CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 5 DECEMBER 1973 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de zaak waarin ik heden heb te concluderen, gaat het om aanspraken op grond van bijlage VII van het Personeelsstatuut, die ontstaan wanneer ambtenaren der gemeenschappen bij indiensttreding of overplaatsing uitvoering geven aan de in artikel 20 van het Personeelsstatuut neergelegde verplichtingen, namelijk door in hun standplaats te gaan wonen.
Ten aanzien van de feiten moge ik vooraf in het kort het volgende opmerken.
Verzoekers, de heer en mevrouw Louwage, hadden sinds 1956 een gemeenschappelijke woning te Luxemburg. De heer Louwage was aanvankelijk niet bij de Gemeenschappen werkzaam. Vanaf 20 juli 1964 trad hij als hulpfunctionaris in dienst bij de Commissie te Brussel; op 1 oktober 1968 werd hij aangesteld als ambtenaar op proef en op 1 april 1969 als ambtenaar in vaste dienst (rang C 4). — Mevrouw Louwage was in 1958 aanvankelijk hulpfunctionaris bij de Raad en werd op 1 november 1958 aangesteld als ambtenaar in vaste dienst bij het Europees Parlement te Luxemburg.
Op haar verzoek en overeenkomstig haar wens te zamen met haar echtgenoot in Brussel te kunnen wonen, werd mevrouw Louwage met ingang van 5 april 1971 aanvankelijk voor zes maanden en vervolgens op 6 oktober 1971 nogmaals voor zes maanden bij de Commissie te Brussel gedetacheerd. Haar definitieve overplaatsing naar de Commissie volgde op 5 april 1972.
Ondanks de benoeming van de heer Louwage tot ambtenaar in vaste dienst te Brussel en ondanks de hem op 14 mei 1969 verstrekte machtiging om te verhuizen, bleef Luxemburg aanvankelijk de woonplaats van het echtpaar. De heer Louwage had destijds in Brussel blijkbaar alleen een gemeubileerde studio en later een gemeubileerde woning, waarvan mevrouw Louwage na haar detachering te Brussel mede gebruik maakte. De heer Louwage ontving uit dien hoofde van 1 oktober 1968 tot en met 27 september 1969 dagvergoeding overeenkomstig artikel 10 van bijlage VII van het Personeelsstatuut.
Eerst op 27 januari 1972 gaven zij hun woning in Luxemburg op en brachten zij hun inboedel over, nadat mevrouw Louwage op 11 november 1971 machtiging om te verhuizen had verzocht. De kosten van de verhuizing bedroegen 24600 Bfr en werden door het echtpaar Louwage op 22 augustus 1972 voldaan.
In een nota van 25 oktober 1972 berichtte het hoofd van de afdeling „Individuele rechten, voorrechten” van het Directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie mevrouw Louwage met betrekking tot de vergoeding der verhuiskosten dat nog een onderzoek noodzakelijk was, omdat de verhuizer aanvankelijk een rekening had ingediend tot een veel hoger bedrag dan de werkelijke kosten. Ten aanzien van de inrichtingsvergoeding werd verklaard dat mevrouw Louwage op een desbetreffend verzoek één maand basis-salaris zou worden betaald, terwijl ook de heer Louwage een overeenkomstige uitkering zou ontvangen afhankelijk van zijn basissalaris op het tijdstip van zijn aanstelling tot ambtenaar in vaste dienst, echter met een aftrek overeenkomstig artikel 10, lid 2 (oud), van bijlage VII van het Personeelsstatuut. Voorts werd gezegd dat mevrouw Louwage geen aanspraak op betaling van de dagvergoeding kon maken, omdat zij vanaf het begin van haar detachering te Brussel aldaar met haar man had samengewoond. Ten slotte werd in die nota opgemerkt dat de heer Louwage van 1 april tot en met 27 september 1969 ten onrechte dagvergoeding had ontvangen en dat een daarmede overeenkomend bedrag op zijn salaris zou worden ingehouden.
Met deze beschikking kon het echtpaar Louwage zich niet verenigen en zij dienden daartegen gezamelijk een klacht in bij het Directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer. Daarin betoogden zij onder meer dat de heer Louwage tot en met 27 september 1969 terecht dagvergoeding had ontvangen, daar hij niet naar Brussel kon verhuizen. Voorts verlangden zij volledige vergoeding van het door hen op 22 augustus betaalde bedrag der verhuiskosten ad 24600 Bfr, een vergoeding dus waarbij geen rekening werd gehouden met de door de heer Louwage ontvangen dagvergoeding. Ten slotte voerden zij aan dat mevrouw Louwage voor de duur van haar detachering te Brussel en tot de verhuizing van de inboedel van het gezin recht had op dagvergoeding, omdat in die periode de gemeenschappelijke huishouding zich niet in Brussel bevond en het gezin veeleer ieder weekend in Luxemburg bijeenkwam, alwaar ook de huurovereenkomst tot en met 31 januari 1972 in stand bleef.
Toen hun klacht niet binnen de in artikel 90 van het nieuwe Personeelsstatuut voorziene termijn van vier maanden, dat wil zeggen vóór 30 maart 1973, werd beantwoord, stelden verzoekers op 29 juni 1973 beroep in bij het Hof van Justitie.
In hun verzoekschrift vorderen zij:
—
de nota van 25 oktober 1972 nietig te verklaren;
—
—
de Commissie te veroordelen tot betaling van de verhuiskosten ad 24600 Bfr met rente ad 4 % vanaf 22 augustus 1972;
—
de Commissie te veroordelen tot betaling aan mevrouw Louwage van één maand basissalaris uit hoofde van inrichtingsvergoeding;
—
de Commissie te veroordelen tot betaling aan de heer Louwage van twee maanden basissalaris uit hoofde van inrichtingsvergoeding;
—
de Commissie te veroordelen tot betaling aan mevrouw Louwage van dagvergoedingen over het tijdvak van 5 april 1971 tot en met 27 januari 1972 zulks overeenkomstig artikel 10 van bijlage VII van het Personeelsstatuut;
—
te verstaan dat de heer Louwage terecht de hem van 1 april 1969 tot en met 27 september 1969 betaalde dagvergoeding heeft ontvangen en derhalve tot terugbetaling daarvan niet verplicht is, ook niet door inhouding op het salaris;
Nadat verzoekers de zaak bij het Hof aanhangig hadden gemaakt, ontvingen zij twee door een lid van de Commissie ondertekende beschikkingen van 31 juli 1972.
In de ene werd aan de heer Louwage medegedeeld dat hij over het tijdvak van 1 april tot en met 30 september 1969 slechts 14650 Bfr aan fictieve verhuiskosten had mogen ontvangen. Van terugbetaling van het daarboven betaalde bedrag aan dagvergoedingen werd echter afgezien omdat niet was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 85 van het Personeelsstatuut. Ingevolge artikel 5, lid 4, van bijlage VII van het Personeelsstatuut kon hem aan inrichtingsvergoeding slechts de helft van het bedrag waarop hij anders recht zou hebben gehad worden toegekend en daarvan moesten bovendien de bedragen, voorzien in artikel 10 (oud) van bijlage VII van het Personeelsstatuut en punt 5 van de Interne richtlijnen inzake verhuiskosten en dagvergoedingen van de Commissie van 17 maart 1971, worden afgetrokken.
Ten aanzien van mevrouw Louwage werd bepaald dat met betrekking tot de verhuiskosten in aanmerking diende te worden genomen dat haar echtgenoot na 1 april 1969 fictieve verhuiskosten in de vorm van dagvergoeding had ontvangen, zodat hem nog slechts het verschil ad 9950 Bfr moest worden vergoed. Met betrekking tot de installatievergoeding werd haar nogmaals medegedeeld dat haar ter zake één maand basissalaris zou worden betaald. Voorts kon zij geen aanspraak maken op dagvergoeding, daar zij zich op 5 april 1971 bij haar man te Brussel had gevoegd, waarmede de echtelijke samenwoning werd hersteld.
Daarop deden verzoekers bij repliek afstand van een deel hunner oorspronkelijke vorderingen. Zij handhaafden slechts de vordering de Commissie te veroordelen tot betaling van 24600 Bfr aan verhuiskosten en de vordering de Commissie te veroordelen tot betaling aan mevrouw Louwage van dagvergoedingen over het tijdvak van 5 april 1971 tot en met 27 januari 1972. Voorts handhaafden verzoekers hun vordering de Commissie in ieder geval in alle kosten van het geding te verwijzen.
Met betrekking tot de thans overblijvende, volgens de Commissie ongegronde vorderingen, valt het volgende op te merken:
1.
De vordering tot vergoeding van de verhuiskosten is gebaseerd op artikel 9 van bijlage VII van het Personeelsstatuut, waar wordt bepaald: „Aan de ambtenaar die verplicht is van woonplaats te veranderen ten einde de bepalingen van artikel 20 van het Statuut na te komen, en die geen vergoeding van dezelfde kosten uit andere bron mocht genieten, worden de kosten van verhuizing van zijn persoonlijke inboedel … vergoed.”
Niet wordt betwist dat door de verhuizing van de inboedel van het echtpaar Louwage verhuiskosten ter hoogte van 24600 Bfr zijn ontstaan en dat deze kosten ook door hen zijn betaald. — Partijen verschillen slechts van mening over de vraag of op dit bedrag — zoals de Commissie wil — 14650 Bfr in mindering kan worden gebracht. De Commissie beroept zich hiertoe op het feit dat de na 1 april 1969 aan de heer Louwage uitgekeerde dagvergoeding ten dele (namelijk tot genoemd bedrag) als fictieve verhuiskosten in de zin van artikel 10, lid. 3, van bijlage VII van het Personeelsstatuut en van punt 4 van de Interne richtlijnen inzake verhuiskosten en dagvergoedingen van de Commissie van 17 maart 1971 moeten worden beschouwd. Een aftrek zou volgens de Commissie bovendien gerechtvaardigd zijn omdat de verhuizing de gemeenschappelijke familie-inboedel gold. Zij leidt daaruit af dat de verhuiskosten ten laste van de huwelijksgemeenschap zijn gekomen en dus alleen die gemeenschap op vergoeding van deze kosten aanspraak kan maken. Ter voorkoming van ongerechtvaardigde verrijking moet daarom het 'bedrag dat de gemeenschap aan fictieve verhuiskosten heeft ontvangen, haar in rekening worden gebracht.
De opvatting van verzoekers dat uit genoemde brief van een lid van de Commissie aan de heer Louwage van 31 juli 1971 kan worden afgeleid dat de Commissie afziet van verrekening van deze verhuiskosten, is volstrekt onjuist. In genoemde brief wordt namelijk alleen gezegd dat de door de heer Louwage na 1 april 1969ten onrechte ontvangen bedragen worden teruggevorderd daar niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 85 van het Personeelsstatuut. Uit de brief blijkt echter duidelijk dat het hier gaat om het bedrag dat overblijft wanneer men van de in totaal betaalde dagvergoedingen ad 36000 Bfr de zogenaamde fictieve verhuiskosten ten bedrage van 14650 Bfr aftrekt. Van de fictieve verhuiskosten wordt daarentegen in genoemde brief juist niet gezegd dat zij ten onrechte zijn betaald; bijgevolg kan de opmerking betreffende het niet toepassen van artikel 85 van het Personeelsstatuut daarop dan ook niet slaan.
Bovendien betwijfel ik of kan worden gezegd dat het bedrag van 14650 Bfr daarom niet onder de categorie fictieve verhuiskosten mag worden gebracht, omdat het de heer Louwage destijds niet mogelijk was te verhuizen. Hiertoe verwijst verzoeker naar artikel 10, lid 4, van bijlage VII van het Personeelsstatuut, krachtens hetwelk de regeling inzake de fictieve verhuiskosten niet kan worden toegepast op de ambtenaar die naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde gezag in de onmogelijkheid verkeerde om zijn verhuizing te doen plaatsvinden. Hij verwijst bovendien naar punt 8 van genoemde richtlijnen van de Commissie. — Men kan zich echter met recht afvragen of was voldaan aan de in deze bepalingen gestelde voorwaarden (het doen van een verzoek met overlegging van bewijsstukken en uitdrukkelijke goedkeuring door het tot aanstelling bevoegde gezag). In dit verband is er namelijk alleen verzoekers brief van 6 mei 1969 (kennelijk moet dit 6 juni 1969 zijn), waarin hij verwijst naar een gesprek van 5 juni 1969 en stelt dat een verhuizing in de loop van 1969 voor hem niet mogelijk is.
Dit inderdaad netelige vraagstuk kan echter buiten beschouwing blijven, want de aan de heer Louwage betaalde dagvergoedingen kunnen ook niet voor een gedeelte als fictieve verhuiskosten worden beschouwd. De heer Louwage is op 1 oktober 1968 benoemd tot ambtenaar op proef en op 1 april 1969 tot ambtenaar in vaste dienst. In een hem op 28 mei betekende brief van 14 mei 1969 verkreeg hij machtiging tot verhuizing.
Ingevolge het destijds geldende Personeelsstatuut was in een dergelijk geval — war de betaling van dagvergoedingen betreft — artikel 10, lid 3, van bijlage VII van het Personeelsstatuut van toepassing. Dit luidt als volgt: „Indien de ambtenaar de verhuizing naar zijn standplaats niet volbrengt, hoewel hij hiertoe machtiging heeft verkregen, wordt de dagvergoeding beperkt tot het totale bedrag waarop hij bij verhuizing recht zou hebben gehad. Het tot aanstelling bevoegde gezag bepaalt in dit geval het bedrag waarop de ambtenaar ten hoogste recht heeft en past daarbij voor de schatting der verhuiskosten de bepalingen van artikel 9 toe.” Daaruit kan hoogstens worden afgeleid dat het achterwege laten van de verhuizing binnen een redelijke termijn na ontvangst van de daartoe gegeven machtiging, meebrengt dat vanaf een dienovereenkomstig tijdstip de betaling van dagvergoeding kan worden beschouwd als vergoeding van fictieve verhuiskosten. In het onderhavig geval ware dit, wanneer men een termijn van 2 maanden als redelijk beschouwt, vanaf 29 juli 1969, doch stellig niet vanaf 1 april 1969. In werkelijkheid komt echter zelfs deze opvatting nauwelijks houdbaar voor, want niet mag uit het oog worden verloren dat de heer Louwage bij de machtiging tot verhuizing uitdrukkelijk werd medegedeeld dat hem op grond van artikel 10 van bijlage VII dagvergoedingen zouden worden betaald tot de dag waarop de verhuizing de facto plaatsvond en „en principe pour une période ne pouvant excéder quatre mois a compter de la date de la notification de l'autorisation de déménagement”. Dit kan bij gebreke van een verwijzing naar artikel 10, lid 3, van bijlage VII, waarvoor destijds nog geen uitvoeringsrichtlijnen bestonden, slechts aldus worden verstaan dat de heer Louwage in ieder geval vóór de verhuizing over een termijn van vier maanden zou beschikken en dat derhalve de in deze tijd betaalde dagvergoedingen slechts als zodanig en niet als vergoeding van de fictieve verhuiskosten kunnen worden beschouwd.
Past men bovendien op het geval van de heer Louwage, gelijk overigens ook de Commissie wil doen, de Interne richtlijnen van de Commissie van 17 maart 1971 toe — zulks met het oog op het feit dat deze richtlijnen op 5 maart 1968, dus met terugwerkende kracht in werking zouden treden — dan is bepalend punt 4, waar het heet dat de ambtenaar die, hoewel hij de machtiging heeft gekregen, niet verhuist gedurende het jaar volgend op zijn aanstelling in vaste dienst …, gedurende een periode van zes maanden recht heeft op de volledige dagvergoedingen en vervolgens vanaf de zevende maand tot ten hoogste het bedrag van de fictieve verhuiskosten. Dit betekent — toegepast op het onderhavige geval — dat het op de titularisering aankomt en bijgevolg, zoals blijkt uit artikel 34 van het Personeelsstatuut, op de aanstelling van de ambtenaar in vaste dienst. Vanaf dit tijdstip moet gedurende een periode van zes maanden dagvergoeding worden betaald. Eerst vanaf de zevende maand geldt echter de regeling dat de dagvergoedingen als fictieve verhuiskosten moeten worden beschouwd en tot een dienovereenkomstig bedrag moeten worden beperkt. Aangezien de heer Louwage echter per 1 april 1969 tot ambtenaar in vaste dienst is benoemd, kan juist op grond van de Interne richtlijnen van de Commissie in geen geval worden aangenomen dat de betaalde dagvergoedingen reeds vanaf 1 april 1969 als fictieve verhuiskosten vielen te beschouwen. Dit ware eerst mogelijk geweest vanaf 1 oktober 1969, een tijdstip dus waarop de heer Louwage klaarblijkelijk geen dagvergoeding meer ontving.
Waar de heer Louwage dus geen fictieve verhuiskosten heeft ontvangen, behoeft niet te worden ingegaan op de vraag of met kosten welke aan een der echtgenoten zijn vergoed, bij een latere verhuizing van de gezinsinboedel in verband met de overplaatsing van de andere echtgenoot — in het bijzonder wanneer het een huwelijksgemeenschap betreft — rekening moet worden gehouden.
De vordering tot vergoeding der verhuiskosten ad 24600 Bfr is derhalve gegrond.
2.
In de tweede plaats vordert mevrouw Louwage vanaf het tijdstip waarop zij voor het eerst te Brussel werd gedetacheerd, namelijk 5 april 1971, tot haar verhuizing naar Brussel op 27 januari 1972, betaling van dagvergoeding overeenkomstig artikel 10 (oud) van bijlage VII van het Personeelsstatuut, luidende als volgt: „De ambtenaar die aantoont dat hij niet meer in zijn gewone verblijfplaats kan blijven en die zijn verhuizing naar zijn standplaats niet heeft volbracht, heeft gedurende ten hoogste twaalf maanden recht op een dagvergoeding ..”.
De Commissie weigert deze bepalingen toe te passen omdat volgens haar niet is voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden, nu mevrouw Louwage vanaf de eerste dag van haar detachering te Brussel met haar man heeft samengewoond. Volgens de Commissie is de echtelijke „foyer”, in de zin van de Franse tekst, daar (te Brussel) terstond hersteld; Brussel was toen reeds hun eigenlijke woonplaats, ook al omdat de echtgenoten daar gemeenschappelijk hun werkzaamheden uitoefenden, terwijl in Luxemburg nog slechts een tweede woning overbleef.
Verzoekster voert hiertegen aan dat zij in Brussel slechts over een gemeubileerde woning beschikten, waarin hun zoon gedurende de weekeinden niet kon worden ondergebracht. Daarom was de gewone verblijfplaats van het gezin in Luxemburg gebleven. Bovendien kon ook niet aan onmiddellijke verandering van woonplaats en verhuizing van de gezinsinboedel worden gedacht, omdat mevrouw Louwages positie te Brussel — het betrof slechts tijdelijke detachering — onzeker scheen. Ik heb de indruk dat de Commissie zich bij deze gedachtenwisseling te eenzijdig baseert op de Franse tekst van het Personeelsstatuut en — waar zij doelt op het samenwonen der echtgenoten — aan het begrip „foyer” een betekenis toekent die het niet noodzakelijk heeft. Bij vergelijking met de evenzeer bindende Duitse tekst van het Personeelsstatuut — die ik reeds heb geciteerd — valt deze conclusie van de Commissie moeilijk te handhaven. Daarin wordt namelijk slechts gesproken over ambtenaren die „nicht weiterhin an ihrem bisherigen Wohnsitz wohnen können und die nicht an den Ort ihrer dienstlichen Verwendung umgezogen sind”. Daaruit kan worden afgeleid dat een ambtenaar recht heeft op dagvergoeding wanneer hij om dienstredenen zijn vroegere woonplaats moet verlaten, terwijl een verhuizing van de persoonlijke bezittingen niet dadelijk mogelijk was. Zo luidt overigens ook het nieuwe artikel 10 van bijlage VII. Op grond hiervan kan de vordering van mevrouw Louwage dus zonder meer gegrond worden verklaard.
Daarbij komen nog de bewoordingen van de reeds genoemde, eveneens ter uitvoering van artikel 10 vastgestelde Interne richtlijnen van de Commissie. Volgens deze tekst is de betaling van dagvergoeding duidelijk gebonden aan het feit dat de verhuizing werkelijk plaatsvindt. Hiertoe verwijs ik naar de punten 1, 3, 4 en — in het bijzonder voor verzoeksters geval — naar punt 6, volgens hetwelk ingeval van verandering van standplaats de dagvergoeding voor ambtenaren die gedwongen zijn van woonplaats te veranderen, tot de verhuizing wordt uitgekeerd.
Ten slotte kan ook worden geconstateerd dat een zodanige accentuering der voornaamste crireria het meest aan zin en doel van het voorschrift beantwoordt. Ten gevolge van de verandering van standplaats en zolang de huishouding van de betrokken ambtenaar niet eveneens werd verplaatst, ontstaan namelijk extra kosten voor een tweede woning en voor reizen naar de oorspronkelijke woonplaats. Hiervoor wil het Statuut compensatie in de vorm van dagvergoeding bieden. Dit geldt ook — en dat mag niet uit het oog worden verloren — wanneer ongehuwden van standplaats moeten veranderen en tevens wanneer een echtgenoot buiten gezinsverband moet gaan wonen, en zelfs wanneer beide echtgenoten — hetgeen zeer wel denkbaar is — om dienstredenen gelijktijdig van woonplaats moeten veranderen. Aldus gezien is dus niet beslissend dat echtgenoten in een gemeenschappelijke huishouding samenleven, doch is veeleer bepalend of zij in hun eigenlijke huishouding kunnen samenleven, ofwel daarnaast slechts een voorlopig onderkomen hebben tot hun verhuizing heeft plaats gevonden.
Wanneer men er voorts rekening mee houdt dat de werkgever de situatie, waarin dagvergoeding moet worden betaald door het geven van machtiging tot verhuizing kan verkorten (ik verwijs hiervoor nogmaals naar cijfer 2 van de Interne richtlijnen van de Commissie) en voorts bedenkt dat dit voorschrift in het geval van mevrouw Louwage niet terstond is toegepast, dan kan daaruit slechts worden afgeleid dat de werkgever zelf de op detachering gebaseerde situatie precair heeft geacht en daarom nog geen verhuizing van haar heeft willen verlangen.
Gezien het feit dat de woning van het echtpaar Louwage met hun eigenlijke huishouding tot de verhuizing te Luxemburg gevestigd is gebleven, de zoon zich ook alleen daar bij zijn ouders kon voegen, waartoe hun gemeubileerde woning te Brussel zich blijkbaar niet leende, en vooral gezien de Interne richtlijnen van de Commissie ter verduidelijking van artikel 10 van bijlage VII, ben ik dan ook van oordeel dat aan mevrouw Louwage in casu een aanspraak op betaling van dagvergoeding over de periode van 5 april 1971 tot en met 27 januari 1972 niet kan worden ontzegd.
Met deze conclusie zou men overigens thans moeten volstaan en van een veroordeling van de Commissie tot betaling van een bepaald bedrag afzien, want, zie ik wel, dan zal de Commissie, die aan mevrouw Louwage blijkbaar al een inrichtingsvergoeding ten bedrage van een maandsalaris heeft uitgekeerd, op dit punt nog het in haar Interne richtlijnen sub 5 bepaalde in acht moeten nemen.
3.
Ten aanzien van de proceskosten kan worden opgemerkt dat in geval van afstand van instantie, moet worden gehandeld overeenkomstig artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering, dat wil zeggen dat de partij die verklaart afstand te doen van de instantie in de proceskosten zal worden veroordeeld, tenzij deze afstand door de houding der wederpartij wordt gerechtvaardigd.
In casu valt hierover het volgende te zeggen: in de eerste plaats kan niet worden betwist dat de vordering tot betaling van rente in verband met de door de Commissie geciteerde jurisprudentie van het Hof, werd ingetrokken. Met betrekking tot de aanspraak van mevrouw Louwage op inrichtingsvergoeding moet worden bedacht dat deze reeds in de nota van 25 oktober 1972 werd erkend, dus vóór het instellen van het beroep. De vordering tot betaling van twee maanden basissalaris aan de heer Louwage uit hoofde van inrichtingsvergoeding, was in de administratieve klacht niet vermeld en had daarom ingevolge het nieuwe Personeelsstatuut nietontvankelijk moeten worden verklaard. Met betrekking tot deze drie ingetrokken vorderingen bestaat er dus geen aanleiding over de kosten ten gunste van verzoekers te beslissen.
Slechts ten aanzien van de eis te verstaan dat de heer Louwage niet tot terugbetalingen van dagvergoeding verplicht is, moet de Commissie in de kosten worden veroordeeld, daar een desbetreffende mededeling in de nota van 25 oktober 1972 — die de aanleiding vormde voor het beroep —, eerst in een beschikking van de Commissie van 31 juli 1973, dus nadat het geding bij het Hof aanhanging was gemaakt, is herroepen.
Gelet op het feit dat het beroep, voor zover verzoekers hun vorderingen hebben gehandhaafd, moet worden toegewezen en de door de Commissie gemaakte kosten ingevolge artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering toch te haren laste blijven, acht ik het juist de Commissie te veroordelen tot betaling van drievierde deel der aan verzoekers opgekomen kosten. De overige kosten zullen zij zelf moeten dragen.
4.
Samenvattend concludeer ik:
dat de Commissie overeenkomstig het beroep zal worden veroordeeld aan verzoekster verhuiskosten ad 24600 Bfr te vergoeden;
dat de Commissie zal worden veroordeeld aan mevrouw Louwage overeenkomstig artikel 10 van bijlage VII van het Personeelsstatuut dagvergoedingen over de periode van 5 april 1971 tot en met 27 januari 1972 uit te keren en dat de Commissie in drie vierde der aan de zijde van verzoekers gevallen kosten zal worden verwezen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy