CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J. P. WARNER
VAN 12 DECEMBER 1973 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De twee onderhavige verzoeken (zaken 146-73 en 166-73) om een prejudiciële beslissing van Uw Hof stellen een uiterst belangrijk punt van uitlegging van artikel 177 EEG-Verdrag aan de orde.
De verzoeken zelf zijn incidenten in een langdurige rechtsstrijd tussen verzoekster in het hoofdgeding, een Duitse graanex-portfirma, en verweerster, het Duitse interventiebureau voor granen en veevoeders. Het geschil ging oorspronkelijk over aanspraken van verzoekster op restituties voor exporten van tarwemeel en parelgerst in de periode december 1964 - december 1965. De aanspraken met betrekking tot tarwemeel zijn in de loop van het geding geregeld; de vragen waar het nu nog om gaat, houden verband met de uitvoer van parelgerst.
Zoals U weet, gold in de periode waarin die exporten plaatsvonden, verordening nr. 19 van de Raad van 4 april 1962, houdende de geleidelijke totstandbrenging in de toenmalige Lid-Staten van een gemeenschappelijke ordening der marktten in de sector granen; één van de kenmerken van het bij die verordening ingevoerde stelsel was dat de Lid-Staten via hun interventiebureaus uitvoerrestituties konden betalen, die bij uitvoer naar derde landen hoger waren dan bij uitvoer naar Lid-Staten.
Bij haar aanvragen om restituties voor de betrokken exporten verklaarde verzoekster dat het ging om leveranties naar derde landen, waarop haar door verweerster de dienovereenkomstige restituties werden toegekend. Vervolgens, na een onderzoek van verzoeksters boeken, stelde verweerster dat de goederen in werkelijkheid naar andere Lid-Staten waren uitgevoerd, en trok zij haar beschikking tot restitutieverlening in.
Verzoekster wendde zich tot het Hessische Finanzgericht, dat echter in zijn vonnis van 12 augustus 1968 verweerster in het gelijk stelde.
Daarop ging verzoekster in beroep bij het Bundesfinanzhof, dat Uw Hof een aantal prejudiciële vragen voorlegde — onder meer, wat naar Gemeenschapsrecht ónder uitvoer naar een derde land moest worden verstaan. Uw Hof besliste (zaak 6-71, Rheinmühlen-Düsseldorf/Einfuhr- und Vorratsstelle für Getreide und Futtermittel, Jurisprudentie 1971, blz. 823) dat zodanige uitvoer ten minste veronderstelde dat de goederen in een derde staat in het vrije verkeer werden gebracht, maar dat het de Lid-Staten vrijstond bijkomende voorwaarden te stellen. Volgens het stelsel van verordening nr. 19 waren de Lid-Staten immers geenszins verplicht restituties te verlenen, maar konden zij dit binnen zekere grenzen doen. Binnen deze grenzen waren zij vrij bijkomende voorwaarden voor de toekenning van een restitutie te stellen. Met dit aspect van het stelsel heeft Uw Hof zich nog zeer onlangs beziggehouden in zaak 142-73 (firma Hugo Mathes & Schurr KG/Einfuhr- und Vorratsstelle für Getreide und Futtermittel). Uw Hof zal zich herinneren dat ik in mijn conclusie in die zaak in de eerste plaats heb verwezen naar arrest 6-71.
Overeenkomstig 's Hofs antwoord in zaak 6-71 deed het Bundesfinanzhof op 8 november 1972 uitspraak; om hier niet ter zake doende redenen werd daarbij het vonnis van het Hessische Finanzgericht, voor zover betrekking hebbend op de uitvoer van tarwemeel, bevestigd, maar vernietigd voor zover het de uitvoer van parelgerst betrof, op grond dat (a) het Hessische Finanzgericht zijn feitelijke bevindingen op ongenoegzame aanwijzingen had gebaseerd, en (b), zelfs indien terecht zou zijn vastgesteld dat de goederen naar andere Lid-Staten en niet naar derde landen waren uitgevoerd, verzoekster dat gedeelte van de restituties mocht behouden dat van toepassing was bij uitvoer naar Lid-Staten. Dienovereenkomstig verwees het Bundesfinanzhof de zaak terug naar het Hessische Finanzgericht.
Bij beschikking van 7 mei 1973 legde het Hessische Finanzgericht Uw Hof drie prejudiciële vragen voor. Kort samengevat luiden deze als volgt:
1.
Kan een rechterlijke instantie wier beslissingen naar nationaal recht vatbaar zijn voor hogere voorziening (kortheidshalve aan te duiden als „lagere rechter”), krachtens artikel 177 EEG-Verdrag slechts een vraag van Gemeenschapsrecht aan Uw Hof voorleggen, wanneer zij voor de eerste maal kennis neemt van de zaak waarin die vraag zich voordoet, of kan zij dit ook nog doen, wanneer de zaak — na vernietiging door een hogere rechter van een eerdere uitspraak van een rechterlijke instantie in eerste aanleg — opnieuw bij haar in behandeling komt?
Ingeval het laatste deel van de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
2.
Is een exporteur die, op zijn verklaring parelgerst naar een bepaald derde land te hebben uitgevoerd, de toepasselijke restitutie heeft ontvangen, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van verordening nr. 19 en uitvoeringsverordening nr. 141/64/ EEG gerechtigd dat deel van de restitutie, dat van toepassing was bij uitvoer naar een Lid-Staat, te behouden indien naderhand bij onderzoek blijkt dat hij de gerst in werkelijkheid naar een Lid-Staat heeft uitgevoerd, of moet hij de restitutie dan in haar geheel terugbetalen? en
3.
Kan een exporteur onder genoemde bepalingen alleen dan aanspraak ma ken op een „restitutie-derde-landen”, indien hij de waren heeft uitgevoerd naar het in de restitutie-aanvraag vermelde derde land, of is het voldoende dat hij de waren naar een willekeurig derde land heeft uitgevoerd?
Tegen deze verwijzingsbeschikking kwam verzoekster in beroep bij het Bundesfinanzhof, als gevolg waarvan dit opnieuw bij beschikking van 14 augustus 1973 Uw Hof de vraag stelde, of een lagere rechter aan artikel 177 een onbeperkt recht ontleent zich met vragen tot Uw Hof te wenden, dan wel of genoemd artikel andersluidende nationale rechtsregels — volgens welke die instantie aan het rechtsoordeel van de hogere rechter is gebonden — onverlet laat.
De verwijzing van het Hessische Finanzgericht is zaak 146-73, die van het Bundesfinanzhof zaak 166-73.
Het komt mij voor, dat op de eerste vraag van het Hessische Finanzgericht, zoals deze is geformuleerd, slechts één antwoord mogelijk is. De enkele omstandigheid dat een zaak opnieuw voor een lagere rechter komt, nadat een eerdere beslissing van die zelfde of van een andere lagere rechter is vernietigd in hoger beroep, kan op zichzelf geen beletsel vormen voor een verwijzing naar Uw Hof. Gesteld dat, bij hoger beroep van een uitspraak van bij voorbeeld het High Court in Engeland, het Court of Appeal een nieuwe behandeling beveelt, en dat tijdens die nieuwe behandeling feiten aan de dag komen of argumenten worden aangevoerd, waarbij een vraag van Gemeenschapsrecht rijst, die tijdens de eerste behandeling of voor het Court of Appeal niet ter sprake is gekomen, dan zou het mijns inziens onzinnig zijn als de nieuwe rechter die vraag niet aan Uw Hof zou mogen voorleggen, enkel en alleen omdat hij de tweede en niet de eerste rechter is die van de zaak kennis neemt.
Zover ging het betoog van verzoekster voor Uw Hof overigens niet. Het had een veel beperkter strekking, in overeenstemming met de concrete situatie van het geval.
In zijn arrest van 8 november 1972 gaat het Bundesfinanzhof er kennelijk van uit dat het een vraag is van Duits recht, en niet van Gemeenschapsrecht, of verzoekster, indien zij de parelgerst inderdaad naar Lid-Staten heeft uitgevoerd, gerechtigd is het desbetreffende gedeelte van de restituties te behouden; dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord, wordt in het arrest uitdrukkelijk gezegd. Was het Bundesfinanzhof van mening geweest dat het om een vraag van Gemeenschapsrecht ging, dan zou het, als rechter in hoogste instantie, gehouden zijn geweest haar aan het Hof van Justitie voor te leggen; maar dat heeft het niet gedaan. Volgens artikel 126, lid 5, van de Finanzgerichtsordnung — het reglement voor de procesvoering van de Finanzgerichte — is het Hessische Finanzgericht gebonden aan het rechtsoordeel van het Bundesfinanzhof. Het Hessische Finanzgericht, aldus verzoekster, was derhalve verplicht zich bij de opvattingen van het Bundesfinanzhof inzake deze vragen neer te leggen, en mocht niet proberen zich daaraan te onttrekken door een beroep op het Hof van Justitie te doen. Dit betoog vindt zijn weerklank in de overwegingen van de verwijzingsbeschikking van het Bundesfinanzhof in zaak 166-73.
De kernvraag is dus in feite die welke het Bundesfinanzhof in zijn beschikking heeft geformuleerd.
Spontaan is men geneigd op deze vraag een zodanig antwoord te geven, dat niet wordt geraakt aan het beginsel dat een lagere rechter de uitspraken van hogere rechters getrouw moet eerbiedigen. Dit beginsel geldt niet alleen in Duitsland en het is trouwens van zo groot belang, dat het naar mijn gevoelen meer is dan een eenvoudige regel van procesrecht, ook al kan daaraan natuurlijk in het procesrecht kracht worden bijgezet.
Ik ben evenwel tot de conclusie gekomen dat de — door mij gedeelde — opvatting dat artikel 177 aan iedere lagere rechter in elke Lid-Staat een niet door enige nationale regel of bepaling te beperken bevoegdheid toekent om vraagpunten van Europees recht aan Uw Hof voor te leggen, eigenlijk geen inbreuk maakt op dat beginsel. In een situatie als de onderhavige is de lagere rechter er niet direct op uit zijn eigen mening voor die van de hogere nationale rechter in de plaats te stellen: hij wil het oordeel van Uw Hof vernemen over wat hij als een vraagpunt van Gemeenschapsrecht beschouwt — zulks overeenkomstig het beginsel van artikel 177, dat geen enkele nationale rechterlijke instantie, hoe hoog ook, daarover definitief uitspraak mag doen. In haar opmerkingen wijst de Commissie er bovendien op dat de vraag welke de lagere rechter in zo'n geval aan Uw Hof stelt, niet dezelfde behoeft te zijn als die welke de hogere rechter heeft beslist. Zij kunnen elkaar wel overlappen. Maar of het nu geheel dan wel gedeeltelijk dezelfde vraag is, als het inderdaad om een kwestie van Gemeenschapsrecht gaat, moet de uitspraak van willekeurig welke nationale rechter uiteindelijk wijken voor die van Uw Hof.
Mijne heren, ik zie geen logisch compromis tussen enerzijds de opvatting dat de bevoegdheid van de lagere rechter in een Lid-Staat om vraagpunten van Gemeenschapsrecht aan Uw Hof voor te leggen, door het nationale recht niet kan worden beperkt, en anderzijds dat elke Lid-Staat vrij is de toepasselijkheid van artikel 177 voor zijn eigen nationale rechterlijke instanties op elke door hem redelijk geachte wijze te beperken, anders gezegd, vrij is artikel 177 naar believen te clausuleren. De stelling dat dit artikel moet wijken voor het algemene beginsel dat beslissingen van een hogere rechter door de lagere moeten worden gerespecteerd, zou in de praktijk betekenen dat het moet wijken voor allerlei bepalingen, welke van Lid-Staat tot Lid-Staat uiteenlopen.
Mijns inziens kunnen tegen de opvatting dat het de Lid-Staten in feite vrijstaat artikel 177 te clausuleren, aanstonds drie argumenten worden aangevoerd. In de eerste plaats — en het meest in het oog springend — brengt deze opvatting mede dat de Lid-Staten bevoegd zouden zijn door hun nationale wetgeving de bepalingen van het Verdrag te wijzigen. In de tweede plaats wordt de deur geopend voor een verschillende toepassing van het Verdrag in de onderscheiden Lid-Staten. De ene Lid-Staat kan de bevoegdheid van zijn lagere rechters om vraagpunten aan Uw Hof voor te leggen, sterker beperken dan een andere. Het is duidelijk dat dit zowel voor de uniforme toepassing van het Gemeenschapsrecht als voor zijn evenwichtige ontwikkeling schadelijk kan zijn. In de derde plaats zou Uw Hof bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een prejudicieel verzoek voor een onmogelijke keuze worden geplaatst. Of wel zal het zich moeten begeven in de uitlegging en toepassing van nationale rechtsvoorschriften — met inbegrip van procesbepalingen —, wat zijn taak niet is, of het moet deze voorschriften negeren en aldus een situatie laten voortbestaan waarin een prejudicieel verzoek volgens het Gemeenschapsrecht wel, maar volgens het nationale recht niet ontvankelijk is.
Ik zou het eigenlijk hierbij kunnen laten, doch er is nog een probleem. De consequentie van de opvatting die ik Uw Hof aanbeveel, zou namelijk zijn dat de nationale wet in feite geen recht van beroep kan toekennen tegen een beschikking van een lagere rechter om een vraagpunt aan Uw Hof voor te leggen. Deze gevolgtrekking is van groot gewicht, omdat het geldende procesrecht van de meeste Lid-Staten uitdrukkelijk of stilzwijgend in zulk een beroepsrecht voorziet. Bovendien is deze gevolgtrekking niet in overeenstemming met twee arresten van Uw Hof.
Het eerste is het zogenaamde Bosch-artest (zaak 13-61, Jurisprudentie 1962, blz. 99), de eerste zaak die krachtens artikel 177 aan Uw Hof werd voorgelegd, en wel door het gerechtshof te 's-Gravenhage. Verweerders in het hoofdgeding gingen tegen die beschikking in cassatie bij de Hoge Raad der Nederlanden. Voor Uw Hof betoogden zij — en hetzelfde deed de Franse Regering — dat ingevolge het Nederlandse Wetboek van burgerlijke rechtsvordering de werking van de verwijzingsbeschikking door genoemd beroep in cassatie was geschorst en dat Uw Hof derhalve de behandeling moest aanhouden totdat de Hoge Raad op het beroep had beslist. De redenering was kennelijk dat bij een juiste uitlegging van artikel 177 Uw Hof pas bevoegd was nadat de verwijzingsbeschikking volgens het betrokken nationale recht kracht van gewijsde had gekregen. Uw Hof besliste dat zijn bevoegdheid uitsluitend afhankelijk was van de aanwezigheid van een verwijzingsbeschikking en dat het niet behoefde te onderzoeken of die beschikking naar nationaal recht kracht van gewijsde had gekregen. Bijgevolg ging het over tot behandeling van de prejudiciële vraag. In het arrest wordt evenwel overwogen dat het Verdrag de Hoge Raad niet belette van het beroep in cassatie kennis te nemen, maar de vraag der ontvankelijkheid van dat beroep aan het oordeel van genoemde rechterlijke instantie overliet. Dit laat de vraag onbeantwoord, wat er met de uitspraak van Uw Hof had moeten gebeuren indien de Hoge Raad de verwijzingsbeschikking had gecasseerd. Advocaat-Generaal Lagrange, wiens conclusie door Uw Hof werd gevolgd, meende dat 's Hofs uitspraak in dat geval eenvoudig geen ander effect zou sorteren dan de jurisprudentie-verzameling uit te breiden.
Met alle respect ben ik het uiteraard eens met de conclusie van Advocaat-Generaal Lagrange, voor zover hij meende dat het niet de taak is van Uw Hof zich over vraagpunten van nationaal recht uit te laten. Maar ik kan het onmogelijk met hem eens zijn voor zover hij de mogelijkheid van beroep naar nationaal recht tegen een verwijzingsbeschikking krachtens artikel 177 aanvaardt. Het is vanzelfsprekend slechts met de grootste aarzeling dat ik met hem van mening verschil, maar het komt mij voor dat zijn benadering van de zaak onjuist is. Zij komt hoofdzakelijk neer op een vergelijking met de in Frankrijk en Duitsland geldende regels voor verzoeken om prejudiciële beslissingen tussen rechterlijke instanties die op uiteenlopende terreinen bevoegd zijn; op de vaststelling dat, één enkele uitzondering daargelaten, verwijzingsbeschikkingen van zodanige instanties appellabel zijn; en op de gevolgtrekking dat het tegen die achtergrond onaannemelijk is dat de opstellers van het Verdrag het recht van beroep bij prejudiciële verzoeken aan Uw Hof had willen uitsluiten. Maar, mijne heren, zelfs indien het probleem eerder kan worden opgelost door rechtsvergelijking dan aan de hand van de fundamentele uitleggingsbeginselen, dan nog lijkt mij het door Advocaat-Generaal Lagrange als uitzondering vermelde geval, namelijk dat van verwijzingen door Duitse rechters naar het Bundesverfassungsgericht, het meest relevant; dit is immers het enige door hem genoemde voorbeeld van verwijzingen naar een rechterlijke instantie die bevoegd is einduitspraak te doen op vragen behorend tot een hogere rechtsorde. De analogie is overigens niet volstrekt, want bij het onderzoek van de relevantie der gestelde vragen gaat het Bundesverfassungsgericht, dacht ik, verder dan Uw Hof gewoonlijk doet. Maar er is een analogie. Overigens heb ik begrepen dat ook in Italië een beschikking tot verwijzing naar het Constitutionele Hof niet vatbaar is voor beroep.
Tijdens de pleidooien in de zaak-Bosch werd een beroep gedaan op artikel 20 van 's Hofs Statuut. Ik geloof dat een beschouwing hiervan mijn opvatting nopens de juiste uitlegging van artikel 177 bevestigt. Zoals bekend, bepaalt artikel 177 dat, indien een vraag van Gemeenschapsrecht voor een rechterlijke instantie van één der Lid-Staten wordt opgeworpen, „deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie (kan) verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen”, terwijl artikel 20 van het Statuut bepaalt dat „van de beslissing van de nationale rechterlijke instantie die de procedure schorst en een beroep doet op het Hof, aan dit Hof (wordt) kennis gegeven op initiatief van die instantie”.
In Verdrag noch Statuut komt enige be paling voor welke Uw Hof verplicht acht te slaan op stukken die van een andere dan de verwijzende instantie afkomstig zijn, en inzonderheid geen bepaling dat het acht zou moeten slaan op stukken, afkomstig van een beroepsinstantie. Het komt mij voor dat, indien de opstellers van het Verdrag rekening hadden gehouden met de mogelijkheid van beroep van een verwijzingsbeschikking, zij althans een desbetreffende voorziening hadden getroffen.
In zaak 31-68 (Chanel, Jurisprudentie 1970, blz. 403) gaf Uw Hof blijk van een andere opvatting dan in de zaak-Bosch. Op 3 december 1968 had de arrondissementsrechtbank te Rotterdam een verwijzingsbeschikking krachtens artikel 177 gegeven. Op 29 januari 1969 deelde zij het Hof mede dat van die beschikking beroep was ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage en dat de tenuitvoerlegging van de beschikking dientengevolge was geschorst. Verzoekster in het hoofdgeding verzocht daarop het Hof om hangende het beroep de prejudiciële procedure te schorsen. Het Hof wees dit verzoek af en de procedure werd normaal afgewikkeld. Op 20 mei 1969 nam Advocaat-Generaal Roemer conclusie.
Hij was van mening dat het Hof zich naar het nationale recht moest schikken. Hij besprak het relevante Nederlandse recht en bevond dat volgens dat recht de tenuitvoerlegging van de verwijzingsbeschikking door het beroep inderdaad werd geschorst. In die omstandigheden meende hij dat het Hof geen uitspraak moest doen eer het resultaat van het beroep bekend was, waarbij hij 's Hofs opvatting in de zaak-Bosch verwierp, dat het de ontvankelijkheid van het beroep naar nationaal recht kan erkennen en terzelfder tijd de gevolgen ervan kan negeren. De taak van het Hof, zei hij, is niet om rechtsoordelen „in abstracto” uit te spreken. Bijgevolg maakte hij de in de zaak-Bosch afgewezen redenering tot de zijne, dat namelijk de bevoegdheid van het Hof krachtens artikel 177 alleen kan steunen op een verwijzingsbeschikking die naar het relevante nationale recht onaantastbaar is geworden. Hij betoogde dat een verwijzingsbeschikking in beroep kan worden aangevochten op gronden die niets met het Gemeenschapsrecht uitstaande hebben, bij voorbeeld op grond dat de zaak met toepassing van alleen nationaal recht kan worden beslist. Voorts betoogde hij dat slechts de nationale rechter kan weten of het prejudiciële verzoek zonder voorwerp is geraakt door een later voorval, bij voorbeeld afstand van instantie of een vergelijk tussen partijen.
Het Hof volgde Advocaat-Generaal Roemer. Op 3 juni 1969 beschikte het formeel dat de uitspraak hangende het beroep zou worden aangehouden. Op 12 juni 1970 ontving de griffier een brief van de griffier der arrondissementsrechtbank, met de mededeling dat het gerechtshof het beroep gegrond had verklaard. Op 16 juni 1970 beschikte het Hof dat onder deze omstandigheden het prejudiciële verzoek zonder voorwerp was geraakt en in het register van het Hof moest worden doorgehaald.
Met alle respect moge ik opmerken dat Advocaat-Generaal Roemer stellig gelijk had, in de eerste plaats toen hij in feite zei dat het Bosch-arrest niet moest worden gevolgd omdat dit ertoe kan leiden dat het Hof nutteloze uitspraken doet, en in de tweede plaats toen hij zei dat alleen de nationale rechter kan weten of een prejudicieel verzoek zonder voorwerp is geraakt als gevolg van een later voorval zoals afstand van instantie of een vergelijk of (zou ik eraan willen toevoegen) een wijziging van de eis. Het lijkt mij duidelijk dat om deze zoal niet om andere redenen de verwijzende instantie te allen tijde bevoegd moet blijven haar verwijzingsbeschikking in te trekken. Ik zou zelfs zeggen dat die instantie daartoe verplicht is indien een later voorval de verwijzing overbodig maakt. Dit houdt geen enkele beperking in van de door artikel 177 aan de lagere rechter toegekende bevoegdheid. Het is slechts een toepassing van het algemene beginsel dat men zich niet tot de rechter behoort te wenden voor een uitspraak op een louter hypothetische vraag. Het punt waarop ik het met Advocaat-Generaal Roemer oneens ben — uiteraard met evenveel aarzeling als ten opzichte van Advocaat-Generaal Lagrange —, is de gedachte dat een prejudicieel verzoek zonder voorwerp kan geraken door een beroep, want dit impliceert dat het nationale recht de betrokken bevoegdheid kan beperken. Bovendien impliceert de redenering van Advocaat-Generaal Roemer dat een nationale beroepsinstantie het laatste woord heeft over de vraag of in een bepaalde zaak een punt van Gemeenschapsrecht in het geding is. In bepaalde omstandigheden — de onderhavige zaak is daarvan een goed voorbeeld — kan dit slechts betekenen dat in plaats van Uw Hof die beroepsinstantie over de draagwijdte van het Gemeenschapsrecht krijgt te beslissen.
Het is natuurlijk zeer wel mogelijk dat de eigenlijke verklaring van de zaak-Chanel gelegen is in het feit dat de kernvraag, of het nationale recht beperkingen kan opleggen aan de bij artikel 177 aan de lagere rechter toegekende bevoegdheid, daar in het geheel niet is opgeworpen, noch in de vragen van de arrondissementsrechtbank aan Uw Hof noch door partijen, zodat het voor Uw Hof moeilijk was daarop in te gaan.
Hoe dit zij, wat de jurisprudentie betreft, kan de situatie in mijn opvatting worden samengevat als volgt. Een beslissing overeenkomstig het Bosch-attest zou aanleiding geven tot de bezwaren waarop Advocaat-Generaal Roemer in de zaak-Chanel heeft gewezen en die ik hier niet behoef te herhalen. Een beslissing overeenkomstig het Chanel -arrest zou blootstaan aan de door Advocaat-Generaal Lagrange in de zaak-Bosch voorziene kritiek — dit wordt trouwens bevestigd door het feit dat Advocaat-Generaal Roemer in de zaak-Chanel zich genoopt zag rekening te houden met het Nederlandse procesrecht. Een beslissing in de ene of de andere zin zou bovendien het — mijns inziens doorslaggevende — bezwaar oproepen, dat hiermee implicite wordt erkend dat het nationale recht van de Lid-Staten bij de onvoorwaardelijke tekst van artikel 177 voorwaarden kan stellen, en dit niet noodzakelijk op eenvormige wijze.
Het is niet mijn bedoeling aan de bespreking van 's Hofs rechtspraak een overzicht van de nationale jurisprudenties toe te voegen. Toch mogen wij niet voorbijgaan aan bepaalde aanwijzingen, dat de nationale rechterlijke instanties er ten aanzien van deze zeer belangrijke vraag uiteenlopende opvattingen op nahouden. Zo verklaart de verwijzingsbeschikking van het Verwaltungsgericht Frankfurt/ Main in de thans bij Uw Hof aanhangige zaak 158-73 (Firma E. Kampffmeyer/Einfuhr- und Vorratsstelle für Getreide und Futtermittel) categorisch:
„Deze beschikking is niet vatbaar voor beroep.
De beslissing tot schorsing van het geding krachtens artikel 177 EEG-Verdrag is een zelfstandige procedure en kan, in tegenstelling tot de schorsing krachtens artikel 94 van de Verwaltungsgerichts-ordnung, evenmin vatbaar zijn voor beroep als een verwijzing krachtens artikel 100 van het Grundgesetz. (Over de analoge kenmerken van de prejudiciële procedure en die tot toetsing van de grondwettigheid van wetten, cf. Ipsen, Europäisches Gemeinschaftsrecht, blz. 767 et seg.) De zelfstandige bevoegdheid van de competente rechter om op eigen initiatief een vraagpunt aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor te leggen, kan en mag niet worden beperkt of op enigerlei wijze afhankelijk gesteld van de instemming van een andere rechter (cf. Bundesverfassungsgerichtsentscheidungen 1, 202, 204 et seq. inzake de procedure krachtens artikel 100 van het Grundgesetz). Dit sluit derhalve elke mogelijkheid uit om bij wege van beroep de beslissing tot schorsing van het geding te toetsen.”
Daartegenover aanvaarden zowel het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden in de zaak-Bosch als de verwijzingsbe schikking van het Bundesfinanzhof in de onderhavige zaak een beperkt recht van beroep tegen verwijzingsbeschikkingen van lagere rechters. De beperking is echter niet in elk geval dezelfde.
Soortgelijke verschillen treft men aan in het nationale procesrecht. Zo heb ik begrepen dat in Italië, krachtens artikel 3 van de wet van 13 maart 1958 tot goedkeuring van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie, juncto artikel 279 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, geen beroep openstaat van een beschikking tot verwijzing naar Uw Hof. Advocaat-Generaal Lagrange heeft overigens in zijn conclusie in de zaak-Bosch daarop gewezen. In Engeland daarentegen maakt Order 114 (5) en (6) van de Rules (reglement voor de procesvoering) van het Supreme Court een onbeperkt recht van beroep mogelijk tegen beschikkingen van het High Court tot verwijzing naar Uw Hof.
Zou mijn opvatting de juiste zijn, dan zijn die bepalingen uiteraard in zoverre nietig en zou een Engelse rechter krachtens de European Communities Act 1972 dienovereenkomstig uitspraak moeten doen na een eventuele verwijzing naar Uw Hof. Voor zekere andere Engelse rechterlijke instanties, waarvoor soortgelijke bepalingen niet bestaan, kan het anders liggen, met name in die gevallen waar de algemene regels een beroep alleen toelaten ten aanzien van rechtsvragen.
Voor mijn opvatting vind ik steun in twee overwegingen. Ten eerste, dat er geen universele regel is dat van een rechterlijke uitspraak per se beroep moet openstaan. Ten tweede, dat een beschikking van een lagere rechter om een zaak naar Uw Hof te verwijzen, geen beslissende invloed heeft op de rechten van partijen: heeft Uw Hof eenmaal op het prejudiciële verzoek uitspraak gedaan, dan worden die rechten op de normale wijze en met alle normale processuele waarborgen door de nationale rechter vastgesteld.
Ik concludeer derhalve dat zowel de eerste vraag van het Hessische Finanzgericht in zaak 146-73 als de vraag van het Bundesfinanzhof in zaak 166-73 moet worden beantwoord als volgt:
„Artikel 177, tweede alinea, van het EEG-Verdrag kent de rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens nationaal recht vatbaar zijn voor hogere voorziening, een bevoegdheid toe, die in elke stand van het voor die instantie aanhangige geding kan worden uitgeoefend en niet door enige bepaling of regel van nationaal recht kan worden beperkt.”
Op grondslag hiervan kom ik tot de tweede vraag van het Hessische Finanzgericht in zaak 146-73. Dienaangaande kan ik niets zinvols toevoegen aan wat ik heb opgemerkt in mijn conclusie in zaak 142-73. Wat ik daar heb gezegd, geldt hier evenzeer. Bijgevolg ben ik het eens met het Bundesfinanzhof, dat het hier in feite in het geheel niet gaat om een vraag van gemeenschapsrecht, en concludeer ik:
„De artikelen 19, lid 2, en 20, lid 2, van verordening nr. 19 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap van 4 april 1962, junctis de artikelen 14 en 15 van 's Raads verordening nr. 141/64/EEG, dienen aldus te worden uitgelegd, dat een exporteur die parelgerst uitvoert naar een Lid-Staat, nadat hij heeft verklaard dat zij naar een bepaald derde land zou worden uitgevoerd, en de desbetreffende restitutie heeft verkregen, van die restitutie niet meer mag behouden dan het bedrag dat op de uitvoer naar die Lid-Staat van toepassing is; tijdens de geldigheidsduur van verordening nr. 19 was geen bepaling van Gemeenschapsrecht van kracht, welke hem belette dat bedrag te behouden. Of hij det al dan niet mag behouden, dient te worden beoordeeld naar het recht van de Lid-Staat waaruit de waar werd uitgevoerd.”
Rest nog de derde vraag van het Hessische Finanzgericht. Deze dient in dezelfde geest te worden beantwoord als de tweede vraag. In haar opmerkingen betoogt de Commissie dat bij het antwoord rekening moet worden gehouden met het bepaalde in de artikelen 5 en 5 bis van verordening nr. 90 van de Commissie van 25 juli 1962, zoals gewijzigd bij haar verordening nr. 163 van 20 december 1962; aangezien echter deze artikelen geen betrekking hebben op de uitvoer van parelgerst, komt mij dit in casu onnodig voor. Ik concludeer derhalve dat de derde vraag worde beantwoord als volgt:
„Geen enkele bepaling van Gemeenschapsrecht, van kracht tijdens de geldigheidsduur van verordening nr. 19, ontneemt een exporteur die parelgerst uitvoerde naar een derde land na in zijn restitutie-aanvrage te hebben verklaard dat zij naar een ander derde land zou worden uitgevoerd, het recht op de restitutie, van toepassing bij uitvoer naar eerstbedoeld land. Of hij al dan niet recht heeft op die restitutie, dient' te worden beoordeeld naar het recht van de Lid-Staat waaruit de waar werd uitgevoerd.”
( 1 ) Vertaald uit het Engels
Full & Egal Universal Law Academy