CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN8 november 1973 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De vraag die het Finanzgericht Baden-Württemberg in dit geding heeft gesteld betreft de afbakening van de grens tussen de onderverdelingen 41.03-B-I en 41.03-B-II van het gemeenschappelijk douanetarief inzake „voorgelooide of enkel gelooide” onderscheidenlijk „overige” huiden en vellen van schapen.
Anders dan de Duitse douane beschouwt verzoekster in het hoofdgeding de vellen die zij in het jaar 1971 uit Spanje in de Bondesrepubliek heeft ingevoerd als „voorgelooid of enkel gelooid” in de zin van onderverdeling 41.03-B-I, waarvoor het tarief aanmerkelijk lager is dan voor vellen bedoeld in onderverdeling 41.03-B-II.
De hierbedoelde vraag is gerezen in verband met het feit dat er tijdens het looien vet aan de vellen is toegevoegd. Het douanekantoor wees erop dat het Comité voor de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief op zijn in september 1972 gehouden zevenenzestigste zitting een advies heeft uitgebracht volgens hetwelk met toevoeging van vet gelooide huiden en vellen niet als „voorgelooid of enkel gelooid” zijn te beschouwen, om het even wanneer de toevoeging heeft plaatsgevonden.
De betrokken Duitse importeur beroept zich daarentegen op de verklarende aantekeningen van de nomenclatuur van Brussel inzake runderleder als bedoeld in onderverdeling 41.02 dat blijkens de aantekeningen betreffende onderverdeling 41.03 dezelfde bewerkingen als de hierbedoelde vellen heeft ondergaan. Het gaat in deze aanvullingen om vet dat na het looien wordt toegevoegd in het kader van de behandeling die het leder of de vellen voor gebruik geschikt moet maken. Hij leidt daaruit af dat er door die toevoeging alleen een ander („overig”) produkt ontstaat wanneer zij tijdens de nabehandeling en niet tijdens het looien plaatsvindt.
De Duitse douane meent dat in de praktijk moeilijk zou zijn na te gaan of de heterogene stoffen tijdens of na het looien toegevoegd zijn. De importeur meent daarentegen dat dit heel gemakkelijk kan worden vastgesteld, althans wanneer de vellen met behulp van chroom gelooid zijn, zoals in casu het geval is. De Commissie tracht de moeilijkheid te omzeilen door op te merken dat het tijdstip waarop het vet is toegevoegd ten deze niet bepalend is. Maatstaf voor de indeling van het produkt onder de onderverdeling 41.03-B-I is dat de toevoeging van vet een wezenlijk bestanddeel van het looiprocédé uitmaakt.
Gezien deze juxtapositie van „voorgelooide of enkel gelooide” en „overige” huiden en vellen en voormelde toelichting in de aantekeningen van de nomenclatuur van Brussel ten aanzien van een vergelijkbaar produkt — waaruit blijkt dat tot „overige” vellen in de zin van onderverdeling 41.03-B-II behoren alle vellen die niet slechts gelooid zijn doch verdergaande bewerkingen hebben ondergaan om ze voor dadelijk gebruik geschikt te maken — moet het criterium om een produkt in een van beide voormelde categorieën onder te brengen in de term „looien” worden gezocht. De Commissie wenst dit begrip functioneel te omschrijven, stellende dat het looien geschiedt om de huiden en vellen door bewerking tot leder — dat wil zeggen tegen rotting bestendig materiaal — met behoud van natuurlijke eigenschappen te conserveren.
Deze mijns inziens alleszins aanvaardbare definitie kan — behalve met behulp van de verklarende aantekeningen van de nomenclatuur van Brussel — worden aangevuld aan de hand van de tekst van onderverdeling 41.03-A: „huiden en vellen van Indische bastaards, enkel met plantaardige stoffen voorgelooid of gelooid, ook indien verder bewerkt, maar niet als zodanig bruikbaar voor het vervaardigen van werken van leder”.
Hieruit volgt dat per analogiam ook de „overige” huiden en vellen van letter B alleen als „voorgelooid of enkel gelooid” kunnen worden beschouwd wanneer ze als zodanig niet voor het vervaardigen van werken van leder bruikbaar zijn, doch een verdere bewerking behoeven.
Op grond van deze, deels aan de tekst ontleende, gegevens en gezien 's Hofs jurisprudentie, volgens welke in het belang der rechtszekerheid en met het oog op een behoorlijk bestuur het criterium voor de indeling van waren onder het douanetarief in de regel in de kenmerken en objectieve eigenschappen der produkten moet worden gezocht (arrest 36-71 van 23 maart 1972, Henck, Jurispr. 1972, blz. 187), ben ik van mening dat de nationale gezagsorganen bij hun beslissing of een produkt waaraan tijdens het looien vet is toegevoegd, onder de eerste of onder de tweede categorie van onderverdeling 41.03-B moet worden gebracht, zich hebben af te vragen of zodanige toevoeging van wezenlijk belang is, niet om de huiden en vellen terstond voor de vervaardiging van lederwaren geschikt te maken, doch alleen met het oog op het behoud der natuurlijke eigenschappen. Zo ja, dan is die toevoeging een bewerking die, gezien de aard van het looiproces, daarvan een integrerend deel uitmaakt.
Mochten de waterafstotende eigenschappen van chroomzout dus, zoals de Commissie heeft gesteld, de vezels van chroomgelooid leder dreigen te vernietigen of ernstig te beschadigen wanneer zonder voorafgaande toevoeging van vethoudende stoffen tot droging wordt overgegaan, dan blijkt het vetten deel van het looien uit te maken, zodat de toevoeging van vet aan indeling onder nr. 41.03-B-I niet in de weg staat. Dit is echter een feitelijke vraag die de nationale rechter met behulp van de hem. door het Hof aan de hand gedane criteria zal moeten beantwoorden.
Ik geef mij er terdege rekenschap van dat de nationale rechter met deze criteria in de praktijk geen volledige klaarheid wordt geschonken. Het is misschien niet eenvoudig in concreto uit te maken of de toevoeging van vet tot het looien dan wel tot een later procédé behoort. Het Hof heeft te dien aanzien echter niet te beslissen. In geval van twijfel doet de nationale rechter er wellicht goed aan ook te werken met het criterium van de toelichtingen der Commissie op het gemeenschappelijk douanetarief, waarin wij onder 41.03-B-I het volgende lezen: „Voorgelooide en enkel gelooide huiden en vellen zijn vooral kenbaar aan hun vleeskant, waarop in meerdere of mindere mate en vooral langs de randen onderhuidse vezeltjes te zien zijn. Daardoor vertoont deze zijde een vezelig en oneffen oppervlak.”
Ik stel voor de vraag van de Duitse rechter in de zin van vorenstaande overwegingen te beantwoorden.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy