CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 5 DECEMBER 1974 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
De causaliteit in het algemeen en de juridische causaliteit bij schadegevallen in het bijzonder, dat wil zeggen het verband tussen onrechtmatige daad en schadevergoeding, hebben doctrine en rechtspraak steeds veel hoofdbrekens gekost, zowel bij de omschrijving in abstracto van de toe te passen criteria, als bij het bepalen van de concrete schade.
In het verband tussen oorzaak en gevolg moet voor de bepaling van de omvang van rechtstreeks veroorzaakte schade rekening gehouden worden met het mogelijk samenvallen van verscheidene, niet duidelijk van elkaar te onderscheiden beweegredenen bij de wilsbepaling, met het feitelijk toedoen van de gelaedeerde, en inzonderheid het negatieve effect van de omstandigheid dat hij niet alles heeft gedaan om toekomstige schade te beperken. Al deze factoren moet de jurist voor ogen houden wanneer hij een causaliteitsprobleem heeft op te lossen, dat des te moeilijker zal zijn wanneer het betrekking heeft op de handel, waar zich als gevolg van een speculatief element onvermijdelijk verwachtingen en teleurstellingen voordoen die bezwaarlijk zijn te kwantificeren. Wik kunnen dan ook met de dichter zeggen: felix qui potuit rerum cognoscere causas.
Wij achten het evenwel onze taak in deze tweede conclusie een overzicht te geven van de ingewikkelde problematiek rond de aansprakelijkheidsactie die moet worden beslist volgens de algemene beginselen die aan het recht van de Lid-Staten gemeen zijn.
Overigens zou de zaak ook heel eenvoudig kunnen worden gesteld. Indien het Hof inderdaad van mening is — zoals we geneigd zijn aan te nemen, gezien zijn beslissing om uitsluitend met betrekking tot het oorzakelijk verband tussen de handelwijze van de Raad en de schade de behandeling te heropenen —, dat in het verstrekken van onvolledige informatie door de Raad een element van onrechtmatigheid zit, zou verzoeksters schade hierin kunnen bestaan dat zij contracten heeft afgesloten in de overtuiging een wettige aanspraak te hebben op het gehele, aanvankelijk aangekondigde, compenserende bedrag; de schadevergoeding zou dan op het eerste gezicht een specifieke herstelbetaling moeten zijn, door toekenning aan verzoekster van het totale compenserende bedrag waarop zij mocht rekenen. Dat wat later is gebeurd, kan als een eventuele verbreking van het causale verband — verzoekster wist toen immers wat het stelsel van artikel 55 Toetredingsakte werkelijk inhield — een element zijn ter beperking van de schadevergoeding tot de eerdere verplichtingen, voor zover verzoekster namelijk de uit de nakoming of ontbinding der betrokken overeenkomsten voortvloeiende schade had kunnen vermijden.
2.
Wij dienen nu na te gaan of deze eenvoudige probleemstelling standhoudt bij een grondiger beoordeling van de onderhavige rechtssituatie.
De grote lijnen van het stelsel zijn duidelijk. Volgens de Toetredingsakte was het compenserende bedrag slechts verschuldigd binnen bepaalde grenzen, die waren vastgesteld met het oog op een ontwikkeling die zich inderdaad heeft voorgedaan, namelijk de daling van de heffing onder het niveau van bedoeld compenserend bedrag. De wettelijke verplichting van de Raad was dus uitsluitend daarvan afhankelijk. Naast de Toetredingsakte komt dan echter de mededeling van de Raad in de resolutie van 20 juli 1972, over de inhoud van de uitvoeringsverordening.
Wat is het karakter van deze verklaring van de Raad? Het is de nadere aanduiding van een komende rechtsbepaling en heeft voornamelijk ten doel tijdig opheldering te geven over een onbekende factor, namelijk de hoogte van het compenserende bedrag. De rechtsgrondslag van de aangekondigde maatregel is te vinden in de Toetredingsakte; zij wordt hier gepreciseerd. Aangezien compensatie van de prijsverschillen tussen de nieuwe en de oude Lid-Staten wettelijk was voorgeschreven, kon de Raad niet anders doen dan zich in bevestigende en verklarende zin uitlaten, zulks uiteraard — gezien de bron — onder de conditio juris van het befaamde lid 6, van artikel 55.
Gezien het karakter van de betrokken handeling, kon verzoeksters vordering de gestelde grenzen niet te buiten gaan. Verzoekster baseert haar vordering echter op een geheel andere grond: het onrechtmatig handelen van de Raad, door niet voldoende duidelijke en volledige informatie te verstrekken. De onrechtmatigheid zou dus niet bestaan in de niet-nakoming van de gedane toezegging — een toezegging die, bedoeld zoals beweerd, rechtens niet kon worden gedaan noch nagekomen —, maar in het doen van onjuiste toezeggingen.
Het handelen in strijd met een rechtsplicht, het eerste bestanddeel van de onrechtmatige daad, zou zijn gelegen in een schending van gerechtvaardigd vertrouwen van het bedrijfsleven; de schuld zou hierin bestaan dat de informatie van juli 1972 zonder de vereiste zorgvuldigheid is verstrekt; de schade van het bedrijfsleven zou het gevolg zijn van de contracten met het Verenigd Koninkrijk, afgesloten in het ongegrond gebleken vertrouwen het gehele aanvankelijk aangekondigde bedrag te zullen ontvangen; de ongegrondheid van dat vertrouwen trad aan de dag toen het prijsverschil dat met dat bedrag moest worden gecompenseerd (en dit is de enige rechtsgrond van het stelsel), intussen aanzienlijk kleiner was geworden.
Een onrechtmatige toezegging enerzijds, ongegrond vertrouwen anderzijds. Reeds hier is er een verband dat aan de hand van de normale aansprakelijkheidscriteria moet worden beoordeeld.
Zie hier, als preliminair punt in iets duidlijker formulering, een der onderwerpen die in onze eerste conclusie reeds ter sprake zijn geweest.
Wie informatie verstrekt, handelt onrechtmatig indien hij geen rekening houdt met het vertrouwen dat daarin kan worden gesteld door de handelaar die met de normale voorzichtigheid op de markt te werk gaat. Die informatie — verondersteld dat zij volledig was — vormt een onrechtmatige daad indien zij objectief gezien een ernstige misvatting omtrent de situatie kon wekken. Was er informatieplicht geweest, dan hadden derden zonder meer op de inlichtingen kunnen afgaan, zelfs wanneer deze onvolledig waren. Gaat het echter niet om een verplichting maar alleen om de wenselijkheid van informatieverstrekking, dan moet ook de positie van degene voor wie de informatie was bestemd, in aanmerking worden genomen; met name mag van hem worden verwacht dat hij de ontvangen informatie beziet tegen de achtergrond van het stelsel dat blijkens die inlichting zal worden toegepast.
De grondregel van iedere rechtsorde, nemo censetur ignorare leges, geldt overigens niet in het geval van onjuiste informatie die, als onrechtmatige daad, de grondslag vormt voor een afzonderlijke vordering. Maar daarmee is nog niet de vraag beantwoord of en in hoeverre de handelwijze van de Raad aanleiding kon geven tot dwaling.
Er is geen aansprakelijkheid indien het essentiële element van strijd met een rechtsplicht ontbreekt; dit is het geval wanneer de verklaring niet geëigend was vals vertrouwen te wekken bij de adressaten, dus hun een zekerheid te geven; evenmin is er aansprakelijkheid indien de adressaten behoorden te weten of althans te vermoeden hoe de werkelijke situatie was. Doorgaans wordt wel aansprakelijkheid aangenomen wanneer iemand er geen verwijt van kan worden gemaakt dat hij is afgegaan op een tot hem gerichte mededeling; die aansprakelijkheid eindigt echter wanneer de adressaat op een of andere wijze een vermoeden kon hebben van de werkelijke situatie.
Men kan dus het aansprakelijkheidveroorzakend feit (onjuiste of onvolledige informatie) niet los zien van de positie van de in dwaling gebrachte persoon. Indien aansprakelijkheid is uitgesloten wanneer deze de werkelijkheid moest kennen of op een of andere wijze heeft leren kennen, kan er in geval van een degelijk koopman ook een geldig vermoeden zijn van feitelijke of potentiële wetenschap (met name omtrent de recente wetgeving): het vermoeden is dan gewettigd dat de benadeelde alleen door eigen onzorgvuldigheid de informatie niet heeft gecorrigeerd of aangevuld. Volgens de moderne, in de Lid-Staten heersende rechtsopvattingen over de niet-contractuele aansprakelijkheid moeten wij er derhalve van uitgaan dat het slachtoffer van de onjuiste informatie niet-onzorgvuldig heeft gehandeld, want alleen naar die maatstaf, wanneer dus de ontvanger van de informatie geen verwijt kan worden gemaakt, kan de onrechtmatigheid worden beoordeeld die juist bestaat in het opwekken van ongegrond vertrouwen.
3.
Natuurlijk kan men een probleem als dit niet oplossen door alleen, maar te zien naar de bewoordingen van's Raads resolutie van 20 juli 1972 of de toelichting in de considerans ervan. Het is waar dat de resolutie geen rechtstreekse betalingsverbintenis bevatte, maar deze lag logischerwijze besloten in de verwijzing naar het stelsel. De resolutie was, zoals gezegd, vooral bedoeld als inlichting betreffende een onbekende grootheid, te weten de hoogte van het compenserende bedrag dat verschuldigd zou zijn geweest bij een normale verdere ontwikkeling van de markt, die een groot verschil te zien gaf tussen de wereldprijzen die in het Verenigd Koninkrijk golden, en de aanzienlijk hogere prijzen van de gemeenschappelijke markt. Dat de Raad daarvan uitging, bleek overigens impliciet ook uit de zinsnede „de compenserende bedragen die tot en met 31 juli 1973 … van toepassing zijn, zijn … de volgende …”. Maar waar werd verwezen naar het stelsel van de Toetredingsakte, kon een welberaden handelaar daarin ook een stilzwijgende verwijzing zien naar de ratio van het gehele stelsel, dat gebaseerd was op de marktverschillen. In onze eerste conclusie hebben wij er ook op gewezen dat de Compagnie Continentale France, gezien de uitzonderlijk lange periode waarvoor die algemene „voorfixatie” zou moeten gelden, alle reden had om te twijfelen aan de door haar veronderstelde onveranderlijkheid van het compenserende bedrag.
Het Hof beoordele of het rekening moet houden met deze en andere elementen, die een dubieus licht werpen op verzoeksters stellingen dat de onvolledige mededeling onrechtmatig was en dat een met normale voorzichtigheid en behoedzaamheid optredend kenner van de sector daardoor in dwaling kon worden gebracht.
In de eerste plaats moet dus antwoord worden gegeven op de fundamentele vraag of er inderdaad sprake is van enige onrechtmatigheid. Wil de handelwijze van de Raad tot aansprakelijkheid leiden, dan moet zij overeenkomstig 's Hofs rechtspraak (zaak 36/62, Aciéries du Temple, Jurispr. 1963, blz. 615) geëigend zijn een handelaar van gemiddelde bekwaamheid, die met de nodige voorzichtigheid en behoedzaamheid te werk gaat, in dwaling te brengen. Maar wanneer men de aansprakelijkheid baseert op de bescherming van gerechtvaardigd vertrouwen, opgewekt door een ongevraagd en onverplicht verrichte informatieve handeling van de Raad, mogen er bovendien geen redenen zijn om aan te nemen dat de betrokken handelaar in concreto de werkelijkheid kende of behoorde te kennen, ook buiten de gedeeltelijke informatie om. Het feit dat de communautaire instanties juist in de periode waarin de verkoopcontracten met het Verenigd Koninkrijk tot stand kwamen, in de marktontwikkeling aanleiding vonden tot algemene schorsing van de restituties voor uitvoer van graanprodukten naar derde landen, inclusief het Verenigd Koninkrijk — hetgeen verzoekster stellig niet is ontgaan —, is in dit opzicht niet zonder belang. Het moge waar zijn dat de „compenserende bedragen-toetreding” rechtens iets geheel anders zijn dan uitvoerrestituties, anderzijds haaden zij overeenkomstig de duidelijke bepaling van artikel 55 Toetredingsakte, evenals de „restituties” tot doel de prijsverschillen tussen de markten te compenseren.
4.
Aangenomen evenwel dat de onjuiste of onvolledige informatie onrechtmatig was en een bedrijf in dwaling kon brengen dat over zoveel ervaring beschikte als verzoekster toen zij de schadeveroorzakende contracten afsloot, moet het oorzakelijk verband tussen de verschillende elementen worden opgespoord, waarbij het nog staat te bezien of men uitkomt met de simplistische oplossing om de beweerde schade te doen samenvallen met het niet-nakomen van de belofte die in de verstrekte informatie begrepen kan worden geacht.
Rechtstreekse schade is die welke het gevolg is van het onrechtmatig handelen van de aansprakelijke persoon en niet afhangt van andere, positieve dan wel negatieve oorzaken. Zoals gezegd, is te dien aanzien de handelwijze of houding van de benadeelde in tweeërlei opzicht van belang: 1) voor het bestaan van enige onrechtmatigheid, waarvan alleen sprake is indien ten onrechte vertrouwen kan worden gewekt bij een persoon die zich normaal heeft gekweten van zijn plicht om zich op de hoogte te stellen; 2) bij nalatigheid van de benadeelde zelf om toekomstige schade te beperken. Wat het eerste punt betreft, hebben wij reeds gezegd dat het gaat om het al dan niet bestaan van enige onrechtmatigheid en niet om de graad van aansprakelijkheid. Bij het tweede punt werkt een nalatigheid van de gelaedeerde daarentegen als medeoorzaak en kan ook worden beschouwd als onderbreking van de schadeveroorzakende keten. Waar nu verzoekster — althans sedert haar brief aan de ONIC van 12 oktober 1972 (dus enkele dagen na het afsluiten van de contracten me het Verenigd Koninkrijk) waaruit blijkt dat zij op de hoogte was van de situatie — kennelijk is gaan twijfelen aan de onveranderlijkheid van het aangekondigde compenserend bedrag in verband met de mogelijke toepassing van de grens van artikel 55, lid 6, als gevolg van de abnormale stijging van de wereldgraanprijs, kunnen vanwege het aldus gedemonstreerde inzicht in ieder geval latere transacties niet meer door het eventuele aanvankelijke vertrouwen worden gedekt. Objectief zouden die transacties in de nieuwe economische situatie een speculatief karakter hebben gekregen zodra belanghebbende gebruik ging maken van de voorfixatierechten voor exporten naar het Verenigd Koninkrijk, waartoe hij zich had verbonden. Het causale verband zou verbroken zijn en bij een eventuele voortzetting van de procedure ter bepaling van de schade zal het Hof moeten onderzoeken welke de invloed kan zijn geweest van de welbewuste keuze van de onderneming om de uitvoercertificaten, die reeds recht gaven op een hogere Gemeenschapsbijdrage dan het compenserende bedrag, liever te gebruiken voor andere doelen dan voor de nakoming van eerdere verplichtingen. De schade zou dan namelijk niet meer zijn veroorzaakt door een onrechtmatig handelen, want niet voortvloeien uit de schending van een gerechtvaardigd vertrouwen, dat immers niet meer bestond ten tijde van de gebeurtenis (nieuwe contracten met gebruikmaking van voorfixatiecertificaten), die het voor verzoekster onmogelijk maakte de schade te vermijden. Haar verweer ten dezen, te weten het ontbreken van opslagmogelijkheden in het Verenigd Koninkrijk, zou niettemin geverifieerd moeten worden.
Evenzeer onaanvaardbaar is anderzijds verzoeksters stelling dat de in genoemde bepaling voorziene — en door haar gevraagde — vrijwaringsmaatregelen dienden te worden toegepast; die toepassing was immers overgelaten aan de bevoegdheid van de Raad en zou in ieder geval niet mogelijk zijn geweest vóór de inwerkingtreding van de Toetredingsakte; hier geldt ten volle het oude adagium: „Wo du deinen Glauben gelassen hast, da mußt du ihn suchen.”
5.
Na beantwoording van de fundamentele vraag in hoeverre het gedrag van de gelaedeerde invloed heeft gehad op het bestaan van een onrechtmatig handelen en op het ontstaan van de daaruit voortvloeiende schade, zal het Hof nog moeten ingaan op het kernprobleem — het oorzakelijk verband — ter beoordeling van de grondslag van verzoeksters vordering, waarin de schade in feite gelijk wordt gesteld met het — niet uitbetaalde — compenserende bedrag overeenkomstig de resolutie van 20 juli. Zoals gezegd, zou het in wezen om een specifieke herstelbetaling gaan. Wij moeten evenwel niet vergeten dat voor de toepassing van de gevolgen van onrechtmatig handelen buiten contract, gedacht moeten worden in termen van causaliteit en niet in termen van een toezegging. Indien immers de aansprakelijkheid moet worden gezien als voortvloeiend uit het niet-nakomen van een toezegging, zou het probleem neerkomen op een interpretatie van die toezegging, om na te gaan of deze was gedaan in absolute termen of afhankelijk was gesteld van de conditio juris van artikel 55, lid 6. Maar bij schadevergoeding ligt het probleem anders. Daarom moet het mijns inziens ook niet worden beschouwd vanuit het standpunt van verzoekster, die de resolutie van de Raad wil uitleggen als toezegging van een vast bedrag, zulks als een tevoren door de Raad gekozen systeem dat als zodanig is onttrokken aan de eventuele toepassing van lid 6 van artikel 55. De te vergoeden schade wordt globaal berekend door vast te stellen in hoeverre verzoeksters beweerd verlies is beïnvloed door de omstandigheid dat zij onrechtmatig in dwaling is gebracht door af te gaan op de onvolledige en onnauwkeurige verklaring van de Raad.
Rest evenwel de beantwoording van de wellicht belangrijker vraag in hoeverre de gestelde schade kan worden beschouwd als een rechtstreeks, te vergoeden gevolg van de onrechtmatige daad. Hiertoe dient men een moeizaam onderzoek in te stellen naar de reële invloed die de met de resolutie van 20 juli 1972 verstrekte informatie heeft gehad op de afsluiting van verzoeksters contracten met haar Britse afnemers. Wij zouden ons dan moeten wagen aan een twijfelachtige gissing naar de mogelijke inhoud dier contracten, niet slechs voor het geval dat eenvoudig geen compenserend bedrag was voorzien, maar ook wanneer dit wel was geschied, doch onder uitdrukkelijk voorbehoud van artikel 55, lid 6. Daarvan valt niet meer te zeggen dan dat de onderhavige contracten ofwel zouden zijn afgesloten op de ook thans overeengekomen voorwaarden of in het geheel niet tot stand zouden zijn gekomen, want het is duidelijk dat de prijs in die omstandigheden overeenkomt met wat kan worden verkregen op grond van vraag en aanbod, en niet op grond van de beoordeling van individuele risico's. Welk van beide mogelijkheden zich zou hebben voorgedaan, valt uiteraard niet te zeggen.
Inderdaad is moeilijk met zekerheid te zeggen dat Continentale France haar contracten heeft afgesloten alleen omdat zij heeft vertrouwd op het onveranderlijke karakter van het compenserend bedrag, zonder rekening te houden met mogelijke veranderingen op de wereldmarkt; aannemelijk is veeleer dat, als zij zich in haar conjunctuurverwachtingen niet had vergist en dus de turbulente marktontwikkeling had voorzien, de contracten in het geheel niet tot stand zouden zijn gekomen, want ondanks het compenserende bedrag zou de onderneming wegens de stijging van de prijs van het produkt ook binnen de Gemeenschap daarbij geen enkel belang hebben gehad. De schade is in feite het uitvloeisel van de reeds meermaals genoemde abnormale ontwikkeling op de wereldmarkt, waardoor onder meer de vrijwaringsclausule van artikel 55, lid 6, ging spelen. Verzoekster, die in september 1972 de contracten met het Verenigd Koninkrijk heeft afgesloten, zou dus een dubbele vergissing hebben gemaakt: enerzijds heeft zij de omslag van de wereldprijzen niet voorzien, anderzijds heeft zij de compenserende bedragen ten onrechte voor onveranderlijk gehouden. Ook al zou deze tweede vergissing van doorslaggevend belang worden geacht en als enige oorzaak van de schade moeten worden beschouwd, dan dient men te bedenken dat dit oorzakelijk verband alleen theoretisch kan worden gelegd, aangezien het, zoals reeds gezegd, onmogelijk is een concrete causaliteit vast te stellen.
Hiermee wil niet zijn gezegd dat, ook als het Hof de aansprakelijkheid van de Raad zou aanvaarden, het vaststellen van de schade moet leiden tot een specifieke vergoeding — de toekenning van een som, gelijk aan het algemeen aangegeven compenserende bedrag, zonder de reële mogelijkheid van een toekenning van compenserende bedragen overeenkomstig artikel 55, lid 6, van de Toetredingsakte in aanmerking te nemen. Aangezien immers, zoals opgemerkt, in deze niet-contractuele materie de aansprakelijkheid niet zozeer het uitvloeisel is van de niet-nakoming van een belofte als van het opwekken van ongegrond vertrouwen, komt de te vergoeden schade niet noodzakelijk overeen met het niet verkregen gedeelte van het aangekondigde compenserende bedrag.
De schade bestaat uit het economisch verlies, geleden met betrekking tot contracten die zijn afgesloten op basis van ten onrechte opgewekt vertrouwen. Maar omdat wij niet precies kunnen vaststellen welke contracten en contractsbepalingen door de in 's Raads resolutie vervatte informatie doorslaggevend zijn beïnvloed, en wij dus niet het causale verband kunnen aanwijzen ter vaststelling van het economisch verlies, geleden op de contracten welke op basis van dit vertrouwen zijn afgesloten, blijft er niets anders over dan een billijkheidscriterium toe te passen overeenkomstig de in de Lid-Staten algemeen aanvaarde praktijk in gevallen waarin de werkelijke schade, veroorzaakt door de buiten contract onrechtmatig handelende persoon, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Daar de contracts-„kansen” ook niet op hun maximum waarde mogen worden berekend, zal het Hof niet slechts de onrechtmatigheid van de onvolledige informatie in aanmerking moeten nemen, doch ook, althans ten dele, de verkeerde economische toekomstverwachting, en bijgevolg het contractuele risico dat nu eenmaal iedere overeenkomst, ook niet-speculatieve, aankleeft.
Ik resumeer: indien het Hof, ondanks instemming met mijn heden voorgedragen overwegingen, zich toch niet wil aansluiten bij mijn vorige conclusie dat het onrechtmatige van 's Raads handelwijze niet is aangetoond, en indien het voorts evenmin in verzoeksters gedrag een medeoorzaak van haar schade wil zien, zou de als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg van 's Raads bedrag vast te stellen schadevergoeding moeten worden berekend naar billijkheid, daarbij rekening houdend met alle omstandigheden, waaronder uiteraard het verschil tussen het ontvangen compenserende bedrag en het oorspronkelijk genoemde. Zulks evenwel uitsluitend met betrekking tot de contracten die waren afgesloten vóór het moment waarop verzoekster zich bewust bleek te zijn van een wettelijk maximum, en voor welker nakoming verzoekster geen gebruik kon maken van de in haar bezit zijnde uitvoercertificaten, op grond waarvan zij — in de vorm van een restitutie voor exporten naar het Verenigd Koninkrijk, gerealiseerd vóór 31 januari 1973 — een bijdrage had kunnen verkrijgen die niet lager was dan het oorspronkelijk verwachte compenserende bedrag.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy