CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 20 SEPTEMBER 1973 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Roma locuta est
De interpretatievragen die in deze procedure door de Duitse rechter zijn gesteld, zijn door Uw Hof reeds eerder — explicite of implicite — beantwoord, met name in het arrest van 14 december 1972 in de prejudiciële zaak 29-72 (Marimex, Jurisprudentie 1972, blz. 1309).
Ik zal niet in navolging van Tacitus kort en bondig constateren Roma locuta causa finita est, maar wel kan ik, gezien het abstraherend karakter van de krachtens artikel 177 EEG-Verdrag gestelde interpretatievragen en het bijzonder gezag van 's Hofs uitspraken in prejudiciële zaken, met enkele opmerkingen volstaan. In de loop van het geding zijn immers geen argumenten naar voren gekomen die afbreuk zouden kunnen doen aan de gevestigde beginselen.
In de eerste plaats wordt gevraagd of onder de term „heffingen van gelijke werking als invoerrechten” ook administratieve rechten (Verwaltungsgebühren) vallen die wegens plantenziektenkundige controle bij de invoer van planten uit de ene Lid-Staat in de andere worden geheven. In genoemd arrest-Marimex heeft Uw Hof uitgesproken dat het verbod om in het verkeer tussen de Lid-Staten douanerechten of heffingen van gelijke werking toe te passen, betrekking heeft op iedere bij of wegens invoer geheven belasting welke bepaaldelijk een ingevoerd produkt en niet een soortgelijk nationaal produkt betreft en derhalve, door wijziging van de kostprijs, op het vrije verkeer van goederen een zelfde beperkende invloed heeft als een douanerecht. Dit verbod laat geen enkel onderscheid toe naar gelang van het doel dat met de heffing der af te schaffen geldelijke lasten werd beoogd, en omvat derhalve ook rechten welke worden geheven wegens sanitaire keuringen van ingevoerde waren. Er is geen enkele reden om deze regel niet ook op plantenziektenkundige keuringen toe te passen. In genoemde prejudiciële beslissing heeft Uw Hof verklaard dat dit slechts anders zou zijn wanneer de geldelijke lasten deel uitmaken van een algemeen stelsel van binnenlandse heffingen, waardoor nationale en ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria worden belast.
Vooral uit deze laatste overweging blijkt dat een belasting bij invoer wegens een sanitaire keuring niet reeds toelaatbaar is, indien ook een soortgelijk nationaal produkt is onderworpen aan een recht voor sanitaire keuringen; vereist is dat zowel de belasting op het nationale produkt als die op het geïmporteerde deel uitmaken van één enkel stelsel en volgens identieke maatstaven worden vastgesteld en geheven; zij moet derhalve op identieke wijze op nationale en ingevoerde produkten drukken.
Het behoeft geen betoog dat, zoals ook in het arrest-Marimex uitdrukkelijk is overwogen, geldelijke lasten op ingevoerde waren door artikel 36 van het Verdrag op geen enkele wijze kunnen worden gerechtvaardigd. Het gaat hier niet om keuringen of beperkingen, maar uitsluitend om bij de invoer te betalen heffingen.
De eerste vraag van de Duitse rechter kan met een simpele verwijzing naar de reeds in het recht verankerde beginselen en criteria worden beantwoord.
In de tweede plaats vraagt de nationale rechter of het verbod van artikel 13, lid 2, van het Verdrag ook geldt wanneer het bij de invoer geheven recht de kosten van de keuring niet te boven gaat.
Uit de vaste jurisprudentie van Uw Hof, met name het arrest 24-68 (Commissie tegen Italiaanse Republiek) en de prejudiciële beslissing in de gevoegde zaken 2 en 3-69 (Sociaal Fonds Diamantarbeiders), volgt dat de heffing van een recht niet verboden is wanneer het gaat om een individueel aan de importeur verleende dienst, welke deze een bepaald voordeel verschaft; de heffing is echter wel verboden wanneer het recht weliswaar in een zekere verhouding staat tot de kosten van de van overheidswege, in het algemeen belang voorgeschreven keuring, maar deze keuring de betrokken importeur geen economisch waardeerbaar voordeel oplevert. Zoals Uw Hof in het aangehaalde arrest 24-68 (Jurisprudentie 1969, blz. 203) heeft overwogen, is een administratief overheidshandelen, waaruit voor bepaalde categorieën deelnemers aan het economisch verkeer een moeilijk waardeerbaar voordeel van geheel algemene aard voortvloeit, niet te beschouwen als een dienst welke een heffing kan rechtvaardigen.
Wanneer nu de sanitaire keuring geen individueel verleende dienst is en voor de betrokken individuele importeur geen enkel rechtstreeks en economisch waardeerbaar voordeel meebrengt, is het, in het licht van deze overwegingen en precedenten, volslagen onbelangrijk of het recht de kosten van de keuring te boven gaat of niet.
Ik wil niet verhelen dat deze beginselen bij de huidige stand van de nationale wetgevingen in bepaalde gevallen ertoe kunnen leiden dat geïmporteerde produkten in een betere positie komen te verkeren dan nationale. Dit zou met name het geval kunnen zijn, wanneer een sanitaire of fytosanitaire keuring van waren in de Lid-Staat van oorsprong niet is voorgeschreven, terwijl zulke keuringen — en de daarmee gepaard gaande lasten — wel gelden voor dezelfde produkten die in de importerende staat zijn voortgebracht.
Dit bezwaar, dat een gevolg is van verschillen in de nationale wetgevingen, is evenwel niet van dien aard, dat het een minder strikte toepassing van het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten kan rechtvaardigen. Elke Lid-Staat kan hier immers corrigerend optreden door één algemeen stelsel van rechten voor plantenziektenkundige keuringen van geïmporteerde en van binnenlandse produkten in te voeren. De rechter kan zich hiermee niet inlaten. Wel zal men ook in het communautaire vlak op maatregelen in die zin moeten aansturen: juist daar immers bestaat de mogelijkheid door middel van richtlijnen ter harmonisering van de nationale wetgevingen op plantenziektenkundig gebied deze scheve verhoudingen recht te trekken.
Samenvattend moge ik concluderen de vragen als volgt te beantwoorden:
1.
Op het eerste punt, overeenkomstig het dictum in de zaak-Marimex: „Als heffing van gelijke werking als douanerechten zijn te beschouwen geldelijke lasten welke op de produkten worden gelegd wegens bij grensoverschrijding uitgevoerde sanitaire keuringen, en die worden vastgesteld volgens specifieke maatstaven, welke met die ter vaststelling van de geldelijke last op soortgelijke nationale produkten niet kunnen worden vergeleken.”
2.
Een belasting bij invoer valt, zelfs indien het bedrag ervan de kosten van de administratieve handeling in verband waarmee zij wordt opgelegd, niet te boven gaat, onder het verbod van artikel 13, lid 2, van het Verdrag, wanneer de handeling van de nationale overheid geen specifiek en economisch waardeerbaar voordeel voor de belaste persoon oplevert.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy