CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 20 NOVEMBER 1974 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Op 8 augustus 1972 verschenen bij de Raad van de Europese Gemeenschappen twee aankondigingen van vacature, onder de nummers 84/72 en 86/72. Nr. 86/72 had betrekking op twee ambten in de rang A 6 die vacant waren, en nr. 84/72 op drie ambten in de rang A 6 die vacant zouden worden zodra door bevordering zou zijn voorzien in de ambten, bedoeld in een aankondiging van vacature nr. 83/72. De aard van de betrokken functies en de daarvoor vereiste kwalificaties waren in de aankondigingen nader omschreven. Voorts was bepaald dat in de betrekkingen zou worden voorzien volgens de procedure van het Statuut, namelijk de artikelen 4 en 29.
Bij besluit van 22 december 1972, bekendgemaakt op 3 januari 1973, werd in twee van deze vacatures voorzien door benoeming van twee ambtenaren die tevoren de rang B 1 bezaten.
Verzoekster, eveneens ambtenaar bij de Raad in de rang B 3, acht dit in strijd met het Statuut, omdat geen vergelijkend onderzoek was gehouden ondanks het hier geldende dwingende voorschrift van artikel 45, lid 2, van het Statuut:
„De overgang van een ambtenaar naar een andere groep of een hogere categorie kan alleen plaatsvinden na een vergelijkend onderzoek”.
Weliswaar kan volgens artikel 29, lid 2, van het Statuut het tot aanstelling bevoegde gezag voor het aanwerven van ambtenaren in de rangen A 1 en A 2, alsmede in buitengewone gevallen voor het vervullen van ambten waarvoor bijzondere kundigheden vereist zijn, een andere procedure volgen dan die van het vergelijkend onderzoek, doch deze bepaling zou alleen gelden bij benoeming in vacatures van personen die nog een ambtenaar zijn. Bovendien meent verzoekster dat in de door haar genoemde gevallen geenszins aan de voorwaarden van artikel 29, lid 2, was voldaan.
Deze mening gaf verzoekster te kennen in een op 29 maart 1973 bij de secretarisgeneraal van de Raad ingediende klacht op de voet van artikel 90, lid 2, van het Statuut, waarbij zij concludeerde tot intrekking van bovengenoemde besluiten. — Na het overlijden van een der benoemde ambtenaren, deelde zij per brief van 12 juni 1973 mede haar klacht ten aanzien van deze ambtenaar te laten varen.
Toen verzoeksters klacht onbeantwoord bleef, stelde zij op 24 oktober 1973 beroep in bij het Hof van Justitie met conclusie:
1.
het besluit van de Raad van 22 december 1972 houdende benoeming van X in een der ambten, bedoeld in aankondiging van vacature nr. 84/72, nietig te verklaren;
2.
de voor of gelijktijdig met het benoemingsbesluit genomen besluiten, met name om bij de voorziening in de litigieuze vacature niet de procedure van vergelijkend onderzoek te volgen, en het besluit om artikel 29, lid 2, van het Statuut toe te passen, nietig te verklaren;
3.
het stilzwijgend besluit tot afwijzing van verzoeksters klacht van 29 maart 1973, voorzover betrekking hebbende op de benoeming van X, nietig te verklaren.
De Raad concludeert tot verwerping van het beroep.
Verzoeksters vorderingen geven mij aanleiding tot de volgende opmerkingen.
1.
Allereerst dienen wij na te gaan of de Raad bij het nemen van het besluit tot benoeming van een ambtenaar in een der vacante A 6-posten het Statuut heeft geschonden, omdat artikel 29, lid 2, alleen geldt bij benoeming in vacatures van personen die nog niet behoren tot het personeel van de Gemeenschappen (zogenaamde externe aanwerving), en omdat volgens artikel 45, lid 2, van het Statuut de overgang van een ambtenaar naar een hogere categorie alleen kan plaatsvinden na een vergelijkend onderzoek.
Deze zienswijze wordt door de Raad uitdrukkelijk bestreden. Volgens de Raad geldt artikel 29, lid 2, van het Statuut niet alleen voor een eerste aanwerving, dat wil zeggen voor benoemingen van buiten (externe aanwerving), maar zeer in het algemeen voor alle soorten vergelijkende onderzoeken. Artikel 45, lid 2, anderzijds schrijft volgens de Raad niet dwingend een vergelijkend onderzoek voor, maar verwijst veeleer naar de gezamenlijke bepalingen inzake benoemingen in het hoofdstuk „aanwerving”, met inbegrip van artikel 29, lid 2.
Om te beginnen, hoe moet ten aanzien van dit geschilpunt artikel 29, lid 2, nu worden gelezen? Als het namelijk alleen van toepassing is bij externe aanwerving, dus niet bij overgang van ambtenaren van de Gemeenschappen naar een hogere categorie, is de vraag of artikel 45, lid 2, bij verandering van categorie de toepassing van artikel 29, lid 2, verbiedt, niet meer relevant.
Verzoekster baseert haar standpunt in hoofdzaak op de tekst van het Statuut: in artikel 29, lid 2, wordt gesproken van „aanwerven” en in artikel 28 — betreffende de aanstelling als ambtenaar —, sub d), wordt met betrekking tot de procedure van het vergelijkend onderzoek een uitdrukkelijk voorbehoud gemaakt voor artikel 29, lid 2. — Bovendien beroept zich zij op de ratio van de bepaling. Volgens haar heeft het alleen bij een eerste aanwerving zin af te zien van een vergelijkend onderzoek, om te voorkomen dat bij uitstek voor een bepaald ambt geschikte personen anders niet bereid zijn bij de Gemeenschap in dienst te treden. Ten slotte beroept zij zich nog op het standpunt van de voormalige Advocaat-Generaal Lagrange met betrekking tot artikel 29, lid 2.
Aan laatstgenoemd argument moet stellig het minste gewicht worden toegekend, want bedoelde conclusie ging over een geheel andere vraag. Slechts terloops wordt daar gezegd dat artikel 29, lid 2, betrekking heeft op de aanwerving van kandidaten die nog geen ambtenaar van de Gemeenschappen zijn, zonder dat nader wordt ingegaan op de onderhavige vraag.
Wat bovengenoemde aan de tekst ontleende argumenten betreft, is in de eerste plaats van belang dat uit het gebruik van het woord „aanwerven” in artikel 29, lid 2, verzoeksters uitlegging niet zonder meer is af te leiden. Eigenlijk zou men op dit punt kunnen volstaan met de opmerking dat het woord „aanwerven” in artikel 29, lid 2, alleen wordt gebezigd met betrekking tot ambtenaren in de rangen A 1 en A 2 en niet — hetgeen in casu van belang is — met betrekking tot andere ambten. Ik wil het daarbij echter niet laten. Want wanneer men het Statuut in zijn geheel beziet, blijkt dat de term „aanwerven” in feite niet eng moet worden opgevat in de zin van aanstelling tot ambtenaar, van externe aanwerving, doch veeleer een algemene term is die welverstaan alle mogelijke wijzen van voorziening in een ambt omvat. Ten deze merkt de Raad terecht op dat in artikel 4 van Titel 1 („Algemene bepalingen”) aanstellingen tegenover bevorderingen worden gesteld. Daaruit blijkt dat op twee wijzen in een ambt kan worden voorzien: door bevordering, die blijkens de definitie van artikel 45 overgang naar de eerstvolgende hogere rang meebrengt, en door alle andere aanstellingen. Deze laatste term omvat dus alle mogelijke wijzen van voorziening in een ambt, namelijk overplaatsing (artikel 29, lid 1, sub a) en overgang van ambtenaren van andere instellingen (artikel 29, lid 1, sub c) — in beide gevallen zonder wijziging van rang —, doch ook via de procedure van vergelijkend onderzoek, hetzij binnen een instelling of binnen de Gemeenschappen, waaraan alle personeelsleden kunnen deelnemen, hetzij algemene vergelijkende onderzoeken waaraan ook buitenstaanders kunnen deelnemen.
Een analoge conclusie valt te trekken uit artikel 7, dat aanstelling en overplaatsing tegenover elkaar stelt, waaruit eveneens duidelijk blijkt dat „aanstelling” een algemene term is.
Voorts is van belang dat ook hoofdstuk 1 van Titel 3 in deze richting wijst. Het is wel getiteld „aanwerving” doch bevat — zoals uit artikel 29 blijkt — regels voor verschillende wijzen van voorziening in ambten, met uitzondering van de bevordering die in een bijzonder hoofdstuk van titel 3 is geregeld. Hoewel de meeste bepalingen uit het hoofdstuk „aanwerving” die deze term bevatten, van toepassing zijn op de aanstelling als ambtenaar, is dit niet altijd het geval, zoals met name blijkt uit artikel 32. — Vooral wat betreft artikel 28 waarop verzoekster zoveel nadruk legt in verband met het argument dat zij aan artikel 28, sub d, wil ontlenen, heeft de Raad naar ik meen overtuigend aangetoond dat het bepaald niet alleen van belang is bij eerste aanwerving, doch ook bij andere wijzen van voorziening in ambten, dat wil zeggen ook die waarbij ambtenaren der Gemeenschappen in aanmerking komen. Inderdaad kan het ook in dergelijke geval; len nog noodzakelijk zijn te onderzoeken, hoe het staat met de vereiste nationaliteit en mogelijke afwijkingen daarvan, met de wettelijke verplichtingen inzake de militaire dienstplicht, met de zedelijke waarborgen welke voor de uitoefening van de functie vereist zijn, met de lichamelijke geschiktheid en de noodzakelijke talenkennis.
Wat de argumenten op grond van de tekst van het Statuut betreft, ten slotte nog het volgende. Artikel 29, lid 1, bevat onmiskenbaar algemene regels voor de voorziening in vacatures, met name doordat het een bepaalde volgorde voor de verschillende onderzoeken aangeeft. Artikel 29, lid 2, laat nu voor bepaalde gevallen uitzonderingen toe op de regel van het vergelijkend onderzoek. Een dergelijke wetgevingstechniek — uitzonderingen in een onderafdeling van een bepaling van algemene aard — spreekt zeker voor de veronderstelling dat de gemaakte uitzondering in principe geldt voor alle wijzen van voorziening in vacatures. Anders zouden de auteurs van het Statuut deze uitzondering stellig in een aparte bepaling hebben geregeld, ofwel duidelijk tot uitdrukking hebben gebracht dat daaraan slechts beperkte gelding toekomt, waartoe echter — zoals gezegd — het gebruik van de term „aanwerving” niet voldoende is.
Terwijl dus reeds een analyse van de teksten en de daarin gebruikte termen pleit voor de zienswijze van de Raad, daarbij komt nog — zeker niet in de laatste plaats — een overweging in verband met het doel van de wet. — De procedure voor vergelijkende onderzoeken is in het Statuut (zie de artikelen 3 en 5 van bijlage III) zo geregeld, dat een onafhankelijke jury een aantal kandidaten beoordeelt en vervolgens een lijst van geschikte kandidaten opstelt, waaruit dan het tot aanstelling bevoegde gezag de te benoemen kandidaat kiest. Bij deze procedure wordt er dus van uitgegaan dat er verschillende, en vergelijkbare, sollicitanten zijn. Zien wij nu naar de problematiek van het onderhavige geval, dan heeft een dergelijke procedure geen zin bij de voorziening in een ambt, waarvoor bijzondere kundigheden vereist zijn, dat wil zeggen wanneer kwalificaties worden verlangd waarover slechts een of slechts zeer weinige kandidaten beschikken (zie Euler, Europaisches Beamtenstatut, Deel 1, blz. 265). Op grond hiervan moet aan artikel 29, lid 2, een algemene strekking worden toegekend en mag de toepassing daarvan niet worden beperkt tot externe aanwerving. Bij een uitlegging in enge zin zou namelijk in een geval waarin een ambtenaar wegens zijn bijzondere kwalificaties in aanmerking komt voor een bepaald ambt, toch een vergelijkend onderzoek moeten worden gehouden of alleen een buitenstaander kunnen worden benoemd. Zowel het een als het ander is uiteraard onaanvaardbaar: enerzijds zou een zinloos onderzoek moeten worden gehouden, en anderzijds zou men voorbijgaan aan de belangen van de Europese ambtenaren, die in het stelsel van het Personeelsstatuut prioriteit bij de aanstellingsprocedure genieten.
Om al deze redenen moet artikel 29, lid 2, mijns inziens ook toepassing kunnen vinden, wanneer een post waarvoor bijzondere kundigheden vereist zijn, dient te worden bezet door een ambtenaar van de Gemeenschappen.
In verband met het eerste middel dient nog als tweede punt te worden onderzocht of artikel 45, lid 2, bij overgang van een ambtenaar naar een hogere categorie dwingend een vergelijkend onderzoek voorschrijft, met het gevolg dat artikel 29, lid 2, dan geen toepassing kan vinden. — Verzoekster beroept zich hier op de tekst van artikel 45, lid 2, die zij in het bijzonder vergelijkt met de tekst van artikel 28, sub d. Bovendien wijst zij op de overwegingen in het arrest in de zaken 55-76, 86, 87 en 95-71 (arrest van 13 juli 1972, Besnard en anderen t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1972, blz. 543) en in de conclusie van de Advocaat-Generaal in de zaak 15-63 (arrest van 4 maart 1964, Lassalle t. Europees Parlement, Jurispr. 1964, blz. 61).
Ook hier moet worden geconstateerd dat noch deze conclusie noch het arrest verzoeksters standpunt volledig dekken. Genoemd arrest (Jurispr. 1972, blz. 562 e.v.) gaat namelijk niet over het vraagstuk dat ons thans bezighoudt, doch alleen over de vraag of artikel 46 ook van toepassing is bij wisseling van categorie. Daarbij komt terloops wel artikel 45, lid 2, ter sprake, doch in feite wordt alleen de tekst vermeld. Hetzelfde is het geval met de conclusie in de zaak 15-63 (Jurispr. 1964, blz. 96). Bovendien wordt daarin (op blz. 94) gezegd dat de overgang naar een nieuwe groep of categorie normaliter slechts mogelijk is na een vergelijkend onderzoek, hetgeen de conclusie rechtvaardigt dat in bijzondere gevallen hiervan kan worden afgeweken.
Bij lezing van de door verzoekster vergeleken teksten moet weliswaar worden toegegeven dat artikel 45, lid 2, steun geeft aan de veronderstelling dat bij verandering van loopbaan een vergelijkend onderzoek dwingend is voorgeschreven, omdat daarin staat dat zodanige overgang „alleen kan plaatsvinden na een vergelijkend onderzoek”, terwijl volgens artikel 29, lid 2, „een andere procedure dan die van het vergelijkend onderzoek” kan worden gevolgd. Ook het feit dat artikel 45, lid 2, in tegenstelling tot artikel 28, sub d, geen voorbehoud bevat met betrekking tot artikel 29, lid 2, geeft te denken. Niettemin bestaan er goede redenen om de door verzoekster voorgestelde uitlegging niet te volgen.
Vooreerst kan in het algemeen worden gezegd dat bij de uitlegging van het secundaire Gemeenschapsrecht aan dergelijke tekstargumenten niet al te veel gewicht moet worden toegekend. Verder bedenke men dat artikel 45, lid 2, waarin bevorderingen bij wisseling van categorie in feite worden uitgesloten, betrekking heeft op de bevorderingsprocedure.
Bovendien zij ook hier herinnerd aan het doel van artikel 29, lid 2, dat reeds eerder ter sprake is geweest. Want de uitkomst van de interpretatiepogingen wordt ook ten aanzien van artikel 45, lid 2, al min of meer bepaald door hetgeen is geconstateerd met betrekking tot artikel 29, lid 2. Wanneer het namelijk inderdaad zo is dat voor de bezetting van een post die bijzondere vakkennis wordt vereist, een vergelijkend onderzoek geen zin heeft, en artikel 29, lid 2, daarom ook voor interne aanwervingen geldt, dan lijkt het niet logisch de toepassing van artikel 29, lid 2, juist bij verandering van loopbaan uit te sluiten. Anders zou immers in gevallen, waarin een ambtenaar van een lagere categorie voor een dergelijke post in aanmerking zou komen, hetzij een zinloos vergelijkend onderzoek moeten worden gehouden, hetzij het tot aanstelling bevoegde gezag bij de keuze uitsluitend zijn aangewezen op sollicitanten in de loopbaan van de betrokken post of op buitenstaanders. Bij een zinvolle uitlegging van het Statuut — dat wil zeggen een uitlegging die is gericht op een carrière van de Gemeenschapsambtenaren — valt zodanig resultaat stellig niet te rechtvaardigen.
Ik sluit mij dan ook aan bij de mening van de Raad dat artikel 45, lid 2, moet worden opgevat als een algemene verwijzing naar de regeling van het vergelij kend onderzoek, zoals die is neergelegd in artikel 29, dus met inbegrip van artikel 29, lid 2.
Daartegen valt niet in te brengen dat men zo in conflict komt met de gedachte die ten grondslag ligt aan artikel 45, lid 2, namelijk dat het tot aanstelling bevoegde gezag bij verandering van categorie niet beschikt over een keuzebevoegdheid. De Raad heeft terecht opgemerkt dat het tot aanstelling bevoegde gezag bij de vervulling van een post steeds een keuze maakt, ook na een vergelijkend onderzoek. Beslissend is derhalve niet dat enige keuze wordt gedaan, doch dat bij een bevorderingsprocedure niet een keuze wordt gedaan op grondslag van de verdiensten. Van een keuze in laatstgenoemde zin kan bij toepassing van artikel 29, lid 2, echter geen sprake zijn, zodat ook bij de door mij verdedigde uitlegging een conflict met artikel 45, lid 2, in feite uitgesloten is.
Dit alles leidt tot de conclusie dat de voor het eerste middel voorgedragen argumenten de vordering niet kunnen doen slagen.
2.
Als tweede middel voert verzoekster aan — en wel subsidiair, voor geval artikel 29, lid 2, van het Personeelsstatuut ook voor de bezetting van een post door een ambtenaar van een lagere categorie geldt — dat het onderhavige vergelijkende onderzoek een aantal gebreken vertoont. Enerzijds was noch in de aankondiging van vacature, noch in een later gepubliceerd stuk uitdrukkelijk medegedeeld dat artikel 29, lid 2, zou worden toegepast, anderzijds was de toepassing van deze bepaling onvoldoende gemotiveerd en ten slotte was ook niet voldaan aan de materiële voorwaarden voor toepassing van artikel 29, lid 2, omdat het in feite niet ging om een post waarvoor bijzondere kundigheden vereist waren.
Over elk van deze grieven is het volgende op te merken:
a)
De vraag of het tot aanstelling bevoegde gezag inderdaad vooraf uitdrukkelijk moet bekendmaken dat het overeenkomstig artikel 29, lid 2, in een vacature denkt te voorzien, kan niet eenvoudig worden afgedaan met de opmerking dat een dergelijke verplichting niet met zoveel woorden in het Personeelsstatuut staat. Er zijn nu eenmal ook verplichtingen van een werkgever die niet uitdrukkelijk zijn voorgeschreven, doch als het ware uit de aard der zaak voortvloeien. Zo is in dit verband wellicht van belang dat een kennisgeving van vacature, dat wil zeggen de bekendmaking van het besluit om in een vacature te voorzien, bij de betrokken dienst verwachtingen doet ontstaan en aanleiding kan zijn tot sollicitaties van kandidaten die voor bevordering of overplaatsing in aanmerking komen. Zo gezien, is het tot aanstelling bevoegde gezag in het geval van een post waarvoor bijzondere kundigheden zijn vereist en waarvoor slechts weinige kandidaten in aanmerking zullen komen, tegenover haar ambtenaren verplicht dit duidelijk kenbaar te maken om geen illusies te wekken en overbodige sollicitaties uit te lokken. Ik zou niet aarzelen in zoverre althans te spreken van een nobile officium; ook zou ik in navolging van Advocaat-Generaal Dutheillet de Lamothe in de zaken 45 en 49-70 (arrest van 26 mei 1971, Bode t. de Commissie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1971, blz. 484), bereid zijn hier een rechtsplicht te erkennen.
Aanvaardt men dit, dan blijkt in het onderhavige geval aan deze verplichting niet te zijn voldaan. Hiertoe kan namelijk niet worden volstaan met een algemene verwijzing naar artikel 29 in de aankondiging van vacature. In zoverre kan dus inderdaad van een gebrek in de aanwervingsprocedure worden gesproken.
Een andere vraag is echter of deze nalatigheid kan worden beschouwd als een schending van wezenlijke vormvoorschriften, die de procedure onwettig maakt en tot nietigverklaring van de daaruit voortvloeiende benoeming moet leiden, dan wel of het voor de rechtmatigheid der benoeming alleen erop aankomt dat voor de post inderdaad bijzondere kundigheden werden vereist en de benoemde sollicitant daarover beschikte. Ik wil deze vraag in het midden laten en er alleen op wijzen dat, wanneer in laatstgenoemde zin wordt beslist en het beroep wordt verworpen, bovenbedoeld punt althans bij de beslissing over de kosten in aanmerking dient te worden genomen, daar de mogelijkheid bestaat dat verzoekster deze procedure mede uit onbekendheid met de wijze van voorziening in vacature heeft ingeleid.
b)
Wat het tweede punt betreft — het motiveringsgebrek van het besluit tot toepassing van artikel 29, lid 2, — bevat 's Hofs jurisprudentie reeds een duidelijke uitspraak waaruit ook voor de onderhavige zaak een conclusie kan worden getrokken.
Het Hof (Tweede Kamer) heeft namelijk, op voorstel van de Advocaat-Generaal, in de zaken 45 en 49-70 (Jurispr. 1971, blz. 477) overwogen, zonder zich daartoe te kunnen baseren op een nadere bepaling, dat het besluit zich van de procedure van artikel 29, lid 2, te bedienen „zodanig met redenen moet zijn omkleed dat het Hof zo nodig de wettigheid ervan kan controleren”. Hiermede is een formele motivering bedoeld, dus een uiteenzetting van de gronden bij het besluit, en geen motivering in het kader van de procedure in rechte. Dit blijkt duidelijk uit overweging 17 bij genoemd arrest, dat uit het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag moet blijken of het met de nodige zorg heeft nagegaan of was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 29, lid 2.
Het is duidelijk dat de Raad dit heeft nagelaten. Een bijzondere motivering ontbreekt ook in de aankondiging van vacature, waarin alleen de aan een A 6-post normaal verbonden werkzaamheden en de normale voorwaarden voor de vervulling daarvan worden genoemd. Anders dan de Raad meent, is dit niet te rechtvaardigen met de opmerking dat de Raad geen organigram heeft, zoals andere instellingen, en dat daarom ook de kennisgevingen van vacatures bij de Raad in het algemeen zeer vaag zijn. Ook de andere besluiten inzake de toepassing van artikel 29, lid 2, zijn niet nader gemotiveerd. Ten slotte bevat ook het besluit tot benoeming van X geen voldoende motivering, omdat daarin alleen de tekst van artikel 29, lid 2, wordt herhaald en niet wordt uiteengezet waarom bedoelde post bijzondere kundigheden vereist.
Wil men niet afwijken van de eerder geciteerde jurisprudentie van het Hof (Tweede Kamer) — hetgeen mijns inziens alleen zou kunnen geschieden door het voltallige Hof waaraan de zaak overeenkomstig artikel 95, lid 2, zou moeten worden voorgelegd —, dan moet worden geconstateerd dat de voorzieningsprocedure een gebrek vertoont, dat — evenals in bedoelde zaak — nietigverklaring van de onderhavige procedure en daarmede van het litigieuze benoemingsbesluit rechtvaardigt.
c)
Eigenlijk zou ik het onderzoek van de zaak hiermee kunnen afsluiten en niet meer behoeven in te gaan op verzoeksters laatste grief, dat bij de benoeming van X niet is voldaan aan de materiële voorwaarden van artikel 29, lid 2. Toch nog een enkel woord hierover.
In het arrest 45 en 49-70 werd overwogen dat voor de toepassing van artikel 29, lid 2, als uitzonderingsbepaling „zeer strenge formele en materiële voorwaarden gelden, hetgeen overigens zowel met de door de dienst gestelde eisen als met het wettig belang der ambtenaren in overeenstemming is”. De criteria op dit gebied zijn derhalve zeer strikt.
In dit licht is de verklaring van de Raad dat het onderhavige geval behoort tot de uitzonderingsgevallen waarbij artikel 29, lid 2, wordt toegepast, van gener waarde. De omstandigheid dat bij de duizenden benoemingsbesluiten die de Raad tot dusver heeft genomen, artikel 29, lid 2, slechts bij hoge uitzondering zou hebben gespeeld, is natuurlijk geen bewijs dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing daarvan.
Evenmin acht ik het relevant of het hier gaat om een herwaardering van het ambt waarin X al lang werkzaam was, en of die herwaardering valt te rechtvaardigen door de aanzienlijke toeneming der werkzaamheden en de wijziging van de aard daarvan. In feite gaat het hier om een nieuwe post, zoals trouwens ook blijkt uit de aankondiging van vergelijkend onderzoek nr. 84/72. Al maakt degene die het ambt thans vervult wellicht de facto meer kans, toch mogen de voorschriften van het Statuut niet worden veronachtzaamd. Ook 's Hofs jurisprudentie (zaak 28-72, arrest van 12 juli 1972, Tontodonati t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1973, blz. 779) sluit met name uit dat aan de ambtenaar die een ambt vervult aanspraak op indeling in dat ambt wordt toegekend.
Doorslaggevend is alleen of de Raad het bewijs heeft kunnen leveren dat voor de betrokken post „bijzondere kundigheden” in de zin var: artikel 29, lid 2, vereist zijn.
In de loop van de procedure heeft de Raad uiteengezet welke werkzaamheden aan de betrokken post zijn verbonden. Kort gezegd bestaan deze werkzaamheden in het coördineren van het opstellen, typen, reproduceren, vertalen en verspreiden van documenten, alsmede het verdelen van en het toezicht houden op deze werkzaamheden. Dit werk — zo werd ons verzekerd — is voor een vlot verloop van 's Raads werkzaamheden, voor de verschillende dagelijkse bijeenkomsten van de diensten van de Raad en van de Raad zelf van het grootste belang; hierin zou per se geen lacune mogen ontstaan, hetgeen zich zou voordoen bij de noodzaak een andere ambtenaar in te werken.
Al mogen deze mededelingen van een instelling der Gemeenschap zeker niet luchtig worden opgevat, toch is het mijns inziens zeer de vraag of uit de beweringen van de Raad werkelijk genoegzaam blijkt dat aan de vereisten van artikel 29, lid 2, is voldaan. Eveneens wil ik voorbijgaan aan de opmerking dat er voor deze werkzaamheden geen speciale opleidingsmogelijkheden en diploma's bestaan, want dit geldt ook voor tal van andere functies bij de administratie, zonder dat men daarmee kan spreken van ambten „waarvoor bijzondere kundigheden vereist zijn”. Men kan zich immers voorstellen dat de genoemde werkzaamheden zich ook elders bij nationale en internationale bestuursorganen voordoen en dat toegewijde ambtenaren zich betrekkelijk snel in deze functies kunnen inwerken. In elk geval is moeilijk voorstelbaar dat het bij dergelijke ambten om werkzaamheden gaat, die zeer bijzondere, moeizaam te verwerven kwalificaties verlangen en dus beantwoorden aan hetgeen Euler in zijn commentaar op artikel 29 het kenmerkende van lid 2 noemt, namelijk de Seltenheit der Bewerber.
Om deze reden kan ik ook zonder bezwaar vaststellen dat de Raad niet geslaagd is in het materiële bewijs dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 29, lid 2, hetgeen bijgevolg een verdere grond tot nietigverklaring oplevert.
Hiermede kan voor de beoordeling van de zaak worden volstaan; het is niet noodzakelijk op verdere grieven in te gaan, met name niet op het beweerde misbruik van bevoegdheid op grond dat reeds vóór de publikatie van de betrokken aankondiging in feite over de vervulling van de vacature zou zijn beslist.
3.
Mitsdien concludeer ik dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. Gelet op het thans geldende systeem van het Personeelsstatuut, volgens hetwelk de indiening van een administratieve klacht dwingend is voorgeschreven en eventueel beroep bij het Hof kan worden ingesteld tegen de stilzwijgende afwijzing van die klacht, moet het stilzwijgend besluit tot afwijzing van de door verzoekster ingediende administratieve klacht, waarbij zij intrekking van de benoeming van X verlangde, worden nietigverklaard, hetgeen voor de Raad de verplichting meebrengt het in die klacht bedoelde besluit in te trekken. In dat geval dient de Raad in de kosten te worden verwezen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy