CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J. P. WARNER
VAN 7 NOVEMBER 1973 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
U zult zich herinneren dat de Raad in 1962 een reeks verordeningen heeft vastgesteld, welke de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten voor bepaalde landbouwprodukten in de toenmalige Lid-Staten ten doel hadden, met het oog op de uiteindelijke schepping van één enkele communautaire markt voor elk dier produkten. In de onderhavige vier zaken (119, 124, 125 en 126-73) houdt het Hof zich bezig met twee dier verordeningen, namelijk nr. 19 van 4 april 1962 met betrekking tot granen en nr. 22 van gelijke datum, met betrekking tot slachtpluimvee. Meer in het bijzonder houdt het zich bezig met de bepalingen dier verordeningen waarbij een stelsel van „heffingen” werd ingevoerd ter vervanging van de diverse tot dien door de Lid-Staten ter bescherming van elks landbouw afzonderlijk genomen maatregelen.
Onder dat stelsel van heffingen werd iedere Lid-Staat de mogelijkheid geboden zijn eigen landbouw te blijven beschermen tegen invoer, zowel uit andere Lid-Staten als uit derde landen, zij het in het eerste geval in mindere mate dan in het laatste. In 1967 werden de verordeningen nr. 19 en nr. 22 vervangen door respectievelijk verordening nr. 120/67/EEG van de Raad en verordening nr. 123/67/EEG van de Raad, waarbij een gemeenschappelijke ordening der communautaire markten in granen en slachtpluimvee tot stand werd gebracht, met opheffing van alle beschermende barrières tussen de Lid-Staten. Deze vier zaken behoren derhalve tot een overgangsperiode, welke reeds lang achter ons ligt. Dat wil niet zeggen dat de vragen waartoe zij aanleiding gaven volstrekt irrelevant zijn voor de uitlegging van de thans van kracht zijnde verordeningen.
Van deze vier zaken komen er twee (119 en 124-73) bij het Hof via verzoeken om prejudiciële beslissingen van het Hessisches Finanzgericht, de beide andere (125 en 126-73) via soortgelijke verzoeken van het Finanzgericht Hamburg. In alle zaken treedt een Duits importbedrijf van landbouwprodukten als verzoekster op. In de eerste twee zaken is verweerster de Einfuhr- und Vorratsstelle für Getreide und Futtermittel, in de derde treedt het Hauptzollamt Hamburg-Waltershof als verweerder op, in de vierde het Hauptzollamt Hamburg-Ericus. In alle zaken stelt de verzoekster dat haar bovenmatige heffingen zijn opgelegd op importen in de Bondsrepubliek tussen 1962 en 1967.
De importen in de eerste Zaak (119-73) kwamen uit derde landen (welke dat zijn, is het Hof niet medegedeeld) en be troffen twee verschillende produkten, namelijk durum tarwe en maïs. Met betrekking tot elk daarvan is een verschillende vraag opgeworpen. De (door het Hessisches Finanzgericht gestelde) vraag met betrekking tot durum tarwe houdt in of de Duitse compenserende omzetbelasting bij de berekening van de heffing in aanmerking had moeten worden genomen. U zult zich herinneren dat in de loop der jaren een aantal zaken over deze belasting voor het Hof zijn gekomen. Het wezenlijke, thans van belang zijnde, kenmerk daarvan was dat zij, hoewel geheven over importen, geen douanerecht of heffing met daaraan gelijke werking was. Zij maakte deel uit van het interne belastingstelsel der Bondsrepubliek en moest, waar het invoer betrof, overeenstemmen met de omzetbelasting welke op binnenslands voortgebrachte goederen werd geheven. De door het Hessisches Finanzgericht met betrekking tot maïs gestelde vraag komt er in het kort op neer of de „drempelprijs” daarvan op hetzelfde bedrag als voor gerst had moeten worden vastgesteld, dan wel of zij die voor de vaststelling verantwoordelijk waren ter zake over enige beleidsvrijheid beschikten (en zo ja, welke).
De importen in de tweede en derde zaak (124 en 125-73) betroffen gedenatureerd meel van maniok. In de zaak 124-73 werd de herkomst van deze importen niet aan het Hof medegedeeld, hoewel zij waarschijnlijk uit een derde land kwamen, aangezien de plant waaruit maniok wordt vervaardigd (cassave), niet binnen de Gemeenschap wordt verbouwd. In de zaak 125-75 was het land van herkomst Thailand. In beide zaken wordt het Hof gevraagd of de compenserende omzetbelasting bij de berekening van de heffingen in mindering had moeten worden gebracht. In één daarvan (124-73) wordt tevens gevraagd of de denatureringskosten van het meel van maniok (door de toevoeging van kleurstof) hadden moeten worden afgetrokken.
De eerste drie zaken betreffen derhalve in hoofdzaak de uitlegging van verordening nr. 19.
De importen in de vierde zaak (126-73) betroffen bevroren grill-haantjes uit de USA, zodat het daarbij in hoofdzaak om verordening nr. 22 gaat. Ook hier wordt gevraagd of de compenserende omzetbelasting op de heffing in mindering had moeten worden gebracht.
Mijne heren, hoewel de verschillende verordeningen, waarnaar ik verwees, alle in wezen hetzelfde doel hadden, beoogden zij niet dit voor elk produkt op precies dezelfde wijze te bereiken. Zulks was terug te voeren op het feit dat de betrokken marktverhoudingen, met name op het punt van vraag en aanbod in de Lid-Staten, niet voor alle produkten gelijk waren.
Ik moge allereerst verordening nr. 19 behandelen.
Voor zachte tarwe en gerst, alsmede voor maïs en rogge in die Lid-Staten waar een aanmerkelijke produktie van laatstgenoemde graansoorten bestond, werd bij de artikelen 2 tot 6 van verordening nr. 19 het ingewikkelde stelsel ingevoerd, waarover het Hof had te oordelen in de zaak 76-70 Ludwig Wünsche & Co. tegen Hauptzollamt Ludwigshafenl Rhein (Jurisprudentie 1971, blz. 393) en meer recentelijk in de zaak 11-73 Getreide-Import-Gesellschaft tegen Einfuhr- und Vorratsstelle für Getreide und Futtermittel (nog niet gepubliceerd). U zult zich herinneren dat onder dat stelsel elke Lid-Staat jaarlijks, binnen door de Raad bepaalde grenzen, voor elk van die granen „richtprijzen” vaststelde. Dat waren de prijzen waarvan die staat wilde dat zij golden in het stadium van de aankoop van de groothandel in een kerngebied, zijnde het gebied binnen diens territorium met het grootste tekort aan dat graan. Iedere Lid-Staat stelde vervolgens, eveneens jaarlijks, overeenkomstige „drempelprijzen” vast, zijnde de prijzen waarvoor het betrokken graan in die staat moest worden ingevoerd ten einde aldus de richtprijs in het kerngebied te bereiken. Ten slotte stelde de Commissie (i) met betrekking tot invoer uit andere Lid-Staten „franco-grensprijzen” vast, op basis van de op de meest in aanmerking komende markt van iedere uitvoerende staat geldende prijzen en (ii) met betrek king tot invoer uit derde landen „cif-prijzen”, op basis van wereldmarktprijzen. Iedere Lid-Staat was vervolgens gerechtigd een heffing op zijn invoer te leggen, gelijk aan het verschil tussen de toepasselijke franco-grens of cif-prijs enerzijds en de toepasselijke drempelprijzen anderzijds, behoudens een reductie bij invoer uit andere Lid-Staten, bedoeld om daaraan de voorkeur te geven boven die uit derde landen. Tot beter begrip van een aantal door mij te geven citaten, zij vermeld dat deze reductie is voorgeschreven in artikel 2, lid 1, van de verordening.
De vragen in de zaken 76-70 en 11-73 hadden betrekking op de methode welke een Lid-Staat diende te volgen bij de vaststelling der drempelprijzen voor de onder dat stelsel vallende graansoorten, waarbij het in de eerstgenoemde zaak om gerst ging en in de tweede om zachte tarwe.
In de zaak 76-70 ging het er om of de Bondsrepubliek bij de vaststelling van de drempelprijs voor gerst de compenserende omzetbelasting in aanmerking had moeten nemen. Dit betrof hoofdzakelijk de uitlegging van artikel 4 van verordening nr. 19, dat de grondslag aangaf voor de berekening der drempelprijzen voor de betrokken graansoorten. Voor zover hier van belang bepaalde het:
„Voor zachte tarwe en gerst, alsmede voor maïs en rogge in de Lid-Staten waar een aanmerkelijke produktie van laatstgenoemde graansoorten bestaat, wordt de drempelprijs jaarlijks door de Lid-Staten voor de zelfde standaardkwaliteit zodanig vastgesteld dat op de markt van het commercialisatiecentrum van het gebied met het grootste tekort de verkoopprijs van het ingevoerde produkt, met inachtneming van het in artikel 2, lid 1, bedoelde forfaitaire bedrag … op het zelfde niveau komt te liggen als de in artikel 5 bedoelde basisrichtprijs.”
Het is niet verwonderlijk dat het Hof oordeelde dat dit aldus diende te worden verstaan, dat de berekening van drempelprijzen aan de hand van richtprijzen met zich meebracht dat daarvan alle kosten moesten worden afgetrokken, waarin een importeur onvermijdelijk verviel tussen het punt waar hij van de buitenlandse leverancier kocht en dat waar de richtprijzen van toepassing waren, dat wil zeggen het punt van veronderstelde verkoop door de importeur in het stadium van de groothandel in het kerngebied. Deze kosten dienden imposten zoals de Duitse compenserende omzetbelasting mede te omvatten. Deze interpretatie deed recht aan de in artikel 4 tot uitdrukking gebrachte, bij lezing in zijn context blijkende, bedoeling, dat de drempelprijs diegene moet zijn waarvoor de importeur van de buitenlandse leverancier zou hebben moeten kopen ten einde te beletten dat hij, commercieel gezien, beneden de richtprijs in het kerngebied zou kunnen verkopen. Zulks werd bevestigd en in zekere mate verduidelijkt in de zaak 11-73 welke op andere kosten betrekking had.
Ik acht het van belang om in gedachte te houden dat, strikt genomen, onder het stelsel der artikelen 2 tot 6 van verordening nr. 19 de ter zake dienende kosten van de richtprijzen moesten worden afgetrokken bij de vaststelling van de drempelprijzen, en niet van de drempelprijzen bij de berekening der heffing. De berekening der heffing (ingevolge artikel 2) was een automatisch proces. Het Hof besliste echter in de zaak 76-70 dat indien een Lid-Staat bij de vaststelling van drempelprijzen had nagelaten een adequate aftrek toe te passen, het de nationale rechter vrij stond corrigerend in te grijpen door een overeenkomstige vermindering van de heffing te gelasten.
Dit onderscheid wordt van belang bij de beschouwing der bepalingen van verordening nr. 19, welke op andere dan de onder artikel 4 vallende graansoorten van toepassing waren.
Bij lezing van verordening nr. 19 in het licht van de considerans blijkt, dat de auteurs van verordening nr. 19 de onder artikel 4 vallende graansoorten binnen de Gemeenschap economisch het belangrijkste achtten, en dat zij met de vaststelling van richtprijzen daarvoor een tweeledig doel beoogden.
Het eerste was om voor die graansoorten voorzienbare, stabiele en aanvaardbare prijzen te verzekeren, ten einde de landbouwgemeenschap niet slechts datgene te verschaffen wat als een redelijke levensstandaard werd beschouwd, maar tevens de mogelijkheid met betrekking tot hun gewassen van te voren plannen op te stellen. Dit resultaat moest enerzijds door bescherming tegen invoer worden bereikt, en anderzijds door het interventiestelsel, dat U bekend is. Richtprijzen dienden als basis zowel voor de vaststelling van drempelprijzen als van interventieprijzen.
Het tweede doel was, door gedurende de overgangsperiode de richtprijzen voor de betrokken graansoorten in de verschillende Lid-Staten geleidelijk nader tot elkaar te brengen een situatie te bereiken, waarin er slechts één enkele richtprijs voor elk dier graansoorten zou bestaan en het aldus mogelijk zou zijn een enkele gemeenschappelijke markt voor elk daarvan tot stand te brengen.
De auteurs der verordening waren niet van mening dat dit gecompliceerde stelsel in zijn totaliteit voor de andere graansoorten nodig was.
Durum tarwe, om de eerste daarvan te nemen waarmee het Hof zich in deze zaken bezig houdt, was schaars in de Gemeenschap welker behoeften grotendeels moesten worden gedekt door invoer uit derde landen. Om klimatologische redenen kon het binnen de Gemeenschap alleen in Frankrijk en Italië worden verbouwd en de verbouw was duurder dan die van zachte tarwe. Derhalve waren daarvoor bijzondere bepalingen nodig en deze waren vervat in artikel 11 van verordening nr. 19. Ik zal Uw tijd niet in beslag nemen met een gedetailleerde analyse van dit artikel. Vermeld zij slechts, dat het voorschreef dat alleen door Frankrijk en Italië richtprijzen konden worden vastgesteld en dan slechts ter bepaling van interventieprijzen. Voor de invoer handhaafde artikel 11 in de leden 1 en 2 het grondpatroon van een aan het verschil tussen een drempelprijs en een franco-grens- of cif-prijs gelijke heffing, maar het legde geen verband tussen drempel- en richtprijzen. Wat betreft de vaststelling van drempelprijzen bepaalde het slechts in lid 4:
„De drempelprijs voor durum tarwe wordt voor een zelfde standaardkwaliteit door de Lid-Staten vastgesteld op een niveau dat ten minste 5 % hoger ligt dan dat voor zachte tarwe.”
Aldus kon een Lid-Staat zijn drempelprijs voor durum tarwe naar eigen inzicht op 105 % van zijn drempelprijs voor zachte tarwe, dan wel op een hoger pijl, vaststellen. Het is duidelijk dat een Lid-Staat daarbij rekening diende te houden met de uitwerking van de kosten die een importeur van durum tarwe onvermijdelijk moest maken — met inbegrip van zulke heffingen als de Duitse compenserende omzetbelasting — op de prijzen op de binnenlandse markt. Maar zulks is iets geheel anders dan te zeggen, gelijk verzoekster in de zaak 119-73 wilde dat het Hof zou beslissen, dat wanneer de drempelprijs eenmaal overeenkomstig lid 4 was vastgesteld, daarvan een bedrag moest worden afgetrokken overeenkomend met alle fiscale lasten van die aard. Zoals de Commissie en de Bondsregering opmerken zou zulks strijdig zijn met de uitdrukkelijke bewoording van lid 4, althans in een geval waarin de aftrek tot gevolg zou hebben gehad dat de uiteindelijke drempelprijs minder dan 105 % van die voor zachte tarwe zou bedragen.
Het namens verzoekster in die zaak naar voren gebrachte argument komt er naar mijn mening in het kort op neer dat daarmee bedoeld wordt dat het Hof met zijn arrest in de zaak 76-70 een algemeen beginsel vaststelde hetgeen niet beperkt was tot de vaststelling van drempelprijzen overeenkomstig artikel 4 van verordening nr. 19 en dat de bepalingen van artikel 11, lid 4 — tenzij deze aldus moesten worden verstaan dat daarin bedoeld beginsel eveneens is neergelegd — zowel met artikel 39 als met de artikelen 9 en 12 van het EEG-Verdrag in strijd waren.
Het op artikel 39 steunende argument ziet op het feit dat daarin onder de doel stellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid mede is begrepen" e) redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren". Mijne heren, ik twijfel er niet aan of die bepaling was verbindend voor de Lid-Staten en belette hun bij de bepaling van drempelprijzen overeenkomstig artikel 11, lid 4, deze onredelijk hoog vast te stellen. Dit is één der redenen om te zeggen, zoals ik heb gedaan dat het een Lid-Staat niet vrij stond om zijn drempelprijzen voor durum tarwe op meer dan 105 % van die voor zachte tarwe vast te stellen zonder de kosten, welke importeurs van durum tarwe moesten maken in aanmerking te nemen. Doch ik kan in de aan het Hof voorgelegde stukken noch in de opmerkingen ter terechtzitting iets vinden dat tot de conclusie leidt dat, tenzij men aan artikel 11 de bijzondere uitleg geeft welke verzoekster voorstaat, durum tarwe de gebruiker tegen een onredelijk hoge prijs zal worden aangeboden.
Het op artikel 9 en 12 van het Verdrag steunende argument (dat versterkt wordt door verwijzing naar de artikelen 18 en 20 van verordening nr. 19 zelf) gaat er van uit dat de krachtens artikel 11, lid 4, van verordening nr. 19 vastgestelde drempelprijzen van toepassing waren zowel bij invoer uit andere Lid-Staten als uit derde landen. Zoals ik het zie, betekent het argument dat, terwijl noch de in artikel 11 voorgeschreven heffing, noch de Duitse compenserende omzetbelasting, op zich zelf, een heffing was met gelijke werking als een douanerecht, cumulatie van beide op een dergelijke heffing neer zou komen. Mijne heren, naar het mij voorkomt, weerlegt dit argument zichzelf. Tweemaal niets is niets.
Naar mijn gedachte is de juiste zienswijze, dat de uitspraken van Uw Hof in de zaken 76-70 en 11-73 in wezen de uitlegging van artikel 4 van verordening nr. 19 betroffen. Zij hadden betrekking op de methode om voor graansoorten waarop dat artikel van toepassing was, drempelprijzen aan de hand van richtprijzen vast te stellen en mede als uitvloeisel daarvan, op de methode ter uitvoering van artikel 2, dat de berekening der heffing op die graansoorten regelt, ingeval een Lid- Staat had nagelaten volledig aan de in artikel 4 gestelde vereisten te voldoen. Naar mijn mening raken deze uitspraken niet werkelijk de uitlegging van andere artikelen der verordening nr. 19, zoals artikel 11, lid 4, dat verschillende methoden voorschreef ter vaststelling van drempelprijzen voor graansoorten, waarop artikel 4 niet van toepassing was.
De door het Hessisches Finanzgericht met betrekking tot durum tarwe aan het Hof voorgelegde vraag is als volgt geformuleerd:
„Dient artikel 11 van verordening nr. 19/62 van de Raad der Europese Economische Gemeenschap (PB 1962, blz. 933) aldus te worden verstaan dat bij de berekening van de heffing voor durum tarwe de bij invoer te betalen compenserende omzetbelasting in aanmerking moest worden genomen of kon deze buiten beschouwing blijven?”
Mijne heren, het komt mij voor dat indien het Hof die vraag slechts met „ja” of „neen” zou beantwoorden, daartegen twee bedenkingen rijzen; ten eerste dat het antwoord dubbelzinnig is, en ten tweede dat het eerder een toepassing dan een uitlegging van artikel 11 inhoudt. Ik ben dat ook van mening dat de vraag als volgt dient te worden beantwoord:
„Artikel 11 van verordening nr. 19/62 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap dient aldus te worden verstaan dat een Lid-Staat bij de uitoefening van de hem in lid 4 van dat artikel gegeven discretionaire bevoegdheid de geschatte kosten welke een importeur van durum tarwe moet maken — belastingen als de Duitse compenserende omzetbelasting daaronder begrepen — als medebepalende factoren dient te beschouwen, doch dat na vaststelling van de drempelprijs overeenkomstig dat lid, geen aftrek van zodanige belasting mocht plaatsvinden voor de berekening van de heffing ingevolge de leden 1 en 2 van dat artikel.”
Ik ga nu over tot de tweede in de zaak 119-73 opgeworpen vraag, die betrekking heeft op maïs. U zult zich herinneren dat artikel 4 van verordening nr. 19 slechts op deze graansoort van toepassing was in de Lid-Staten, waar een aanmerkelijke produktie daarvan bestond. Men erkent algemeen dat de Bondsrepubliek daar niet toe behoorde. Gezien dit feit, was het ter zake dienende artikel van verordening nr. 19 artikel 8, lid 1. Dit was van toepassing op alle niet onder artikel 4 vallende graansoorten en op durum tarwe. Met betrekking tot zodanige graansoorten schreef het voor:
„… de drempelprijs wordt voor ieder produkt zodanig vastgesteld dat met inachtneming van het in artikel 2, lid 1, bedoelde forfaitaire bedrag het niveau van de richtprijzen die voor de in artikel 4 bedoelde binnenlandse granen zijn vastgesteld, kan worden bereikt, namelijk:
—
voor de graansoorten die als broodgraan worden beschouwd, het niveau van de richtprijzen van broodgraan;
—
voor de andere graansoorten, het niveau van de andere richtprijzen.
Deze prijs wordt jaarlijks door de Lid-Staten vastgesteld voor één zelfde standaardkwaliteit …”
Algemeen wordt erkend, dat maïs in de Bondsrepubliek niet als „broodgraan” werd beschouwd, zodat de tweede subalinea van artikel 8, lid 1, daarop van toepassing was en dat de verwijzing daarin naar „het niveau van de andere richtprijzen” in feite een verwijzing was naar het niveau van de richtprijs voor gerst.
Het is niet moeilijk in te zien dat artikel 8, lid 1, ten doel had om bovenmatige concurrentie van ingevoerde produkten met inheemse produkten te voorkomen, in casu bovenmatige concurrentie van ingevoerde maïs met gerst op de veevoedermarkt.
Het blijkt dat de Bondsrepubliek de drempelprijzen voor maïs voor het jaar 1962/63 een weinig hoger had vastgesteld dan die voor gerst, doch dat het voor alle volgende jaren gedurende welke verordening nr. 19 gold, voor maïs dezelfde drempelprijzen als voor gerst vaststelde. Verzoeksters grief in de zaak 119-73 ziet op de door de Bondsrepubliek voor 1962/63 voor maïs vastgestelde drempelprijzen.
In de opmerkingen der Commissie is een aanwijzing te vinden voor de reden van de koersverandering der Bondsrepubliek vanaf 1963/64: het schijnt dat er vanaf dat jaar door besluiten der vertegenwoordigers van de Lid-Staten bij de Raad een stap was gedaan tot harmonisatie der door de Lid-Staten gevolgde methoden tot vaststelling van drempelprijzen voor voedergranen aan de hand van die voor gerst.
Wat daarvan zij, de mate van beleidsvrijheid die de staten bij artikel 8, lid 1, is gegeven, vormt het punt van geschil tussen partijen in de zaak 119-73, daar geen van beiden stelt dat het artikel een Lid-Staat slechts verplichtte de drempelprijzen voor maïs op hetzelfde bedrag vast te stellen als die voor gerst.
Verzoekster stelt dat het artikel een Lid-Staat voorschrijft de drempelprijs voor maïs te berekenen door de richtprijs voor gerst te verminderen met kosten die een maïsimporteur zou moeten maken, met andere woorden ten aanzien van maïs een berekening uit te voeren analoog aan de in artikel 4 met betrekking tot de daaronder vallende graansoorten voorgeschrevene, doch daarbij uitgaande van de richtprijs voor gerst. Dit zou voor maïs slechts dan een drempelprijs opleveren welke van die voor gerst afwijkt indien de geschatte kosten van een maïsimporteur verschilden van die van een gerstimporteur.
De regering der Bondsrepubliek stelt dat de aan de Lid-Staten gegeven beleidsvrijheid ruimer was en hen in staat stelde rekening te houden met factoren als de relatieve voedingswaarde van de betrokken graansoorten en hun eventuele bestemming voor bijzondere industriële doeleinden. De stelling van de Commissie gaat zelfs nog verder en komt erop neer dat het een Lid-Staat vrij stond de drempelprijs voor maïs op een zodanig niveau vast te stellen als deze noodzakelijk achtte om te verzekeren dat de invoer van maïs niet zou verhinderen dat gerst haar richtprijs zou bereiken.
De vraag betreft uiteraard de uitlegging van artikel 8, lid 1. Houdt dit in, zoals verzoekster wil, dat een Lid-Staat in de positie van de Bondsrepubliek zijn drempelprijs voor maïs op een zodanig bedrag moest vaststellen dat daardoor verzekerd was dat maïs dezelfde prijs op de groothandelsmarkt in die staat komt als de richtprijs voor gerst? Of houdt dit in, gelijk de Bondsrepubliek en de Commissie implicite stellen, dat een dergelijke staat zijn drempelprijs voor maïs op een zodanig bedrag moest vaststellen dat daardoor verzekerd was dat gerst haar richtprijs bereikte?
Na enige aarzeling ben ik tot de conclusie gekomen dat de laatste uitlegging de juiste is. Niet alleen is deze meer in overeenstemming met de bewoordingen van artikel 8, lid 1, doch zij ligt ook meer in de rede bij toepassing dier bepaling op een graansoort welke met twee inlandse concurreert. Verondersteld, bij voorbeeld, dat Frankrijk een land was met een aanmerkelijke produktie van maïs zodat de artikelen 4 en 5 aldaar zowel op gerst als op maïs van toepassing waren. Nemen wij voorts aan dat Frankrijk, zoals het op grond van artikel 5 mocht doen, voor gerst en maïs verschillende richtprijzen vaststelde. Was moest Frankrijk dan doen bij verzoeksters uitlegging van artikel 8, lid 1, als het die bepaling bij voorbeeld op haver had toe te passen? Moest het een berekening maken uitgaande van de richtprijs voor gerst of van die voor maïs? Bij de uitlegging der Commissie doet deze moeilijkheid zich niet voor: Frankrijk diende een drempelprijs voor haver vast te stellen, welke hoog genoeg was om te verzekeren dat concurrentie van haver geen beletsel vormde voor gerst en maïs om hun richtprijzen te bereiken.
De door het Hessisches Finanzgericht inzake maïs gestelde vraag luidt als volgt:
„Dient artikel 8, lid 1, van verordening nr. 19/62 EEG aldus te worden verstaan dat de drempelprijs voor maïs in de Lid-Staten, waar geen aanmerkelijke produktie van maïs bestond, zodanig moest worden vastgesteld dat hij overeenkwam met de drempelprijs voor gerst, of bestond er ten aanzien van de afzonderlijke betrokken graansoorten een zekere berekeningsmarge naar gelang van de waarde als veevoeder en dergelijke?”
Om de reeds uiteengezette redenen ben ik van mening dat deze vraag als volgt dient te worden beantwoord:
„Artikel 8, lid 1, van verordening nr. 19/62 EEG dient aldus te worden verstaan dat de drempelprijs voor maïs in een Lid-Staat, waar geen aanmerkelijke produktie van maïs bestond, zodanig moest worden vastgesteld dat (rekening houdend met de in artikel 2, lid 1, voorgeschreven aftrek) gerst haar richtprijs in de staat moest kunnen bereiken.”
Zoals ik reeds heb vermeld is het in de zaken 124 en 125-73 betrokken produkt gedenatureerd meel van maniok. Dit maakte deel uit van een groep verwerkte produkten, geïdentificeerd door artikel 1 sub d juncto de bijlage bij verordening nr. 19, welke behandeld werden in artikel 14 dier verordening alsmede in een latere uitvoeringsverordening, namelijk verordening nr. 55 van de Raad van 30 juni 1962. Op grond van die bepalingen dienden deze produkten geen richt- of drempelprijzen te hebben. De heffingen bij invoer daarvan door een Lid-Staat, hetzij uit andere Lid-Staten dan wel uit derde landen, moesten uit een variabel en een vast element bestaan. De bedoeling was dat het variabele element — in het geval van verwerkte produkten, vervaardigd uit grondstoffen waarop verordening nr. 19 van toepassing was — overeen zou komen met de heffingen op die grondstoffen (vide artikel 14, lid 1, sub A, a,) en — in het geval van andere produkten, waaronder meel van maniok — dat het overeenkwam met de heffingen op concurrerende produkten (vide artikel 14, lid 1, sub A, b). Het doel van het vaste element was om de verwerkende industrie in elke Lid-Staat te beschermen (vide artikel 14, lid 1, sub B).
Onder de in artikel 14 en in verordening nr. 55 behandelde produkten bevonden zich ook die, welke onder post 11.06 van het gemeenschappelijk douanetarief vielen, waartoe meel van maniok behoorde.
De bedragen van de daarvoor geldende variabele en vaste elementen waren voorgeschreven in artikel 7 van verordening nr. 55. Voor zover hier van belang bepaalde dit artikel, onder verwijzing naar artikel 9 dier verordening, dat het variabele element voor 100 kilogram van elk der betrokken produkten gelijk diende te zijn aan de heffing op 161 kilogram maïs, zulks onder het in artikel 7, lid 2, vervatte voorbehoud, dat indien het produkt was gedenatureerd, het op 100 kilogram daarvan toepasselijke variabele element gelijk diende te zijn aan de heffing op 40 kilogram gerst. Ingevolge artikel 7, lid 3, diende het vaste element 1,70 rekeneenheden te bedragen indien het produkt niet gedenatureerd was en nihil indien zulks wel het geval was.
Namens verzoeksters in de zaken 124 en 125-73 is gesteld dat bij aan een belasting als de Duitse compenserende omzetbelasting onderworpen invoer, de overeenkomstig artikel 7 berekende heffing met het betrokken belastingbedrag moest worden verminderd. De ter ondersteuning van deze stelling naar voren gebrachte argumenten zijn in wezen dezelfde als die, welke namens verzoekster in de zaak 119-73 met betrekking tot invoer van durum tarwe naar voren zijn gebracht. Mijne heren, naar mijn mening is er in het geval van gedenatureerd meel van maniok nog minder grond die te aanvaarden — de betrokken bepalingen lieten geen enkele berekeningsmarge aan de Lid-Staten — dan in het geval van durum tarwe.
Het Bundesfinanzhof kwam tot een andere conclusie in twee zaken met betrekking tot invoer van gedenatureerd meel van maniok (VII R 91/69 en VII R 118/69) waarin het verleden jaar uitspraak deed, maar uit de arresten in die zaken blijkt dat het Bundesfinanzhof daartoe slechts kwam omdat het zich gebonden achtte door de uitspraak van Uw Hof in de zaak 76-70. Ik hoop niet van onhoffelijkheid jegens het Bundesfinanzhof te worden beticht indien ik de redenen niet herhaal welke mij tot mijn opvatting hebben geleid dat de uitspraak van Uw Hof in de zaak 76-70 slechts ziet op het geval dat artikel 4 van verordening nr. 19 van toepassing is.
Ik zeide reeds dat het Hof in de zaak 124-73 eveneens door het Hessisches Finanzgericht wordt gevraagd of de denatureringskosten van meel van maniok — om precies te zijn de toevoegingskosten van kleurstof — van de heffing hadden moeten worden afgetrokken. Verzoekster in die zaak stelt dat zulks had dienen te gebeuren. Haar argumentatie ter ondersteuning dier bewering is kort. In wezen houdt zij in dat voor deze kosten dezelfde redenering moet worden gevolgd als voor de compenserende omzetbelasting.
Mijne heren, het komt mij voor dat ik over deze vraag slechts behoef te zeggen dat, zo ik al gemeend had dat verzoeksters zienswijze ten aanzien van de compenserende omzetbelasting kan worden gedeeld, zulks niet het geval was met betrekking tot de denatureringskosten. Deze maakten deel uit van de produktiekosten van de goederen waarvoor de heffing gold, en konden naar mijn mening onmogelijk in de berekening der heffing worden opgenomen. Ik constateer dat mijn conclusie op dit punt overeenstemt met die van het Bundesfinanzhof in de twee door mij genoemde gevallen, waar het Bundesfinanzhof inderdaad een eigen vroegere uitspraak op hetzelfde punt volgde.
Mijne heren, die door het Hessisches Finanzgericht in de zaak 124-73 aan dit Hof voorgelegde vragen luiden als volgt:
„1.
Dient artikel 14, lid 1, sub A, b, van verordening nr. 19 van de Raad der Europese Economische Gemeenschap van 4 april 1962 houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB blz. 933), juncto artikel 7, lid 2, van verordening nr. 55 van de Raad der Europese Economische Gemeenschap van 30 juni 1962, betreffende de regeling voor de op basis van granen verwerkte produkten (PB blz. 1583), aldus te worden verstaan dat van de heffing op gedenatureerd meel van maniok van post 11.06 van het gemeenschappelijk douanetarief de compenserende omzetbelasting, geheven bij de invoer van gedenatureerd meel van maniok, en de kosten van behandeling met eosine moeten worden afgetrokken?
Zo ja:
2.
Volgens welke bepalingen, in welke vorm en tot welk bedrag moet dan de compenserende omzetbelasting, die in aanmerking wordt genomen bij de vaststelling van de drempelprijs voor gerst, in mindering worden gebracht, nadat de heffing voor gedenatureerd meel van maniok overeenkomstig artikel 7, lid 2, van verordning nr. 55 op basis van de drempelprijs voor gerst is berekend?”
Mijne heren, bij de door mij gehuldigde opvatting doet de tweede vraag zich niet voor, doch ik meende die voor te moeten lezen daar zij een van de moeilijkheden in het licht stelt waartoe aanvaarding van verzoeksters argument met betrekking tot de eerste vraag zou leiden.
Om de redenen die ik heb uiteengezet, ben ik van mening dat de eerste vraag als volgt dient te worden beantwoord:
„Noch artikel 14 van verordening nr. 19 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap van 4 april 1962, noch artikel 7 van verordening nr. 55 van dezelfde Raad van 30 juni 1962 dient aldus te worden verstaan dat een aftrek moet worden toegepast op de heffing op gedenatureerd meel van maniok, hetzij uit hoofde van enigerlei heffing als de Duitse compenserende omzetbelasting, hetzij uit hoofde van de kosten van behandeling met eosine van dergelijk meel.”
De in de zaak 125-73 door het Finanzgericht Hamburg aan het Hof voorgelegde vraag luidt aldus:
„Zijn de voor berekening van de heffingsbedragen voor verwerkte produkten (artikel 1, sub d, juncto de bijlage bij verordening nr. 19/62) beslissende artikelen 14 dier verordening en 7 van verordening nr. 55/62, gezien het arrest van het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen van 12 mei 1971 in de zaak 76-70, volgens hetwelk bij de berekening der drempelprijzen voor granen in het kader van artikel 4 van verordening nr. 19/62 een vast bedrag, overeenkomende met de invloed der bij invoer toegepaste binnenlandse fiscale lasten — zoals de compenserende omzetbelasting — van de basisrichtprijs moet worden afgetrokken, in die zin te verstaan, dat het in elk afzonderlijk geval bij invoer aan compenserende belasting geheven bedrag op de heffing in mindering moet worden gebracht?”
Ik ben van mening dat die vraag als volgt dient te worden beantwoord:
„Noch artikel 14 van verordening nr. 19/62, noch artikel 7 van verordening nr. 55/62 dient aldus te worden verstaan dat op de heffing op gedenatureerd meel van maniok een aftrek moet worden toegepast uit hoofde van enigerlei fiscale last zoals de Duitse compenserende omzetbelasting.”
Ik kom thans tot de laatste zaak, namelijk 126-73, waar het in wezen om de vraag gaat of bij juiste uitlegging van verordening nr. 22 van de Raad, de heffing bij invoer van geslacht pluimvee in de Bondsrepubliek had moeten worden verminderd met een bedrag overeenkomend met dat van de compenserende omzetbelasting.
Verordening nr. 22 voorzag niet in de vaststelling van richtprijzen of drempelprijzen voor geslacht pluimvee.
Artikel 3, lid 1, bepaalde, dat de heffing bij invoer vanuit een Lid-Staat in een andere uit twee elementen diende te bestaan. Het eerste was bedoeld om de invloed op de voederkosten weer te geven van het verschil tussen de prijzen van voedergranen in de invoerende en in de uitvoerende staat. De juiste methode om het bedrag van dit element vast te stellen was voorgeschreven in artikel 3, lid 4. Zoals viel te verwachten bracht dit generlei zodanige berekening met zich mee als waarop de zaak 76-70 betrekking had. Het tweede element diende gelijk te zijn aan het gemiddelde van de in 1961 door de invoerende staat op importen uit de andere Lid-Staten geheven douanerechten.
Voor het geval dat een Lid-Staat ten tijde van de inwerkingtreding der verordening nr. 22 zijn eigen produktie van slachtpluimvee beschermde door kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking, stond artikel 3, lid 2, een alternatieve berekeningsmethode voor de heffing toe. Daarbij werd een vergelijking gemaakt tussen de gemiddelde prijzen voor geslacht pluimvee in de invoerende' en uitvoerende staat in de jaren 1960 en 1961. Kort gezegd (en naar ik hoop zonder de nauwkeurigheid teveel geweld aan te doen) diende het bedrag van de heffing gelijk te zijn aan het bedrag van het uit die vergelijking gebleken verschil, „gewijzigd, ten einde rekening te houden met de transportkosten en binnenlandse belastingen die op de betrokken produkten drukken”. Hier was dus een bepaling welke een berekening voorschreef die niet identiek maar wel gelijksoortig was aan die in de zaak 76-70.
Volledigheidshalve zou ik nog willen opmerken dat ingevolge artikel 9 van verordening nr. 22, de intracommunautaire heffingen geleidelijk door de jaren heen moesten worden verlaagd.
De berekeningsmethode voor de heffingen op invoer van geslacht pluimvee uit derde landen was vervat in artikel 4 van verordening nr. 22. Voor iedere Lid-Staat moest de heffing uit drie elementen bestaan. Het eerste diende de invloed op de voederkosten weer te geven van het verschil tussen de prijzen voor voedergranen in de invoerende staat en die op de wereldmarkten. Ook hier was een nauwkeurige methode ter berekening van dit element voorgeschreven en ook hier bracht deze generlei berekening als in de zaak 76-70 mee. Het tweede element moest hetzelfde zijn als het tweede element ex artikel 3, lid 1, behalve in het geval van een Lid-Staat, waarop artikel 3, lid 2, van toepassing was. Dan moest het tweede element berekend worden overeenkomstig het in artikel 3, lid 2, bepaalde. Het komt mij voor dat ik U niet behoef op te houden met een gedetailleerde analyse van de wijze waarop de berekening diende te worden uitgevoerd. Waar het op aan komt is dat de bescherming overeenkomstig artikel 3, lid 2, waarbij rekening werd gehouden met transportkosten en binnenlandse belastingen, voor de doeleinden van artikel 4 der verordening nr. 22 van toepassing werd verklaard. Het derde element diende in het algemeen een percentage te zijn van de betrokken sluisprijs, vastgesteld overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 22 waar ik nog op zal komen.
Op grond van artikel 5 van verordening nr. 22 kon de Commissie een Lid-Staat op zijn verzoek machtigen, onder zekere voorwaarden lagere heffingen op te leggen dan de uit de artikelen 3 en 4 voortvloeiende. Hierop baseert zich verzoekster in de zaak 126-73.
Mijne heren, het is mij niet mogelijk de ter zake dienende bepalingen van artikel 6 samen te vatten. Zij luidden als volgt:
„1.
Ten einde verstoringen die het gevolg zijn van aanbiedingen uit derde landen tegen abnormale prijzen te voorkomen, stelt de Raad op voorstel van de Commissie … een voor de Gemeenschap uniforme sluisprijs voor geslacht pluimvee vast, verschillend naar de soort, rekening houdende met de prijzen op de wereldmarkt van de voedergranen en met een omzettingscoëfficiënt die representatief is voor de uitvoerende derde landen.”
…
„3.
Wanneer de aanbodsprijzen franco grens bij invoer beneden de sluisprijs dalen, wordt het bedrag van de overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, eventueel overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, verlaagde heffingen in elke Lid-Staat verhoogd met een bedrag, gelijk aan het verschil tussen de aanbodsprijs franco grens en de sluisprijs.”
Dat is de oorsprong der aanvullende heffingen waarvan sprake is in de door het Finanzgericht Hamburg aan het Hof voorgelegde vragen.
Die vragen luiden als volgt:
„1.
Moeten de artikelen 4 en 6 van verordening nr. 22/62 van de Raad in die zin worden verstaan, dat de normale heffingen en het extra bedrag, toegepast bij invoer van geslacht pluimvee of slachtpluimvee uit derde landen, dienen te worden verlaagd met een vast bedrag, dat overeenkomt met de invloed der bij invoer geheven compenserende omzetbelasting?
2.
Zo ja, zijn dan de verordeningen van de Commissie nrs. 91/65 van 29 juni 1965 en 124/65 van 22 september 1965 ongeldig voor zover daarin een normale heffing en een extra bedrag voor pluimvee van tariefnummer 02.02 zijn vastgesteld?”
Met betrekking tot de tweede vraag zij vermeld, dat het de post 02.02 was, die geslacht pluimvee omvatte. De verordeningen nrs. 91/65 en 124/65 van de Commissie waren uitvoeringsverordeningen, vastgesteld ter uitvoering van, onder meer, de artikelen 4 en 6 van verordening nr. 22. Ik ga hier niet nader op in, daar, indien de eerste door het Finanzgericht Hamburg gestelde vraag, gelijk ik meen, ontkennend moet worden beantwoord, de tweede vraag zonder voorwerp raakt.
De namens verzoekster in de zaak 126-73 voorgedragen argumentatie is — hoewel zeer uitvoerig en met kennis van zaken uiteengezet — zoals ik het zie, in de grond dezelfde als die namens verzoeksters in de zaken 119, 124 en 125 met betrekking tot durum tarwe en gedenatureerd meel van maniok naar voren is gebracht. Het gaat evenwel verder. Niet slechts wordt gesteld dat de uitspraak van het Hof in de zaak 76-70 een algemeen beginsel vestigde dat niet beperkt bleef tot de gevallen waarin artikel 4 van verordening nr. 19 van toepassing was. Gesteld wordt dat verordening nr. 19 de voorloper is van de reeks verordeningen waaraan ik in het begin refereerde en dat zij moet worden geacht aan alle verordeningen van die reeks, met inbegrip van verordening nr. 22, implicite dat beginsel te hebben opgelegd. Ware zulks anders, zo luidt het argument, dan zouden al deze verordeningen in strijd zijn met de artikelen 39 en 12 van het EEG-Verdrag. Verzoekster concludeert dat de Bondsrepubliek de Commissie een machtiging ex artikel 5 van verordening nr. 22 had moeten verzoeken om haar heffingen met een bedrag gelijk aan haar compenserende omzetbelasting te verminderen.
Mijne heren, naar het mij voorkomt werd dit argument door de Raadsman der Commissie terecht als getuigend van verbeeldingskracht doch onhoudbaar beschreven. Ik twijfel er niet aan dat het moet worden verworpen. Het gaat naar mijn mening van een onjuiste premisse uit (ten aanzien van de draagwijdte van de uitspraak van dit Hof in de zaak 76-70), en leidt via een aaneenschakeling van sofismen (bij voorbeeld wat betreft de werking van artikel 39), tot een conclusie, welke onverenigbaar is met de duidelijke bedoeling van verordening nr. 22, een verordening welke nauwkeurig bepaalde hoe de heffingen op slachtpluimvee moesten worden vastgesteld en een berekening beoogde waarbij slechts in geval artikel 3, lid 2, hetzij rechtstreeks, hetzij door verwijzing, van toepassing was, met binnenlandse fiscale lasten rekening werd gehouden.
Derhalve ben ik van mening dat de eerste voor het Finanzgericht Hamburg in de zaak 126-73 gestelde vraag als volgt beantwoord dient te worden:
„Noch artikel 4, noch artikel 6 van verordening nr. 22/62 van de Raad dienen aldus te worden verstaan dat een aftrek uit hoofde van enigerlei belasting als de Duitse compenserende omzetbelasting moet worden toegepast op heffingen op geslacht pluimvee of slachtpluimvee.”
Zoals ik reeds heb opgemerkt, raakt, aldus gezien, de tweede door het Finanzgericht Hamburg gestelde vraag zonder voorwerp.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy