CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 11 JULI 1973 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Volgens artikel 15, eerste lid, van verordening nr. 121/67/EEG van de Raad van 13 juni 1967 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees, kan „in de mate nodig om de uitvoer van de in artikel 1, lid 1, genoemde produkten op basis van de noteringen of de prjizen van deze produkten op de wereldmarkt mogelijk te maken, … het verschil tussen deze noteringen of prijzen en de prijzen van de Gemeenschap overbrugd worden door een restitutie bij de uitvoer”.
Het Finanzgericht te Hamburg wenst nu in de eerste plaats te weten of deze bepaling in die zin moet worden uitgelegd dat de daarbij voorziene restitutie niet kan worden toegekend wanneer het restitutiebedrag hoger is dan de prijs die op de binnenlandse markt voor het uitgevoerde produkt wordt betaald.
Uit de overwegingen van de considerans dezer verordening blijkt dat met deze mogelijkheid om bij uitvoer naar derde landen restituties toe te kennen met name beoogd is tegemoet te komen aan de behoefte de deelneming der Gemeenschap aan de internationale handel in varkensvlees veilig te stellen. De exportrestitutie is dus niet slechts met het oog op de afzet van de communautaire produkten, doch ook met het oog op de deelneming aan het wereldhandelsverkeer ingesteld. Zij wordt daarom vastgesteld volgens criteria welke het mogelijk maken om het verschil tussen de prijzen dezer produkten in de Gemeenschap en die op de wereldmarkt te overbruggen; aldus met name artikel 15, alsmede de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 177/67/EEG van de Raad van 27 juni 1967, die voor de toekenning dezer exportrestituties in de sector varkensvlees algemene voorschriften geeft. Blijkens de artikelen 2 en 3 dezer verordening wordt het bedrag der restitutie niet aan de hand van de kosten van de individuele exporteur, doch forfaitair, volgens algemene criteria, vastgesteld. Het is volgens dit stelsel dus theoretisch mogelijk dat het restitutiebedrag in een op zichzelf staand geval hoger is dan de prijs die de exporteur op de binnenmarkt heeft moeten betalen. Det wetgever van de Gemeenschap heeft het restitutiestelsel slechts in grote trekken vastgelegd; onder 's Hofs rechtscontrole heeft de Commissie het — in het licht van zijn doelstellingen — nader uit te werken. Daarom moet een juiste vaststelling van het restitutiebedrag bij aankoop onder voor de prijsbepaling normale omstandigheden de hierbedoelde eventualiteit kunnen voorkomen. Mocht dit verschijnsel zich in ruimere mate voordoen dan de wetgever van de Gemeenschap had voorzien, dan zou daarmee een onjuiste prognose aan de dag treden die, naar in casu ook het geval schijnt te zijn, met wezenlijke kwaliteitsverschillen kan samenhangen. De met de uitvoering der Gemeenschapsregelingen belaste organen zouden bij de vervulling van hun taak tekort schieten wanneer zij exportrestituties zouden toekennen die de gewone waarde der goederen op de binnenlandse markt te boven gaan. De restitutie zou dan niet slechts, overeenkomstig artikel 15 van verordening nr. 121/67/EEG, het verschil tussen de prijzen van de Gemeenschap en die op de wereldmarkt overbruggen — om daarmede de deelneming van de Gemeenschap aan de internationale handel veilig te stellen —, doch veeleer speculaties door particulieren op kosten van de Gemeenschap in de hand werken.
Bij vaststelling van het bedrag der restituties dat voor alle tot een bepaald type behorende waren hetzelfde is, moet van bepaalde kwaliteitscriteria worden uitgegaan. Men berekent daartoe de gemiddelde kosten in de Gemeenschap van een waar die aan bepaalde voorwaarden voldoet en — op grond hiervan — het restitutiebedrag. Wordt aldus bij de vaststelling van dit bedrag van bepaalde kwaliteitseisen uitgegaan, dan behoort de restitutie mijns inziens logischerwijze ook slechts te worden toegekend voor waren die aan minimumkwaliteitsvoorwaarden voldoen. Anders zou de restitutieregeling een wezenlijke tekortkoming vertonen en zijn doel voorbijschieten.
In dit licht dient men de voorwaarden te bezien welke in artikel 6 der in de tweede vraag van de Duitse rechter bedoelde verordening nr. 1041/67/EEG van de Commissie voor toekenning dezer restituties worden gesteld. Volgens deze bepaling worden restituties slechts verleend voor produkten van gezonde handelskwaliteit, die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden en waarvan de geschiktheid voor menselijke consumptie — voor zover zij daartoe zijn bestemd — niet geheel of in aanzienlijke mate is verloren gegaan, gezien hun eigenschappen of de toestand waarin zij zich bevinden. Hier wordt een objectieve grens gesteld, waarbij de eisen van verhandelbaarheid op de voorgrond staan.
De nationale rechter vraagt ons of bij de beoordeling van deze eisen met de marktvoorwaarden en de levensmiddelenwetgeving van de Lid-Staten der Gemeenschap dan wel met die van het land van bestemming te rade moet worden gegaan, en voorts of er bij de uitlegging van deze eisen van uit moet worden gegaan dat een produkt niet van goede handelskwaliteit is wanneer het in concreto te betalen restitutiebedrag hoger is dan de prijs die op de binnenlandse markt in feite voor het uitgevoerde produkt wordt betaald.
Het antwoord op het eerste gedeelte van deze vraag volgt reeds uit het hiervoor overwogene. De met de doelstelling van het systeem samenhangende noodzaak tussen de kwaliteitscriteria ter vaststelling van het restitutiebedrag voor de verschillende soorten goederen en voormelde in artikel 6 gestelde kwaliteitseisen een zekere parallellie te betrachten, brengt mede dat aan bedoelde eisen een gemeenschapsrechtelijke betekenis moet worden toegekend.
Betrekt men naast de deelneming van de Gemeenschap aan de wereldhandel ook in zijn overwegingen dat de restitutieregeling nog een ander communautair belang op het oog had, namelijk het vermijden van binnenlandse overschotten die tot een onevenwichtigheid van lange duur tussen vraag en aanbod kunnen leiden (men zie artikel 2, b, van verordening nr. 177/67/EEG), dan komt men tot hetzelfde resultaat. Wil men zulke overschotten voorkomen, dan dient men zich af te vragen welke produkten binnen de Gemeenschap verhandelbaar zijn en dus aan de eisen van artikel 6 voldoen; immers alleen dan zijn zij voor de gemeenschappelijke markt van belang en kunnen zij bij overtollig aanbod de goede werking van de markt verstoren.
In dezelfde richting wijst de noodzaak ener gelijke behandeling van de ondernemers der Gemeenschap, waarop in de zesde overweging van de considerans van verordening nr. 177/67 van de Raad als volgt is gewezen: „Overwegende dat, om distorsies van de mededinging tussen de handelaren van de Gemeenschap te voorkomen, de administratieve voorschriften die zij moeten naleven, dezelfde dienen te zijn in de gehele Gemeenschap”. Voor werkelijke uniformiteit kan slechts worden gezorgd wanneer de organen van de Gemeenschap in staat zijn tot daadwerkelijk toezicht op de wijze waar op de nationale douaneautoriteiten in concreto toepassing geven aan de criteria van genoemd artikel 6 van verordening nr. 1041/67. Aan zulk een niet tot puur formele en uitwendige controle beperkt blijvend toezicht dienen gemeenschappelijke maatstaven ten grondslag te kunnen worden gelegd; het is dus slechts zinvol wanneer in concreto, en wel binnen het communautaire stelsel, kan worden vastgesteld aan welke voorwaarden moet zijn voldaan en ook de naleving dier voorwaarden kan worden gecontroleerd. Daarvan is echter geen sprake wanneer de inhoud dier voorwaarden zich met de verschillende bestemmingen van het uitgevoerde produkt kan wijzigen. Omdat de organen van de Gemeenschap zich bezwaarlijk op de hoogte kunnen stellen van de marktvoorwaarden en de levensmiddelenwetgeving van derde landen, zou de vraag of een voorwaarde in het Gemeenschapsrecht voor toekenning ener exportpremie gesteld vervuld is, in de praktijk veelal slechts beantwoord kunnen worden aan de hand van verklaringen en beoordelingen van particulieren en lichamen in derde staten en zich daarmede wezenlijk aan communautaire controle onttrekken.
Op grond van een en ander zei men er, wat de exportrestituties betreft, van uit dienen te gaan dat bedoelde voorwaarden hun inhoud rechtstreeks aan het stelsel der Gemeenschap en niet aan de gebruiken en voorwaarden in de landen van bestemming ontlenen.
Dit impliceert dat wanneer de werkelijke waarde van een waar op de markt van de Gemeenschap (onafhankelijk van de betaalde prijs) lager is dan de ervoor vastgestelde restitutie, het er behoudens plotselinge aanzienlijke wijzigingen van de marktprijs of verkeerde calculaties van de organen die met de vaststelling der restituties zijn belast, voor moet worden gehouden dat de waar niet aan de kwaliteitseisen van voormeld artikel 6 van verordening nr. 1041/67 voldoet.
Beantwoording van de beide eerste vragen in de door mij voorgestane zin kan nieuw licht werpen op de maatstaven welke bij de toekenning van restituties volgens 's Raads verordening nr. 121/67/EEG moeten worden toegepast — en op de aan de toekenning gestelde grenzen —, waarmede een onderzoek naar de derde — door de nationale rechter subisidiair gestelde — vraag overbodig wordt. Zij betreft bovendien zuiver technische aangelegenheden, waarover de uit te leggen verordeningen geen opheldering verschaffen en nu in deze procedure niet is gebleken van bezwaren tegen de criteria welke de Commissie aan de schaarse aantekeningen van de nomenclatuur van Brussel zou willen ontlenen, zou ik daarnaar willen verwijzen.
Ik concludeer mitsdien:
1.
Artikel 15 van 's Raads verordening nr. 121/67/EEG van 13 juni 1967 sluit weliswaar in beginsel toekenning van de daarin voorziene restituties bij uitvoer van produkten als bedoeld in artikel 1 niet uit wanneer zij de prijs die voor de bedoelde waar in concreto op de nationale markt betaald wordt te boven gaan, doch maakt in den regel geen restituties boven de waarde van de betrokken waar op de gemeenschappelijke markt mogelijk.
2.
a)
De voorwaarden van artikel 6 van verordening nr. 1041/67/EEG van de Commissie van 21 december 1967 moeten worden beoordeeld volgens de criteria voor verhandeling binnen de Gemeenschap en zonder dat de marktvoorwaarden en de levensmiddelenwetgeving van de landen van bestemming ter zake doen.
b)
Dat voor een bepaalde waar een hogere exportrestitutie is voorzien dan de werkelijke waarde van de betrokken partij waren op de gemeenschappelijke markt, wettigt in de regel het vermoeden dat de waar niet van goede handelskwaliteit is.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy