CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 14 NOVEMBER 1973 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Mevrouw Vandeweghe, appellante in het geding bij het Landessozialgericht Baden-Württemberg, verlangt van de Duitse verzekeringsinstelling betaling van het „Sterbegeld” en de „Witwenabfindung” die in de Duitse wettelijke regeling inzake de sociale zekerheid bij hertrouwen van de weduwe is voorzien. De in België woonachtige appellante is weduwe van een Belgisch onderdaan die in 1945 in Duitsland om het leven is gekomen onder omstandigheden die met een arbeidsongeval op één lijn zijn gesteld. Voordat zij in 1946 wederom in het huwelijk trad, was zij op grond van de Duitse wet in het genot gesteld van weduwenpensioen.
Volgens het op 7 december 1957 tussen de Bondsrepubliek en België aangegane derde aanvullende akkoord bij het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid dat diezelfde dag tussen diezelfde Staten werd gesloten, kan alsnog worden verzocht om vaststelling van bepaalde sociale uitkeringen, onder meer ter vergoeding van nadeel voortvloeiende uit arbeidsongevallen die niet vóór 1 oktober 1944 hebben plaatsgehad.
Toen aan de rechter in eerste aanleg bleek dat in bedoeld akkoord alleen van de uitbetaling van pensioenen en renten — of gedeelten daarvan — sprake is, wees hij verzoeksters aanvraag af op grond dat de door haar gewenste uitkeringen daaronder niet vielen.
In beroep is tussen partijen alleen omstreden of het Sterbegeld en de Witwenabfindung, bedoeld in de artikelen 589 en 615 van de Reichsversicherungsordnung (RVO), onder de artikelen 1 en 2 van het derde aanvullend akkoord vallen.
Het Landessozialgericht Baden-Württemberg heeft het Hof krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag de navolgende prejudiciële vraag gesteld:
„Vallen onder artikel 2 van het derde aanvullend akkoord bij het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk België van 7 december 1957, betreffende de uitbetaling van de pensioenen en renten over het tijdvak vóór de inwerkingtreding van het Algemeen Verdrag, welk artikel de betaling van renten en pensioenen of van gedeelten hiervan („Renten oder Rententeile”) regelt, ook aanspraken op een uitkering bij overlijden of een „Witwenabfindung”?”
Het Hof is kennelijk niet bevoegd deze vraag te beantwoorden, omdat zij uitsluitend strekt tot uitlegging van een buiten het kader der Gemeenschap gesloten bilateraal verdrag.
In de redengeving van zijn beschikking verwijst de nationale rechter evenwel naar de termen „uitkering” en „rente of pensioen”, gebezigd in verordening (EEG) nr. 3 inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers en in de daarvoor in de plaats gekomen verordening (EEG) nr. 1408/71, waaromtrent zijns inziens opheldering moet worden verschaft.
Wij dienen derhalve na te gaan of er voor het Hof, al wordt dat niet met zoveel woorden gevraagd, termen aanwezig zijn in te gaan op de vraag naar de inhoud van de begrippen „uitkering”, „rente” en „pensioen” in genoemde verordeningen van de Gemeenschap, opdat blijke of daaronder ook aanspraken vallen als die welke voor de Duitse rechter in geding zijn. Omdat dit duidelijk een andere vraag is dan door de nationale rechter werd gesteld, zal men mijns inziens eerst mogen, neen moeten, nagaan of die vraag niet prima facie als irrelevant voor het hoofdgeding is te beschouwen. Het Hof heeft zich van zulk een ordeelvelling steeds onthouden; wanneer echter niet slechts een prejudiciële vraag enigszins anders wordt geformuleerd, doch een vraag die 's Hofs bevoegdheid te buiten gaat kort en goed door een vraag van geheel andere strekking wordt vervangen, valt daaraan niet te ontkomen, en wel niet alleen om redenen van voorzichtigheid en proceseconomie doch vooral omdat de onzerzijds opgeworpen vraag logischerwijze nauw verband moet houden met die welke de nationale rechter voor zijn beslissing van belang heeft geacht, zodat de ene vraag noodzakelijkerwijze moet worden beantwoord, wil ook de tweede tot oplossing worden gebracht. Alleen dan is 's Hofs uitspraak niet alleen op de gerezen gemeenschapsrechtelijke problemen afgestemd, doch ook als gezaghebbend te beschouwen in die zin dat de nationale rechter zich ook zonder juist een beslissing op dit punt hebben gevraagd, daarnaar heeft te gedragen.
Bezien wij de zaak vanuit een andere gezichtshoek, dan kan ook een argument worden ontleend aan de jurisprudentie van het Hof zelf, dat zich heeft voorbehouden een uitleggingsvraag onbeantwoord te laten wanneer daarin kennelijk abusievelijk aan het uit te leggen voorschrift wordt gerefereerd (arrest 13-68, Salgoil, Jurispr. 1968, blz. 632).
Voormeld derde aanvullend akkoord, welks uitlegging voor de nationale rechter in geding is, is ondanks artikel 6 van verordening nr. 1408/71 nog steeds van kracht; dit wordt uitdrukkelijk bepaald in bijlage II van de verordening, waarnaar haar artikel 7, lid 2, verwijst. Volgens de algemene opmerkingen dier bijlage, die aan de lijst der overeenkomsten voorafgaan, worden „voor zover de in deze bijlage vermelde bepalingen naar andere verdragsbepalingen verwijzen, … deze verwijzingen vervangen door verwijzingen naar de overeenkomstige bepalingen van de verordening, in zoverre de betrokken verdragsbepalingen niet zelf in deze bijlage worden vermeld”. In artikel 1 van voormeld derde aanvullend akkoord tussen de Bondsrepubliek en België wordt met name verwezen naar het tussen beide landen gesloten Algemeen Verdrag inzake de sociale zekerheid, dat onder nr. 12 de termen uitkeringen, pensioenen en renten heeft omschreven. Deze bepaling komt niet voor in genoemde bijlage II van verordening (EEG) nr. 1408/71. In artikel 2 van het derde aanvullend akkoord, dat de nationale rechter wenst te zien uitgelegd, gaat het om de in artikel 1 genoemde uitkeringen, dat wil zeggen juist om de pensioenen en renten in de zin van genoemd Algemeen Verdrag. Volgens voornoemde aan de lijst van bijlage II van verordening nr. 1408/71 voorafgaande algemene opmerking zijn de bepalingen van het Algemeen Verdrag waarin de hierbedoelde begrippen waren omschreven — en waarnaar het hierbedoelde aanvullend akkoord verwijst — vervangen door de overeenkomstige bepalingen van de verordening. Bij de uitvoering van genoemd aanvullend akkoord zal men derhalve moeten uitgaan van de termen uitkering, pensioen of rente volgens de definitie van het Gemeenschapsrecht inzake de sociale zekerheid. Er bestaat dus tussen de uitleggingsvraag van de Duitse rechter — waarvan wij niet mogen kennisnemen — en de vraag of de door appellante verlangde uitkeringen onder het begrip pensioen of rente volgens het gemeen schapsrecht inzake de sociale zekerheid der werknemers kunnen worden gebracht, een strikte en dwingende logische samenhang.
Daarom moet mijns inziens tot uitlegging van deze termen worden overgegaan.
Wij zagen dat de door appellante op grond van artikel 2 van het derde aanvullend akkoord verlangde uitkeringen zijn de som ineens bij nieuw huwelijk van de weduwe (Witwenabfindung) en de uitkering wegens overlijden (Sterbegeld) in de zin van de Duitse Reichsversicherungsordnung.
Volgens artikel 1 (s) van verordening nr. 3 en artikel 1 (t) van verordening nr. 1408/71 omvat de term „uitkeringen, pensioenen en renten” onder meer „de als afkoopsom uitgekeerde bedragen welke in de plaats kunnen treden van de pensioenen of renten …”. Een Witwenabfindung in de zin van artikel 615 van de RVO is een kapitaalsuitkering „una tantum”, verschijnend op het ogenblik waarop het weduwenpensioen niet langer verschuldigd is. Mag er dus worden gesproken van een als afkoopsom uitgekeerd bedrag dat voor de pensioenen bedoeld in voormelde gemeenschapsrechtelijke voorschriften in de plaats treedt? Het Bundessozialgericht heeft zich in het verleden niet op dit standpunt gesteld; in een arrest van 12 november 1969, dat in de memorie der Commissie wordt aangehaald, huldigde het de opvatting dat de Witwenabfindung niet voor een rente of pensioen in de plaats komt, doch om redenen van maatschappelijke moraal aan de weduwe wordt toegekend om het haar gemakkelijker te maken een nieuw huwelijk aan te gaan en daarmede het „rentetrekkersconcubinaat” te voorkomen; daarom zou het niet buiten het nationaal grondgebied kunnen worden toegekend. Het Bundessozialgericht stelde zich in dit arrest op het standpunt dat onder afkoopsommen die volgens artikel 1 (s) van 's Raads verordening nr. 3 voor pensioenen of renten in de plaats kunnen treden, alleen vallen uitkeringen die bestemd zijn om voor toekomstige periodieke uitkeringen in de plaats te komen.
Nog niet lang geleden, namelijk in een arrest van 21 december 1971, heeft de „Große Senat” van het Bundessozialgericht deze opvatting volledig herzien.
De hoogste Duitse rechter heeft overwogen dat er tussen het weduwenpensioen en de Witwenabfindung een nauw verband bestaat: het bedrag van de Abfindung is van de hoogte van het pensioen afhankelijk, omdat het financieel op een vooruitbetaling van vijf pensioenjaren neerkomt; bij ontbinding van het nieuwe huwelijk kan het weduwenpensioen herleven, in welk geval de Abfindung met het pensioen wordt verrekend. Het Bundessozialgericht verbond hieraan de gevolgtrekking dat de Abfindung ook aan buitenlands wonende personen dient te worden betaald, al mocht zulks noch in het gemeenschapsrecht, noch in de verdragen zijn voorzien („Entscheidungen des Bundessozialgerichts”, deel 33, 1972, blz. 290).
Onzerzijds willen wij erop wijzen dat voormelde bepalingen van artikel 1 van de beide hierbedoelde gemeenschapsverordeningen met hun omschrijvingen van de termen „uitkeringen”, „pensioenen” en „renten” in de zin van het Gemeenschapsrecht, niet behoeven te leiden tot een restrictieve interpretatie als het Bundessozialgericht in zijn eerste uitspraak met betrekking tot artikel 1 (s) van verordening nr. 3 en de overeenkomstige bepaling van artikel 1 (t) van verordening nr. 1408/71 voorstond. Waar wij anderzijds afstand hebben te nemen van het onderhavige geval, dat met een tamelijk ver verwijderd verleden verband houdt, zullen wij ons in de lijn van 's Hofs jurisprudentie bij de uitlegging van de sociale bepalingen van het Gemeenschapsrecht moeten laten leiden door de overweging dat bij de toepassing van de onderscheiden nationale wettelijke regelingen op het gebied van de sociale zekerheid iedere ongelijke behandeling van de burgers der Gemeenschap zoals die om met de nationaliteit verband houdende redenen of, zij het in mindere mate, op grond van hun woonplaats wel plaatsvindt, dient te worden vermeden, en wel zulks volgens de algemene beginselen die ten deze met name in de artikelen 8 en 10 van verordening nr. 3 onderscheidenlijk 3 en 10 van verordening nr. 1408/71 zijn neergelegd.
Afgezien daarvan kan ook de door de Grosse Senat van het Bundessozialgericht vastgestelde nauwe samenhang tussen het weduwenpensioen en de Witwenabfindung alleen maar in het licht van het Gemeenschapsrecht worden bezien, hetgeen een argument te meer oplevert om de hierbedoelde uitkering te brengen onder de algemene bepalingen van artikel 1 (s) van verordening nr. 3 en artikel 1 (t) van verordening nr. 1408/71 die, naar wij zagen, voor pensioenen in de plaats tredende afkoopsommen omvatten.
Voor het Sterbegeld gelden andere bepalingen dan voor uitkeringen, pensioenen en renten, niet alleen in zoverre dat artikel 1 van beide voormelde gemeenschapsverordeningen — waarin de verschillende sociale uitkeringen in de zin dier verordening worden opgesomd (on derscheidenlijk de letters s en t van artikel 1 van verordening nr. 3 en de letters t en v van artikel 1 van verordening nr. 1408/71) — hier onderscheidt, doch ook doordien er voor elk van beide gevallen een andere regeling geldt. Hieruit moet worden afgeleid dat het Sterbegeld naar gemeenschapsrecht niet tot de pensioenen, renten of gedeelten daarvan kan worden gerekend.
Ik concludeer dus dat het Hof in antwoord op de vraag van het Landessozialgericht voor recht verklare dat de Witwenabfindung van artikel 615 van de RVO onder artikel 1 (s) van verordening nr. 3 en van artikel 1 (t) van verordening nr. 1408/71 valt, doch dat het „Sterbegeld” van artikel 1 (t) van verordening nr. 1408/71 niet kan worden gerekend tot de „uitkeringen, pensioenen en renten” in de zin van genoemd voorschrift.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy