CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 24 OKTOBER 1973 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Partijen in het hoofdgeding worden verdeeld gehouden over de vraag of een bepaalde waar moet worden ingedeeld onder post 17.04 van het gemeenschappelijk douanetarief („Suikerwerk zonder cacao”) dan wel onder post 21.07 („Produkten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen”). Het is aan ons de betekenis van het gemeenschappelijk douanetarief op dit punt te verduidelijken, ten einde de nationale rechter in staat te stellen hieraan in casu een juiste toepassing te geven.
Ondanks de opzettelijk abstracte formulering van de vragen door de nationale rechter dreigt zoals zo vaak bij interpretatie van het gemeenschappelijk douane-tarief het gevaar dat men zich bij het zoeken naar een bruikbaar antwoord laat verleiden tot een onderzoek van de feiten en tot een beschouwing van het specifieke produkt waarvan de indeling in het hoofdgeding wordt betwist. Wij zullen trachten dit gevaar zo goed mogelijk te ontgaan, al moeten wij wel zorgen de nationale rechter een bruikbare interpretatie te geven.
In casu gaat het om een produkt dat in 1970 uit Denemarken werd geïmporteerd en dat op de verkoopfactuur was aangeduid als „karamelmassa” en op de douaneverklaring als „karamelmassa ter bereiding van versnaperingen”, met een bij analyse vastgesteld saccharosegehalte van minder dan 50 gewichtspercenten en een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van 46,4 %.
Nadat het bevoegde douanekantoor een analyse — met de even genoemde resultaten — had doen verrichten, besloot het het produkt onder post 21.07-F-VII-b-1 in te delen. De Duitse importeur kwam tegen deze beslissing in beroep, betogende dat de waar onder post 17.04 viel, waarvoor een lager invoerrecht geldt dan voor de produkten van post 21.07.
Onder post 17.04-D-I-a van het in 1970 geldende gemeenschappelijk douanetarief, die zoals gezegd op suikerwerk betrekking heeft, vallen produkten met geen of minder dan 1,5 gewichtspercent van melk afkomstige vetstoffen en minder dan 5 percenten saccharose.
Letter D-II heeft betrekking op „overige” produkten met een saccharosegehalte (het gehalte aan invertsuiker, berekend als saccharose, daaronder begrepen) van: a) minder dan 50 gewichtspercenten, b) van 50 of meer, doch minder dan 70 gewichtspercenten, en c) van 70 of meer gewichtspercenten.
Ofschoon hier niet uitdrukkelijk een maximumgrens voor het gehalte aan vetstoffen wordt genoemd, moet een dergelijk maximum volgens de Commissie logischerwijze wel worden aangenomen, daar het hier om een tariefpost gaat die blijkens zijn titel specifiek op suikerwerk betrekking heeft. Deze gevolgtrekking schijnt te worden bevestigd door de toelichting op deze post in de nomenclatuur van Brussel; hij omvat „het merendeel der voor menselijke consumptie geschikte, suiker bevattende produkten, in vaste of halfvaste vorm, in het algemeen voor onmiddellijke consumptie geschikt en gewoonlijk aangeduid als suikerwerk of versnaperingen.” Als voorbeelden worden genoemd karamels, noga, marsepein en andere. Daaruit volgt, aldus de Commissie, dat onder die post niet vallen produkten met een zo groot gehalte aan andere bestanddelen dan suiker, dat zij hun karakter van „suikerwerk” daardoor verliezen.
Met deze interpretatie kunnen wij het eens zijn; zij vindt bevestiging in 's Raads verordening nr. 1060/69/EEG van 28 mei 1969, betreffende de vaststelling van de hoeveelheden basisprodukten die vervaardiging van de goederen geacht worden te zijn gebruikt. Hoewel deze verordening is vastgesteld met het oog op de berekening van het variabele element van de heffing, geheven bij de invoer van goederen welke door verwerking van landbouwprodukten zijn verkregen, en dus niet als een voorschrift inzake de samenstelling van die produkten voor hun indeling onder deze of gene tariefpost, vormt zij niettemin een aanwijzing omtrent de opvatting van de wetgever over de normale samenstelling dier produkten. Hoewel in de bijlage der verordening wordt uitgegaan van een verhouding van 20 kg volle melkpoeder op 100 kg suikerwerk — hetgeen overeenkomt met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van 5,2 gewichtspercenten —, noemt zij voor geen der produkten van post 17.04-D boter als basisprodukt (zulks in tegenstelling tot de produkten van post 21.07).
Voor de produkten van post 17.04 schijnt de gemeenschapswetgever derhalve aan te nemen dat het gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen in de regel niet hoger ligt dan het genoemde niveau. Anders zou de verordening immers ongetwijfeld een hoger niveau hebben vermeld om in de Gemeenschap geproduceerde overeenkomstige produkten doeltreffend te kunnen beschermen.
Op de eerste vraag, te weten of bij de produkten van post 17.04-D-II aan het gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen bepaalde grenzen zijn gesteld en zo ja welke, moet het antwoord dus luiden dat er inderdaad zulke grenzen bestaan, dat zij echter in het algemeen en in abstracto niet nauwkeurig kunnen worden aangegeven, maar alleen met betrekking tot elk produkt afzonderlijk, en wel aan de hand van het criterium dat het gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen in geen geval zo hoog mag zijn, dat de produkten hun karakter van „suikerwerk” daardoor verliezen.
De nadere bepaling van dit algemene criterium, die dus van geval tot geval en met inachtneming van de objectieve kenmerken van elk produkt moet geschieden, dienen wij aan de nationale rechter over te laten om niet de grenzen van 's Hofs interpretatieve bevoegdheid te overschrijden. Toepassing van het recht op het concrete geval is immers bij uitsluiting de taak van de nationale rechter.
Anderzijds zal de nationale rechter naast dit algemene criterium nadere relevante aanwijzingen kunnen vinden in de criteria welke Uw Hof naar aanleiding van andere vragen heeft aangegeven.
In de tweede plaats vraagt de Duitse rechter of tot suikerwerk als bedoeld in post 17.04 ook halffabrikaten behoren waaraan bij de verdere bewerking nog suiker moet worden toegevoegd, en zo ja, of bij de indeling dan moet worden uitgegaan van de heersende verkeersopvatting in de suikerwerkindustrie of van enige andere opvatting.
Voor de beantwoording van deze vraag zullen wij post 21.07 in onze beschouwing moeten betrekken, ofschoon de nationale rechter deze in zijn vraagstelling niet uitdrukkelijk noemt. Onder deze post vallen produkten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen, en onder letter F-VII-b de produkten met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van 45 of meer, doch minder dan 65 gewichtspercenten en een saccharosegehalte van 5 of meer gewichtspercenten.
In zijn verwijzigingsbeschikking merkt het Finanzgericht Hamburg op dat, wanneer alleen op de materiële samenstelling, onafhankelijk van andere kwalitatieve criteria, wordt gelet, het onderwer-pelijke produkt zowel onder post 17.04-D-II-a (voor zover namelijk het saccharosegehalte lager is dan 50 percent en het melkpoedergehalte hoger dan 1,5 percent) kan worden ingedeeld als onder post 21.07-F-VII-b-1 (aangezien het saccharosegehalte hoger is dan 5 percent en dat van melkpoeder hoger dan 45, doch lager dan 65 percent).
Een juiste systematische uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief moet overigens een dergelijke overlappingsmogelijkheid voorkomen. Daartoe dient te worden gegrepen naar een nader kwalificatiecriterium om het produkt uitsluitend onder één der genoemde posten te kunnen indelen. Als zodanig kan dienen het door de Commissie gehanteerde criterium van de specifieke bestemming der halffabrikaten: wil een produkt onder post 17.04 vallen, dan moet het overeenkomstig de aard en de kenmerken van zijn bestanddelen zijn bestemd voor de bereiding van suikerwerk.
In het algemeen kunnen onder post 17.04-D-II weliswaar ook halffabrikaten worden gebracht, waaraan bij de verdere verwerking tot eindprodukt suiker moet worden toegevoegd. Maar dit is slechts in beperkte mate mogelijk: niet bijvoorbeeld in gevallen waarin — zoals blijkbaar in casu — aan het betrokken produkt bij de verwerking tot een eindprodukt dat in de categorie suikerwerk valt, een veelvoud van de reeds in het produkt voorkomende hoeveelheid suiker moet. worden toegevoegd. In dat geval zal men in het algemeen hebben te doen met een produkt dat niet specifiek is bestemd voor de vervaardiging van suikerwerk.
Nog daargelaten dat post 17.04 tegenover de algemene verzamelpost 21.07 een specifiek karakter heeft, maakt ook de omstandigheid dat de invoerrechten op basisprodukten voor de bereiding van suikerwerk lager zijn dan die op voedingsmiddelen in het algemeen, het noodzakelijk de toepasselijkheid van post 17.04 duidelijk te omlijnen.
Anders dreigt naast een hinderlijke verwarring tussen de tariefposten tevens het gevaar dat, gelet op de voorgaande opmerkingen in verband met verordening nr. 1060/69/EEG, de goede werking van de gemeenschappelijke landbouwmarktordeningen wordt doorkruist.
Het blijkt mij dan ook niet gewaagd te veronderstellen dat de communautaire landbouwwetgever met het oog op de goede werking van de landbouwmarkten rekening heeft gehouden met het feit dat het buitentarief zwaarder drukt op de niet onder specifieke tariefnummers vallende voedingsprodukten van post 21.07, die voor een belangrijk deel uit boter bestaan. Zouden de importeurs de vrijheid hebben om produkten met een hoog botergehalte aan hun tariefpost te onttrekken, dan zou dat tot een verstoring van de gemeenschappelijke landbouwmarktordening kunnen leiden, te meer omdat de in die produkten verwerkte boter na extractie als zodanig is te gebruiken.
De Commissie merkt op dat het onderhavige produkt in casu niet tot karamels is verwerkt, maar dat de koper het heeft gebruikt om de boter, welke een hogere handelswaarde heeft, eraan te onttrekken. Het komt mij derhalve voor dat een indeling van dit produkt onder post 17.04 het ontduiken van de voorschriften ter bescherming van de landbouw in de Gemeenschap zou kunnen vergemakkelijken.
Reeds eerder heeft Uw Hof uitgesproken dat bij twijfel aangaande de uitlegging en onderlinge afbakening van tariefposten niet slechts met de zuiver douanerechtelijke functie van het tarief, doch ook met zijn functie in het stelsel der marktordening rekening moet worden gehouden (arrest van 18 juni 1970, zaak 72-69, Hauptzollamt Bremen, Jurisprudentie 1970, blz. 434).
Ondanks de kritiek die hierop is geoefend, zijn wij van mening dat het hier om een functioneel uitleggingscriterium gaat, waaraan het Hof in geval van twijfel over de exacte betekenis van een tariefpost moet vasthouden. Ook om diereden meen ik dat een produkt dat op grond van zijn kenmerken niet specifiek voor de vervaardiging van „suikerwerk” lijkt bestemd, van post 17.04 moet worden uitgesloten. Wanneer derhalve bij de vervaardiging van dergelijke produkten aan de basismassa een veelvoud van de hierin vervatte hoeveelheid suiker moet worden toegevoegd, dan is dit op te vatten als een aanwijzing dat niet is voldaan aan de bovengenoemde eis van de specifieke bestemming, zonder dat de verkeersopvatting bij de betrokken branche in de Lid-Staten hiervoor verder ter zake doet.
Ik concludeer derhalve dat U de vragen van de nationale rechter in bovenbedoelde zin beantwoorde.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy