CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 5 DECEMBER 1973 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In het door de heer Bruns tegen de Commissie aanhangig gemaakte geding was overeenkomstig het krachtens artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering gedane verzoek van de Commissie, het thema van de mondelinge behandeling van 24 oktober beperkt tot vragen nopens de ontvankelijkheid van het beroep. Ook in mijn conclusie behoef ik derhalve slechts inzake deze problemen van het geding stelling te nemen.
Ik moge allereerst een enkele opmerking betreffende de feiten maken.
Dc heer Bruns is in november 1958 in dienst van de Commissie getreden. Hij was aanvankelijk chef van de afdeling Statuut bij het Directoraat-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer. Sedert november 1962 was hij als directeur in de rang A 2 bij het Directoraat-generaal Interne Markt werkzaam.
Op 25 augustus 1968 verzocht de heer Bruns, hem per 1 oktober 1969 uit de dienst te ontslaan. Aan dit verzoek werd door de Commissie gevolg gegeven. De heer Bruns werd daarop vanaf 1 oktober 1969 voorzitter van de raad van beheer van een verzekeringsmaatschappij in de Bondsrepubliek Duitsland.
Wat de afwikkeling van de dienstverhouding betreft, kon naar het destijds geldende Personeelsstatuut — dit volgt uit artikel 77 juncto artikel 12 van bijlage VIII — van de betaling van een uitkering bij vertrek in plaats van toekomstige pensioenrechten, wegens de duur van de door de heer Bruns vervulde diensttijd geen sprake zijn. In het kader van de onderhandelingen over de herziening van het Personeelsstatuut heeft de Raad van Ministers echter op 26 juni 1969 besloten hieromtrent afwijkingen van het Statuut toe te laten. Dit besluit bepaalde onder andere, dat een ambtenaar, die uiterlijk een maand na de inwerkingtreding van de verordening tot wijziging van het Statuut definitief de dienst beëindigt en vóór 1 juli 1969 aan de in artikel 12 a van bijlage VIII genoemde voorwaarden voldoet (dus nog geen elf dienstjaren heeft vervuld), het in dit artikel voorziene keuzerecht kan uitoefenen.
Toen de heer Bruns door een interne mededeling van de Commissie op deze tekst was geattendeerd en omdat hij klaarblijkelijk aan de zojuist geciteerde voorwaarden voldeed, verzocht hij in een aan het Directoraat-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer gericht schrijven van 26 augustus 1969 om betaling van de uitkering bij vertrek. Hieraan voldeed de administratie. Een definitieve afrekening volgde bij brief van 15 februari 1970.
Reeds in 1967 — dit werd bij de mondelinge behandeling niet weersproken — had de heer Bruns bij de administratie van de Commissie ook verzoeken ingediend ter voorziening in een pensioen ingevolge het Statuut, en wel met een beroep zowel op artikel 107 van het Statuut als artikel 11 van bijlage VIII bij het Statuut. Hierbij valt te bedenken, dat artikel 107 in de toekenning van dienstjaren voorziet voor het geval, dat een ambtenaar door zijn indiensttreding bij de Gemeenschappen het recht op pensioen, dat hij in zijn land van herkomst zou hebben verworven, geheel of gedeeltelijk heeft verloren. Artikel 11, lid 1, van bijlage VIII van het Personeelsstatuut betreft het geval van de overschrijving van de actuariële tegenwaarde van bij de Gemeenschappen verworven rechten op ouderdomspensioen naar het pensioenfonds van de organisatie in welks dienst een ambtenaar na beëindiging van de dienst bij dé Gemeenschappen getreden is, en artikel 11, lid 2, regelt het omgekeerde geval van overschrijving van de actuariële tegenwaarde van de vóór de beëindiging van de dienst bij een nationaal overheidsorgaan verworven rechten op ouderdompspensioen naar de Gemeenschappen. Ten aanzien van deze bepalingen zijn op 2 juli 1969 door de Commissie uitvoeringsvoorschriften gegeven en aan het personeel bekend gemaakt in de Personeelskoerier van 29 juli 1969, waarop — blijkbaar omdat de eerste vermelding in vakantietijd plaats vond — nogmaals in de Personeelskoerier van 16 oktober 1969 de aandacht werd gevestigd. In deze publikatie heette het voorts: „Met name de verzoeken om toepassing van artikel 11, leden 1 en 2, van bijlage VIII, oefenen op generlei wijze invloed uit op de definitieve beslissing van de verzoeker, die deze eerst behoeft te nemen, wanneer het eindresultaat van de behandeling vaststaat.” Daarvan zou de heer Bruns eerst na zijn beëindiging van de dienst hebben vernomen. In elk geval wendde hij zich bij brief van 14 augustus 1971 tot de Commissie en verklaarde daarin, dat hij zijn eerdere verzoeken ingevolge artikel 107 van het Statuut en artikel 11 van bijlage VIII handhaafde. Tevens verzocht hij om mededeling van het resultaat der behandeling en stelde de ontvangen uitkering bij vertrek zolang ter beschikking van de Commissie.
Het Directoraat-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer antwoordde daarop met schrijven van 14 september 1971. Het bevestigde dat de verzoeken van de heer Bruns in behandeling waren en zond hem tegelijkertijd nieuwe formulieren toe om de verzoeken te herhalen. Na indiening van deze verzoeken ontving de heer Bruns bij brief van de Directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer van 21 februari 1972 een uitvoerige uiteenzetting van diens standpunt inzake de reeds genoemde bepalingen van het Statuut en zijn verzoeken. Bovendien werd hem meegedeeld op welke wijze het bedrag van het door hem bij de Gemeenschap verworven pensioen, waarover hem vroeger reeds uitleg was gegeven, moest worden gecorrigeerd.
Op grond van dit antwoord en nadat hij op zijn aanvraag van 20 maart 1972 bij brief van 5 april 1972 aanvullende inlichtingen had ontvangen over het beloop van zijn pensioen, het aan zijn pensioen ten grondslag liggende basissalaris en eventuele toelagen, verklaarde de heer Bruns in een brief van 9 april 1972, dat hij het pensioen koos in plaats van de uitkering bij vertrek en verzocht hij mededeling van het door hem te restitueren bedrag van de uitkering bij vertrek. Toen hij geruime tijd niets meer van de Commissie had vernomen, herinnerde hij bij brief van 1 september 1972 aan zijn verzoek.
Daar ook dit, schrijven onbeantwoord bleef, richtte hij op 16 oktober 1972 een formeel verzoek volgens artikel 90 van het Personeelsstatuut aan de Commissie. Daarmede wilde hij bereiken dat de Commissie zou besluiten dat de heer Bruns op zestigjarige leeftijd recht had op een ouderdomspensioen overeenkomstig zijn diensttijd en dat het hem zonder rechtsgrond als uitkering bij vertrek uitgekeerde bedrag volgens artikel 85 van het Statuut moest worden gerestitueerd. Einde 1972 betaalde de heer Bruns uit eigen beweging de uitkering bij vertrek aan de Commissie terug, waarmede, zoals hij in een brief van 20 januari 1973 verklaarde, het tweede gedeelte van zijn verzoek van 16 oktober 1972 kwam te vervallen. Uit een schrijven van het Directoraat-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer van 5 februari en 13 februari 1973 vernam hij vervolgens dat een verplichting tot restitutie van de uitkering bij vertrek niet bestond. Bovendien werd met betrekking tot de brief van het Directoraat-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer van 21 februari 1972 verklaard, dat hiermede slechts het geven van inlichtingen betreffende de ingevulde vragenlijst was beoogd, doch geen optierecht was verleend.
Daar de heer Bruns op zijn verzoek van 16 oktober 1972 geen formeel antwoord ontving, hetgeen volgens artikel 90 van het Ambtenarenstatuut een afwijzing van het verzoek betekent, richtte hij op 19 februari 1973 ingevolge artikel 90, lid 2, van het Personeelsstatuut een klacht tot de Commissie. Daarin verlangde hij nogmaals een bevestiging, dat hij op grond van zijn dienstjaren bij de Commissie op zestigjarige leeftijd recht had op een met zijn aantal dienstjaren overeenkomend ouderdomspensioen.
In antwoord hierop ontving hij ten slotte een door een lid van de Commissie ondertekende brief van 19 maart 1973. Hierin wordt gesteld dat de Commissie terecht de uitkering bij vertrek had betaald, en dat dit tot gevolg had, dat de heer Bruns geen recht op pensioen meer kon doen gelden. Ook was een bestrijding van het verzoek van 26 augustus 1969 wegens dwaling niet mogelijk. Aangaande de brief van 16 oktober 1972 werd nog opgemerkt dat daarmede de voor een klacht vereiste termijn was overschreden en dat de heer Bruns veeleer ten laatste drie maanden na de uitbetaling van de uitkering bij vertrek, respectievelijk na toezending van de definitieve afrekening, bezwaar had moeten maken tegen de uitkering bij vertrek.
Dit was aanleiding voor de heer Bruns op 16 mei 1973 beroep in te stellen bij het Hof van Justitie. Hierbij vorderde hij:
—
het besluit van 19 maart 1973 te vernietigen;
—
vast te stellen dat bij op zestigjarige leeftijd recht heeft op een met zijn diensttijd bij de Commissie overeenstemmend pensioen en dat de door hem in de plaats van pensioen ontvangen uitkeringen moeten worden terugbetaald;
—
de Commissie te gelasten de juiste hoogte der te restitueren bedragen mede te delen.
De Commissie volhardt daarentegen bij haar mening, dat de heer Bruns dergelijke eisen nu niet meer door middel van een beroep geldend kan maken. Zij diende daarom het in de aanvang reeds genoemd verzoek in dat over de ontvankelijkheid van het beroep uitspraak zal worden gedaan — zonder daarbij op de zaak ten principale in te gaan — en dat de niet-ontvankelijkheid van het beroep zal worden vastgesteld.
In de schriftelijke procedure heeft de Commissie voor haar verzoek allereerst de volgende stelling ontwikkeld: dat, doordat aan het in 1969 ingediende verzoek van eiser tot betaling van de uitkering bij vertrek gevolg was gegeven, juister gezegd: door de betaling van de uitkering bij vertrek, maar toch zeker door de eindafrekening van februari 1970, een definitieve beschikking was gegeven, welke mede inhield dat eiser geen recht heeft op pensioen. Deze beschikking vormde een bezwarend besluit in de zin van het Personeelsstatuut. Daartegen had destijds dus een klacht kunnen worden ingediend. Daar dit niet gebeurd is, moet het eiser verboden zijn in het jaar 1972 nog beroep in te stellen hetwelk op de vaststelling van pensioenrechten is gericht.
Tijdens de mondelinge behandeling werd daarbij nog een subsidiaire stelling ontwikkeld. Uitgaande van de veronderstelling — aldus de Commissie — dat de mededeling van het resultaat der behandeling van de door eiser krachtens artikel 107 van het Statuut en artikel 11 van bijlage VIII van het Statuut ingediende verzoeken in het voorjaar van 1972 rechtens relevant is (in werkelijkheid is de Commissie principieel van mening dat deze mededeling zonder betekenis is), moet eisers brief van 9 april 1972 als verzoek in de zin van het Personeelsstatuut worden beschouwd. Men dient derhalve minstens van dit verzoek uit te gaan voor de berekening van de beslissende termijnen. Dit zou echter, daar destijds nog de termijnen van het oude Personeelsstatuut van kracht waren en eiser geen antwoord op zijn verzoek had ontvangen, tot de conclusie leiden, dat op 9 juni 1972 stilzwijgend een afwijzende beschikking is genomen. Verzoeker had hetzij deze rechtstreeks binnen een termijn van twee maanden moeten aanvechten dan wel minstens voordat deze termijn verstreken was een klacht bij de administratie moeten indienen. Noch het een, noch het ander is echter geschied. Tot een klacht bij de administratie is het veeleer eerst op 16 oktober 1972 gekomen, of — indien men de reeds vermelde rappelbrief van eiser als zodanig laat gelden — op 1 september 1972, derhalve na het verstrijken van de beslissende termijn. Zelfs bij deze zienswijze ontkomt men derhalve niet aan de gevolgtrekking dat het beroep tardief werd ingesteld.
Een belangrijke vraag is allereerst of het door eiser ingediende verzoek om de uitkering bij vertrek en het daarop genomen besluit inderdaad, ook in de zin van een afwijzing van het recht op pensioen, een definitief karakter hebben.
Hierover bestaat mijns inziens gerechtvaardigde twijfel. Deze vindt zijn grond daarin, dat destijds ook verzoeken van eiser betreffende zijn pensioenregeling ter tafel lagen, gebaseerd op artikel 107 van het Statuut en artikel 11 van bijlage VIII bij het Statuut, en verder in het feit dat aangaande zulke verzoeken in een algemene bekendmaking van de Commissie werd verklaard, dat de verzoekers eerst een definitieve beslissing hadden te nemen, wanneer het eindresultaat van de behandeling der verzoeken vaststond. Ook kan bezwaarlijk het standpunt worden gedeeld, dat al deze verzoeken voor eiser praktisch zonder betekenis zijn geweest. Minstens kon toch in aanmerking komen de overschrijving van de actuariële tegenwaarde van zijn rechten op pensioen bij de Gemeenschap naar de organisatie waarbij verzoeker na zijn beeindiging van de dienst bij de Gemeenschap in dienst trad, de toepassing dus van artikel 11 van bijlage VUL Zeker, in werkelijkheid behoeft dit in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid niet definitief te worden opgehelderd. Beslissend is veeleer, dat ook de top van het Directoraat-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer dit standpunt deelde. Dit blijkt uit het reeds vermelde schrijven van de Directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer van 14 september 1971, waarin het letterlijk heet: „Overigens ben ik het met U eens dat een keuze tussen het recht op pensioen, de uitkering bij vertrek en overschrijving van de actuariële tegenwaarde naar een extern pensioenfonds eerst definitief kan worden gedaan, wanneer duidelijkheid bestaat over de verschillende mogelijkheden en het eindresultaat, De administratie zal daarom na ontvangst van bijgaande vragenlijst haar desbetreffende bevindingen vastleggen en U daarvan mededeling doen.” Een soortgelijke opheldering werd nog eens verschaft bij de mededeling van het resultaat van het onderzoek in de brief van de Directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer van 21 februari 1972. Enerzijds wordt hier met betrekking tot artikel 11, lid 1, van bijlage VIII gezegd, dat voor het inleiden van deze procedure vóór alles de terugbetaling van de destijds reeds toegewezen uitkering bij vertrek aan de Gemeenschappen vereist is. Verder heet het in de brief: „De verwezenlijking van Uw recht op pensioen overeenkomstig Uw diensttijd vooronderstelt echter eveneens de terugbetaling van de destijds toegewezen uitkering bij vertrek aan de Gemeenschappen … Bovendien zoudt U uitdrukkelijk moeten verklaren, dat U Uw verzoek om overschrijving van Uw rechten overeenkomstig artikel 11, lid 1, bijlage VIII, bij het Statuut naar Uw nieuwe pensioenfonds intrekt.” Ten slotte is nog de slotzin van deze brief van belang, waar wordt gezegd: „Ik hoop U met deze uiteenzettingen de verschillende gevallen en mogelijkheden voldoende duidelijk te hebben gemaakt om U in staat te stellen een keuze te doen tussen: de terugstorting van de uitkering bij vertrek in welk geval U pensioen ontvangt overeenkomstig Uw diensttijd, de terugstorting van de uitkering bij vertrek met overschrijving van Uw rechten naar Uw huidige pensioenfonds en ten slotte het behoud van de U destijds toegewezen uitkering bij vertrek.”
Daaruit valt inderdaad af te leiden, dat de administratie van de Commissie zelf het standpunt innam, dat voor verzoeker nog een keuze open stond. Daar deze opvatting bovendien niet kennelijk onjuist voorkomt en een correctie (indien men deze al geoorloofd acht) hoogstens bij brief van 13 februari 1973 volgde, dat wil zeggen — gelijk aanstonds zal worden aangetoond — te laat voor de in dit verband relevante gang van zaken, kan derhalve als belangrijk voorlopig resultaat slechts worden vastgesteld, dat er geen sprake van kan zijn dat een definitief, voor beroep vatbaar besluit over de pensioenrechten van verzoeker reeds in het jaar 1969 of 1970 genomen was. Volgens de uitingen van de hoogste bestuurs-instanties zelf, waarop een ambtenaar zich naar beginselen van goede trouw mag verlaten, was een definitieve keuze voor verzoeker veeleer pas in het voorjaar van 1972 mogelijk. Van dit tijdstip moet dan ook worden uitgegaan bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het beroep.
Volgt men deze gedachtengang, dan is de eerstvolgende vraag — en daarmede kom ik op de subsidiaire stelling van de Commissie —, of het juist is, in verzoekers brief van 9 april 1972 een verzoek in de zin van het Personeelsstatuut te zien dat termijnen deed ingaan. Ook in dit opzicht rijzen echter ernstige bedenkingen tegen de argumentatie var. de Commissie.
Daarbij is voor mij van wezenlijk belang dat verzoeker zich in het voorjaar van 1972 voor een keuze moest uitspreken. Dit houdt uiteraard een eenzijdige beslissing in. Op grond van de voorafgegane mededeling van de administratie lag daarna de rechtsverhouding tussen verzoeker en de Commissie definitief vast en was, zo men wil, haar concretisering ingetreden. Voor de juistheid van deze opvatting kan — zoals verzoeker ook gedaan heeft — op de bekendmaking van de Commissie in de Personeelskoerier van oktober 1969 worden gewezen en met name op het feit dat daar van een „definitieve beslissing” van „de verzoeker” sprake is. Daartegen pleit ook niet de omstandigheid dat eiser bij brief van 9 april 1972 verzocht heeft hem „het juiste bedrag van de te restitueren uitkering bij vertrek in Belgische franken mede te delen”. Dit verzoek had namelijk even goed achterwege kunnen blijven, want op de eenzijdige verklaring van eiser op 9 april 1972 behoefden slechts nog zuiver administratieve uitvoeringshandelingen te volgen.
Moet echter — gelijk reeds aangetoond — in de brief van 9 april 1972 niet eenverzoek in de zin van artikel 90 van het Personeelsstatuut worden gezien, dan liep vanaf dat tijdstip ook geen termijn op grond van genoemde bepaling. Verzoeker kon daarentegen nadien te allen tijde, toen hij constateerde dat de administratie zijn beslissing niet respecteerde en daaruit niet de vereiste consequenties trok, met behulp van een eenvoudig verzoek om een declaratoire uitspraak op een verduidelijking van de rechtsverhouding aandringen. Dat heeft hij met zijn verzoek volgens artikel 90 van het Statuut op 1) oktober 1972 gedaan. Op dat tijdstip begon derhalve het formele dispuut met de administratie ter oplossing van het litigieuze probleem.
Het beroep is derhalve dan ontvankelijk indien het, gerekend vanaf dat tijdstip, binnen de termijn is ingesteld.
Krachtens het nieuwe, destijds reeds geldende Personeelsstatuut (vergelijk artikel 87 van 's Raads verordening van 30 juni 1972) liep vanaf de indiening van het verzoek eerst een termijn van vier maanden, bij het verstrijken waarvan — indien de administratie niet heeft gereageerd — bij wege van een fictie wordt aangenomen dat de administratie een negatief besluit heeft genomen. Een stilzwijgend besluit tot afwijzing bestond derhalve vanaf 16 februari 1973. Tegen dit besluit kon binnen een termijn van drie maanden een formele klacht worden ingediend, hetgeen bij een schrijven van verzoeker van 19 februari 1973 is geschied. Hierop heeft de Commissie uitdrukkelijk gereageerd, namelijk met haar beschikking van 19 maart 1973, en daartegen heeft de heer Bruns zich weer tijdig, namelijk binnen drie maanden, met het op 16 mei 1973 ingestelde beroep, te weer gesteld. Van een tardief aanhangig maken van de gerechtelijke procedure kan dan ook geen sprake zijn.
Daar voor het overige van geen enkele bedenking met betrekking tot de formulering van de eisen die ik in de aanvang heb geciteerd, is gebleken, dient samenvattend te worden vastgesteld dat het beroep ontvankelijk is.
Ik concludeer dan ook dat Uw Hof de exceptie van de Commissie zal afwijzen en het beroep uitdrukkelijk ontvankelijk verklaren. Daar met deze beslissing het geding niet is afgesloten en veeleer door de President nieuwe termijnen voor de voortzetting ervan moeten worden bepaald, kan in dit stadium een kostenbeslissing achterwege blijven. Deze kan worden aangehouden tot de einduitspraak, aangenomen dat het daartoe nog komt en het geding na de behandeling der vragen van ontvankelijkheid niet met een minnelijke schikking tussen partijen eindigt.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy