CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J. P. WARNER
VAN 19 SEPTEMBER 1973 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De nasleep van het koloniale tijdperk brengt voor onze landen die voorheen wereldmachten waren, velerlei verplichtingen mede, die onwelkom, maar om welke reden dan ook onontkoombaar zijn. De vraag waar het in casu om gaat is of het Gemeenschapsrecht Frankrijk de verplichting oplegt aan een burger van een andere Lid-Staat, die een groot gedeelte van zijn leven in Algerië werkte toen dit nog Frans grondgebied was, een pensioen uit te keren, waarop hij anders als gevolg van Algerië's onafhankelijkheid, zijn recht zou moeten verliezen.
De zaak — met haar tragische feitelijke aspecten — werd aan Uw Hof voorgelegd bij een verwijzingsbeschikking van de Cour de cassation van Frankrijk.
Die feiten zijn in het kort als volgt. Eiser in cassatie, de heer Gerd Wolfgang Fiege, werd in 1922 in Hannover geboren en was gedurende alle hier van belang zijnde perioden Duits onderdaan. Hij werkte en viel als zodanig onder de sociale verzekering in Duitsland van 1936 tot 1947, in het Franse moederland van 1947 tot 1949 en in Algerië vanaf 1951, totdat hij in november 1959 door poliomyelitis werd getroffen. Dit bracht mede dat hij op een rolstoel was aangewezen en voortdurende verzorging behoefde.
Bij de aanvang van deze ziekte, was verzoeker voor de sociale verzekering aangesloten bij de Caisse de sécurité sociale d'Oran. Van dit orgaan ontving hij eerst uitkeringen onder de ziekteverzekering en vanaf 17 december 1962 een invaliditeitspensioen met terugwerkende kracht tot 1 november 1962. Op dat tijdstip was Algerië reeds onafhankelijk geworden (juli 1962) en de Algerijnse autoriteiten deelden verzoeker mede dat zijn invaliditeitspensioen slechts zou worden doorbetaald indien hij in Algerië bleef wonen. Verzoeker wenste zijnerzijds — hetgeen niet anders dan natuurlijk is — naar zijn familie in Duitsland terug te keren. Daarom diende hij, met een al dan niet gegrond beroep op artikel 30 van verordening nr. 4 van de Raad van de EEG, een verzoek om pensioen in bij de Bundesversicherungsanstalt für Angestellte te Berlijn.
Gelijk U bekend, moet de Raad ingevolge artikel 51 van het EEG-Verdrag de maatregelen vaststellen „welke op het gebied van de sociale zekerheid noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers”, en hiertoe „een stelsel invoeren waardoor het mogelijk is voor migrerende werknemers en hun rechthebbenden te waarborgen:
a)
dat, met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen alsmede voor de berekening daarvan, al die tijdvakken worden bijeengeteld, welke door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen;
b)
dat de uitkeringen aan personen die op het grondgebied van de Lid-Staten verblijven, zullen worden betaald.”
Ter uitvoering van deze verplichting stelde de Raad in 1958 verordening nr. 3 vast „inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers”, en verordening nr. 4 „strekkende tot uitvoering en aanvulling van de bepalingen van verordening nr. 3”. Beide verordeningen traden op 1 januari 1959 in werking. Deze en latere, ter wijziging daarvan gegeven, verordeningen Werden op 1 oktober 1972 vervangen door 's Raads verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72.
Artikel 30 van verordening nr. 4 had betrekking op de indiening en behandeling van aanvragen op grond van de artikelen 26 tot en met 28 van verordening nr. 3, te weten aanvragen om uitkeringen wegens invaliditeit, ouderdom en overlijden. Het bevatte — aldus het Hof in zaak 11-67 Office National des Pensions pour Ouvriers tegen Couture (Jurisprudentie 1967, blz. 474; zie blz. 486) — uitsluitend procedureregels.
De vraag of en in hoeverre artikel 30 voor de onderhavige zaak van belang was is een der met de verwijzingsbeschikking van de Cour de cassation gestelde vragen.
Wat hiervan ook zij, verzoekers aanvraag, die begin 1963 toen hij nog in Algerië woonde was ingediend, werd door de Bundesversicherungsanstalt für Angestellte doorgezonden naar het Centre de sécurité sociale des travailleurs migrants de Paris — zulks echter, om een niet aan het Hof duidelijk gemaakte reden, eerst in mei 1967. Laatstgenoemd orgaan gaf de aanvraag terstond door aan de Caisse régionale de sécurité sociale de Strasbourg, die deze op haar beurt doorzond aan de Caisse régionale d'assurance maladie de Strasbourg. Dit orgaan is verweerster in het beroep voor de Cour de cassation. Het was het orgaan, of althans het laatste bevoegde orgaan, waarbij verzoeker verzekerd was, toen hij in het Franse moederland werkte.
Gelijk reeds gezegd bleek verzoekers aanvraag in dat stadium formeel een rechtstreekse aanvraag om pensioen te zijn, en werd ze eerst later, wederom formeel, een aanvraag om overschrijving van het pensioen waarop hij in Algerië recht had. De aanvraag werd op 20 juli 1967 door verweerster afgewezen, op grond dat, nu Algerië onafhankelijk was geworden, alleen de tijdvakken gedurende welke verzoeker in Duitsland en het moederland Frankrijk had gewerkt, hem voor een pensioen in Frankrijk in aanmerking konden doen komen en dat deze tijdvakken samen ontoereikend waren om hem aanspraak op pensioen te geven.
Tegen deze beslissing voorzag verzoeker zich in beroep bij de Commission de recours gracieux de la Caisse régionale d'assurance maladie, die in december 1967 zijn beroep verwierp.
Verzoeker ging vervolgens in beroep bij de Commission de première instance du contentieux de la sécurité sociale te Parijs. Het schijnt dat hij in dit stadium de vorm van zijn verzoek heeft omgezet in een verzoek om overschrijving van zijn bestaande pensioen. Ook blijkt hij hiervoor enigermate steun gezocht te hebben in artikel 47 van verordening nr. 4. Dit was naar onze mening een misvatting, want dat artikel bepaalde alleen dat een gepensioneerde die zijn woonplaats van de ene naar een andere Lid-Staat of van een niet Lid-Staat naar een Lid-Staat overbracht, de betrokken instelling(en) van dit feit in kennis moest stellen. Op zichzelf kende het geen enkel recht toe. Het beroep van verzoeker bij de Commission de première instance werd overigens in juni 1969 afgewezen.
Hierdoor niet ontmoedigd, ging hij in beroep bij de Cour d'appel de Paris, doch andermaal zonder succes. Tegen het arrest van de Cour d'appel de Paris van 22 december 1970 tekent verzoeker nu cassatie aan bij de Cour de cassation.
Voor een goed begrip van de in casu aan de orde zijnde rechtspunten dient allereerst de motivering van het in appel gewezen arrest nader te worden bezien. Daarbij valt te bedenken dat verzoeker, ten tijde van die uitspraak, nog in Algerië woonachtig was. Dit is niet meer het geval. Hij woont nu in Bad Pyrmont in de Bondsrepubliek Duitsland en wel sinds ongeveer twee jaar. Voorts dient te worden bedacht dat verzoeker, blijkens het arrest zelf, niet voor genoemd gerechtshof is verschenen, noch ook werd vertegenwoordigd. Deze rechterlijke instantie kon zich blijkbaar een voldoende duidelijk beeld vormen van de gronden van het beroep uit zijn pleitnota in het geding voor de Commission de première instance. Uit dit stuk maakte het Hof op dat verzoeker zich voornamelijk op artikel 10 van verordening nr. 3 en artikel 30 van verordening nr. 4 beriep, gelijk hij thans inderdaad nog doet.
Naar artikel 30 van verordening nr. 4 dat, zoals U zich zult herinneren slechts procedure-regels bevat, verwezen wij reeds. Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 3 is in casu daarentegen van beslissende betekenis. Het luidt aldus:
„De pensioenen of renten en de uitkeringen bij overlijden verkregen op grond van de wettelijke regelingen van een of meer van de Lid-Staten, kunnen niet worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit, dat de rechthebbende woonachtig is op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die op welks gebied het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, zich bevind.”
De Cour d'appel de Paris was van oordeel dat dit artikel niet van toepassing kon zijn op het pensioen van verzoeker, want volgens deze rechter was dat pensioen niet verworven krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat, maar op grond van de wettelijke regeling van het onafhankelijke Algerië. Bovendien was verzoeker niet woonachtig op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die op welks gebied het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, zich bevindt. Hij was woonachtig in Algerië, dat geen Lid-Staat is, waar zich ook het uitkeringsplichtige orgaan, de Caisse de sécurité sociale d'Oran, bevond. Bijgevolg was het enige orgaan waarbij verzoeker een aanvraag om pensioen mocht indienen de Caisse d'Oran en hij kon als Duits onderdaan woonachtig in Algerië, niet ingevolge artikel 30 eisen dat de verplichting tot uitkering van zijn pensioen, bij zijn terugkeer naar Duitsland op verweerster zou overgaan. Bedoeld artikel had uitsluitend betrekking op verzoeken om uitkeringen, niet op overschrijving daarvan.
Naar ons oordeel is de fundamentele vraag in dit geding, de vraag waarom het hier alleen gaat, of de Cour d'appel terecht besliste dat verzoekers pensioen niet op grond van de wettelijke regeling van een Lid-Staat werd verworven. Op het eerste gezicht komt deze conclusie onweerlegbaar voor. Wij menen evenwel dat een nadere beschouwing van sommige bepalingen van de voor deze materie relevante communautaire wetgeving daarentegen leert dat het pensioen voor de toepassing van de verordeningen nrs. 3 en 4 geacht moet worden krachtens de wettelijke regeling van Frankrijk te zijn verworven. Het komt ons voor dat die bepalingen en hun betekenis niet onder de aandacht van de Cour d'appel werden gebracht, want zij zijn in haar uitspraak niet vermeld. De huidige instantie biedt daarentegen het voordeel, dat Uw Hof over de ter zake alleszins nuttige beschouwingen beschikt, die zowel door de vertegenwoordiger van verzoeker als de gemachtigde van de Commissie werden voorgelegd.
Ingevolge artikel 1, alinea a, juncto Bijlage A van verordening nr. 3, omvatte het grondgebied van Frankrijk wat de toepassing van die verordening betreft het Franse moederland, Algerië en sommige overzeese departementen. In artikel 3, juncto Bijlage B, van dezelfde verordening werd bepaald dat de wettelijke regelingen inzake sociale zekerheid waarop de verordening zag, voor zover het Frankrijk betrof, de in het Franse moederland, in Algerië en in die overzeese departementen geldende regelingen waren. In artikel 5, lid 1, van verordening nr. 4 junctis de verschillende Bijlagen waarnaar het verwees, werden de verordeningen nrs. 3 en 4 uitdrukkelijk op de Algerijnse organen van sociale zekerheid van toepassing verklaard.
Frankrijk kon, alleen door Algerië onafhankelijkheid toe te kennen, deze uitdrukkelijke bepalingen van Gemeenschapsverordeningen niet wijzigen en deed dat ook niet. Een dergelijke wijziging van Bijlage A van verordening nr. 3 kon alleen bij een andere verordening plaatsvinden; wijziging van Bijlage B was alleen mogelijk door een Franse wettelijke regeling, medegedeeld overeenkomstig de procedure van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 3, en wijziging van de desbetreffende Bijlagen tot verordening nr. 4 alleen door een Franse wettelijke regeling, medegedeeld overeenkomstig artikel 5, lid 2, van die verordening.
Wat in werkelijkheid gebeurde was, dat de vermelding van Algerië bij artikel 5 van 's Raads verordening nr. 109/65/EEG van 30 juni 1965 met ingang van 19 januari 1965 uit Bijlage A van verordening nr. 3 werd geschrapt. Van belang is nog dat artikel 16 van deze verordening uitdrukkelijk de vóór haar inwerkingtreding verkregen rechten handhaafde. In die zelfde periode deelde Frankrijk formeel de daaruit voortvloeiende doorhalingen in de andere toepasselijke bijlagen mede, die elk op 19 januari 1965 van kracht werden. Deze datum werd gekozen omdat op die zelfde dag een Frans-Algerijnse Conventie inzake de sociale zekerheid werd getekend.
Dientengevolge is het naar onze mening duidelijk, — zoals ook namens verzoeker en de Commissie is aangevoerd — dat, welke de status van Algerië na juli 1962 in andere opzichten geweest moge zijn, dit land voor de toepassing van de verordeningen nrs. 3 en 4 tot 19 januari 1965 als een deel van Frankrijk moest worden beschouwd. Hieruit volgt dat voor de toepassing van die verordeningen het pensioen van verzoeker geacht moet worden te zijn verkregen volgens de wettelijke regeling van Frankrijk. Op grond daarvan verwierf verzoeker tegelijk met zijn recht op pensioen, krachtens artikel 10 van verordening nr. 3 (nu vervangen door artikel 10 van verordening (EEG) nr. 1408/71) — en wel ingevolge een regel van Gemeenschapsrecht — mede het recht zich naar het grondgebied van elke Lid-Staat te begeven en zich daar te vestigen, zonder dat zijn pensioen kon worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard.
Wij weten dat wij evenals de Commissie, met deze mening afwijken van het standpunt dat werd ingenomen in een nota (CASSTM 64/69), voorbereid door de bij artikel 43 van verordening nr. 3 ingestelde Administratieve Commissie. Het is niet duidelijk of bedoeld orgaan het in die nota tot uitdrukking gebrachte standpunt ooit formeel tot het zijne heeft gemaakt, maar in elk geval zou zulks het Hof niet binden. Met alle respect voor de opstellers van deze nota, komt de daarin gevolgde redenering ons niet overtuigend voor. Zij gaat uit van het feit dat vanaf juli 1962 het EEG-Verdrag niet langer op Algerië van toepassing was en concludeert dan dat verordening nr. 3 geen ruimer toepassingsgebied kon hebben dan het Verdrag. Dit is natuurlijk juist in die zin dat noch het Verdrag noch verordening nr. 3 de onafhankelijke staat Algerië konden binden en ook in die zin — de Commissie wees hier al op — dat verordening nr. 3 na juli 1962 geen enkel recht kon verlenen aan personen die toen Algerijnse burgers werden. Maar het gaat in deze zaak niet om de rechten en verplichtingen van Algerië of Algerijnen. De vraag is of een bepaald pensioen waarop een Duits onderdaan recht heeft, geacht moet worden verworven te zijn volgens de wettelijke regeling van Frankrijk en voor die vraag is het Gemeenschapsrecht beslissend. Wij merken overigens nog op dat de juridische adviseurs van de Administratieve Commissie het in de nota neergelegde standpunt niet deelden.
Tegenover elk wettelijk recht staat een overeenkomstige wettelijke verplichting, en naar onze mening is dan de volgende vraag of de verplichting om aan het door artikel 10 aan een gepensioneerde verleende recht uitvoering te geven, een verplichting was van de Lid-Staat zelf volgens welks wettelijke regeling het recht op pensioen was verworven, of louter een verplichting van het orgaan dat ingevolge de verordeningen voor de betaling van het pensioen verantwoordelijk was.
Het komt ons voor dat de verplichting op de betrokken Lid-Staat zelf moet rusten. Het lag in het systeem van de verordeningen nrs. 3 en 4 besloten dat het elke Lid-Staat vrijstond de structuur van zijn organen van sociale zekerheid te allen tijde te wijzigen (zie met name artikel 5 van verordening nr. 4). Ongetwijfeld behoorde hiertoe mede de vrijheid om bepaalde organen op te heffen. Maar het hield ook de verplichting in om, als een Lid-Staat een bepaald orgaan ophief, voor vervanging te zorgen (hetzij door aan de functies van een bestaand orgaan uitbreiding te geven, hetzij door een nieuw orgaan te creëren) en om uitvoering te geven aan de rechten die de verordeningen aan migrerende werknemers verleenden, evenals aan de rechten ex artikel 10 van hen die gepensioneerd waren. Zou men aannemen, dat de verordeningen alleen de organen waarnaar zij verwezen, verplichtingen oplegden en niet de Lid-Staten, dan zouden die rechten spoedig tot een aanfluiting kunnen worden. Wij menen er met alle duidelijkheid op te moeten wijzen dat het onder de huidige wettelijke regeling niet anders gesteld is.
Wij concluderen dat verzoeker tegen Frankrijk als zodanig een afdwingbaar recht heeft op de verdere betaling van het pensioen dat hem in 1962 in Algerië was toegekend. Heeft hij dit recht, dan kan het feit — indien het al een feit is — dat Frankrijk niet alle wettelijke en bestuurlijke maatregelen heeft genomen die het nationale recht voor het geldend maken van zijn aanspraak vereist, hem daarvan niet beroven. Het behoeft geen betoog dat een Lid-Staat zich niet aan zijn verplichtingen onder het Gemeenschapsrecht kan onttrekken door de ter nakoming daarvan nodige voorzieningen achterwege te laten. Zulk een verzuim vormt op zichzelf reeds een schending van de Verdragen, zie artikel 5 van het EEG-Verdrag en bij voorbeeld zaak 31-69, Commissie tegen Italië (Jurisprudentie 1970, blz. 25, met name blz. 33-34 en Advocaat-Generaal Gand blz. 41-42), zaak 39-72, Commissie tegen Italië (nog niet gepubliceerd) en zaak 30-72 Commissie tegen Italië (nog niet gepubliceerd) —. Evenmin kunnen uitdrukkelijke bepalingen van de Franse wet worden ingeroepen om verzoeker van zijn recht te beroven, zie bij voorbeeld zaak 48-71 Commissie tegen Italië (Jurisprudentie 1972, blz. 529). Wij menen dat op dit punt de nadruk moet worden gelegd, in verband met een argument dat door verweerster voor de Cour d'appel en Uw Hof is aangevoerd en dat niet aan de aandacht van eerstgenoemde rechter ontging, namelijk dat verzoeker zich voor de betaling van zijn pensioen alleen tot de Caisse d'Oran kan wenden, omdat een Franse wettelijke regeling van 1953 dit bepaalde. In werkelijkheid is het uiteraard zo gesteld, dat die Franse wet, indien en voor zover strijdig met het Gemeenschapsrecht, op dit punt moet wijken.
Gezien deze gevolgtrekking behoeven wij geen stellig oordeel uit te spreken over een moeilijk punt dat door de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen werd aangestipt. Een Franse wet nr. 64-1330 van 26 december 1964 schreef voor dat de organen van sociale zekerheid van het moederland Frankrijk de betaling van bepaalde in Algerië verworven uitkeringen op zich dienden te nemen. Krachtens artikel 3 van die wet behoorden hiertoe ook invaliditeitspensioenen. Die pensioenen moesten echter worden berekend alsof zij in het Franse moederland waren verworven. Welk verschil dit zou hebben gemaakt voor het beloop van verzoekers pensioen indien de wet op hem van toepassing was geweest, werd het Hof niet meegedeeld. In feite konden alleen in Frankrijk woonachtige Franse burgers en bepaalde als „rapatriés” erkende vreemdelingen van de wet profiteren. Men kan verschillend denken over de vraag of hierin een discriminatie schuilt, onverenigbaar met artikel 8 van verordening nr. 3 en ook met de beginselen die Uw Hof in een aantal zaken uit de artikelen 48 tot en met 51 van het EEG-Verdrag heeft afgeleid. De Commissie daarentegen is van mening dat Frankrijk ter verdediging van de beperkte werking der wet een beroep mag doen op de bepalingen van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 3 inzake regelingen ten gunste van oorlogsslachtoffers. Om de reeds eerder aangeduide reden menen wij dat Uw Hof op dit punt in de onderhavige zaak geen uitspraak behoeft te doen.
Wij komen nu tot de vragen zelf gelijk die door de Cour de cassation aan het Hof zijn voorgelegd.
De eerste luidt aldus:
„Zijn de bepalingen van artikel 30 van verordening nr. 4 van de Gemeenschap die voor aanvragen om uitkeringen gelden, tevens van toepassing op overschrijvingen van invaliditeitspensioenen?”
Wij zijn van oordeel dat hierop kortweg met „neen” geantwoord moet worden. Zoals door de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen is gezegd kennen de verordeningen nrs. 3 en 4 niet de overgang van de verplichting tot uitkering van een pensioen van de organen van de ene Lid-Staat op die van een andere, en voor zover die verplichting tussen organen binnen de Lid-Staat moet worden overgedragen, moet de wetgeving van die Lid-Staat de passende procedure voorschrijven. Maar wij achten het onjuist om verzoekers aanvraag (welke vorm deze op verschillende tijdstippen ook mag hebben aangenomen) als een aanvraag om overschrijving van zijn pensioen te beschouwen. Zij moet naar onze mening veeleer worden geduid als een verzoek om verdere uitkering van zijn pensioen zulks ondanks zijn verhuizing naar Duitsland — met andere woorden: een verzoek om verwerkelijking van zijn rechten ex artikel 10, lid 1. Uiteraard bevatten de verordeningen geen uitdrukkelijke bepaling voor de procedure bij zodanig verzoek, maar wij zien geen reden waarom artikel 30 hierop niet toegepast zou mogen worden.
De tweede vraag welke door de Cour de cassation aan het Hof is voorgelegd luidt aldus:
„Brachten de bepalingen van Bijlage A van verordening nr. 3, die in de oude omschrijving van de grondgebieden waarop de verordening van toepassing is, Algerië met het Franse moederland vermeldden, voor de Franse organen van de sociale zekerheid bijzondere verplichtingen mede, welke afwijken van de verplichtingen der Algerijnse organen en op grond waarvan zij de uitkeringen zelf hadden te doen, wanneer deze laatste in gebreke bleven?”
Wij behoeven de argumenten die ons tot de conclusie hebben geleid dat het antwoord op deze vraag in beginsel bevestigend moet luiden niet te herhalen. „In beginsel”, omdat wij menen dat strikt genomen de vermelde verplichtingen voor het Gemeenschapsrecht veeleer plichten van Frankrijk, de betrokken Lid-Staat, zijn, dan verplichtingen van de Franse organen van sociale zekerheid. Bovendien, nu Algerië onafhankelijk is, zijn er geen verplichtingen die volgens het Gemeenschapsrecht op de Algerijnse organen rusten, zodat de enige naar het Gemeenschapsrecht relevante verplichtingen die van Frankrijk zijn. Dit betekent natuurlijk niet dat Frankrijk niet, voor zover mogelijk, (door middel van de Frans-Algerijnse Conventie of anderszins) zal verkrijgen dat zijn verplichtingen door Algerijnse organen worden overgenomen — zoals inderdaad gebeurde in het geval van verzoeker tot aan zijn verhuizing naar Duitsland. Maar, wat het Gemeenschapsrecht aangaat, achten wij het onjuist om te zeggen dat Frankrijk als het ware verplichtingen op zich zou hebben genomen, die verschillen van die der Algerijnse organen.
De derde vraag luidt:
„Geldt dit tevens voor de rechten op uitkeringen, welke aan een onderdaan van een Lid-Staat zijn opgekomen en door een Algerijns orgaan zijn erkend na de onafhankelijkverklaring van Algerië, doch vóór het verschijnen van verordening nr. 109/65 van 30 juni 1965, waarbij Algerië uitdrukkelijk werd uitgesloten van de grondgebieden waarop verordening nr. 3 van toepassing is?”
Wederom behoeven wij niet te herhalen op welke gronden wij tot een bevestigend antwoord op deze vraag kwamen, althans voor rechten op uitkeringen die door burgers van Lid-Staten vóór 19 januari 1965 zijn verworven. In de stukken werd nog gediscussieerd over de vraag hoe het staat met rechten die tussen genoemde datum en 30 juni 1965 zijn verworven. Dat probleem doet zich in casu niet voor en wij achten het beter hier niets over te zeggen.
De vierde vraag luidt:
„Geldt dit tevens voor een verzoek om overschrijving, dat na de onafhankelijkverklaring van Algerië aan de Duitse instanties is gedaan, doch eerst na het verschijnen van verordening nr. 109/65 in handen is gesteld van een Franse instantie?”
Hierover zouden wij drie opmerkingen willen maken. Ten eerste uiteraard — wij zeiden dit reeds — dat het ons niet juist voorkomt verzoekers aanvraag als een aanvraag om overschrijving te beschouwen.
In de tweede plaats — het zij met alle respect voor de Cour de cassation gezegd — achten wij deze vraag te ruim opgezet. Zij is gesteld met het oog op een aanvraag die gericht is tot welke Duitse instelling ook en door deze doorgegeven aan een Frans orgaan. De aanvraag van verzoeker was in casu gericht aan het krachtens artikel 3 van verordening nr. 4 aangewezen verbindingsorgaan en was door deze instelling aan het evenzo aangewezen Franse orgaan doorgezonden. Artikel 3, lid 2, van verordening nr. 4 bepaalde, voor zover hier van belang: „iedere persoon, die op het grondgebied van een Lid-Staat zijn woon- of verblijfplaats heeft, kan zich door bemiddeling van de verbindingsorganen tot het orgaan van een andere Lid-Staat wenden”. Wat de toepasselijkheid van dit artikel betreft: het feit dat verzoeker nog niet in Duitsland woonachtig was, toen hij zijn verzoek indiende werd niet aangevoerd. Wij betwijfelen of zodanig punt met succes kon worden voorgedragen. Zo had verzoeker bij voorbeeld in die tijd zeer wel op bezoek geweest kunnen zijn in Duitsland, een omstandigheid die voldoende geacht had moeten worden om de bepalingen van dat artikel in te roepen.
De derde opmerking is dat de datum van ontvangst van verzoekers aanvraag door de Franse autoriteiten zijn rechten niet wezenlijk kan aantasten. Wij hebben hier, zo onze conclusies in hoofdzaak juist zijn, te doen met een blijvende verplichting van Frankrijk om verzoeker de uitkering van zijn pensioen te garanderen. Deze verplichting werd feitelijk niet geschonden tot vóór twee jaar, toen de betaling van zijn pensioen wegens zijn terugkeer naar Duitsland, door de Caisse d'Oran werd gestaakt. Wel was er blijk gegeven van het voornemen die verplichting niet na te komen, toen de Franse autoriteiten (hoofdzakelijk in de persoon van verweerster) aan verzoeker te kennen gaven, dat zijn recht op verdere betaling van zijn pensioen niet door hen erkend zou worden als hij zou terugkeren naar Duitsland — hetgeen de aanleiding vormde tot dit geding. Wij begeven ons thans niet in beschouwingen over de vraag welke rechtsmiddelen verzoeker krachtens het Gemeenschapsrecht tegen deze aangekondigde schending van Frankrijks verplichting kon aanwenden. Dit punt werd achterhaald door zijn terugkeer naar Duitsland. Wij volstaan met te zeggen dat hij er thans recht op heeft dat Frankrijk zijn verplichtingen nakomt, en dat hij zijn recht te allen tijde af kan dwingen.
De vijfde en laatste vraag van de Cour de cassation luidt als volgt:
„Zo ja, moeten deze bepalingen dan aldus worden uitgelegd dat een migrerend werknemer, die achtereenvolgens heeft gewerkt in Duitsland, vervolgens in Frankrijk en ten slotte in Algerië, waar hij per 1 november 1962 — na de onafhankelijkverklaring van Algerië — in het genot is gesteld van een invaliditeitspensioen, en die in Duitsland wil gaan wonen, mag verzoeken om overschrijving van zijn pensioen, niet naar het laatste orgaan waarbij hij in Algerië was aangesloten, maar naar een Frans orgaan, waarbij hij tevoren was aangesloten?”
Bij deze vraag wordt er kennelijk van uitgegaan dat artikel 30 van verordening nr. 4 van toepassing was op een aanvraag om overschrijving van een pensioen en dat de aanvraag van verzoeker als zodanig kan worden beschouwd. Naar ons oordeel — wij zeiden dit reeds — is de werkelijke vraag: gesteld dat verzoekers aanvraag er een was om de verdere uitkering van zijn pensioen na zijn verhuizing naar Duitsland en gesteld dat artikel 30 de op deze aanvraag toepasselijke procedure regelde, wat waren dan de consequenties van de toepasselijkheid van dat artikel? De raadsman van verzoeker merkte op dat dit de moeilijkste van de vijf vragen was die de Cour de cassation aan Uw Hof voorlegde. Wij delen deze mening.
Zoals U zich zult herinneren, bestond artikel 30 uit drie leden, die elk op een andere situatie van toepassing waren. Lid 2 was hier zeker niet van toepassing, want het gold alleen voor een werknemer die woonachtig was in een Lid-Staat waar hij nooit verzekerd was geweest. Op alle andere categorieën werknemers die in een Lid-Staat woonachtig waren, was lid 1 van toepassing, terwijl lid 3 gold voor de werknemer die in een niet-Lid-Staat woonde. Uit het feit dat Algerië voor de toepassing van de verordeningen nrs. 3 en 4, tot 19 januari 1965 als een deel van Frankrijk moest worden beschouwd, volgt naar onze mening noodzakelijkerwijs dat verzoeker voor de toepassing van artikel 30 tot op genoemde datum als inwoner van Frankrijk moest worden beschouwd en dat hij bijgevolg tussen die datum en de datum van zijn terugkeer naar Duitsland als inwoner van een niet-Lid-Staat moest worden aangemerkt. Wat volgt hieruit?
Als men zegt dat de relevante datum in 1963 die is geweest, waarop verzoeker voor de eerste maal zijn aanvraag indiende bij het Duitse verbindingsorgaan in Berlijn (en waarschijnlijk is dit juist — zie artikel 83 van verordening nr. 4), dan was lid 1 van toepassing hetwelk voorschreef dat zijn aanvraag moest worden ingediend bij het bevoegde orgaan van het land waar hij woonachtig was, dat wil zeggen — indien hetgeen wij zoeven zeiden juist is, — de bevoegde Franse instelling. Dit roept het probleem op waarover wij, zoals U zich zult herinneren, de vertegenwoordiger van verzoeker ter zitting nadere vragen stelden, want aangenomen dat Algerië tot 19 januari 1965 een deel van Frankrijk was, zou men kunnen stellen dat het bevoegde „Franse” orgaan de Caisse d'Oran was. Deze opvatting is echter onaanvaardbaar want zij zou ertoe leiden dat aan verzoeker op procedurele gronden zijn zelfstandig recht jegens Frankrijk wordt ontzegd. De raadsman van verzoeker die zich van dit probleem bewust was trachtte daarop aan te tonen dat verweerster het bevoegde Franse orgaan was. Het verdient opmerking dat de Cour de cassation juist niet zover ging het Hof te vragen wat nu het bevoegde Franse orgaan is, hoewel die rechter in deze vraag sprak van „een Frans orgaan, waarbij hij tevoren was aangesloten”. Wij menen — het zij met alle eerbied gezegd — dat de Cour de cassation de strekking van haar vraag aldus terecht beperkte. In laatste instantie is de identiteit van het bevoegde Franse orgaan een vraag van Frans recht — zie bij voorbeeld artikel 1 sub (f) en (i) van verordening nr. 3 en de zaken 51 tot en met 54-71 International Fruit Company tegen Produktschap voor Groenten en Fruit (Jurisprudentie 1971, blz. 1116). Daarom kan Uw Hof naar ons oordeel volstaan met te beslissen dat op Frankrijk de verplichting rust de verdere uitkering van verzoekers pensioen te waarborgen en dat deze verplichting tevens inhoudt ervoor te zorgen dat er een orgaan is waarvan hij die uitkering kan vorderen. Dat verzoeker enige tijd bij een instelling van sociale zekerheid van het moederland Frankrijk was aangesloten, is uit een oogpunt van Gemeenschapsrecht slechts een toevallige omstandigheid, want de verplichting van Frankrijk zou dezelfde geweest zijn indien hij nooit ergens anders gewerkt had of verzekerd was geweest dan in Algerië. Maar hiermee is niet gezegd dat bedoeld feit naar Frans recht niet van groot belang zou kunnen zijn. Wij zijn tot beantwoording van deze vraag niet in staat en menen dat het Hof niet geroepen is hierover te beslissen.
Neemt men daarentegen aan dat de relevante datum in 1967 lag, toen verzoekers aanvraag in Parijs binnenkwam, zo is het resultaat in feite hetzelfde, want dan was lid 3 van artikel 30 van toepassing dat bepaalde dat zijn aanvraag moest worden ingediend bij het bevoegde orgaan van de Lid-Staat volgens welks wettelijke regeling hij laatstelijk was verzekerd — en dat is Frankrijk, omdat, toen hij voor de laatste maal verzekerd was, Algerië — naar wij nu aannemen — deel uitmaakte van Frankrijk.
Op deze gronden concluderen wij dat de door de Cour de Cassation aan het Hof voorgelegde vragen zullen worden beantwoord als volgt:
1.
De bepalingen van artikel 30 van verordening nr. 4 van de Raad van de EEG zijn niet toepasselijk op een aanvraag om overschrijving van een invaliditeitspensioen. Zij gelden echter wèl voor een aanvraag (in welke vorm dan ook) op grond van artikel 10, lid l, van 's Raads verordening nr. 3 om voortgezette uitkering van een eerder aan de betrokkene toegekend invaliditeitspensioen.
2.
en 3. De bepalingen van verordening nr. 3 en met name artikel 10, lid 1, en Bijlage A, verplichtten Frankrijk de voortzetting der betaling te waarborgen aan een onderdaan van een Lid-Staat, woonachtig op het grondgebied van welke Lid-Staat ook, van een invaliditeitspensioen dat hem vóór 19 januari 1965 door een Algerijns orgaan van sociale zekerheid was toegekend.
4.
De datum waarop de aanvraag van genoemde persoon om voortgezette uitkering van zijn pensioen door een Frans orgaan werd ontvangen, kan op zijn daartoe strekkend recht niet van invloed zijn.
5.
Genoemde persoon mocht zijn verzoek tot het bevoegde Franse orgaan richten.
( 1 ) Vertaald uit het Engels
Full & Egal Universal Law Academy