CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 19 FEBRUARI 1974 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Op 22 januari 1972 werd te Brussel het Verdrag betreffende de toetreding van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk tot de Gemeenschappen ondertekend. Bij dat Verdrag behoort een „Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing der Verdragen”, gewoonlijk de „Toetredingsakte” genoemd. Artikel 2 hiervan luidt:
„Vanaf de toetreding zijn de oorspronkelijke Verdragen en de door de Instellingen van de Gemeenschappen genomen besluiten verbindend voor de nieuwe Lid-Staten en in deze staten toepasselijk onder de voorwaarden voorzien in deze Verdragen en in deze Akte.”
Hiertoe bepaalt artikel 9, lid 1, van de Akte:
„Ten einde voor de nieuwe Lid-Staten de aanpassing aan de in de Gemeenschappen geldende regels te vergemakkelijken, gelden ten aanzien van de toepassing van de oorspronkelijke Verdragen en de door de Instellingen genomen besluiten, bij wijze van overgang, de in deze Akte neergelegde afwijkende bepalingen.”
Volgens een der in de Akte voorziene afwijkingen wordt gedurende een overgangsperiode, voor bepaalde landbouwprodukten een stelsel van afnemende „compenserende bedragen” ingevoerd. Artikel 55, lid 1, bepaalt met name:
„In het handelsverkeer van de nieuwe Lid-Staten onderling en met de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling worden compenserende bedragen geheven door de invoerende staat of toegekend door de uitvoerende staat.”
Ingevolge artikel 62, lid 1, dient de Raad, op voorstel van de Commissie en met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, de bepalingen vast te stellen die nodig zijn ter uitvoering van de titel van de Akte die op de landbouw betrekking heeft. Het geschil in deze zaak gaat over de wijze waarop de Raad krachtens, of beweerdelijk krachtens, deze bevoegdheid de compenserende bedragen voor tomaten heeft vastgesteld, nader gezegd over de vraag of de Raad bij deze vaststelling inderdaad het verschil tussen kastomaten en tomaten van de open grond in aanmerking mocht nemen. Partijen zijn het erover eens dat de prijzen van kastomaten in het algemeen hoger zijn dan die van vollegrondstomaten maar zij verschillen van mening over de vraag waarom dit zo is en ook over de vraag of het verschil van belang is voor de vaststelling van compenserende bedragen.
Ook is men het blijkbaar erover eens dat in de Gemeenschap de teelt van tomaten op commerciële basis in het zuiden — Zuid-Frankrijk en Italië — nagenoeg geheel in de open grond plaats vindt, in het noorden — Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Denemarken — bijna geheel onder glas, en in Noord-Frankrijk, België, Luxemburg en Duitsland deels in de open grond en deels onder glas.
Bij de beschouwing van dit geschil dient men in gedachten te houden hoe de stand van de Gemeenschapswetgeving met betrekking tot groenten en fruit, met name tomaten, was op het moment dat het Verdrag van Brussel werd ondertekend.
's Raads verordening nr. 23 van 4 april 1962 regelde de geleidelijke totstandbrenging in de toenmalige Lid-Staten van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit. Ik acht het niet nodig de bepalingen van deze verordening tot in detail te bezien. Vele van deze bepalingen werden namelijk later vervangen door 's Raads verordening nr. 159/66 EEG, waarover ik nog kom te spreken. Maar een belangrijk kenmerk van verordening nr. 23 is dat zij gemeenschappelijke normen ten aanzien van kwaliteit, sortering en verpakking per produkt of groep van produkten voorschrijft. In bijlage II/2 bij deze verordening staan de „gemeenschappelijke kwaliteitsnormen voor tomaten” vermeld. Voor de onderhavige zaak is van belang dat deze bijlage onder vermelding van een aantal eigenschappen tomaten wel indeelt in Klasse „Extra”, Klasse „I” en Klasse „II” en een aantal algemene eisen stelt ten aanzien van hun sortering naar grootte, verpakking, presentatie en aanduiding, maar nergens onderscheid maakt tussen tomaten van de volle grond en kastomaten. Zij noemt in het geheel geen teeltmethode. Dit in duidelijke tegenstelling met bijlage II/5 die handelt over sla, en in verschillende bepalingen onderscheid maakt tussen glassla en sla van de volle grond.
Verordening nr. 23 werd aangevuld bij 's Raads verordening nr. 211/66/EEG van 14 december 1966 waarin een nieuwe klasse tomaten, Klasse III, werd ingevoerd. In bijlage II van deze verordening die de gemeenschappelijke kwaliteitsnormen voor klasse III tomaten voorschrijft, vindt men twee verwijzingen naar kastomaten. De eerste staat in de rubriek „Sortering naar grootte”, waarin wordt bepaald:
„De minimale middellijn van de in de klasse „III” ingedeelde tomaten is vastgesteld op:
—
20 mm voor tomaten met een langwerpige vorm, voor „kers”-tomaten en voor kastomaten,
—
35 mm voor andere tomaten.”
De andere verwijzing is te vinden in de rubriek „Aanduidingsvoorschriften” waarin, onverkort de desbetreffende vereisten van bijlage II/2 bij verordening nr. 23, wordt bepaald; „op elke verpakkingseenheid van klasse III-tomaten dient echter verplicht het type te worden vermeld door middel van een van de volgende uitdrukkingen: „geribd”, „rond”, „langwerpig”, „kers” of „kas”.
Vreemd genoeg, is de in casu belangrijkste verordening niet langer van kracht:
's Raads verordening nr. 159/66/EEG van 25 oktober 1966, sterk gewijzigd bij 's Raads verordening (EEG) nr. 2515/69 van 9 december 1969. Van geen dezer verordeningen bestaat een authentieke Engelse tekst, maar door de Raad werden onofficiële vertalingen in het Engels overgelegd, waarvan de nauwkeurigheid niet is aangevochten.
De aldus gewijzigde verordening nr. 159/66 kende twee fasen van interventie ter ondersteuning van de markt voor, onder andere, tomaten.
Ten eerste de oprichting van telersverenigingen met onder andere de taak de gehele produktie van hun leden te verkopen. In artikel 3 der verordening worden deze verenigingen gemachtigd „bodemprijzen” vast te stellen waaronder zij de door hun leden aangevoerde produkten niet te koop zullen aanbieden. De verordening bevat uiteraard ook bepalingen om leden wier produkten onverkocht blijven, een vergoeding toe te kennen en om deze produkten buiten de normale handelskanalen te verkopen.
De tweede interventiefase treedt in, wanneer de Commissie op grond van mededelingen van de Lid-Staten verklaart dat de markt van een bepaald produkt een ernstige crisis doormaakt. Artikel 7 bepaalt dat de Lid-Staten dan de hun aangeboden — en niet volgens artikel 3 uit de markt genomen — produkten van oorsprong uit de Gemeenschap kunnen aankopen.
Beide interventiemethoden betreffen alleen produkten die voldoen aan de reeds genoemde gemeenschappelijke kwaliteitsnormen.
Zowel de „bodemprijs” als de „aankoopprijs” worden bepaald aan de hand van de „basisprijs”, welke krachtens artikel 4, lid 1, elk jaar door de Raad op voorstel van de Commissie moet worden vastgesteld. Artikel 4, lid 1, bepaalt uitdrukkelijk dat voor verschillende perioden van het verkoopseizoen verschillende basisprijzen kunnen worden vastgesteld op grond van het prijsverloop volgens de seizoenen en dat perioden met geringe handel aan het begin en het einde van het verkoopseizoen niet in aanmerking mogen worden genomen. Er zij op gewezen dat ingevolge dat artikel, in samenhang met bijlage I bij die verordening, het produkt waarvoor, voorzover hier van belang, basisprijzen moeten worden vastgesteld, eenvoudig „tomaten” wordt genoemd.
Artikel 4, lid 2, van de verordening bepaalt:
„De basisprijs is gelijk aan het rekenkundig gemiddelde van de prijzen, die op die representatieve markt of markten van de Gemeenschap in de produktiegebieden met een overschot en met de laagste prijzen zijn genoteerd gedurende de drie verkoopseizoenen die aan de datum van vaststelling van de basisprijs voorafgaan, voor een produkt waarvoor de handelskenmerken, zoals variëteit of type, kwaliteitsklasse, sortering naar grootte en verpakking zijn vastgesteld. Bij het vaststellen van dit gemiddelde wordt geen rekening gehouden met de prijzen die voor elke representatieve markt als buitensporig hoog of buitensporig laag ten opzichte van de normale schommelingen op deze markt kunnen worden beschouwd.
De voor de bepaling van de basisprijs in aanmerking genomen produktiegebieden met een overschot moeten te zamen voor het betrokken produkt in de betreffende periode tussen 20 en 30 % van de produktie van de Gemeenschap opleveren.”
Artikel 4, lid 3, zegt dat de aankoopprijs voor tomaten moet worden vastgesteld op een peil, gelegen tussen 40 en 45 % van de basisprijs.
Artikel 4, lid 4 (dat bij verordening nr. 2515/69 werd toegevoegd) luidt:
„Voor een produkt waarvan de handelskenmerken afwijken van die van het produkt dat gekozen is voor de vaststelling van de basisprijs, wordt de prijs waartegen het produkt in het kader van de bepalingen van artikel 7 wordt aangekocht, berekend door toepassing van aanpassingscoëfficiënten op de door de Raad vastgestelde aankoopprijs.”
Voorts regelt het de procedure voor de vaststelling van de aanpassingscoëfficiënten, die plaats dient te vinden door raadpleging van het — bij verordening nr. 23 ingesteld — Comité van Beheer voor groenten en fruit.
Lid 2 van artikel 7 (vervangen door verordening nr. 2515/69 bepaalt dat de ingevolge dit lid aan te kopen produkten moeten worden gekocht:
„—
tegen de aankoopprijs, waarop de aanpassingscoëfficiënt voor de kwaliteitsklasse II en in voorkomende gevallen andere aanpassingscoëfficiënten zijn toegepast, voor zover zij voldoen aan de eisen van kwaliteit en sortering naar grootte, gesteld in de gemeenschappelijke kwaliteitsnormen voor deze kwaliteitsklasse of voor de hogere kwaliteitsklassen;
—
tegen de aankoopprijs, waarop de aanpassingscoëfficiënt voor de kwaliteitsklasse III en in voorkomende gevallen andere aanpassingscoëfficiënten zijn toegepast, voor zover zij voldoen aan de eisen van kwaliteit en sortering naar grootte, gesteld in de gemeenschappelijke kwaliteitsnormen voor deze kwaliteitsklasse.”
Artikel 6, lid 1 (eveneens vervangen), luidt:
„De Lid-Staten kennen aan de telersverenigingen die in het kader van de bepalingen van artikel 3 interventiemaatregelen verrichten een financiële vergoeding toe op voorwaarde dat:
de bodemprijs ligt:
—
op een peil dat ten hoogste gelijk is aan dat van de in artikel 7, lid 2, eerste streepje, bedoelde prijs, verhoogd met 10 % van de basisprijs, voor de produkten die de kenmerken bezitten welke zijn voorgeschreven in de gemeenschappelijke kwaliteitsnormen voor de kwaliteitsklasse II of voor de hogere kwaliteitsklassen,
—
op een peil dat ten hoogste gelijk is aan dat van de in artikel 7, lid 2, tweede streepje, bedoelde aankoopprijs, verhoogd met 10 % van de basisprijs, voor de produkten die de kenmerken bezitten welke zijn voorgeschreven in de gemeenschappelijke kwaliteitsnormen voor de kwaliteitsklasse III.”
Ten slotte bepaalt artikel 12, lid 4, dat de door de andere Lid-Staten dan Italië (waarvoor bijzondere bepalingen gelden) verrichte uitgaven onder de volgende voorwaarden worden vergoed:
„a)
voor de activiteiten welke voortvloeien uit de toepassing van artikel 6 is het bedrag van de vergoeding gelijk aan de waarde van de uit de markt genomen hoeveelheden, die wordt berekend door vermenigvuldiging van de betrokken hoeveelheden met de door de Raad vastgestelde aankoopprijs waarop eventueel de in artikel 7 bedoelde aanpassingscoëfficiënten zijn toegepast, en verhoogd met 5 % van de basisprijs,
b)
voor de activiteiten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 7 is het bedrag van de vergoeding gelijk aan de waarde van de uit de markt genomen hoeveelheden, die wordt berekend door vermenigvuldiging van de betrokken hoeveelheden met de door de Raad vastgestelde aankoopprijs waarop eventueel de in artikel 7 bedoelde aanpassingscoëfficiënten zijn toegepast.”
U ziet dus dat de basisprijs als uitgangspunt voor de berekening van de bodemprijs, de aankoopprijs en de vergoedingen aan de Lid-Staten dient en moet worden bepaald voor „een produkt, waarvoor de handelskenmerken zijn vastgesteld.” Voorts bemerkt U dat bij de berekening van bodemprijzen, aankoopprijzen en vergoedingen aan de Lid-Staten met betrekking tot produkten waarvan de relevante kenmerken afwijken van die van het produkt dat gekozen is voor de vaststelling van de basisprijs, aanpassingscoëfficiënten moeten worden toegepast.
In de praktijk heeft de Raad elk jaar slechts voor de maanden juni tot en met november basisprijzen voor tomaten vastgesteld, omdat de produktie in de periode van januari tot en met mei en in december te verwaarlozen is.
Voor 1971, het jaar dat onmiddellijk voorafging aan de ondertekening van het Verdrag van Brussel, werden de basisprijzen voor tomaten vastgesteld in artikel 1, lid 1, van 's Raads verordening nr. 1238/71. Artikel 1, lid 2, bepaalt in een duidelijke, zij het impliciete, verwijzing naar de eis dat de aldus vastgestelde prijzen moeten gelden „voor een produkt, waarvoor de handelskenmerken zijn vastgesteld”, dat de in lid 1 genoemde prijzen betrekking hebben op „ronde” en „geribde” tomaten van kwaliteitsklasse I, grootte 57/67 mm, en op „langwerpige” tomaten van kwaliteitsklasse I, grootte 40/47 mm, aangeboden in verpakking. Ik zal deze types tomaten gemakshalve de „referentietypes” noemen. Om op de zaak vooruit te lopen: door de Raad werden bij het vaststellen van de basisprijzen voor 1972 en 1973 precies dezelfde referentietypes gebruikt. Men bemerkt terstond dat bij de omschrijving van de referentietypes de teeltmethode niet in aanmerking wordt genomen, en evenmin wordt gesuggereerd dat deze types alleen in de volle grond worden geteeld. Wel is door de Raad gezegd en, naar ik meen, niet door Ierland betwist, dat de toepassing van de in artikel 4, lid 2, van verordening nr. 159/66 neergelegde formule in feite tot gevolg heeft dat de basisprijzen worden afgeleid van de prijzen voor in de volle grond geteelde tomaten, omdat hiervoor de laagste prijzen worden genoteerd.
Ziedaar de achtergrond waartegen de artikelen 65 en 66 van de Toetredingsakte, die U hier in het bijzonder heeft uit te leggen, moeten worden gelezen.
Artikel 65 luidt aldus:
„1.
Er wordt een compenserend bedrag vastgesteld voor groenten en fruit waarvoor:
a)
de betrokken nieuwe Lid-Staat in de loop van het jaar 1971 kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking toepaste;
b)
een gemeenschappelijke basisprijs is vastgesteld, en
c)
de produktieprijs in deze nieuwe Lid-Staat aanmerkelijk hoger ligt dan de basisprijs van toepassing in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling gedurende de periode voorafgaande aan de toepassing van de communautaire regeling op de nieuwe Lid-Staten.
2.
De in lid 1, sub c), bedoelde produktieprijs wordt berekend door de beginselen neergelegd in artikel 4, lid 2, van verordening nr. 159/66/EEG…, toe te passen op de nationale gegevens van de betrokken nieuwe Lid-Staat.
3.
Het compenserende bedrag is slechts van toepassing gedurende het tijdvak waarin de basisprijs geldt.”
Artikel 66 bepaalt dat het compenserende bedrag aanvankelijk „gelijk [is] aan het verschil tussen de in artikel 65, lid 1, sub c), bedoelde prijzen”; doch voor het handelsverkeer tussen twee nieuwe Lid-Staten waarin aan de voorwaarden genoemd in artikel 65, lid 1, is voldaan, „is het compenserende bedrag gelijk aan het verschil tussen hun produktieprijzen”. Voorts schrijft artikel 66 voor dat deze verschillen „worden gecorrigeerd, voor zover zulks nodig is, met de invloed der douanerechten.” Ten slotte worden ingevolge dat artikel de compenserende bedragen vanaf 1974 jaarlijks met een vijfde verminderd, zodat zij in 1978 kunnen worden afgeschaft.
Het is bekend dat Ierland gedurende 1971 kwantitatieve beperkingen voor tomaten toepaste en dat zijn produktieprijs voor tomaten boven de vóór de toetreding in de Gemeenschap geldende basisprijs lag. Het lijdt dus geen twijfel dat de artikelen 65 en 66 op Ierlands handel in tomaten van toepassing zijn.
In het tijdvak tussen de ondertekening van het Verdrag van Brussel en de toetredingsdatum (1 januari 1973) stelde de Raad op dit gebied drie verordeningen vast.
De eerste was verordening (EEG) nr. 1035/72 van 18 mei 1972. Het doel en het gevolg hiervan waren dat de meeste bestaande regelingen inzake de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit werden ingetrokken en opnieuw vastgesteld door middel van codificatie. Een van de aldus ingetrokken verordeningen was verordening nr. 159/66. Vandaar, dat deze verordening niet langer van kracht is, behalve natuurlijk voor zover artikel 65, lid 1, van de Toetredingsakte naar de verordening verwijst. Alle materiële bepalingen van verordening nr. 159/66 werden bij verordening nr. 1035/72 opnieuw vastgesteld. Met name artikel 4 van verordening nr. 159/66 werd artikel 16 van verordening nr. 1035/72. Ook zij opgemerkt dat de bepalingen van verordening nr. 23, met name de bijlagen, welke de gemeenschappelijke kwaliteitsnormen voor de verschillende soorten groenten en fruit evenals hun indelingen voorschreven, in verordening nr. 1035/72 werden gehandhaafd. De regelingen zijn bij deze verordening niet wezenlijk gewijzigd.
Bij verordening (EEG) nr. 1173/72 van 6 juni 1972 stelde de Raad de basisprijzen voor tomaten voor 1972 vast. Zoals ik reeds zei, gebruikte hij hiertoe dezelfde referentietypes als in 1971.
Vervolgens heeft de Raad verordening nr. 1035/72 in een aantal opzichten herzien bij verordening (EEG) nr. 2454/72 van 21 november 1972. In het bijzonder werd artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1035/72 (overeenkomende met artikel 4, lid 2, van verordening nr. 159/66) vervangen door een nieuw lid, luidende als volgt:
„De basisprijs wordt, met name rekening houdend met de noodzaak om:
—
bij te dragen tot de ondersteuning van het producenteninkomen,
—
zorg te dragen voor de stabilisering van de marktprijzen zonder dat zulks leidt tot de vorming van structurele overschotten in de Gemeenschap,
—
het belang van de verbruikers in aanmerking te nemen,
vastgesteld op basis van de ontwikkeling van het gemiddelde van de prijzen die gedurende de laatste drie jaar op de meest reprensentatieve produktiemarkten van de Gemeenschap zijn geconstateerd voor een produkt waarvoor de handelskenmerken zoals variëteit of type, kwaliteitsklasse, sortering naar grootte en verpakking zijn vastgesteld.”
In de considerans van verordening nr. 2454/72 wordt uiteengezet dat deze verbetering werd aangebracht, omdat de ervaring had geleerd dat de in artikel 16 van verordening nr. 1035/72 neergelegde criteria voor de vaststelling van basisprijzen te stroef waren en „dat het ter ondervanging van dit bezwaar dienstig is bij de vaststelling van de basisprijs niet langer uit te gaan van een rekenkundig criterium”. Deze herziening verleende stellig een veel grotere vrijheid van handelen aan de Raad; de basisprijs behoefde niet langer „gelijk te zijn aan het rekenkundig gemiddelde van de prijzen, die op de representatieve markt of markten van de Gemeenschap in de produktiegebieden met een overschot en met de laagste prijzen zijn genoteerd gedurende de drie verkoopseizoenen die aan de datum van vaststelling van de basisprijs voorafgaan”. Maar het zal U opvallen dat de basisprijs nog steeds moest worden bepaald voor een produkt „waarvoor de handelskenmerken zijn vastgesteld”.
Op 31 januari 1973 gat de Raad, daartoe gemachtigd door artikel 62, lid 1, van de Toetredingsakte, verordening (EEG) nr. 228/73 tot vaststelling van de algemene bepalingen van het stelsel van de compenserende bedragen in de sector groenten en fruit. Deze verordening bepaalt onder andere, dat een compenserend bedrag moet worden berekend aan de hand van twee elementen, namelijk a) een „basisbedrag” waarin de in artikel 66 van de Akte bedoelde „verschillen” tot uitdrukking komen en b) het bedrag van de betrokken douanerechten. Aldus moet bij invoer in een nieuwe Lid-Staat uit een andere (oorspronkelijke of nieuwe) Lid-Staat het compenserend bedrag bestaan uit het basisbedrag, verminderd met de geheven douanerechten; bij invoer uit een derde land is het gelijk aan het basisbedrag vermeerderd of verminderd met het verschil tussen het recht van het gemeenschappelijk douanetarief en het recht dat in de nieuwe Lid-Staat van toepassing is, naar gelang het eerste recht hoger of lager is dan het tweede. Bij uitvoer naar een andere Lid-Staat dient het toe te kennen compenserend bedrag te bestaan uit het basisbedrag, vermeerderd met de in de invoerende Lid-Staat geheven douanerechten, terwijl het bij uitvoer naar een derde land gelijk moet zijn aan het basisbedrag. (Ik wil hierbij opmerken dat de authentieke Engelse tekst van artikel 1 van verordening nr. 228/73 ongelukkig is geformuleerd; de juiste bedoeling van het artikel wordt duidelijk uit de Franse tekst.)
Vervolgens stelde de Raad bij verordening (EEG) nr. 1343/73 op 15 mei 1973 onder andere de basisprijzen voor tomaten voor 1973 vast. Zoals ik reeds opmerkte, ging hij hierbij uit van dezelfde referentietypes als in 1971 en 1972.
Ten slotte verscheen 's Raads verordening nr. 1365/73 van 21 mei 1973, „tot aanvulling, met betrekking tot bloemkool en tomaten, van verordening (EEG) nr. 228/73”. In feite bepaalde zij in drie afdelingen de basisbedragen van de compenserende bedragen voor 1973, de eerste voor de handel van Denemarken in bloemkool, de tweede voor de Deense handel in tomaten en de derde voor de handel van Ierland in tomaten.
Het is de geldigheid van deze verordening, voor zover betrekking hebbend op tomaten, die door Ierland in dit geding wordt betwist.
De reden hiervan is gelegen in een overweging in de considerans van de verordening, welke luidt als volgt:
„Overwegende dat de door de betrokken nieuwe Lid-Staten medegedeelde prijzen voor tomaten betrekking hebben op kastomaten die andere kenmerken hebben dan de produkten welke in aanmerking zijn genomen voor de vaststelling van de basisprijs, namelijk de tomaten van de open grond; dat met het oog op de berekening van de compenserende bedragen de voor kastomaten in aanmerking geno men prijzen moeten worden aangepast door middel van een coëfficiënt die op grond van de gedurende verschillende verkoopseizoenen op de markten genoteerde prijzen forfaitair op 0,55 is vastgesteld.”
Een van Ierlands klachten is dat deze passage zo vaag is dat niet duidelijk blijkt hoe de Raad tot deze cijfers is gekomen. Ik kan mij deze klacht wel indenken, want men moet de pleitnota van de Raad raadplegen om zelfs maar bij benadering te kunnen vaststellen, wat zijn redenering eigenlijk was.
In hoofdzaak kwam deze hierop neer: — tomaten van de open grond en kastomaten zijn produkten met verschillende handelskenmerken; — statistieken uit een aantal oorspronkelijke Lid-Staten tonen aan dat het gemiddelde van de voor de eerstgenoemde soort genoteerde prijzen ongeveer 55 % bedroeg van het gemiddelde van de prijzen voor laatstgenoemde soort; — de gemeenschappelijke basisprijzen voor tomaten worden in feite vastgesteld aan de hand van de prijzen voor tomaten van de open grond; — alle op commerciële basis geteelde tomaten in Ierland zijn kastomaten; — bijgevolg komen, op grond van de artikelen 65 en 66 van de Toetredingsakte, de Ierse produktieprijzen in aanmerking voor een aanpassingscoëfficiënt van 0,55.
Wat men ook van deze redenering van de Raad moge denken, zij leidde er ongetwijfeld toe dat voor de Ierse tomatentelers het doel van de artikelen 65 en 66 — namelijk om voor de telers in de nieuwe Lid-Staten die vóór de toetreding werden beschermd door kwantitatieve beperkingen, de slag op te vangen die door het verwijderen van deze beperkingen bij de toetreding werd veroorzaakt werd verijdeld. De betrokken feiten en cijfers zijn weergegeven in paragraaf 12 van Ierlands verzoekschrift, waartegen de Raad niet is opgekomen. Hierin wordt betoogd dat de tomatentelers in Ierland vóór de toetreding werden beschermd door een jaarlijks invoerverbod voor tomaten gedurende een periode waarin het eigen aanbod aan de vraag voldeed, dat wil zeggen gewoonlijk de periode tussen eind april of begin mei en half november. In die tijd konden geen tomaten in Ierland worden ingevoerd zonder een vergunning van het Ministerie van Landbouw en Visserij, en de laatste drie jaren vóór de toetreding werden jaarlijks in die maanden slechts ongeveer 200 ton tomaten geïmporteerd. Verder werden Ierse tomatentelers jarenlang telkens tussen 1 juni en 31 oktober beschermd door invoerrechten op tomaten en in 1972 werd deze periode verlengd met april en mei. Uit het Verenigd Koninkrijk ingevoerde tomaten waren onderworpen aan een douanerecht van £ 3,68 per 100 kg en uit andere landen ingevoerde tomaten aan een douanerecht van £ 5,51 per 100 kg. Het in verordening nr. 1365/73 bepaalde basisbedrag is 7,3 rekeneenheden, omgerekend £ 3,37 per 100 kg, hetgeen minder is dan die douanerechten. Deze rechten dienen ingevolge artikel 59 van de Toetredingsakte, in het tijdvak 1974-1978 in dezelfde evenredige mate te worden verlaagd als de compenserende bedragen en zij moeten, zoals U zich zult herinneren, bij invoer uit andere Lid-Staten, krachtens verordening nr. 228/73 bij het berekenen van de compenserende bedragen van de basisbedragen worden afgetrokken. Dit betekent dat er geen compenserend bedrag behoeft te worden betaald bij invoer van tomaten in Ierland, zeker niet bij invoer uit andere Lid-Staten.
's Raads argumentatie wordt door Ierland op een aantal gronden aangevochten. Ten eerste dat het in geen geval geoorloofd is bij de vaststelling van compenserende bedragen krachtens de artikelen 65 en 66 aanpassings coëfficiënten toe te passen.
Ik meen dat dit strikt genomen juist is. De Raad betoogt dat de verwijzing in artikel 65, lid 2, naar „de beginselen neergelegd in artikel 4, lid 2, van verordening nr. 159/66” ruimte biedt om ook andere bepalingen dan artikel 4, lid 2, van verordening nr. 159/66 in aanmerking te nemen, met name de bepalingen ten aanzien van de aanpassingscoëfficiënten. Maar wat artikel 65,. lid 2, werkelijk verlangt is dat de produktieprijs in de nieuwe Lid-Staat wordt berekend volgens dezelfde beginselen als de gemeenschappelijke basisprijs, en aanpassingscoëfficiënten spelen bij de berekening hiervan geen rol. Zoals ik heb aangegeven, zijn zij alleen van belang bij de berekening, vanuit de gemeenschappelijke basisprijs, van de bodemprijzen, de aankoopprijzen en de vergoedingen aan de Lid-Staten.
Ik zou echter niet zover willen gaan de door Ierland aangevoerde stelling dat de artikelen 65 en 66 een starre wiskundige formule voorschrijven waarvan in geen geval mag worden afgeweken, volledig te aanvaarden. Ik geef de voorkeur aan Ierlands alternatieve stelling dat men bij de interpretatie van de artikelen 65 en 66 niet kan ontkennen dat de gemeenschappelijke basisprijzen worden vastgesteld voor „referentietypes”. Slechts vergelijkbare grootheden moeten met elkaar worden vergeleken, waarmee ik wil zeggen dat, indien in een bepaald geval blijkt dat het betrokken produkt van een nieuwe Lid-Staat wezenlijk verschilt van de referentietypes waarvoor de gemeenschappelijke basisprijzen zijn vastgesteld, de Raad dit verschil in aanmerking moet nemen bij de vaststelling van de basisbedragen voor de compenserende bedragen. Ten processe zijn voorbeelden gegeven dat dit in feite is gebeurd ten aanzien van bloemkool, appelen en peren.
Maar de erkenning dat een dergelijk element van flexibiliteit aanwezig moet zijn, kan de Raad in de onderhavige zaak niet baten, daar de omschrijving van de referentietypes tomaten zowel tomaten van de open grond als kastomaten kan betreffen. Bij mijn weten heeft de formule van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 159/66, voordat zij in 1972 werd afgeschaft, er nooit toe geleid dat de basisprijzen voor tomaten werden berekend naar de prijzen van vollegrondstomaten. Eenvoudig omdat deze goedkoper zijn. De toepassing van de lossere formule die bij verordening nr. 2454/72 werd ingevoerd, blijkt hetzelfde resultaat te hebben gehad, en alweer om dezelfde reden.
Dat tomaten van de open grond goedkoper zijn dan kastomaten is, zoals ik al zei, algemeen bekend. Ierland betoogt dat dit komt doordat laatstgenoemde duurder zijn in teelt en anderzijds op de markt kunnen worden gebracht in tijden van schaarste. Het ontkent ten stelligste dat de afwijkende teeltmethode anderszins van commercieel belang is — en voegt er voor de goede orde aan toe dat, indien dit niettemin in sommige landen wèl het geval is, dit toch niet zo is in Ierland. De Raad betoogt op zijn beurt dat het verschil in prijs een verschil in aantrekkingskracht op de consument weergeeft. Hij wijst op markten, met name de Belgische markt, waar tomaten van de open grond en kastomaten naast elkaar worden verkocht en waar de laatste constant hogere prijzen opbrengen.
Mijne heren, wij zijn allen consumenten en diegenen onder ons die de gelegenheid hebben gehad de sappige Franse of Italiaanse in de zon gerijpte tomaten te vergelijken met de saaie quasi plastic produkten van onze kassen in het noorden, zullen de bewering van de Raad wel verrassend vinden. Ik vrees dat de zaak in werkelijkheid veel ingewikkelder is dan uit de beweringen van de Raad en van Ierland blijkt. In de eerste plaats schijnt de smaak van de consumenten per land te verschillen. De Raad zocht steun bij paragraaf 6 van de Inleiding van een in 1968 verschenen OESO-rapport (bijlage 5 van het verweerschrift).
Hierin wordt gesteld dat „tenminste in bepaalde landen” door vele consumenten aan kastomaten (en in mindere mate ook aan onder plastic geteelde tomaten) de voorkeur wordt gegeven omdat zij een gladdere huid en een andere textuur hebben dan tomaten van de open grond. Een Belgische deskundige die met toestemming van de wederpartij door de Raad was opgeroepen ter terechtzitting, zei dat de vraag afhing van vele factoren en voegde eraan toe: „In België vraagt men bij voorbeeld een rijpe tot zeer rijpe tomaat, de Duitsers vragen van ons kleine en minder gekleurde tomaten, de Fransen willen grote tomaten, enzovoort.”
De Raad wees ook op twee verordeningen van de Commissie die een uitdrukke lijk onderscheid maken tussen kastomaten en vollegrondstomaten, namelijk verordening (EEG) nr. 999/73, inzake de berekening van invoerprijzen voor buiten de Gemeenschap geteelde tomaten, en verordening (EEG) nr. 1624/73 tot vaststelling van het hoogste peil van de bodemprijzen. Ik geloof niet dat een beschouwing van deze verordeningen ons verder brengt. In de eerste plaats is er geen juridische relatie tussen deze verordeningen en de artikelen 65 en 66 van de Toetredingsakte. In de tweede plaats kwamen dergelijke verordeningen vóór 1973 niet voor. In de derde plaats vormt verordening nr. 999/73 eerder een steun voor Ierland, daar zij een onderscheid aanbrengt tussen de seizoenen waarin tomaten hoofdzakelijk onder glas, en die waarin zij voornamelijk in de open grond worden geteeld. Verordening nr. 1624/73 bevat een vage overweging dat „de kenmerken van de markt voor kastomaten verschillen van die van de markt voor vollegrondstomaten”, maar ik zie niet in hoe dit als bewijs tegen Ierland kan worden aangevoerd. Het scheen mij op een gegeven moment toe dat het Hof de aldus gerezen feitelijke vragen, met name of kastomaten en vollegrondstomaten in commercieel opzicht verschillende produkten zijn, door een instructie zou moeten oplossen. Maar ik ben tot de conclusie gekomen dat dit niet nodig is, omdat, indien ik het rechtens juist zie, alleen die handelskenmerken relevant zijn, welke dienen ter differentiatie tussen tomaten van de referentietypes en tomaten van andere types. De eigenlijke vraag is dan ook niet of onder glas geteelde tomaten en vollegrondstomaten in algemene zin verschillende handelskenmerken hebben, maar of de Ierse tomaten waarvoor ingevolge artikel 65 produktieprijzen moeten worden vastgesteld, andere kenmerken hebben dan die welke voor de referentietypes zijn omschreven.
Men kan zich voorstellen dat de Raad bij de toepassing van de beginselen van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 159/66 ingevolge artikel 65, lid 2, van de Toetredingsakte, bij voorbeeld zou hebben geoordeeld dat de Ierse produktieprijs moest worden berekend voor „kers”-tomaten van kwaliteitsklasse II. De Raad had dan naar mijn mening terecht in aanmerking kunnen nemen dat dit een type tomaat was dat verschilde van de referentietypes. Maar niemand suggereert dat iets dergelijks heeft plaatsgehad.
De vraag is aan de orde geweest hoe dit in een zodanig geval had moeten worden gedaan. Het is uiteraard niet strikt noodzakelijk dat U zich over deze vraag uitspreekt, maar omdat het van belang kan zijn voor de — beperkte — toekomst, zou ik hierover mijn mening willen geven. Namens Ierland is betoogd dat, zelfs indien het de Raad vrijstond in het onderhavige geval een aanpassingscoëfficiënt toe te passen, deze toch niet kon worden toegepast op de Ierse produktieprijs, omdat dit zou neerkomen op de vaststelling van een produktieprijs voor een niet-bestaand produkt, namelijk Ierse vollegrondstomaten. Ik zou deze stelling willen aanvaarden. De redenering van de Raad betekent immers in feite dat Ierland wordt geacht in staat te zijn vollegrondstomaten te telen voor 55 % van de kosten voor de produktie van kastomaten. Maar de toepassing van een aanpassingscoëfficiënt zou eigenlijk ten doel hebben een rechtstreekse vergelijking mogelijk te maken tussen de werkelijke Ierse produktieprijs en de gemeenschappelijke basisprijs voor kastomaten, indien die er was. Ik ben het daarom eens met Ierlands standpunt dat, indien er een aanpassing dient te worden aangebracht, deze dient te geschieden aan de gemeenschappelijke basisprijs voor tomaten in het algemeen, zodat een denkbeeldige gemeenschappelijke basisprijs voor kastomaten wordt verkregen waarmede de Ierse produktieprijs voor dergelijke tomaten kan worden vergeleken. Uit de cijfers in paragraaf 21 van Ierlands conclusie van repliek blijkt dat, indien de Raad in plaats van een coëfficiënt van 0,55 op de Ierse produktieprijs, de aanpassingscoëfficiënt van 1,8 op de gemeenschappelijke basisprijs had toegepast, het basisbedrag van het compenserend bedrag voor Ierlands handel in tomaten op 13,4 rekeneenheden in plaats van op 7,3 rekeneenheden zou zijn uitgekomen.
Ik concludeer derhalve dat Ierlands verzoek moet worden toegewezen.
Door de Raad wordt op bladzijde 7 van zijn verweerschrift betoogd dat de aanvaarding van Ierlands stelling dat er geen aanpassingscoëfficiënt mocht worden toegepast, de Ierse tomatentelers een onbillijk voordeel boven de telers in de andere Lid-Staten zou geven en met name een zodanig gesubsidieerde uitvoer van tomaten uit Ierland mogelijk zou maken dat de onder glas geteelde tomaten in de andere Lid-Staten uit de markt zouden worden geprijsd. Ik meen dat het antwoord op deze suggestie is te vinden in paragraaf 14, a), van Ierlands conclusie van repliek. Ierlands produktie en uitvoer van tomaten vallen in het niet ten opzichte van de produktie in de gehele Gemeenschap. Elke exportvermeerdering van enig belang zou investeringen in nieuwe kassen en verwarmingsinstallaties vereisen, welke geen enkele teler zal willen doen ter wille van een afnemende opbrengst gedurende een zeer gering aantal jaren.
Blijft ten slotte de vraag of alle bepalingen van verordening nr. 1365/73 betreffende tomaten moeten worden nietig verklaard, zoals Ierland verzoekt, dan wel alleen het gedeelte der verordening dat betrekking heeft op Ierlands handel in tomaten, dus met instandhouding van het gedeelte ten aanzien van de Deense handel in tomaten. Hoewel Denemarken niet is gehoord, had het desgewenst kunnen interveniëren. Bijgevolg meen ik dat U logischerwijze alle bepalingen der verordening met betrekking tot tomaten nietig dient te verklaren.
Geen der partijen heeft U gevraagd, ingevolge artikel 174 van het EEG-Verdrag „die gevolgen van de vernietigde verordening [aan te wijzen] welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd”. Het lijkt mij echter nauwelijks doenlijk de gevolgen, voor de Ierse en Deense handel in tomaten in 1973, van de bepalingen van verordening nr. 1365/73, die mijns inziens moeten worden nietigverklaard, te ontwarren.
Verweerder dient, op grond van het voorafgaande, in de kosten te worden verwezen.
Ik moge derhalve concluderen dat U:
1.
's Raads verordening (EEG) nr. 1365/73, voor zover betrekking hebbende op tomaten, nietig verklaart;
2.
Verstaat dat de gevolgen van die verordening voor de handel in tomaten in 1973 desalniettemin als gehandhaafd moeten worden beschouwd;
3.
De Raad in de kosten van het geding verwijst.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy