11 miljoen hectare verloren. In vele
ontwikkelingslanden zullen de tropische wouden binnen 20 of 30 jaar verdwenen zijn indien de huidige
ontwikkelingen zich voortzetten.
7.2.5. De maatregelen die nodig zijn om deze ontwikkelingen tegen te gaan zijn onlangs vastgesteld
door de FAO en door een internationale task force voor de tropische wouden die is bijeengeroepen door
het World Resources Institute, de Wereldbank en het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties.
De Gemeenschap heeft ten aanzien van genoemde doelstellingen een speciale rol te vervullen via haar
beleid en programma's op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Haar bijdrage dient te bestaan uit
actieve deelname door de Gemeenschap aan de Internationale Overeenkomst inzake tropisch hout ter on-
dersteuning van de op instandhouding gerichte doelstellingen, het opnieuw bezien van het handels- en
ontwikkelingshulpbeleid van de Gemeenschap en van de Lid-Staten vanuit het oogpunt van het effect op
het behoud van tropische wouden, bevordering van de totstandkoming van een vrijwillige gedragscode
voor in de Gemeenschap gevestigde houtmaatschappijen om te bereiken dat het ingevoerde tropisch hard-
hout uitsluitend afkomstig is van concessies die ecologisch verantwoord beheer omvatten (in het bijzonder
de aanvaarding van passende verplichtingen om te vernieuwen en opnieuw te beplanten alsmede bescha-
digde terreinen en landschappen te herstellen). De Commissie zal passende voorstellen opstellen ter bevor-
dering van dit soort ontwikkelingen.
7.2.6. Gezien de omvang van het probleem zijn de inspanningen van de Gemeenschap alleen niet ge-
noeg. Steeds nauwere internationale samenwerking, grotere en meer doelgerichte investeringen, herziening
van het handels-, prijs- en ontwikkelingshulpbeleid van de ontwikkelde wereld en een radicaal gewijzigde
houding zullen noodzakelijk zijn. Deze punten zullen tevens centraal staan in de werkzaamheden van de
Wereldcommissie voor Milieu en Ontwikkeling. De ontmoeting in Brussel van de Gemeenschap en de
Wereldcommissie waarop het ontwerp-rapport zal worden besproken, wordt een belangrijke gebeurtenis in
het eerste deel van het Europese Jaar van het Milieu en biedt tevens de gelegenheid voor een actieve
deelname van de Gemeenschap aan besprekingen over vele belangrijke milieuvraagstukken.
7.2.7. In de Derde Overeenkomst van Lomé, de mededeling van de Commissie van 1984 aan de Raad
inzake ontwikkeling en milieu (2) en de resolutie van de Raad inzake ontwikkeling en milieu (J), wordt
duidelijk gesproken over de verplichting van de Gemeenschap om milieubescherming en het behoud van
natuurlijke hulpbronnen te behandelen als een integrerend deel van duurzame ontwikkeling. Er zal voort-
durend naar worden gestreefd om aan deze verplichting in de praktijk te voldoen bij de tenuitvoerlegging
van het ontwikkelingshulpbeleid van de Gemeenschap.
7.2.8. Van bijzonder belang in dit verband is het Europese Actieplan voor het bestrijden van woestijn-
vorming en het behoud van natuurlijke hulpbronnen in Afrika dat in een resolutie van de Raad van april
1986 (4) is goedgekeurd. In dit actieplan worden de financiële en technische inspanningen van de Gemeen-
schap en de Lid-Staten gebundeld. Gezien de omvang van de beoogde maatregelen zal voor de uitvoering
ervan nauwe coördinatie nodig zijn tussen de ontvangende landen, regionale en internationale organisaties,
de Lid-Staten en de Commissie alsmede andere donors en niet-gouvernementele organisaties. Te dien einde
zal de Commissie alle haar ten dienste staande instrumenten volledig benutten en trachten de bestaande
coördinatiemechanismen te verbeteren, zodat via adequate mobilisering van de gezamenlijke middelen een
coherent en duurzaam programma kan worden gerealiseerd.
O COM(86) 16 van 22. 1. 1986.
O COM(84) 605 van 31. 10. 1984.
(J) PB nr. C 272 van 12. 10. 1984.
O Not./Cons. 17 Devgen 31.
Nr. C 70/40 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 18.3.87
7.2.9. Verder moet de Gemeenschap met het oog op de verbanden tussen natuurbehoud, bevolking,
ontwikkeling en milieu de ontwikkelingslanden helpen met het stimuleren van duurzame ontwikkeling door
het opstellen van geschikte nationale natuurbehoudstrategieën, en zal zij deze landen, indien zij hierom
vragen, volgens de geijkte hulpverleningsprocedures helpen met hun bevolkingspolitiek. Het kan hierbij
onder meer gaan om versterking van het nationale vermogen tot bevolkingsplanning (volkstelling, demo-
grafische studies), het openleggen van land voor de landbouw en vestiging (binnenlandse migratie) en
maatregelen op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg, met name de ontwikkeling van consultatie-
bureaus waaronder ook gezinsplanning valt. De Commissie zal in de naaste toekomst passende voorstellen
indienen. Verder is het duidelijk dat de activiteiten van de Gemeenschap in het kader van de betreffende
internationale organisaties moeten worden opgevoerd.
7.2.10. Tenslotte moet in dit verband nog de „Verklaring inzake milieubeleid en procedures in verband
met economische ontwikkeling" van 1980 worden genoemd, die is ondertekend door alle grote internatio-
nale instellingen op het gebied van ontwikkelingsfinanciering, waaronder ook de Commissie en de Euro-
pese Investeringsbank. Het Comité van Internationale Ontwikkelingsinstellingen voor het Milieu (CIDIE),
dat tot taak had te zorgen voor de tenuitvoerlegging van de verklaring, heeft aanzienlijke vooruitgang
geboekt bij de stimulering van de ontwikkeling door deelnemende instellingen, uitwisseling van informatie
en ervaring inzake door de leden gevolgde beleidslijnen en procedures en stimulering van de verdere ont-
wikkeling daarvan. Deze werkzaamheden zullen worden voortgezet en verder uitgebreid tot opleidingscur-
sussen voor personeel van lid-instellingen van CIDIE en van ontwikkelingslanden. Zowel de Commissie als
de Europese Investeringsbank nemen actief deel aan de activiteiten van het CIDIE, die waarschijnlijk bin-
nenkort — met de steun van UNEP — onder meer zullen uitmonden in een waardevolle reeks nieuwe
publikaties over aspecten van de integratie van milieueisen in het ontwikkelingsbeleid. De Commissie blijft
erop aandringen dat het werkterrein van het CIDIE wordt uitgebreid en dat zowel bilaterale hulporganisa-
ties als niet-gouvernementele organisaties nauwer bij de werkzaamheden worden betrokken.
8. EUROPEES JAAR VAN HET MILIEU
8.1. Op de vergadering van 29 en 30 maart 1985 heeft de Europese Raad 1987 uitgeroepen tot het
Europese Jaar van het Milieu (EYE). De Commissie juichte dit besluit toe, terwijl ook de Raad van
Ministers (') en het Parlement (2) zich volledig achter dit initiatief schaarden. De voorbereidingen voor het
jaar die door de Commissie in nauwe samenwerking met de in de verschillende Lid-Staten opgerichte
comités worden uitgevoerd, verlopen vlot.
8.2. Het Europese Jaar van het Milieu begint op 21 maart 1987 en loopt twaalf maanden. Het wordt een
groots evenement met acties die in de gehele Gemeenschap een krachtige uitwerking zullen hebben. Men
moet het jaar echter niet zien als een eenmalige gebeurtenis, maar meer als een soort aanloop — een
gelegenheid om de mensen bewust te maken van het belang van milieukwesties en zo een definitieve menta-
liteitsverandering te bewerkstellingen. Het is dus duidelijk dat de doelstellingen en programmapunten van
het Europese Jaar van het Milieu het gehele Vierde Milieu-actieprogramma en ook daarna nog van kracht
moeten blijven.
8.3. De Commissie is van mening dat de manifestaties die in het Europese Jaar van het Milieu zullen
plaatsvinden een weerspiegeling moeten vormen van het communautaire milieubeleid en van de grote lijnen
zoals die door de Europese Raad zijn vastgelegd. De nadruk moet vooral komen te liggen op de door de
Europese Raad onderstreepte nieuwe ideeën: de behoefte aan een preventieve aanpak, de noodzaak om
alle beleidslijnen en activiteiten op sociaal en economisch gebied een milieudimensie te geven, terwijl het
milieubeschermingsbeleid erop gericht moet zijn bij te dragen tot een betere economische groei en schep-
ping van werkgelegenheid.
8.4. De Commissie beschouwt als belangrijkste doel van het Europese Jaar van het Milieu het bewerk-
stelligen van een mentaliteitsverandering in de gehele maatschappij — in parlementen, regeringen, directie-
kamers en vakbonden; bij de lokale, regionale en provinciale overheden; op school en in de universiteit, en
in alle mogelijke organisaties; in de media en vooral bij de gewone man. Alle lagen van de maatschappij
moeten worden overtuigd van — en zich gaan inzetten voor — de gedachte dat het milieu belangrijk is,
dat het belangrijk is voor de economische groei van de Gemeenschap, dat aanpak van milieuproblemen
mogelijk is, dat iedereen hierbij een taak heeft en iets kan doen, en dat iedereen iets moet doen om te
bewijzen dat hij of zij zich betrokken voelt bij milieubescherming en zich van het belang ervan bewust is.
Indien dit kan worden bereikt, is het zeker dat het Europese Jaar van het Milieu het begin vormt van een
nieuwe aanpak van milieubescherming die iedereen als een fundamenteel gegeven in zijn leven en in alle
menselijke activiteiten zal erkennen.
(*) Resolutie van de Raad (PB nr. C 63 van 18. 3.1986, blz. 1).
O PB nr. C 68 van 24. 3. 1986.
18.3.87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 70/41
9. CONCLUSIES
9.1. Het milieubeleid van de Gemeenschap komt nu in een nieuwe en cruciale fase. Met de goedkeuring
door de regeringen van de Lid-Staten van de wijzigingen op het Verdrag van Rome in de Europese Akte
heeft de Gemeenschap het milieubeleid een nieuwe dimensie en nieuwe impulsen gegeven. De Europese
Raad onderstreepte dat milieubescherming kan bijdragen tot een betere economische groei en het scheppen
van werkgelegenheid; verder heeft hij in krachtiger bewoordingen dan ooit tevoren opgeroepen tot integra-
tie van milieueisen in het economisch, industrieel, landbouw- en sociaal beleid zoals dat door de Gemeen-
schap en de Lid-Staten wordt gevoerd.
9.2. Zoals reeds gezegd in de inleiding groeit het algemene besef dat strenge milieueisen een noodzaak
zijn — en niet alleen om een voldoende mate van milieubescherming en een betere kwaliteit van het be-
staan te verkrijgen, maar ook om economische redenen. Aangezien vorderingen zijn gemaakt met de vol-
tooiing van de interne markt van de Gemeenschap tegen 1992 zullen zich op vele gebieden en om vele
redenen kansen voordoen -*- maar alleen als de hoge milieunormen gehandhaafd blijven. De Commissie is
ervan overtuigd dat de grotere concurrentiekracht van de industrie van de Gemeenschap op de wereld-
markten in de toekomst grotendeels zal afhangen van haar vermogen om milieuvriendelijke goederen en
diensten te verlenen die aan minstens even hoge eisen voldoen als die van de concurrent en dat het combi-
neren van technologische vernieuwing en het streven naar strenge normen op milieugebied nieuwe kansen
kan bieden via de ontwikkeling van nieuwe en groeiende markten voor milieubeschermingstechnologie.
9.3. Het Vierde Milieu-actieprogramma betekent daarom voor de Gemeenschap een grote uitdaging op
milieugebied — de uitdaging om in plaats van te reageren op milieuproblemen nadat zij zijn ontstaan over
te gaan tot een nieuwe algemene preventieve aanpak op basis van strenge normen voor alle milieusectoren
die zullen worden gerealiseerd door een klein deel van de geweldige wetenschappelijke, technologische en
industriële middelen en mogelijkheden van de Gemeenschap aan te wenden voor de ontwikkeling en het in
de praktijk toepassen van de apparatuur, technologieën, en beheers- en regeermethoden die nodig zijn om
deze normen te realiseren. Tegelijkertijd moet naar de middelen worden gezocht om op economisch vlak
en op het gebied van de werkgelegenheid winst te halen uit deze nieuwe aanpak.
9.4. Om de vrije markt te kunnen stimuleren tot een vanuit milieuoogpunt rationele wijze van functione-
ren moet de Gemeenschap haar ook beter bewust maken van de noodzaak van hoge milieunormen. Dit is
de centrale doelstelling van het Europese Jaar van het Milieu dat begint op 21 maart 1987. Hiermee wordt
de gelegenheid geboden om de grote verandering van mentaliteit en aanpak op gang te brengen waartoe de
veranderde filosofie op het gebied van de milieubescherming oproept.
9.5. Het Europese Jaar van het Milieu is geen doel op zich zelf; het effect zal ook na afloop daarvan
blijven. Het moet worden beschouwd als een aanloop voor een nieuwe aanpak. Doel van dit Vierde Mi-
lieu-actieprogramma is de maatregelen te definiëren die volgens de Commissie op Gemeenschapsniveau
nodig zullen zijn in het eerste deel van de nieuwe fase in de ontwikkeling van het milieubeschermingsbeleid
van de Gemeenschap.
BIJLAGE 1
TITEL 1
KORTE SCHETS VAN DE DOELSTELLINGEN EN BEGINSELEN VAN EEN MILIEUBELEID IN
DE GEMEENSCHAP (')
Doelstellingen
11. Een milieubeleid in de Gemeenschap heeft tot doel de kwaliteit van het bestaan, het leefklimaat, het
leefmilieu en de levensomstandigheden van de volkeren van de Gemeenschap te verbeteren. Dit beleid moet
ertoe bijdragen om de expansie in dienst te stellen van de mens, door deze een milieu te geven waarin hem
de best mogelijke levensomstandigheden worden gewaarborgd, en om deze expansie te verzoenen met de
steeds dringender noodzaak om het natuurlijk milieu te bewaren.
0) PBnr. C 139 van 13.6. 1977.
Nr. C 70/42 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 18. 3. 87
12. Het milieubeleid moet met name gericht zijn op:
— het voorkomen, het beperken en het zoveel mogelijk uitschakelen van verontreiniging en hinder,
— handhaving van een bevredigend ecologisch evenwicht en bescherming van de biosfeer,
— een goed beheer van de hulpbronnen en het natuurlijke milieu, en het voorkomen van ieder gebruik
daarvan waardoor gevoelige schade wordt toegebracht aan het ecologische evenwicht,
— het afstemmen van de ontwikkeling op de kwaliteitseisen, met name door verbetering van de arbeids-
omstandigheden en het leefklimaat,
— meer aandacht voor de milieu-aspecten bij structurele planning en ruimtelijke ordening,
— het zoeken, te zamen met de Staten buiten de Gemeenschap, naar gemeenschappelijke oplossingen voor
de milieuproblemen, met name in het kader van de internationale organisaties.
Beginselen
13. Het beste milieubeleid bestaat erin, van meet af aan het ontstaan van verontreiniging of hinder te
vermijden, veeleer dan later de gevolgen ervan te bestrijden. Te dien einde dient de technische vooruitgang
afgestemd en gericht te worden op de zorg voor de bescherming van het milieu en de verbetering van de
kwaliteit van het bestaan, tegen de laagst mogelijke kosten voor de gemeenschap. Dit milieubeleid kan en
moet samengaan met de economische en sociale ontwikkeling. Dit geldt ook voor de technische vooruit-
gang.
14. Er dient in een zo vroeg mogelijk stadium rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het
milieu van alle technische plannings- en beslissingsprocessen.
Het milieu mag niet worden gezien als een omgeving waarvan men de invloeden en aanvallen ondergaat,
maar moet beschouwd worden als een gegeven dat onlosmakelijk verbonden is met de organisatie en de
bevordering van de vooruitgang van de mensheid. Van iedere maatregel die op nationaal of communautair
niveau genomen of overwogen wordt, dienen daarom de gevolgen bepaald te worden voor de kwaliteit van
het bestaan en voor het natuurlijke milieu, indien deze maatregel een aantasting daarvan kan betekenen.
15. Ieder gebruik van de natuurlijke hulpbronnen of van het natuurlijk milieu waardoor gevoelige
schade toegebracht wordt aan het ecologische evenwicht, moet worden vermeden.
Het natuurlijk milieu biedt beperkte mogelijkheden en kan- slechts ten dele verontreinigingen opnemen en
de schadelijke effecten daarvan neutraliseren. Het is een goed dat men mag gebruiken, maar niet misbrui-
ken, en dat men zo goed mogelijk moet beheren.
16. Het wetenschappelijke en technologische kennisniveau in de Gemeenschap dient verbeterd te wor-
den met het oog op een doeltreffende actie voor het behoud en de verbetering van het milieu en de
bestrijding van verontreiniging en hinder. Daartoe dient het onderzoek op dit gebied te worden bevorderd.
17. De kosten die het voorkomen en de uitschakeling van hinder met zich meebrengen komen in begin-
sel ten laste van de vervuiler; er kunnen echter, vooral voor overgangsperioden, bepaalde uitzonderingen
en speciale regelingen worden gemaakt, mits daaruit geen belangrijke distorsies van internationale handel
en investeringen voortvloeien. Onverminderd de toepassing van de bepalingen van de Verdragen, zal het
noodzakelijk zijn dit beginsel nader te omschrijven en de toepassingsvoorschriften ervan, met inbegrip van
de uitzonderingen, te bepalen op communautair niveau. Wanneer uitzonderingen worden toegestaan, dient
mede rekening te worden gehouden met de noodzaak, de in de Gemeenschap bestaande regionale wanver-
houdingen geleidelijk op te heffen.
18. Overeenkomstig de te Stockholm aangenomen verklaring van de Conferentie der Verenigde Naties
over het milieu van de mens, dient er voor gezorgd te worden dat de activiteiten die in een Staat worden
verricht geen verslechtering van het milieu in een andere Staat veroorzaken.
19. Bij hun milieubeleid moeten de Gemeenschap en haar Lid-Staten rekening houden met de belangen
van de ontwikkelingslanden en met name onderzoeken of de in het kader van dit beleid overwogen maat-
regelen mogelijk een weerslag uitoefenen op de economische ontwikkeling van en de handel met deze
landen, ten einde eventuele ongunstige gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te verminderen.
18.3.87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 70/43
20. De doeltreffendheid van de inspanningen ter bevordering van een mondiaal milieu-onderzoek en
milieubeleid wordt versterkt door een duidelijk concept op lange termijn voor een Europees milieubeleid.
In de geest van de verklaring van Staatshoofden en Regeringsleiders te Parijs moeten de Gemeenschap en
haar Lid-Staten hun stem laten horen in de internationale organisaties die milieu-aspecten behandelen, en
aldaar met het gezag van een gemeenschappelijk standpunt een eigen bijdrage leveren.
Overeenkomstig de conclusies van de Conferentie van Stockholm moet de regionale samenwerking, die het
vaak mogelijk maakt problemen beter op te lossen, worden geïntensiveerd.
De samenwerking op wereldniveau moet gericht zijn op die gebieden waar op grond van de betrokken
milieuproblemen mondiale inspanningen vereist zijn; zij dient te steunen op de gespecialiserde organisaties
van de Verenigde Naties, die reeds belangrijk werk hebben gedaan en wier acties dienen te worden voort-
gezet en versterkt.
Een algemeen milieubeleid is slechts mogelijk op basis van nieuwe, meer efficiënte vormen van internatio-
nale samenwerking, waarbij zowel rekening wordt gehouden met de mondiale ecologische verhoudingen
als met de vervlechting van de wereldeconomie.
21. Die milieubescherming gaat een ieder aan in de Gemeenschap, en dus dient het publiek bewust
gemaakt te worden van het belang ervan. Om een geslaagd milieubeleid te voeren moeten alle bevolkings-
groepen en alle maatschappelijke krachten van de Gemeenschap zich inspannen om bij te dragen tot be-
scherming en verbetering van het milieu. Dit vereist dat er op alle niveaus een constante en grondige
opvoeding tot stand komt, opdat een ieder in de Gemeenschap zich bewust wordt van het probleem en zich
volledig verantwoordelijk weet ten aanzien van de komende generaties.
22. Voor elke soort milieuverontreiniging dient een actieniveau (lokaal, regionaal, nationaal, commu-
nautair, multinationaal) te worden vastgesteld dat is aangepast aan de aard van de verontreiniging alsmede
aan de te beschermen geografische zone.
Acties die op communautair niveau het meest doeltreffend kunnen zijn, moeten op dat niveau gebundeld
worden; de prioriteiten moeten zeer zorgvuldig worden vastgesteld.
23. Belangrijke aspecten van het milieubeleid mogen niet langer in de verschillende landen geïsoleerd
worden gepland en uitgevoerd. Op basis van een gemeenschappelijk concept op lange termijn dienen de
nationale programma's op deze gebieden in de Gemeenschap te worden gecoördineerd en moet het beleid
worden geharmoniseerd. Doel van dit beleid moet zijn een verbetering van de kwaliteit van het bestaan,
waarbij de economische groei niet alleen vanuit kwantitatief oogpunt mag worden beschouwd.
Deze coördinatie en harmonisatie moeten het met name mogelijk maken de doeltreffendheid te vergroten
van de acties die op de diverse niveaus ondernomen worden ten einde het milieu in de Gemeenschap te
beschermen en te verbeteren, met inachtneming van de in de Gemeenschap bestaande regionale verschillen
en de goede werking van de gemeenschappelijke markt.
Doel van het milieubeleid in de Gemeenschap moet zijn, zoveel mogelijk een gecoördineerde en geharmo-
niseerde vooruitgang van het nationale beleid in de verschillende landen te bevorderen, zonder dat de
vooruitgang die op nationaal niveau reeds werd bereikt, of zou kunnen worden bereikt, hierdoor belem-
merd wordt. Een dergelijke vooruitgang dient dusdanig te worden verwezenlijkt dat hierdoor een goede
werking van de gemeenschappelijke markt niet in gevaar wordt gebracht.
Deze coördinatie en harmonisatie worden met name verwezenlijkt door:
— toepassing van de desbetreffende bepalingen in de Verdragen;
— uitvoering van de acties die zijn omschreven in het onderhavige programma;
— uitvoering van de procedure betreffende kennisgeving van maatregelen ter bescherming van het
milieu (').
(') PB nr. C 9 van 15. 3. 1973, blz. 1.
N r . G 7 0 / 4 4 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 1 8 . 3 . 8 7
BIJLAGE 2
MILIEUBEPALINGEN IN H E T NIEUWE VERDRAG
Artikel 18
Het EEG-Verdrag wordt aangevuld met de volgende bepalingen:
„Artikel 100 A
1. In afwijking van artikel 100 en behoudens andersluidende bepalingen in dit Verdrag, geldt voor
de verwezenlijking van de in artikel 8 A genoemde doelstellingen het volgende. De Raad stelt met
gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie in samenwerking met het
Europese Parlement en het Economisch en Sociaal Comité de maatregelen vast voor het nader tot
elkaar brengen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten die bedoeld zijn
voor de instelling of werking van de interne markt.
2. Lid 1 is niet van toepassing op fiscale bepalingen, op bepalingen inzake het vrije verkeer van
personen dan wel bepalingen betreffende de rechten en belangen van personen in dienstverband.
3. De Commissie neemt, wanneer zij in de zin van lid 1 voorstellen doet op het gebied van gezond-
heid, veiligheid, milieubescherming en consumentenbescherming een hoge mate van bescherming als
uitgangspunt.
4. Indien een Lid-Staat, nadat de Raad met gekwalificeerde meerderheid een harmonisatiemaatre-
gel heeft vastgesteld, het nodig acht om op grond van dwingende redenen als genoemd in artikel 36 of
om redenen in verband met milieubescherming of de werkomgeving, nationale voorschriften toe te
passen, stelt hij de Commissie van deze voorschriften in kennis.
De Commissie bekrachtigt de betreffende voorschriften, nadat zij heeft gecontroleerd of deze geen
middel zijn tot willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Sta-
ten.
In afwijking van de procedure van de artikelen 169 en 170 kunnen de Commissie of de Lid-Staten een
zaak direct aan het Hof van Justitie voorleggen, indien zij van oordeel zijn dat een Lid-Staat een
onjuist gebruik maakt van de bij dit artikel voorziene bevoegdheden.
5. Bovengenoemde harmonisatiemaatregelen bevatten in toepasselijke gevallen een ontsnappings-
clausule, op grond waarvan de Lid-Staten om één of meer van de in artikel 36 genoemde niet-econo-
mische redenen voorlopige maatregelen mogen nemen die door de Gemeenschap aan een controlepro-
cedure worden onderworpen.".
O n d e r a f d e l i n g VI
MILIEU
Artikel 25
Aan het derde deel van het EEG-Verdrag wordt een titel VII toegevoegd:
„TITEL VII
Milieu
Artikel 130 R
1. Het optreden van de Gemeenschap op milieugebied heeft tot doel:
— de kwaliteit van het milieu te behouden, te beschermen en te verbeteren;
— bij te dragen tot de bescherming van de gezondheid van de mens;
— zorg te dragen voor een behoedzaam en rationeel gebruik van de natuurlijke hulpbronnen.
2. Het optreden van de Gemeenschap op milieugebied berust op de beginselen van preventief han-
delen, bestrijding van milieuaantastingen bij voorrang aan de bron en het beginsel dat de vervuiler
betaalt. De eisen ter zake van milieubescherming vormen een bestanddeel van de andere takken van
Gemeenschapsbeleid.
18.3.87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 70/45
3. Bij de uitwerking van haar optreden op milieugebied zal de Gemeenschap rekening houden met:
— de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens;
— de milieuomstandigheden in de onderscheiden regio's van de Gemeenschap;
— de voordelen en lasten die kunnen voortvloeien uit optreden, onderscheidenlijk niet-optreden;
— de economische en sociale ontwikkeling van de Gemeenschap als geheel en de evenwichtige ont-
wikkeling van haar regio's.
4. Op milieugebied treedt de Gemeenschap op wanneer de in lid 1 vermelde doelstellingen beter op
het niveau van de Gemeenschap dan op dat van de Lid-Staten afzonderlijk kunnen worden verwezen-
lijkt. Onverminderd bepaalde maatregelen met een communautair karakter, dragen de Lid-Staten zorg
voor de financiering en de uitvoering van de andere maatregelen.
5.1 In het kader van hun respectieve bevoegdheden werken de Gemeenschap en de Lid-Staten samen
met derde landen en de bevoegde internationale organisaties. De nadere regels voor de samenwerking
kunnen voorwerp zijn van overeenkomsten tussen de Gemeenschap en de betrokken derde partijen,
waarover wordt onderhandeld en die worden gesloten overeenkomstig artikel 228.
De voorgaande alinea is niet van invloed op de bestaande bevoegdheid van de Lid-Staten om in inter-
nationale fora te onderhandelen en internationale overeenkomsten te sluiten.
Artikel 130 S
Op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europese Parlement en het Economisch en
Sociaal Comité besluit de Raad met eenparigheid van stemmen omtrent het optreden van de Gemeen-
schap.
De Raad bepaalt op de in de eerste alinea bepaalde wijze welke besluiten met gekwalificeerde meer-
derheid van stemmen worden genomen.
Artikel 130 T
De beschermende maatregelen die gemeenschappelijk worden vastgesteld uit hoofde van artikel 130 S,
beletten niet dat een Lid-Staat maatregelen voor een verdergaande bescherming handhaaft en treft
welke verenigbaar zijn met dit Verdrag.".
Full & Egal Universal Law Academy