CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 27 NOVEMBER 1973 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
's Hofs antwoord op de door het Finanzgericht te Berlijn gestelde vraag of op de invoer van koffie uit Guinea in de Bondsrepubliek Duitsland nog in 1971 de preferentiële regeling voor de invoer van waren uit de Afrikaanse staten en Madagascar — volgens de op 29 juli 1969 tussen de Gemeenschap en de bedoelde staten gesloten associatieovereenkomst — moest worden toegepast, zal ongetwijfeld een weerslag hebben op politiek terrein. De vraag is in ondubbelzinnige bewoordingen gesteld en in een zaak als de onderhavige wordt de uitlegger ook geen ruimte voor doelmatigheidsoverwegingen gelaten. Het Hof is niet geroepen om, voor zover de rechtsverhouding tussen de Republiek Guinea en de Gemeenschap niet geheel duidelijk is, punten van twijfel uit de weg te ruimen.
Onze taak is bescheidener. En de mogelijke oplossingen voor de meer algemene problematiek die met de huidige verhouding tussen Guinea en de Gemeenschap verband houdt kunnen in geen geval van invloed zijn op het antwoord dat op de vraag van de Duitse rechter inzake de invoerrechten moet worden gegeven; dat antwoord zal duidelijk en ondubbelzinnig zijn.
Volgens artikel 131 van het EEG-Verdrag zijn de Lid-Staten overeengekomen de niet-Europese landen en gebieden die bijzondere betrekkingen met bepaalde Lid-Staten onderhouden, met de Gemeenschap te associëren. Overeenkomstig artikel 227, lid 3, van het Verdrag zijn deze landen en gebieden, die zich bij het sluiten van het Verdrag in een afhankelijke positie bevonden ten opzichte van een bepaalde Lid-Staat, opgesomd in de lijst die als bijlage IV aan het Verdrag is gehecht. Op die lijst is onder Frans
1550 West-Afrika ook Guinea genoemd. Op 2 oktober 1958, kort na de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag, werd Frans Guinea — als de Republiek Guinea — onafhankelijk. In de loop van de beide volgende jaren gebeurde dit ook met achttien andere landen en gebieden.
Terwijl nu al deze nieuwe staten sedert 1963 associatieovereenkomsten met de Europese Economische Gemeenschap zijn aangegaan, was het tot op het hierbedoelde tijdstip tussen de Republiek Guinea en de Gemeenschap niet tot enigerlei overeenkomst dan wel tot onderhandelingen gekomen.
Rechtens lag aan de associatieverhouding die — alleen krachtens wilsbesluit der verschillende Lid-Staten — tussen de landen en gebieden overzee en de Gemeenschap in het leven was geroepen, hun afhankelijkheid jegens een bepaalde Lid-Staat ten grondslag. Met het verkrijgen der onafhankelijkheid voltrok zich een wezenlijke wijziging die op zichzelf reeds aanleiding mocht geven om de associatieverhouding jegens een niet meer bestaand gezag zonder meer te beëindigen, althans op te schorten totdat beide betrokkenen, de nieuwe staat en de Gemeenschap, te dien aanzien hun standpunt zouden hebben bepaald.
Daaraan doet niet af dat men zich niet slechts de mogelijkheid tot wederzijdse aanvaarding heeft voorbehouden, doch dé nieuwe lid-staten zelfs het recht heeft ingeruimd zich als geassocieerde staten van de Gemeenschap te blijven beschouwen op grond van de regeling die voor hen als landen en gebieden overzee had gegolden.
Wij weten dat de Gemeenschap zich bereid verklaard had om jegens de nieuwe staten die de wens daartoe te kennen hadden gegeven voorlopig de associatieregeling voor de landen en gebieden overzee te handhaven totdat er bij overeenkomst een nieuwe regeling zou zijn opgesteld — hetgeen geschied is met de achttien Afrikaanse staten en Madagascar die op 20 juli 1963 met de Gemeenschap de Associatieovereenkomst van Jaoende sloten —.
Nu de Republiek Guinea niet to bedoelde overeenkomst is toegetreden en zich van de voorafgegane onderhandelingen verre heeft gehouden en er in die staat ook op geen enkele wijze uitvoering is gegeven aan de associatieregeling zoals die voorlopig was gehandhaafd voor de nieuwe onafhankelijke staten die vroeger onder de overeenkomsten der landen en gebieden overzee vielen, moet het ervoor worden gehouden dat bedoelde vroegere associatieverhouding, wat Guinea betreft, is geëindigd, althans opgeschort, sinds dat land de onafhankelijkheid heeft verworven.
Het lijdt geen twijfel dat de wens van de nieuwe staat de associatie met de Gemeenschap te beëindigen c.q. het ontbreken van de wil die associatie te verlengen, de doorslag moet geven wanneer het gaat om beantwoording van de vraag of de regeling waarin die verhouding was vastgelegd is geëindigd of opgeschort. Zodanige staatswil kan, ook wanneer zij niet met zoveel woorden wordt uitgesproken, duidelijk uit het gedrag van de betrokken staat, bezien in verband met de vokenrechtelijke betrekkingen der Gemeenschap, worden afgeleid. In verband hiermede zij gewezen op het contrast tussen de meerderheid der in bijlage IV genoemde landen, die na het verkrijgen van de onafhankelijkheid actief met de Gemeenschap zijn gaan samenwerken, en de Republiek Guinea die zich, althans tot op het hierbedoelde tijdstip, steeds verre van de Gemeenschap heeft gehouden.
Het algemeen belang dat met zekerheid inzake de rechtsbetrekkingen gemoeid is, brengt mede dat men een situatie van onzekerheid inzake het voortbestaan van bedoelde associatieregeling niet gedurende vijftien jaren (de tijd die is verstreken sinds Guinea de onafhankelijkheid verkreeg) kan laten voortduren. Gaven de meeste andere staten die binnen enkele jaren na de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag de onafhankelijkheid hebben verworven, alvorens met de Gemeenschap de door hen gewenste associatieovereenkomsten aan te gaan, de wens te kennen de voorheen bestaande associatieregeling verder te zien toegepast, uit het feit dat de Republiek Guinee iedere redelijke termijn heeft laten voorbijgaan om zich, zij het slechts indirect, in positieve zin over bestendiging of wijziging van bedoelde verhouding uit te spreken — en haar standpunt te dien aanzien had reeds stilzwijgend kunnen worden afgelezen uit een besluit tot toepassing van de vroegere associatieregeling voor de landen en gebieden overzee —, mag.worden afgeleid dat die staat niet kan worden geacht krachtens de regeling van artikel 131 van het Verdrag en de daaraan gehechte toepassingsovereenkomst bedoeld in artikel 136, tot in 1971 een geassocieerde staat van de Gemeenschap te zijn gebleven. Deze eerste overeenkomst, die met het oog op de in het Verdrag voorziene associatieregeling met de landen en gebieden overzee niet kon worden gemist, was trouwens voor slechts vijf jaar aangegaan. Bij besluit van de Raad van 25 februari 1964 (PB, van 11 juni 1964, blz. 1472) is de daarin vastgelegde associatieregeling door een andere vervangen. De Republiek Guinee is ook niet als adressaat van dat besluit genoemd.
Wat nu betreft de douaneregeling voor de importen in de Gemeenschap in 1971 — toen de thans door de nationale rech ter te beoordelen transacties plaatsvonden —: de Asscoaiatieovereenkomst van 29 juli 1969 met de Afrikaanse staten en Madagascar bepaalt in haar artikel 2, lid 1, dat de produkten van oorsprong uit de geassocieerde staten met vrijdom van douanerechten in de Gemeenschap mogen worden ingevoerd.
Een zelfde regeling gold krachtens artikel 2 van 's Raads besluit van 29 september 1970 houdende sluiting van de associatieovereenkomst der landen en gebieden overzee met de Gemeenschap voor produkten van oorsprong uit die landen en gebieden.
De Republiek Guinea behoort niet tot de staten die zich bij de Associatieovereenkomst van 1969 met de Gemeenschap associeerden, terwijl ook 's Raads besluit van 1970 waarin de thans bestaande associatieregeling tussen de Gemeenschap en van Lid-Staten afhankelijke landen en gebieden overzee is vastgelegd, niet tot haar gericht is — en ook in haar hoedanigheid van onafhankelijke staat niet tot haar kon zijn gericht —. Mede in verband met hetgeen wij hiervoor overwogen moeten wij derhalve vaststellen dat de Republiek Guinea wat de invoer harer produkten in de Gemeenschap in 1971 betreft de positie van een derde staat innam.
Onze slotsom moet dus luiden dat op produkten uit deze staat die in 1971 in de Gemeenschap zijn ingevoerd, noch de preferentiële regeling voorzien in de op 29 juli 1969 tussen de Gemeenschap en de GASM aangegane associatieovereenkomst, noch de preferentiële regeling'waarin de Gemeenschap ten gunste van de landen en gebieden overzee heeft bewilligd op grondslag van artikel 131 van het Verdrag — en die is vastgelegd in 's Raads besluit van 29 september 1970 — kan worden toegepast.
Het zou niet anders zijn wanneer het er voor zou moeten worden gehouden dat tussen de Gemeenschap en Guinea nog de oorspronkelijke associatieregeling van toepassing was die voor dat land reeds gold toen het nog behoorde tot de landen en gebieden overzee; want ook dan zou, hetzij wegens niet-naleving van de toepassingsovereenkomst van beperkte duur, hetzij op grond van voormelde houding van de betrokken staat, moeten worden aangenomen dat de oorspronkelijke associatieverhouding „slapend” was gemaakt in afwachting van een nieuwe regeling waarover de Republiek Guinea zich uiteraard met zoveel woorden zou hebben uit te laten. Zolang dit niet gebeurde, was de associatie opgeschort. Ook in dit geval zou dus moeten worden geconstateerd dat waren uit die staat die in 1971 in de Gemeenschap werden ingevoerd, geheel onder de algemene regeling van het gemeenschappelijk douanetarief vielen.
Ik stel U voor de vraag van het Finanzgericht te Berlijn in die zin te beantwoorden.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy