CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 15 NOVEMBER 1973 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Deze zaak is aan het Hof voorgelegd bij wege van een verzoek om een prejudiciële beslissing van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven in Nederland. Verzoekster in het geding voor deze rechterlijke instantie is een Nederlands graanexportbedrijf. Verweerder is de Nederlandse instantie, die onder meer de ingevolge de communautaire wetgeving verschuldigde restituties bij uitvoer van graanprodukten moet vaststellen. Het geschil tussen verzoekster en verweerder betreft het bedrag van de restitutie voor een op 3 februari 1971 door verzoekster verrichte verscheping van 638500 kg maisgries naar Noorwegen. De vraag is of die partij maisgries een vetgehalte (gerekend naar het gewicht van de droge stof) had van meer of minder dan 1,3 %. Naarmate het vetgehalte hoger is, is de restitutie waarop verzoekster recht heeft, lager en omgekeerd.
De eerste gemeenschapsregeling ter zake is 's Raads verordening nr. 120/67/EEG die, zoals U zich zult herinneren, een begin maakte met de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen en graanprodukten. Met betrekking tot sommige van deze produkten, waaronder maisgries, geeft 's Raads verordening (EEG) nr. 1052/68 (ter vervanging van een eerdere uitvoeringsverordening van de Raad, — nr. 360/67/EEG) regels voor de toepassing van het stelsel van heffingen en restituties in de handel met derde landen. Artikel 11 bepaalt, voor zover hier van belang:
„Volgens de procedure van artikel 26 van verordening nr. 120/67/EEG worden de methoden vastgesteld ter bepaling van het … vetgehalte … en iedere andere analysemethode welke voor de toepassing van deze verordening noodzakelijk blijkt …”
Zoals bekend, is aan dat artikel nooit uitvoering gegeven, zodat ik Uw tijd niet in beslag behoef te nemen met een beschrijving van de in artikel 26 van verordening nr. 120/67/EEG neergelegde procedure. De Commissie zegt in haar opmerkingen dat de oorzaak hiervan is gelegen in de omvang van de hiertoe vereiste studies en besprekingen en in de moeilijkheden die zulks voor sommige Lid-Staten zou meebrengen.
Hoe dan ook, het gevolg is dat op de datum van de onderhavige uitvoer nog geen methode ter bepaling van het vetgehalte van maisgries in een communautaire regeling was vastgelegd.
Een gemeenschappelijke analysemethode van onder meer het vetgehalte van veevoeders is pas later, in de Tweede Richtlijn van de Commissie van 18 november 1971, vastgesteld. Deze richtlijn, gegeven ter uitvoering van een richtlijn van de Raad van 20 juli 1970, was tot de Lid-Staten gericht en verplichtte hen om uiterlijk op 1 januari 1973 de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden ten einde zich te voegen naar deze richtlijn. Verzoekster betoogt dat deze richtlijn, zelfs al zou zij hebben gegolden op de datum van de onderhavige uitvoer, niet van toepassing zou zijn geweest op de betrokken partij maisgries, omdat dit produkt niet is te beschouwen als veevoeder. Van deze bewering wordt door het College van Beroep slechts terloops gewag gemaakt in zijn verwijzingsbeschikking. Het College laat zich hierover zelf niet uit. Ook het Hof wordt dienaangaande zowel door partijen als door de Commissie in het ongewisse gelaten. Laatstgenoemde zegt er in haar opmerkingen niets over en zowel verzoekster als verweerder hebben in het geheel geen opmerkingen gemaakt.
De toepasselijke restitutiebedragen voor de onderhavige uitvoer zijn te vinden in verordening (EEG) nr. 2410/70 van de Commissie. Ingevolge artikel 1,. juncto de bijlage der verordening, golden voor maisgries drie verschillende bedragen. Maisgries met een gehalte aan vetstoffen, gerekend naar het gewicht van de droge stof, van niet meer dan 1,3 gewichtspercent en met een gehalte aan ruwe celstof, gerekend naar het gewicht van de droge stof, van niet meer dan 0,8 gewichtspercent viel onder post 11.02 A V (a) van de naamlijst voor restituties en het restitutiebedrag was gesteld op 4,694 rekeneenheden per 100 kg. Maisgries met een gehalte aan vetstoffen, gerekend naar het gewicht van de droge stof, tussen 1,3 gewichtspercenten en 1,7 gewichtspercenten met een gehalte aan ruwe celstof, gerekend naar het gewicht van de droge stof, van niet meer dan 1 gewichtspercent, viel onder post 11.02 A V (b) van de naamlijst met een restitutiebedrag van 3,99 rekeneenheden per 100 kg. Andere maisgries viel onder nr. 11.02 A V (c) met een bedrag van 2,905 rekeneenheden per 100 kg.
Partijen verschillen niet van mening over het gehalte aan ruwe celstof van de door verzoekster geëxporteerde maisgries. Vast staat dat dit minder was dan 0,8 %, zodat het produkt in zoverre in aanmerking zou komen voor indeling onder post 11.02 A V (a). Het geschil betreft uitsluitend het gehalte aan vetstoffen.
Blijkbaar zijn er namelijk verschillende analysemethoden gehanteerd:
1.
door verzoeksters laborant, de heer Sedney,
2.
door het Nederlandse Rijkslandbouwproefstation, waar verweerder monsters van de partij heeft laten onderzoeken en
3.
door het Noorse Statens Landbrukskjemiske Kontrollstasjon te Oslo waarnaar de Noorse importeur, zelf een commerciële staatsinstelling, ook monsters van de partij had gezonden.
De heer Sedney had de analysemethode gevolgd, welke in Bijlage 5 bij het Duitse Bundeszollblatt nr. 4 is beschreven en destijds door de Duitse douane-autoriteiten zou worden toegepast. Volgens verzoekster was dit de aangewezen methode voor haar produkten, omdat deze werden vervaardigd op grond van Duitse technische gegevens. Hoe dan ook, de door de heer Sedney volgens deze methode verrichte analyse toonde aan dat de litigieuze partij maisgries een vetgehalte had van minder dan 1,3 %, gerekend naar het gewicht van de droge stof.
De analyses van het Rijkslandbouwproefstation gaven een andere uitkomst, namelijk een vetgehalte, gerekend naar het gewicht van de droge stof, van ongeveer 1,5 %. Hierbij zou gebruik zijn gemaakt van de methode die thans voor veevoeders is voorgeschreven in de Tweede Richtlijn van de Commissie van 18 november 1971. Zoals ik al zei, betwist verzoekster de juistheid van deze methode.
Het Noorse Staatslaboratorium gebruikte weer een andere methode, namelijk die, beschreven in het boekwerk „Fettbestimmung in Getreide und Mahlprodukten”. Hierbij kwam het laboratorium tot een vetgehalte in de onderhavige partij van minder dan 1,3 %. Het is niet geheel zeker maar wel waarschijnlijk dat dit gerekend was naar het gewicht van de droge stof.
Bij deze stand van zaken heeft het College van Beroep het Hof de volgende vragen voorgelegd:
„Brengt de juiste uitlegging van artikel 1 van de verordening (EEG) nr. 2410/70 van de Commissie van 27 november 1970 — gelezen in samenhang met artikel 11 van verordening nr. 1052/68 van de Raad van 23 juli 1968 — mede dat, zolang geen gevolg is gegeven aan het bepaalde in artikel 11 van verordening nr. 1052/68 jo. artikel 26 van verordening nr. 120/67 tot het vaststellen van een methode ter bepaling van het vetgehalte voor de toepassing van verordening nr. 1052/68, het vetgehalte van de produkten, genoemd in de Bijlage bij verordening nr. 2410/70 onder de nummers 11.02 A V (a) en 11.02 A V (b), dient te worden vastgesteld volgens de methode voor de bepaling van ruwvet, omschreven in de Bijlage bij de Tweede Richtlijn van de Commissie van 18 november 1971 betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor de officiële controle van veevoeders?
En voorts: moet die laatstgenoemde methode bij uitsluiting worden gevolgd of kunnen ook andere methoden — b.v. de door verzoekster toegepaste methode, zoals omschreven in „Anlage 5” van het onder de feiten genoemde „Bundeszollblatt nr. 4”, of de methode, toegepast door het „Statens Landbruksjemiske Kontrollstasjon” te Oslo, zoals omschreven in het onder de feiten genoemde stuk, getiteld „Fettbestimmung in Getreide und Mahlprodukten” — gevolgd worden?”
Naar mijn mening doen zich bij deze vragen geen bijzondere moeilijkheden voor. De Commissie verwijst in haar opmerkingen naar de analoge vraag in de zaak 26-72 NV Vereenigde Oliefabrieken tegen Produktschap voor Margarine, Vetten en Oliën (Jurispr. 1972, blz. 1031). Dit arrest biedt mijns inziens een nuttig aanknopingspunt, daar het de rechtspositie waarin een gemeenschapsregeling een bijzondere analyse heeft voorgeschreven, duidelijk afbakent van die waarin dit niet is gebeurd. Het ging hier om de vraag of verzoekster recht had op restitutie bij uitvoer van een partij varkensreuzel naar Bolivia. Het Hof besliste dat, waar in de gemeenschapswetgeving voor varkensreuzel de speciale chemische analysemethode was voorgeschreven, die ter beantwoording van deze vraag moest worden gehanteerd, die methode moest worden toegepast met uitsluiting van alle andere. Daar echter geen methode van monsterneming was voorgeschreven, besliste het Hof dat het alleen aan de bevoegde nationale rechter staat de bewijskracht ener in een afzonderlijk geval uitgevoerde controle, gelet enerzijds op de aard, kenmerken en verpakking van de waar en anderzijds op de eventueel in de nationale wetgeving aan de exporteur geboden mogelijkheden tot verzet en tegenbewijs, te beoordelen en te beslissen over de aan dit oordeel te verbinden gevolgen.
Naar mijn mening moet in de onderhavige zaak een soortgelijk antwoord worden gegeven. De nationale rechter zal moeten vaststellen of een bepaald produkt aan de norm voldoet. Indien de toepasselijke gemeenschapswetgeving een specifieke chemische of andere controle voorschrift voor de beantwoording van die vraag, is de nationale rechter daaraan natuurlijk gebonden. Hij hoeft dan alleen maar af te gaan op de resultaten van dat onderzoek. Maar aangezien in casu de toepasselijke wettelijke regeling, althans op de datum van de uitvoer in kwestie, geen soelaas bood, moet de rechter dit als een louter feitelijke vraag beschouwen en behandelen. Dit wil zeggen dat hij volgens de nationale procesregels deskundigen moet raadplegen over de waarde en kenmerken van de verschillende in feite toegepaste analyses en vervolgens, mede aan de hand van ander relevant bewijsmateriaal, tot een oordeel moet komen over de kernvraag die niet zozeer inhoudt welke meer of minder wetenschappelijk aanvaardbare analyses ook wettelijk aanvaardbaar zijn te achten, maar of de onderhavige partij goederen aan de gestelde norm voldoet.
Ik moge derhalve concluderen dat het Hof de door het College van Beroep voorgelegde vragen beantwoorde als volgt:
„De juiste uitlegging van verordening (EEG) nr. 2410/70 van de Commissie, in samenhang met de verordeningen nr. 120/67/EEG en (EEG) nr. 1052/68 van de Raad, brengt mede dat, althans ten aanzien van exporten die hebben plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van de Tweede Richtlijn der Commissie van 18 november 1971, het vetgehalte van de produkten, genoemd in de Bijlage van eerstgenoemde verordening onder de nummers 11.02 A V (a) en 11.02 A V (b), van geval tot geval door de bevoegde nationale rechter moet worden vastgesteld, na afweging van onder meer de bewijskracht van de controles die op de betrokken goederen zijn verricht”.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy