CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL K. ROEMER
VAN 11 JULI 1973 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De twee prejudiciële zaken die op 19 februari 1973 door het Finanzgericht Baden-Württemberg aanhangig werden gemaakt (zaak 9-73 en zaak 10-73), zijn op 27 juni in nagenoeg één enkele mondelinge behandeling toegelicht. Daarom, doch ook omdat zij deels identiek zijn, deels nauw aan elkaar verwant, kan ik het mij permitteren beide in één conclusie te behandelen. Aangezien bovendien hun problematiek voor een deel met die van zaak 5-73 samenvalt, komt een inleidende kenschets van de onderwerpelijke materie mij overbodig voor. Daartoe moge ik verwijzen naar de op 26 juni in de zaak 5/73 genomen conclusie.
Ik volsta ermee op te merken dat ook de firma's Schlüter en Rewe-Zentral, verzoeksters in de gedingen a quo, te maken kregen met de compensatieregeling welke na het vrijlaten van de koersen van D-Mark en Nederlandse gulden bij 's Raads verordening nr. 974/71 (PB 1971, nr. L 106) is vastgesteld. De firma Schlüter voerde op 15 maart 1972 uit Zwitserland een partij Emmental- en Gruyèrekaas in de Bondsrepubliek Duitsland in en moest, overeenkomstig de toen geldende verordening nr. 501/72 van de Commissie (PB 1972, nr. L 60), een compenserend bedrag van 45,50 DM per 100 kg kaas afdragen. Iets soortgelijks overkwam de firma Rewe-Zentral bij de invoer van verduurzaamde perziken uit Frankrijk; zij moest de op de bewuste dag, 16 mei 1972, geldende compensatie van 0,32 DM per 100 kg betalen.
Op verschillende, aan het Gemeenschapsrecht ontleende gronden, waarop wij nader terugkomen, achtten genoemde firma's deze belastingen ontoelaatbaar. Diensvolgens gingen zij in beroep bij het Finanzgericht Baden-Württemberg en vorderden terugbetaling van de door hen betaalde compenserende bedragen. Met het oog op de argumenten die tijdens die procedures tegen de geldigheid van het compensatiestelsel werden aangevoerd, schorste het Finanzgericht Baden-Württemberg bij beschikking van 8 november 1972 de beide gedingen en legde het Hof een reeks prejudiciële vragen voor, die in het rapport ter terechtzitting zijn vermeld.
Laten wij thans bezien hoe deze vragen moeten worden beantwoord.
1.
Om te beginnen de eerste vraag van zaak 9-73, betreffende de geldigheid van verordening nr. 974/71, voor zover deze machtiging verleent tot het heffen van compenserende bedragen bij de invoer uit derde landen.
Zoals bekend gaat het hier om het aanwenden van artikel 103 EEG-Verdrag (het voorschrift betreffende conjunctuur-politieke maatregelen) en de keuze van de verordeningsvorm. Een en ander is in de zaak 5-73 reeds uitvoerig ter sprake gekomen en ik moge wat dit betreft dan ook naar mijn conclusie in die zaak verwijzen.
Met het oog evenwel op enkele argumenten van verzoekster in de zaak 10-73, welke op dezelfde problematiek betrekking hebben, zijn hier twee aanvullende opmerkingen op hun plaats.
De eerste betreft verzoeksters opvatting dat problemen inzake de betalingsbalans en de wijziging van de wisselkoers langs de weg van de gemeenschapsrechtelijke bevoegdheden van artikel 104 en volgende EEG-Verdrag moeten worden opgelost; met name zou dan artikel 107, lid 2, dat onder bepaalde omstandigheden een ingrijpen van de Commissie mogelijk maakt, moeten worden toegepast. — In bedoeld artikel is echter sprake van een wijziging van de wisselkoers, welke niet beantwoordt aan de in artikel 104 genoemde doeleinden, en van een voor dit geval voorziene reactie van de Commissie. Doch in mei 1971 deed die situatie zich niet voor: door de Gemeenschap werd juist erkend dat het vrijlaten van de wisselkoers een aanvaardbaar middel was om een uitzonderlijke situatie onder controle te krijgen. Bovendien was het de opzet de conjunctuurpolitieke gevolgen van die maatregel voor de landbouwsector te ondervangen. In die omstandigheden kan men er de communautaire instellingen bezwaarlijk een verwijt van maken dat zij op dat tijdstip de conjunctuurpolitieke bepalingen van het EEG-Verdrag hebben toegepast en artikel 104 en volgende buiten beschouwing hebben gelaten.
De tweede opmerking betreft verzoeksters stelling dat artikel 103 moet worden geïnterpreteerd in het licht van artikel 3, sub g, het voorschrift dus dat voorziet in „het toepassen van procedures welke het mogelijk maken het economisch beleid van de Lid-Staten te coördineren …”. Daaruit zou volgen dat artikel 103 slechts ingrepen van zeer beperkte strekking toelaat. — Dat ook deze stelling niet opgaat, is mijns inziens duidelijk. Zij verliest uit het oog dat het Verdrag tussen conjunctuurpolitieke en economische maatregelen onderscheidt. Wat de conjunctuurpolitiek betreft, ontleent de Gemeenschap in feite niet alleen aan lid 1 van artikel 103 een recht tot coördineren, maar beschikt zij krachtens lid 2 van deze bepaling ook over veel verder reikende bevoegdheden. Zonder dat daardoor aan het in artikel 3, sub g, bedoelde beginsel afbreuk wordt gedaan, zijn relatief diep in de nationale sfeer ingrijpende maatregelen in deze context dus alleszins mogelijk.
Zoals reeds in conclusie 5-73 uiteengezet, kan ten aanzien van vraag 1 van zaak 9-73 worden staande gehouden dat artikel 103 EEG-Verdrag een juiste rechtsgrondslag voor verordening nr. 974/71 is.
2.
Vraag 1 van zaak 10-73 vervolgens stelt het probleem aan de orde of verordening nr. 974/71 geldig is voor zover zij tot het heffen van intracommunautaire compenserende bedragen machtigt.
Verzoekster in het hoofdgeding betoogt dat artikel 103 geen vrijwaringsclausule is; uit de duidelijke bewoordingen ervan kan niet worden afgeleid dat van dwingende voorschriften van het EEG-Verdrag mag worden afgeweken. Van belang is vooral dat overeenkomstig artikel 8 EEG-Verdrag „het einde van de overgangsperiode het uiterste tijdstip (vormt) waarop alle gestelde regels in werking moeten treden en waarop alle maatregelen welke het tot stand brengen van de gemeenschappelijke markt medebrengt, moeten zijn verwezenlijkt.” Na 1 januari 1970 derhalve kunnen douanerechten en heffingen van gelijke werking niet meer toelaatbaar worden geacht, terwijl bovendien de invoering van een compenserende heffing niet met de eis van een voor de gehele Gemeenschap geldende conjunctuurpolitiek in overeenstemming is.
Deze argumenten worden door Bondsregering, Raad en Commissie uitdrukkelijk bestreden. Dat ook ik ze niet juist acht, heb ik reeds in conclusie 5-73 doen blijken. Ter nadere adstructie diene het volgende.
In de eerste plaats dient men zich niet te laten misleiden door de term „Angleichungszölle”, waarmee in de Duitse uitvoeringsverordening bij verordening nr. 974/71 de compenserende bedragen worden aangeduid. Uit de processtukken blijkt dat deze term uitsluitend om wetstechnische redenen is gekozen, namelijk om aan te geven dat bepaalde douanevoorschriften van toepassing zijn. In werkelijkheid hebben de compenserende bedragen niets met douanerechten gemeen. Zij beogen immers de invloed van monetaire maatregelen op het goederenverkeer op te heffen en na het vrijlaten van de wisselkoers invoer van goederen beneden het gemeenschappelijke prijsniveau te verhinderen.
Evenmin mag over het hoofd worden gezien dat artikel 8, lid 7, waaraan verzoekster refereert, een voorbehoud bevat dat, mijns inziens terecht, ook tot artikel 103 wordt uitgebreid; zoals in ander verband reeds is betoogd, blijft conjunctuurpolitiek niet beperkt tot de oprichting van de gemeenschappelijke markt. — Daarnaast is met name ten aanzien van de landbouwsector zonder meer duidelijk dat de door verzoekster bedoelde categorische verboden na het einde van de overgangsperiode daar niet gelden. In zoverre is er terecht op gewezen dat compenserende bedragen overeenkomstig artikel 40, lid 2, met het Verdrag verenigbaar zouden zijn indien voor de gemeenschappelijke marktordeningen een andere organisatievorm was gekozen; aangevoerd is dat in het kader van de gemeenschappelijke marktordeningen ook na het einde van de overgangsperiode kwantitatieve beperkingen denkbaar zijn en dat er nog steeds minimumprijzen met een handelbelemmerend effect bestaan. — In deze context is ook van belang dat het goederenverkeer in de landbouwsector aan een stelsel van communautaire prijzen is gekoppeld en dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid met zijn aan rekeneenheden gekoppeld prijs-stelsel op de oprichting van een monetaire unie vooruitloopt. Duidelijk is dan ook dat, wanneer door nationale monetaire maatregelen de grondslag aan het uniforme prijsstelsel ontvalt, dit voor het handelsverkeer van landbouwprodukten wel consequenties móet hebben. In zo'n situatie, aldus de Commissie, is een gemeenschappelijk landbouwbeleid zonder een stelsel van heffingen niet meer mogelijk. — Niet in de laatste plaats kunnen wij ook de Raad bijvallen, waar hij in dit verband betoogt dat het beginsel van het vrije goederenverkeer in de landbouwsector toch al niet dezelfde betekenis heeft als voor industrieprodukten. In de landbouwpolitiek is niet de totstandbrenging van een vrij goederenverkeer primair, doch de verwezenlijking van de in artikel 39, sub a tot d, genoemde desiderata. Om deze doelen te bereiken en te voorkomen dat ze door conjunctuurschommelingen in gevaar worden gebracht, laat de tijdelijke invoering van een heffingenstelsel zich alleszins rechtvaardigen. Bovendien brengt dit heffingenstelsel geringere belemmeringen mee dan bij voorbeeld kwantitatieve beperkingen en zelfs bewerkt het dat het handelsverkeer van landbouwprodukten verhoudingsgewijs vrij kan worden afgewikkeld.
Op vraag 1 van zaak 10-73 derhalve kan worden geantwoord dat het feit dat de op grond van artikel 103 getroffen maatregelen ook in intracommunautaire heffingen voorzien, de geldigheid van deze maatregelen niet aantast.
3.
Beschouwen wij vervolgens de tweede vraag van zaak 9-73, namelijk of verordening nr. 974/71 geldigheid ontbeert doordat bij de berekening van de compenserende bedragen op invoeren uit derde landen uitsluitend van de ontwikkeling van de valuta der betrokken Lid-Staten ten opzichte van de dollar wordt uitgegaan.
De achtergrond van deze vraag is dat zowel de D-Mark als de Zwitserse frank — de valuta's die in casu een rol spelen — ten opzichte van de dollar zijn gerevalueerd en wel zodanig, dat hun onderlinge verhouding nagenoeg dezelfde is gebleven. Doordat uitsluitend de verhouding ten opzichte van de dollar in aanmerking is genomen, werden invoeren uit Zwitserland, met name in het voorjaar van 1972, belast met compenserende bedragen die de invloed van de monetaire maatregelen aanmerkelijk overtroffen. Daarin ziet verzoekster, zoals bekend, een schending van het evenredigheidsbeginsel en een aanleiding de geldigheid van de regeling in twijfel te trekken.
Zoals bekend, speelde in de zaak 5-73 een analoog probleem: daar ging het om invoeren uit Bulgarije en de — ongeveer parallel aan die van de Zwitserse frank verlopen — ontwikkeling van de Bulgaarse valuta. Na afweging van alle aspecten ben ik daar tot de conclusie gekomen dat tegen de alleen op de verhouding D-Mark/dollar afgestemde regeling van artikel 2 van verordening nr. 974/71 — voor zover thans relevant — niets valt in te brengen. Aangezien de onderhavige zaak in dit opzicht geen nieuwe gezichtspunten heeft opgeleverd, blijf ik bij mijn mening, waarbij ik voor de argumentatie naar conclusie 5-73 verwijs.
Derhalve stel ik ook in de zaak 9-73 voor de vraag omtrent de geldigheid van verordening nr. 974/71 bevestigend te beantwoorden.
4.
De volgende vraag, welke eveneens alleen op zaak 9-73 betrekking heeft, stelt het probleem aan de orde of verordening nr. 974/71 en de annexe uitvoeringsverordeningen der Commissie geldig zijn, voor zover zij machtiging verlenen in het handelsverkeer met derde landen op Emmental- en Gruyèrekaas compenserende bedragen te heffen die te zamen met de Gemeenschapsheffing hoger zijn dan de in de GATT geconsolideerde maximumrechten.
Vooreerst zij eraan herinnerd dat de Gemeenschap op 6 oktober 1969 overeenkomstig artikel 28 van de GATT met Zwitserland een douaneovereenkomst heeft gesloten, welke ook concessies voor Emmental- en Gruyèrekaas bevat (dat wil zeggen een binding van de betreffende invoerrechten aan een bepaald maximum). Anderzijds is het juist dat de som van de compenserende bedragen en de heffingen op Zwitserse kaas hoger is dan het geconsolideerde maximumrecht.
Verzoekster in het hoofdgeding wijst erop dat genoemde concessies deel uitmaken van de lijst, bedoeld in artikel II van de GATT, en dat het de Gemeenschap diensvolgens verboden is op bedoelde produkten „bij of naar aanleiding van de invoer andere rechten of heffingen van welke aard ook” te heffen. Zij is ook van mening dat de particulier zich op genoemde GATT-bepaling kan beroepen en in rechte de ongeldigheid van ermee onverenigbare verordeningen kan inroepen. Haars inziens is in elk geval beslissend dat in bijlage II van 's Raads verordening nr. 1/72 (PB 1972, nr. L 1), houdende wijziging van verordening nr. 950/68 (PB 1968, nr. L 172) — de verordening dus inzake het gemeenschappelijk douanetarief — het in de GATT geconsolideerde tarief voor Emmental- en Gruyèrekaas is opgenomen. Daardoor is deze concessie een — verbindend — onderdeel geworden van het — verbindende — gemeenschappelijk douanetarief. Dit is toch wel het minste waarop een importeur zich moet kunnen beroepen wanneer hij stelt dat overschrijding van genoemde tarieven door de heffing van compenserende bedragen ontoelaatbaar is.
Als wij ons tot het eigenlijke GATT-argument beperken, heeft verzoekster stellig gelijk, waar zij betoogt dat de Gemeenschap ook inzake de aan Zwitserland verleende concessies aan de GATT-voorschriften gebonden is. Dit valt af te leiden uit de recente uitspraak in de zaken 21 tot 24-72. Men kan zich afvragen of het verbod van artikel II van de GATT — hoe verreikend ook — zich ook tot de compenserende bedragen uitstrekt en of deze dus met de GATT in strijd zijn. Hun bijzondere functie is immers de door de monetaire maatregelen veroorzaakte ontlasting van invoeren te compenseren. Zodanige heffingen zijn in feite door de GATT niet voorzien en in de praktijk van de GATT schijnt hun tijdelijke toepassing, althans voor zover een monetaire maatregel inderdaad gevolgen heeft, te worden getolereerd. — Zoals de Commissie duidelijk heeft gemaakt, kan daarnaast ook de vraag rijzen of zulke heffingen in het verkeer met derde landen niet door artikel II 2 a), juncto artikel III, van de GATT worden gedekt. De heffingen in het verkeer met derde landen zijn immers een equivalent van de intracommunautaire heffingen, terwijl de instandhouding van de landbouwmarkt als onderdeel van een douane-unie stellig impliceert dat produkten uit derde landen niet gunstiger worden behandeld dan goederen uit de Lid-Staten. (De compenserende bedragen zouden dan tenminste gerechtvaardigd zijn voor zover zij ook op het intracommunautaire verkeer worden toegepast.) — Ten slotte zou, eveneens in navolging van de Commissie, gedacht kunnen worden aan een rechtvaardiging in de zin van artikel XX van de GATT, dat in het geval van ernstige benadeling van inheemse produkten — wat overigens voor elk produkt afzonderlijk moet worden vastgesteld — bijzondere maatregelen toelaat.
Wij behoeven nochtans op deze vragen niet in te gaan, al moge ook uit de aangevoerde overwegingen blijken dat verzoeksters op de rechtstreekse werking van het Gemeenschapsrecht steunend argument — „ook artikel II van de GATT, in verbinding met de concessies voor kaas, legt een duidelijke, volkomen, genoegzaam bepaalde en onvoorwaardelijke rechtsplicht op, welke rechtstreekse werking ten gunste van particulieren heeft” — niet zonder meer opgaat. — Bondsregering, Raad en Commissie hebben er unaniem op gewezen dat ten aanzien van de GATT-regels een ander argument de doorslag geeft, en wel dat principieel onaannemelijk is dat particulieren aan GATT-overeenkomsten rechten kunnen ontlenen en langs die weg de geldigheid van een Gemeenschapsverordening kunnen aantasten. Tot een zelfde conclusie is het Hof in de zaken 21 tot 24-72 althans ten aanzien van artikel XI van de GATT gekomen. De motivering ervan is echter zeer algemeen gesteld (ik herinner aan de verwijzingen naar geest, opzet en bewoordingen van de GATT, zijn soepelheid, de bepalingen betreffende uitzonderingsmogelijkheden en maatregelen bij bijzondere moeilijkheden en de regeling van geschillen tussen de verdragsluitende partijen). Deze overwegingen passen stellig ook op artikel II, dat eveneens in deze context thuishoort en voor welks niet-nakoming eveneens het beginsel van de „eigenrichting” geldt. Wat de door verzoekster aangehaalde GATT-regels betreft, kan, gezien hun volkenrechtelijke context, dan ook worden gezegd dat zij alleen de staten verplichtingen opleggen, dat de niet-nakoming daarvan op volkenrechtelijk niveau moet worden afgedaan, maar dat het uitgesloten is uit die niet-nakoming tot de ongeldigheid der desbetreffende Gemeenschapsverordeningen te besluiten.
Omtrent verzoeksters beroep op verordening nr. 950/68 respectievelijk nr. 1/72 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief en de verwijzing daarin naar de GATT-concessies, waardoor deze in de verordening zouden zijn geïntegreerd, valt voorts het volgende op te merken.
Alvorens wij uit een zodanige — uiteraard rechtstreeks toepasselijke — Gemeenschapsverordening conclusies kunnen trekken, dienen wij de strekking ervan te bepalen. Wat dit betreft, kunnen Raad en Commissie onder verwijzing naar de rechtsgrondslag dezer verordeningen (artikel 28 EEG-Verdrag) ongetwijfeld met recht stellen dat zij tot doel hebben het douanetarief vast te stellen. Referenties in deze verordeningen aan andere, op een bijzondere rechtsgrondslag berustende, heffingen — zoals bij voorbeeld de heffingen op produkten uit derde landen — hebben slechts declaratoire betekenis; zij maken die heffingen echter niet tot voorwerp van het douanetarief. De vermelding in bijlage II van het gemeenschappelijk douanetarief van het in de GATT geconsolideerde maximum-recht voor kaas is alleen voor het doua nerecht in technische zin van belang. Niettegenstaande de verwijzing naar de concessies in verordening nr. 950 moest daarom ook in de landbouwmarktordeningen een speciaal daarmee overeenkomend maximum voor de communautaire heffingen worden opgenomen — men zie bij voorbeeld artikel 14 van verordening nr. 804/68 (PB 1968, nr. L 148). Omdat daarentegen het verstrekkende verbod van artikel II van de GATT niet in het gemeenschappelijk douanetarief is overgenomen, belet de strekking van het gemeenschappelijk douanetarief de communautaire instanties niet bijzondere invoerheffingen — zoals de compenserende bedragen met hun specifieke functie — in te voeren. Zoals Raad en Commissie beklemtonen, zijn verordening nr. 950/68 en verordening nr. 974/71, in zover deze machtigt ongeacht het geconsolideerde maximumtarief compenserende bedragen te heffen, niet met elkaar in strijd. Dat de Raad in verordening nr. 974 inderdaad niet een zodanige limitering wilde, blijkt onder meer vooral uit zijn afwijzing van het voorstel der Commissie van mei 1972 om de compenserende bedragen voor bepaalde produkten van de GATT-lijst aan een maximum te binden. Had daarentegen de Raad wel met een zodanige begrenzing ingestemd, dan had dit explicite in verordening nr. 974/71 moeten worden bepaald, zoals dit voor de Gemeenschapsheffingen in de desbetreffende landbouwmarktverordeningen is geschied. Zonder zo'n expliciete machtiging had de Commissie bij de uitvoering van de compensatieregeling stellig niet het recht gehad de compenserende bedragen in algemene zin overeenkomstig de GATT-consolidaties te limiteren.
Van strijd tussen verordening nr. 974/71 en de verordening betreffende het gemeenschappelijk douanetarief met haar verwijzing naar de GATT-concessies is dus geen sprake. Maar zelfs al was dat wel het geval, dan zou verzoeksters conclusie omtrent de geldigheid van de compensatieregeling toch onjuist zijn. Onbetwistbaar is immers dat verordening nr. 974/71 met haar verstrekkende bijzondere machtiging ten opzichte van verordening nr. 950 zowel een lex specialis als een lex posterior is. Juist omdat zij niet aan verordening nr. 950 ondergeschikt is, mag haar geldigheid niet naar de bepalingen van deze laatste worden beoordeeld.
Wat de derde vraag van zaak 9-73 betreft, moeten wij dus vaststellen dat door het beroep op verordening nr. 950/68 en op de GATT-voorschriften inzake geconsolideerde maximumrechten de geldigheid van de compensatieregeling, voor zover zij op invoeren uit derde landen betrekking heeft, niet met vrucht kan worden bestreden.
5.
De vraag die nu aan de orde komt, luidt in beide zaken hetzelfde. Het Finanzgericht Baden-Württemberg wil namelijk weten of de bij verordening nr. 974/71 verleende machtiging tot heffing van compenserende bedragen op het tijdstip van de litigieuze invoeren (te weten 15 maart respectievelijk 16 mei 1972) was vervallen, en wel omdat hetzij de Lid-Staten de internationale regels inzake de fluctuatiemarges van de wisselkoersen ten opzichte van de officiële pariteiten opnieuw toepasten, hetzij althans sedert de monetaire conferentie van Washington van 18 december 1972 vaststond dat de Lid-Staten niet tot de oude wisselkoersen zouden terugkeren.
Wat althans het eerste deel van deze vraag betreft, kan ik kort zijn. Zij is ook al in de zaak 5-73 gesteld en nieuwe gezichtspunten hebben zich in casu niet opgedaan.
Waar het op aankomt — artikel 8 van verordening nr. 974 laat hier geen twijfel over —, is dat de compensatieregeling alleen na de hernieuwde invoering van vaste wisselkoersen met bepaalde fluctuatiemarges overbodig wordt. Daarvan was echter na het gentlemen's agreement van Washington geen sprake. Doordat de besluiten van Washington niet in een overeenkomst werden vastgelegd, droegen zij een voorlopig karakter en waren zij dus geen internationale regeling in de zin van verordening nr. 974. Bovendien betroffen de genoemde besluiten slechts richtkoersen (spilkoersen) — een „uitvinding” van het directorium van het Internationaal Monetair Fonds —, die een ander rechtskarakter hebben dan de officiële pariteiten (zo worden zij bij voorbeeld van kracht wanneer het IMF ze na gedane mededeling niet onbevredigend verklaart, terwijl een wijziging van de officiële pariteit de toestemming van het IMF behoeft). Ten slotte wijken de richtkoersen niet slechts — en soms niet onaanzienlijk — af van de officiële pariteit: van belang is ook dat ze aanmerkelijk ruimere fluctuatiemarges hebben, met als gevolg dat na 18 december 1972 de compensatieregeling ook voor Frankrijk en Italië van toepassing werd verklaard.
Buitenwerkingstelling van verordening nr. 974/71 kon na de akkoorden van Washington dan ook niet serieus worden overwogen; uit het voorgaande zal tevens duidelijk zijn dat het in maart 1972 genomen besluit tot verkleining van de fluctuatiemarges evenmin daartoe aanleiding gaf, temeer omdat deviezenmaatre-gelen die de naleving van dit besluit konden verzekeren, aanvankelijk ontbraken. Ook over het tweede deel van deze vraag — of de machtiging van verordening nr. 974/71 geacht moet worden te zijn vervallen doordat na de besluiten van Washington een terugkeer tot de oude pariteiten uitgesloten was — behoeven we niet lang uit te weiden. Zoals ook de Commissie betoogde, volgt een ontkennend antwoord enerzijds al uit het feit dat reeds in mei 1971, dat wil zeggen toen verordening nr. 974/71 werd uitgevaardigd, die terugkeer bijzonder onwaarschijnlijk was, terwijl anderzijds aan de voorwaarden van artikel 8 van verordening nr. 974 pas is voldaan wanneer nieuwe pariteiten worden toegepast; dit laatste bleef ook na de besluiten van Washington onzeker.
Ten slotte nog enkele woorden omtrent een opmerking van Rewe-Zentral, met betrekking tot 's Raads resolutie van 9 mei 1971 en de daarin vervatte constatering „dat de huidige situatie en de verwachte ontwikkeling van de betalingsbalansen der Lid-Staten een wijziging van de pariteit hunner munteenheden niet rechtvaardigen.” In de mening dat de resolutie de wens uitdrukt tot de oude pariteiten terug te keren, leidt verzoekster daaruit af dat door de monetaire besluiten van Washington een essentieel uitgangspunt van deze resolutie is weggevallen en daarmee ook de erop berustende verordening nr. 974/71 in de lucht is komen hangen. — Maar ook deze stelling is klaarblijkelijk onhoudbaar, mijns inziens alleen al omdat in de resolutie slechts een verwachting is uitgedrukt. Het is hoe dan ook vrij gezocht haar op genoemd punt zodanige bindende kracht toe te kennen, dat een posterieure, formele verordening van de Raad, welke zelf nauwkeurige bepalingen voor haar buitenwerkingtreding bevat, bij niet-vervulling van die verwachting haar geldigheid zou verliezen.
Ik concludeer derhalve dat onaannemelijk is dat de machtiging van verordening nr. 974/71 op het tijdstip der respectieve invoeren vervallen zou zijn.
6.
Ook de volgende vraag is in beide zaken eensluidend gesteld. Het gaat erom of ten tijde van de invoer (dus op 15 maart respectievelijk 16 mei 1972) het de Lid-Staten verboden was hun wisselkoersen vrij te laten, ingevolge hetzij artikel 107 EEG-Verdrag, hetzij 's Raads resolutie van 22 maart 1971 betreffende de verwezenlijking in etappes van de economische en monetaire unie, hetzij artikel 5 EEG-Verdrag.
Deze vraag is gesteld met het oog op de uitlegging van een nationale, op het geval toepasselijke machtigingsnorm en waarschijnlijk, volgens wat de Commissie omtrent de mogelijkheid en de noodzaak van een eventueel met terugwerkende kracht gedekt verklaren van de bedoelde machtigingsnorm heeft aangevoerd, voor de zaak van geen belang. Dit hoeft ons echter niet te beletten op het probleem van het vrijlaten der wisselkoersen in te gaan. Daarbij kunnen wij weer voor een deel teruggrijpen naar wat haar aanleiding van een overeenkomstige vraag in de zaak 5-73 is betoogd.
Vooreerst is gewezen op de alle Lid-Sta ten bindende bepalingen van de overeenkomst inzake het Internationaal Monetair Fonds en gesteld dat deze wel een wijziging van de pariteiten, maar niet een vrijlaten van de wisselkoersen kent. Hierover drie opmerkingen. Van belang is dat, zolang er geen gemeenschappelijke monetaire politiek tot stand is gebracht, de Lid-Staten dragers zijn van de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en plichten en de Gemeenschap er niet rechtstreeks aan gebonden is. Wat over de toepasselijkheid van de GATT-bepalingen is gezegd, geldt ook hier: particulieren kunnen zich dus voor de nationale rechter niet op de voorschriften van het Internationaal Monetair Fonds beroepen. En ten slotte sluit deze overeenkomst het vrijlaten van wisselkoersen geenszins uit. Dit kan worden afgeleid uit de sinds 1948 gevolgde praktijk, in welk verband het ook belangrijk mag heten dat het Internationaal Monetair Fonds zich tegen de zwevende koersen in kwestie niet heeft verzet. De verwijzing naar deze overeenkomst lijkt in casu dan ook weinig vruchtbaar.
Wat vervolgens artikel 107 EEG-Verdrag betreft, is in de zaak 5-73 al duidelijk geworden dat daaruit geen beperking van het monetairpolitieke instrumentarium der Lid-Staten in door verzoekster bedoelde zin kan worden afgeleid. Met name kan in dit verband op lid 2 van het artikel worden gewezen, dat in geval van misbruik slechts tegenmaatregelen vanwege de Gemeenschap voorziet, wat dus uitsluitend een indirecte beperking van de monetairpolitieke bevoegdheden der Lid-Staten impliceert. Zwevende koersen mogen dan op de duur bezwaarlijk met het EEG-Verdrag te verenigen zijn — wanneer zich een uitzonderlijke situatie voordoet, kan uit artikel 107 geen desbetreffend absoluut verbod worden afgeleid.
Ook het aan verordening nr. 129 ontleende argument heb ik in mijn conclusie in de zaak 5-73 reeds aan een onderzoek onderworpen. Ik moge daar thans eenvoudig naar verwijzen.
Behandelen wij thans nog het beroep op 's Raads resolutie van 22 maart 1971, benevens het argument ontleend aan artikel 5 van het Verdrag, dat de Lid-Staten in het algemeen verplicht niets te doen wat aan de Gemeenschap afbreuk kan doen.
Mijns inziens heeft de Commissie overtuigend aangetoond dat noch 's Raads resolutie van 22 maart 1971 noch die van 21 maart 1972 verbintenissen in het leven heeft geroepen. Voor de eerste resolutie is met name van belang dat de voorgenomen verkleining van de fluctuatiemarges overeenkomstige dollarinterventies van de centrale banken vereiste. Aan deze voorwaarde was in mei 1971 nog niet voldaan. De beperking van de fluctuatiemarges zou daarentegen eerst op 15 juni 1971 ingaan, maar werd toen door de bekende monetaire ontwikkeling van dat jaar achterhaald. — Wat de tweede resolutie betreft, een feit is dat zij evenals de eerste de valutaschommelingen slechts bij wijze van proef binnen kleinere marges beoogde te houden, en dat diensvolgens de centrale banken slechts werden verzocht bij wijze van proef een interventiestelsel in te voeren. Hieruit wordt terecht de conclusie getrokken dat de Lid-Staten hiermee hun autonomie op monetair gebied niet wilden beperken — wat trouwens wel blijkt uit het gedrag van verscheidene Lid-Staten in de periode daarna. Dat het vrijlaten van de wisselkoersen ontoelaatbaar zou zijn, kan derhalve niet uit genoemde conclusies volgen.
Wat ten slotte nog het beroep op de algemene bepaling van artikel 5 EEG-Verdrag betreft, kunnen wij eveneens kort zijn. Verzoeksters hebben stellig gelijk als zij betogen dat de zwevende koersen en de daarop berustende compensatieregeling, op zichzelf beschouwd en gelet op enkele doelstellingen van het Verdrag (bij voorbeeld artikel 3, sub a, d, en f), tot bedenkingen aanleiding kunnen geven. Een feit is echter dat juist die compensatieregeling de concurrentievervalsingen welke uit het vrijlaten van de koersen kunnen resulteren, tegengaat en de verwezenlijking van het landbouwbe-leid met haar gemeenschappelijk prijs-stelsel op de lange duur waarborgt.
Wanneer ten slotte een verbod tot vrijlating van de wisselkoersen niet uit het speciale voorschrift van artikel 107 EEG-Verdrag kan worden afgeleid, dan kan men zich daartoe zeker niet op de algemene bepaling van artikel 5 beroepen.
Zou zij inderdaad van belang zijn, dan dient derhalve op de zojuist besproken vraag te worden geantwoord dat een gemeenschapsrechtelijk verbod tot het vrijlaten van de wisselkoersen noch op 8 maart 1971 (toen de Duitse douanewet werd gewijzigd) bestond, noch op de respectieve data waarop de litigieuze invoeren plaatsvonden.
7.
In de zaak 9-73 ten slotte is in de loop van het geding een opmerking gemaakt welke met artikel 1 van verordening nr. 974/71 verband houdt. Zij komt erop neer dat, vanwege de afwezigheid van gevaar voor verstoringen, Zwitserse kaas niet onder de compensatieregeling had mogen worden gebracht.
Een hierop betrekking hebbende vraag is overigens door het Finanzgericht Baden-Württemberg niet gesteld en er bestaat dus geen aanleiding thans op dit probleem in te gaan.
Acht men een bespreking ervan niettemin wenselijk, dan moge ik verwijzen naar de opmerkingen die ik in conclusie 5-73 naar aanleiding van een analoog — de invoer van Bulgaarse schapekaas betreffend — probleem heb gemaakt. Daaraan dient te worden toegevoegd dat het gevaar voor verstoring in het geval van uit Zwitserland ingevoerde kaassoorten nog wel groter zal zijn dan bij Bulgaarse schapekaas het geval is. Ook de opmerkingen van de Commissie omtrent de moeilijkheden die de vrijstelling van Zwitserse kaas voor de restitutieregeling zou hebben veroorzaakt, lijken mij duidelijk. Bij de afweging van belangen door de Commissie overeenkomstig artikel 1 van verordening nr. 974, mochten dergelijke overwegingen stellig een rol spelen.
Zou het Hof zich in de zaak 9-73 ook over artikel 1 van verordening nr. 974 willen uitlaten, dan ware staande te houden dat de handelwijze der Commissie om Zwitserse kaas aanvankelijk onder de compensatieregeling te brengen en pas in het voorjaar 1973 ervan uit te zonderen, gelet op de haar toegekende beleidsvrijheid, waarbij ook handelspolitieke overwegingen een rol kunnen spelen, geen afkeuring verdient.
8.
Resumerend stel ik voor op de vragen van het Finanzgerichi Baden-Württemberg te antwoorden als volgt:
a)
In de zaak 9-73:
aa)
Het geding heeft geen gronden aan het licht gebracht waaruit de ongeldigheid van verordening nr. 974/71, in zover zij tot heffing van compenserende bedragen bij invoer uit derde landen machtigt,. zou kunnen volgen. Inzonderheid moet worden aangenomen dat de Raad genoemde verordening op artikel 103 EEG-Verdrag kon doen steunen en voor de berekening van de compenserende bedragen in het algemeen de verhouding tussen de zwevende communautaire valuta's en de US-dollar als maatstaf kon nemen.
bb)
De geldigheid van verordening nr. 974/71 en de annexe uitvoeringsverordeningen wordt niet aangetast doordat zij bij de invoer van Emmental- en Gruyèrekaas uit derde landen machtigen tot de heffing van compenserende bedragen welke te zamen met de gewone heffing hoger zijn dan de in de GATT geconsolideerde maximumrechten.
b)
In de zaak 10-73:
Het geding heeft geen gronden aan het licht gebracht, waaruit de ongeldigheid van verordening nr. 974/71, in zover zij tot heffing van intracommunautaire compenserende bedragen machtigt, zou kunnen volgen. Inzonderheid moet worden aangenomen dat de Raad zijn maatregel op artikel 103 EEG-Verdrag kon doen steunen.
c)
In beide zaken:
aa)
Niet kan worden aangenomen dat de in verordening nr. 974/71 vervatte machtiging door de besluiten van de monetaire conferentie van Washington van 18 december 1971 en de toepassing van die besluiten door de Lid-Staten op 15 maart 1972 respectievelijk 16 mei 1972 zou zijn vervallen.
bb)
Het Gemeenschapsrecht biedt geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat het de Lid-Staten op 15 maart 1972 of 16 mei 1972 verboden was hun wisselkoersen vrij te laten.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy