CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J. P. WARNER
VAN 28 NOVEMBER 1973 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De onderhavige zaak is door het Hessisches Finanzgericht ter prejudiciële beslissing aan Uw Hof voorgelegd.
Zij betreft de uitlegging van verordening nr. 19 van de Raad van 4 april 1962 en van enige latere verordeningen ter uit voering van de eerstgenoemde. Zoals Uw Hof bekend, had verordening nr. 19 betrekking op de geleidelijke totstandbrenging in de toenmalige Lid-Staten van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen; zij was van kracht gedurende een overgangsperiode welke van 1962 tot 1967 duurde, en voerde een regeling in die onder meer hierdoor was gekenmerkt, dat de Lid-Staten bevoegd waren via hun interventiebureaus uitvoerrestituties te betalen.
Tussen oktober 1963 en maart 1965 exporteerde verzoekster in het hoofdgeding ongeveer 3 miljoen kg van een als griesmeel van tarwe van tariefpost 11.02 omschreven produkt uit de Bondsrepubliek naar derde landen. Op grond van die omschrijving kende verweerster — aan Uw Hof bekend als het Duitse interventiebureau voor granen en veevoerders — verzoekster de restituties toe die met zodanige exporten in overeenstemming waren. Verweerster beweert nu dat de omschrijving misleidend was en dat hetgeen verzoekster werkelijk uitvoerde, een zemelen bevattend mengvoeder was, waarvoor een veel lager restitutietarief gold. Op grond daarvan vordert verweerster van verzoekster terugbetaling van de betrokken restituties. Verzoekster wijst de beschuldigingen categorisch van de hand en betoogt dat, zelfs indien deze. juist zouden blijken, zij slechts zou zijn gehouden tot terugbetaling van het verschil tussen de restituties voor griesmeel van tarwe enerzijds en die voor veevoeder op basis van zemelen anderzijds.
Zonder zich daarbij uit te laten over de in casu beslissende vragen van feitelijke aard en met name over eventueel door verzoekster gepleegd bedrog, heeft het Hessische Finanzgericht nu aan Uw Hof de vraag voorgelegd of krachtens verordening nr. 19 een restitutie alleen voor de uitvoer van de in de restitutie-aanvrage omschreven goederen kan worden toegekend, dan wel of een frauduleuze exporteur, die goederen heeft uitgevoerd waarvoor een lager restitutietarief geldt dan voor de omschrevene, na ontdekking van het bedrog aanspraak behoudt op de restitutie voor de werkelijk uitgevoerde goederen. Ik begrijp dat Uw Hof zich over deze vraag zal moeten uitspreken ondanks het feit dat zij geheel hypothetisch kan blijken — vergelijk zaak 13-68, Salgoil/Italiaans Ministerie van Buitenlandse Handel (Jurisprudentie 1968, blz. 632).
De vraag is uiteraard nauw verwant aan één van de vragen die door het Hessisches Finanzgericht zijn gesteld in zaak 146-73, die tegelijk met de onderhavige mondeling voor Uw Hof is behandeld. Maar gezien de processuele complicaties van zaak 146-73, acht ik het beter in deze vrij eenvoudige zaak afzonderlijk conclusie te nemen.
Verzoekster en de Commissie hebben zowel in hun schriftelijke opmerkingen als bij de mondelinge behandeling eensgezind betoogd, dat het antwoord op de vraag van het Hessisches Finanzgericht niet in het Gemeenschapsrecht kan worden gevonden, maar afhangt van het nationale recht van de betrokken Lid-Staat. Ik geloof dat zij dit juist hebben gezien. Een antwoord op de vraag zoekt men tevergeefs in verordening nr. 19 en met name in artikel 20, lid 2, dat op de restituties bij uitvoer naar derde landen betrekking heeft; hetzelfde geldt voor de bepalingen van de door mij bedoelde uitvoeringsverordeningen, te weten 's Raads verordeningen nrs. 55 van 30 juni 1962 en 141/64/EEG, welke in de plaats van verordening nr. 55 is gekomen, en een aantal verordeningen van de Commissie, die in de opmerkingen van de Commissie zijn genoemd.
Bij een goed begrip van de beginselen waarop het restitutiestelsel van verordening nr. 19 is gebaseerd, wekt dit ook geen verbazing. Die beginselen zijn verklaard in een aantal arresten van Uw Hof, namelijk die in de zaken 6-71 (Rheinmühlen Düsseldorf/Einfuhr- und Vorratsstelle für Getreide und Futtermit-tel, Jurisprudentie 1971, blz. 823), 21-71 (Brodersen/dezelfde, ibid. blz. 1069), 85-71 (Kampffmeyer/dezelfde, Jurisprudentie 1972, blz. 213) en 5-72 (Fratelli Grassi/Italiaanse Administratie van Financiën, ibid. blz. 443). In deze arresten is uitdrukkelijk uitgesproken dat volgens het stelsel van verordening nr. 19 de Lid-Staten in genen dele verplicht waren restituties toe te kennen. Zij konden het doen, zij het binnen bepaalde grenzen. Daaruit volgde dat zij vrij waren nieuwe voorwaarden te stellen naast die waaraan de communautaire regeling de toekenning van restituties bond, dat zij die restituties wel voor deze, maar niet voor gene goederen konden toekennen, en dat zij hen konden verlenen volgens een tarief dat verschilde naar gelang van het land van bestemming. Evenmin waren zij door de communautaire regeling gebonden aan een bepaalde administratieve procedure of een bepaalde tijdslimiet voor de uitbetaling van de eventueel toegekende restituties. Het enige wat zij niet mochten doen, was de grenzen overschrijden welke door de communautaire regeling waren gesteld, bij voorbeeld door hogere restituties te betalen dan die regeling toestond, of door restituties toe te kennen voor goederen welke niet aan de door die regeling gestelde criteria voldeden.
Naar mijn mening volgt hieruit dat in een geval als door het Hessisches Finanzgericht gesteld, de betrokken exporteur volgens Gemeenschapsrecht geen recht had op een hogere restitutie dan met de werkelijk uitgevoerde goederen in overeenstemming was. Maar of hem elke restitutie diende te worden ontzegd (en zo ja, via een administratieve dan wel een strafrechtelijke procedure), dat was een punt dat naar het recht van de betrokken Lid-Staat moest worden beoordeeld.
Ik concludeer derhalve dat Uw Hof de vraag van het Hessisches Finanzgericht beantwoorde als volgt:
„Artikel 20, lid 2, van verordening nr. 19 van de Raad der Europese Economische Gemeenschap van 4 april 1962 moet aldus worden uitgelegd, dat een exporteur die goederen heeft uitgevoerd waarvoor een lager restitutietarief geldt dan voor die welke in de restitutie-aanvrage zijn omschreven, geen recht heeft op een hogere restitutie dan met de werkelijk door hem geëxporteerde goederen in overeenstemming is; tijdens de geldigheidsduur van verordening nr. 19 evenwel bestond er geen enkel communautair rechtsvoorschrift dat hem van die restitutie uitsloot ingeval zijn aanvrage frauduleus was. De vraag of hij haar dan al dan niet zou ontvangen, moest naar het recht van de betrokken Lid-Staat worden beoordeeld.”
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy