CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 2 APRIL 1974 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Dit verzoek van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel om een prejudiciële beslissing is een vervolg op de zaak 96-71 R. & V. Haegeman/Commissie (Jurisprudentie 1972, blz. 1005).
U zult zich herinneren dat de PVBA R. cc V. Haegeman (hierna te noemen „verzoekster”) een vennootschap te Brussel is die, met name uit Griekenland afkomstige, wijnen importeert. In de zaak 96-71 was zij verzoekster, evenals in het onderhavige geding, waarin de Belgische Staat verweerder is.
Verzoekster vordert terugbetaling van „compenserende heffingen”, welke haar voor bepaalde importen van Griekse wijn in België door de Belgische douaneautoriteiten zijn opgelegd, ingevolge, of beweerdelijk ingevolge, verordening (EEG) nr. 816/70 van de Raad en de daartoe gegeven communautaire uitvoeringsvoorschriften.
Het bedrag der heffingen, waarom het volgens verzoekster gaat, beloopt ongeveer 30 miljoen Belgische franken. Verzoeksters betoog komt er in het kort op neer dat het opleggen dier heffing gezien de op 9 juli 1961 te Athene ondertekende Associatieovereenkomst tussen de EEG en Griekenland, onwettig was.
Het merendeel der argumenten die namens verzoekster ter adstructie van dat betoog naar voren werden gebracht, zijn door Advocaat-Generaal Mayras in diens conclusie in de Zaak 96-71 behandeld en wellicht is het nuttig reeds nu te zeggen dat ik het eens ben met al hetgeen hij daaromtrent opmerkte. Wanneer ik hier het woord „merendeel” gebruik, dan doe ik zulks omdat in het onderhavige geding namens verzoekster een aantal aanvullende argumenten naar voren zijn gebracht, tot de behandeling waarvan Advocaat-Generaal Mayras niet in de gelegenheid was.
U zult zich herinneren dat toen in juli 1961 de Associatie-overeenkomst met Griekenland werd getekend, het in artikel 38 en volgende van het EEG-Verdrag bedoelde gemeenschappelijke landbouwbeleid nog niet was ingevoerd. Bij lezing dier overeenkomst is het echter duidelijk dat haar auteurs de overtuiging hadden dat dit beleid binnenkort zou worden ingevoerd en dat zulks overeenkomstig artikel 40 van het Verdrag een gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten in de Gemeenschap met zich mee zou brengen, alsmede dat de in lid 3 van dat artikel bedoelde prijsregelingen waarschijnlijk het stelsel van heffingen zouden omvatten waarmede wij thans vertrouwd zijn.
Artikel 6 der overeenkomst bepaalde dat de daarbij tot stand gebrachte Associatie is gegrondvest op een douane-unie die, voor zover in de overeenkomst niet anders was bepaald, het gehele goederenverkeer omvat en zowel het verbod medebrengt van in- en uitvoerrechten en van alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap en Griekenland als de invoering door Griekenland van het gemeenschappelijke douanetarief van de Gemeenschap voor de betrekkingen van dit land met derde landen. Dat artikel voorzag ten aanzien van de totstandbrenging van de douane-unie ook in een overgangsperiode, die behoudens de in de overeenkomst gemaakte uitzonderingen, twaalf jaar zou duren.
Een reeks artikelen met betrekking tot het bereiken van de douane-unie begon met artikel 12, waarin werd bepaald dat de Overeenkomstsluitende Partijen (die zowel elk der toenmalige Lid-Staten der Gemeenschap, als de Gemeenschap zelf en Griekenland omvatten) zich ervan dienden te onthouden onderling nieuwe in- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking in te voeren en de rechten en heffingen te verhogen, die zij op de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst reeds in hun onderlinge handelsbetrekkingen toepasten. Daarop volgende artikelen voorzagen in de geleidelijke afschaffing van douanerechten (met inbegrip van die van fiscale aard), alsmede van heffingen van gelijke werking, welke tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap en Griekenland van kracht waren, in de geleidelijke aanpassing tijdens de overgangsperiode van het Griekse douanetarief aan het gemeenschappelijk douanetarief en in de opheffing van kwantitatieve beperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de Overeenkomstsluitende Partijen. Gemakshalve zal ik al deze voorschriften aanduiden als „de algemene bepalingen inzake de douane-unie”.
De landbouw werd in de artikelen 32 tot 43 behandeld. Kort samengevat bepaalde artikel 32 dat de Associatie mede de landbouw en de handel in landbouwprodukten omvat en dat de overeenkomst op die produkten van toepassing is, voor zover in de artikelen 33 tot 43 niet anders is bepaald. Artikel 33 schreef voor dat de werking en de ontwikkeling van de Associatie inzake landbouwprodukten gepaard dienen te gaan met de geleidelijke harmonisering van het landbouwbeleid van de Gemeenschap en dat van Griekenland gedurende een overgangsperiode van 22 jaar. Teneinde zulks te vergemakkelijken diende de Gemeenschap bij het tot stand brengen van het gemeenschappelijke landbouwbeleid „op doelmatige wijze rekening te houden” met de bijzondere positie, de mogelijkheden en de belangen van de Griekse landbouw. De artikelen 34, 35 en 36 bevatten het mechanisme om die harmonisering per produkt te bereiken, alsmede bepalingen die moesten gaan werken wanneer zulks na zekere tijd met betrekking tot een specifiek produkt niet was gelukt.
Artikel 37, lid 1, bepaalde dat de Overeenkomstsluitende Partijen, „vooruitlopend op de harmoniëring van het landbouwbeleid van de Gemeenschap en dat van Griekenland”, voor bepaalde produkten, opgenomen in de lijst van bijlage III van de overeenkomst, waar wijn niet toe behoorde, in hun onderlinge verkeer de algemene regels voor de douane-unie dienden toe te passen. Met betrekking tot andere landbouwprodukten, wijn daaronder begrepen, hielden anderzijds de leden 2 en 3, van artikel 37 bepaalde uitzonderingen op die regels in. Lid 2, sub a, herhaalde echter met betrekking tot deze produkten de vereisten van artikel 12, met name dat de Overeenkomstsluitende Partijen zich ervan zouden onthouden in hun onderlinge verkeer nieuwe in-en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking in te voeren. Lid 4 bepaalde nader dat de voorgaande leden met betrekking tot elk produkt slechts tot het verstrijken der in de artikelen 35 en 36 bepaalde termijnen toepassing dienden te vinden.
Niet is gesteld dat een der andere op de landbouw betrekking hebbende artikelen voor deze zaak relevant zijn, behalve de artikelen 41 en 43, waarop verzoekster haar eis doet steunen. Ik zal op deze bepalingen later terugkomen.
Twee der aan de overeenkomst gehechte Protocollen zijn van fundamenteel belang.
Het eerste is Protocol nr. 12. Voor zover hier ter zake dienend, werd daarin bepaald:
„Het in het kader van het gemeenschappelijke landbouwbeleid beoogde stelsel van heffingen vormt een voor dit beleid specifieke maatregel die niet kan worden beschouwd als een heffing van gelijke werking als douanerechten in de zin van de artikelen 12 en 37 van de Associatieovereenkomst, indien deze maatregel door een der Partijen wordt toegepast …” (PB nr. 26, 1963).
Het tweede is Protocol nr. 14 dat betrekking heeft op uitvoer van Griekse wijn. Hiervan werd gezegd dat de Overeenkomstsluitende Partijen het hadden aanvaard„zich bewust van de bijzondere vraagstukken die zich voordoen bij de uitwerking van het gemeenschappelijke landbouwbeleid ter zake van wijnen, en van de betekenis van de uitvoer van dit produkt voor de Griekse economie”. Voor een goed begrip van de bepalingen van dit Protocol is het noodzakelijk in gedachte te houden dat ten tijde van het sluiten der overeenkomst wijnimport in de Bondsrepubliek, Frankrijk en Italië aan douanerechten en kwantitatieve beperkingen in de vorm van contingenten was onderworpen, terwijl op wijnimport in de drie Benelux-landen geen heffingen of beperkingen van enigerlei aard van toepassing waren.
Paragraaf 1 van Protocol nr. 14 schreef voor dat de Bondsrepubliek voor Griekenland tariefcontingenten voor bepaalde hoeveelheden diende te openen, tegen het tarief dat van toepassing was op de invoer uit de andere Lid-Staten van de Gemeenschap.
Paragraaf 2 bepaalde:
„Het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden passen op de invoer uit Griekenland de regeling toe, waaraan de invoer uit Duitsland, Frankrijk en Italië onderworpen is.”
In paragraaf 3 verklaarden Frankrijk en Italië zich bereid in bepaalde gevallen een contingent voor Griekenland te openen en paragraaf 4 schreef voor dat Frankrijk op de invoer van muskaatwijn uit Samos de rechten diende toe te passen die golden voor likeurwijn uit de Lid-Staten. Paragraaf 5 omschreef omstandigheden, waaronder contingenten ten behoeve van Griekenland dienden te worden verhoogd en ten slotte bevatte paragraaf 6 een bepaling analoog aan die van artikel 37, lid 4, der overeenkomst, waarbij de toepassing van het Protocol in de tijd werd beperkt tot het verstrijken van de termijn bedoeld in de artikelen 35 en 36. Dit was uiteraard de periode gedurende welke onder andere het gemeenschappelijke landbouwbeleid voor wijn diende tot stand te worden gebracht.
Om U bekende politieke redenen, werd het mechanisme van de artikelen 35 en 36 in feite nimmer in werking gesteld.
De gemeenschappelijke ordening der communautaire wijnmarkt werd tot stand gebracht bij verordening (EEG) nr. 816/70 van de Raad, welke op 1 juni 1970 in werking trad. Deze verordening wordt in haar titel aangeduid als „houdende aanvullende bepalingen” (PB nr. L 99, 1970) inzake die ordening. De reden hiervoor is dat zij werd voorafgegaan door verordening nr. 24 van de Raad van 4 april 1962, „houdende de geleidelijke totstandbrenging van de wijnmarkt” (PB nr. 30, 1962), maar verordening nr. 24 ging in wezen niet verder dan het bijeenbrengen van informatie voor te schrijven.
Het komt mij niet nodig voor een gedetailleerde opsomming te geven van de bepalingen van verordening nr. 816/70. Een der daarin vermelde doelstellingen was „de markten te stabiliseren en de betrokken landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren”. Daartoe bevatte zij bepalingen omtrent interventie op basis van „oriëntatieprijzen”, bepalingen inzake het handelsverkeer met derde landen, voorschriften betreffende de produktie en de controle van de aanplantingen alsmede met betrekking tot oenologische procédés en regels voor het in de handel brengen.
Voor het onderhavige doel is artikel 9 de bepaling der verordening, waarop het aankomt. Dit voorzag in de jaarlijkse vaststelling van „referentieprijzen” voor verschillende soorten wijn en — met betrekking tot elke wijn waarvoor een referentieprijs werd vastgesteld — in het bepalen, op basis van alle beschikbare gegevens, van een „aanbiedingsprijs franco grens” voor de gehele invoer in de Gemeenschap.
Voorts schreef lid 3 voor:
„Indien de aanbiedingsprijs franco grens van een wijn, verhoogd met de douanerechten, lager is dan de referentieprijs voor deze wijn, wordt op de invoer van deze wijn en van daarmee gelijkgestelde wijn een compenserende heffing gelegd, die gelijk is aan het verschil tussen de referentieprijs en de met de douanerechten verhoogde aanbiedingsprijs franco grens.
De compenserende heffing wordt echter niet toegepast ten opzichte van derde landen welke bereid en in staat zijn te waarborgen dat de prijs die wordt toegepast bij de invoer van produkten van oorsprong en van herkomst uit hun grondgebied, niet lager zal zijn dan de referentieprijs, verminderd met de douanerechten, en dat verlegging van het handelsverkeer zal worden voorkomen.”
Het blijkt dat Griekenland op geen enkele tijdstip „bereid en in staat” was de in dat beding genoemde garantie te verstrekken, hoewel dergelijke garanties wel van andere landen werden verkregen (met name van Algerije, Marokko, Tunesië en Turkije), zodat invoer uit die landen dienovereenkomstig niet aan compenserende heffing is onderworpen.
Zo ligt de situatie (want ik behoef U niet op te houden met een relaas over de uitvoeringsvoorschriften van artikel 9), waarin verzoekster sedert juni 1970, zij het onder protest, compenserende heffingen op invoer van Griekse wijn had te betalen.
In 1970 en 1971 protesteerde verzoekster hiertegen, allereerst bij het betrokken Belgische ministerie en vervolgens bij de Commissie, daarbij stellende dat zij, met name ingevolge paragraaf 2 van Protocol nr. 14, Griekse wijn zonder compenserende heffing in België mocht invoeren, zulks niettegenstaande verordening nr. 816/70 geen uitdrukkelijke vrijstelling voor dergelijke invoer verleende. Verzoeksters briefwisseling met deze instellingen culmineerde in een brief van 15 oktober 1971 van de Commissie, waarbij deze elke vrijstelling weigerde.
Daarop stelde verzoekster bij Uw Hof rechtstreeks beroep tegen de Commissie in — zaak 96-71 — en vorderde in hoofdzaak (1) nietigverklaring der in de brief van 15 oktober 1971 vervatte „beslissing” van de Commissie en (2) schadevergoeding krachtens artikel 215 EEG-Verdrag. In zijn arrest besliste het Hof dat — aangezien de betrokken compenserende heffingen tot de eigen middelen der Gemeenschap behoren, welker vaststelling en inning ingevolge het Raadsbesluit van 21 april 1970 inzake die middelen alsmede ingevolge verordening nr. 2/71 van de Raad, in de eerste plaats de taak der Lid-Staten is — bezwaren tegen de geldigheid en de uitlegging der communautaire voorschriften welke daarop betrekking hebben, moeten worden ingebracht bij de nationale rechterlijke instanties die over de procedure van artikel 177 van het Verdrag beschikken. Bijge-volg verwierp het Hof het beroep zonder op de zaak ten gronde in te gaan.
Vandaar het onderhavige beroep.
Verzoekster voerde bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel vier middelen aan, welke zij voor Uw Hof heeft ontwikkeld.
In de eerste plaats betoogt zij dat de invoer van Griekse wijn in de Benelux-landen in al zijn aspecten door paragraaf 2 van Protocol nr. 14 wordt beheerst en dat, aangezien op invoer in die landen van wijn uit Duitsland, Frankrijk of Italië geen compenserende heffingen worden toegepast, zulks evenmin mag geschieden bij invoer van wijn uit Griekenland. Hierop antwoorden de Belgische Staat en de Commissie overeenkomstig de mening van de Advocaat-Generaal Mayras in de zaak 96-71, dat Protocol nr. 14 alleen betrekking heeft op douanerechten en tariefcontingenten en niet op rechten of heffingen van gelijke werking die in het kader van het gemeenschappelijke landbouwbeleid zijn ingesteld. Ik ben het met deze opvatting eens, evenals met de argumentatie welke Advocaat-Generaal Mayras daartoe heeft aangevoerd. De desbetreffende passage van zijn conclusie is te vinden op blz. 1026-1027 van de jurisprudentie in de zaak 96-71 en het ware, op zijn zachtst gezegd, een blijk van overdreven ijver mijnerzijds indien ik hier zou trachten zijn betoog te herhalen. Uiteraard werd in de onderhavige zaak namens verzoekster gepoogd bedoelde overwegingen aan te tasten, maar naar het mij voorkomt faalde deze poging.
Het tweede namens verzoekster naar voren gebrachte middel houdt in dat de betrokken compenserende heffingen geen „heffingen” in het kader van het gemeenschappelijke landbouwbeleid zijn, die krachtens Protocol nr. 12 mochten worden ingesteld, maar heffingen van gelijke werking als douanerechten, welker instelling ingevolge artikel 37, lid 2, sub a, van de Associatieovereenkomst was verboden. Dit punt werd eveneens door Advocaat-Generaal Mayras in diens conclusie in de zaak 96-71 behandeld (zie blz. 1027-1029 van de jurisprudentie). Ook hier zal ik mij ervan onthouden om hetgeen hij heeft gezegd te herhalen. In de onderhavige zaak trachtte verzoekster dit op twee gronden te bestrijden.
In de eerste plaats betoogde zij dat de uitdrukkingen „heffing” en „heffing van gelijke werking als douanerechten” in het kader van de Associatieovereenkomst niet naar het Gemeenschapsrecht, maar naar internationaal recht moeten worden uitgelegd en dat naar dit laatste, bij voorbeeld in het kader van het GATT, elke heffing op invoer, waarmee bescherming wordt beoogd of die daartoe leidt (hetgeen ongetwijfeld met de hier in het geding zijnde heffingen het geval is) het karakter van een douanerecht heeft. Verzoekster stelt dat de verwijzing in Protocol nr. 12 naar „het in het kader van het gemeenschappelijke landbouwbeleid beoogde stelsel van heffingen” bijgevolg dient te worden opgevat als een verwijzing naar het stelsel van heffingen tussen de Lid-Staten gedurende de aan een gemeenschappelijk landbouwbeleid voorafgaande overgangsperiode. Naar het mij voorkomt moet op deze argumentatie tweeërlei worden geantwoord. Ten eerste dienen de betrokken uitdrukkingen in de context van de Associatieovereenkomst bij lezing in haar geheel en tegen de achtergrond van de bepalingen van het EEG-Verdrag te worden uitgelegd. In die context en tegen die achtergrond is de enge uitlegging van de uitdrukking „het stelsel van heffingen”, welke verzoekster voorstaat, niet gerechtvaardigd. In de tweede plaats toont een onderzoek van de bewoordingen van Protocol nr. 12 aan, dat die uitlegging onhoudbaar is. Het Protocol verwijst naar de toepassing van dat stelsel „door een der Partijen”. Kennelijk kon een stelsel van heffingen op het handelsverkeer tussen de Lid-Staten niet door Griekenland worden „toegepast”. Voorts bevat het Protocol een voorwaarde, welke gedeeltelijk als volgt luidt:
„De Gemeenschap verklaart evenwel dat zij thans niet voornemens is om het stelsel van heffingen in te voeren voor de produkten die op de lijst van bijlage III voorkomen. Indien echter voor deze produkten heffingen worden vastgesteld, geldt voor Griekenland hetzelfde stelsel dat de Lid-Staten onderling toepassen.”
Hierin ligt duidelijk besloten dat de heffingen waarop dit Protocol betrekking heeft door de Gemeenschap op het handelsverkeer met derde landen mogen worden gelegd.
De tweede grond waarop verzoekster de conclusie van Advocaat-Generaal Mayras op dit punt aanviel was dat bij invoer van Griekse wijn in de Benelux met de betrokken compenserende heffingen niet het doel wordt bereikt, waarvoor deze heten te zijn bestemd, namelijk om de prijzen waartegen wijnen uit derde landen de Gemeenschap binnenkomen op het niveau der referentieprijzen te brengen. Dit is het geval, daar luidens artikel 9, lid 3, van verordening nr. 816/70 de compenserende heffing „gelijk is aan het verschil tussen de referentieprijs en de met de douanerechten verhoogde aanbiedingsprijs franco grens” en omdat ingevolge paragraaf 2 van Protocol nr. 14 bij invoer van Griekse wijn in de Benelux geen douanerechten mogen worden geheven. Zoals de raadsman van de Commissie tijdens de mondelinge behandeling opmerkte kon artikel 9, lid 3, aldus worden uitgelegd dat in dit geval de compenserende heffing zodanig had moeten worden vastgesteld dat het betrokken douanerecht nul was. Verondersteld dat er een referentieprijs van 125 rekeneenheden was, een recht van 20 volgens het gemeenschappelijke douanetarief en een aanbiedingsprijs franco grens van 100. De compenserende heffing bij invoer in andere Lid-Staten dan de Benelux-landen zou dan 5 rekeneenheden bedragen, ten einde aldus de som van de aanbiedingsprijs franco grens, het douanerecht en de compenserende heffing gelijk te maken aan de referentieprijs. Artikel 9, lid 3, kon in die zin worden uitgelegd dat de compenserende heffing bij invoer van Griekse wijn in de Benelux 25 rekeneenheden diende te bedragen, zulks als compensatie voor de omstandigheid dat het douanerecht nul is. Maar, ten einde de regeling van paragraaf 2 van Protocol nr. 14 ten behoeve van Griekenland te doen blijven gelden, werd artikel 9, lid 3, in de praktijk aldus uitgelegd, dat de compenserende heffing bij een dergelijke invoer moet worden vastgesteld nadat de aanbiedingsprijs franco grens is verhoogd met het denkbeeldige recht van het gemeenschappelijke douanetarief. Dit leidt ertoe dat Griekse wijnen bij binnenkomst in de Benelux aan dezelfde compenserende heffing worden onderworpen als bij binnenkomst in andere Lid-Staten, zodat zij in het gegeven voorbeeld (aangenomen dat de aanbiedingsprijs franco grens nauwkeurig is vastgesteld) tegen een prijs van 105 rekeneenheden worden ingevoerd, wat neerkomt op 20 rekeneenheden beneden de referentieprijs. Hieraan ontleent verzoekster haar argument.
Maar dit is er een van de soort waarmede teveel wordt bewezen, want het zou eveneens opgaan bij invoer van Griekse wijnen in de Bondsrepubliek, Frankrijk en Italië onder de bijzondere tariefcontingenten ingevolge de overige paragrafen van Protocol nr. 14. Zoals namens de Commissie werd opgemerkt is in ieder geval uiteindelijk de bewering niet houdbaar dat zij in het gegeven voorbeeld wel een heffing van 25 rekeneenheden zou mogen opleggen, maar niet van 5. Dit zou erop neerkomen dat de Commissie de haar krachtens Protocol nr. 12 toekomende rechten wel in hun geheel, maar niet voor een deel mocht uitoefenen, hoewel laatstgenoemde handelwijze in het voordeel van Griekenland zou zijn en meer in overeenstemming met de geest van Protocol nr. 14. Ik concludeer dat deze tweede grief, waarmede de conclusie van Advocaat-Generaal Mayras wordt aangevallen eveneens faalt.
Verzoeksters derde stelling heeft betrekking op artikel 43 van de Associatieovereenkomst met Griekenland. Dit luidt als volgt:
„Wanneer een produkt onder een marktorganisatie of een binnenlandse regeling van gelijke werking valt, dan wel direct of indirect de gevolgen ondervindt van een dergelijke voor andere produkten bestaande organisatie en wanneer het daaruit voortvloeiende prijsverschil tussen de gebruikte grondstoffen een nadelige invloed uitoefent op de markt van een of meer Lid-Staten of van de Gemeenschap enerzijds dan wel op de markt van Griekenland anderzijds, kan door de betrokken Overeenkomstsluitende Partij op de invoer van dat produkt een compenserende heffing worden toegepast. . .
De Associatieraad stelt het bedrag van en de regels betreffende deze heffing vast.
Tot het tijdstip waarop het besluit van de Associatieraad van kracht wordt, kunnen de Overeenkomstsluitende Partijen het bedrag van en de regels betreffende deze heffing vaststellen.”
De hier bedoelde Associatieraad is die van de artikelen 3 en 65 der overeenkomst. Artikel 65 bepaalt dat hij dient te bestaan uit leden van de regeringen der Lid-Staten en van Griekenland, en uit leden van de Raad en de Commissie der Gemeenschap, alsmede dat hij zich met eenparigheid van stemmen zal uitspreken.
Het blijkt dat verzoekster haar eis in de zaak 96-71 in de eerste plaats op artikel 43 deed steunen, waarbij zij stelde dat dit de enige bepaling in de overeenkomst was op grond waarvan compenserende heffingen tussen de Gemeenschap en Griekenland mochten worden toegepast, dat deze bepaling slechts door een beslissing van de Associatieraad kon worden ten uitvoer gelegd, maar dat een dergelijke beslissing niet was genomen.
Ook dit argument werd naar mijn mening op overtuigende wijze door Advocaat-Generaal Mayras weerlegd (zie met name blz. 1028-1029 van de jurisprudentie). Hij toonde aan dat artikel 43 inderdaad ten enenmale irrelevant was: dit ware slechts anders geweest indien de onderhavige compenserende heffingen zouden zijn toegepast ten einde een uit de marktorganisatie in Griekenland voortvloeiende nadelige invloed op de markt van een of meer Lid-Staten of van de Gemeenschap te neutraliseren, hetgeen uiteraard niet het geval is geweest. Zij werden door de Gemeenschap onafhankelijk van artikel 43 ten aanzien van Griekenland krachtens Protocol nr. 12 toegepast, als onderdeel van de totstandbrenging van de eigen marktorganisatie der Gemeenschap.
In de onderhavige zaak handhaaft verzoekster haar stelling niet dat artikel 43 de enige bepaling der overeenkomst is, op grond waarvan compenserende heffingen zijn geoorloofd. Zij schijnt slechts te stellen dat artikel 43 de Gemeenschap niet de bevoegdheid verleent buiten de Associatieraad om compenserende heffingen toe te passen. Nu niet is gesteld dat de compenserende heffingen waar het hier om gaat ingevolge artikel 43 werden toegepast, komt deze bewering mij irrelevant voor.
Verzoeksters vierde en laatste stelling, die zij niet heeft aangevoerd in de zaak 96-71, is gegrond op artikel 41 der Associatieovereenkomst, waarvan het eerste lid (het enige dat verzoekster inroept) luidt als volgt:
„Voor zover de geleidelijke afschaffing van douanerechten en kwantitatieve beperkingen tussen de Overeenkomstsluitende Partijen kan leiden tot zodanige prijzen dat de in artikel 39 van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap gestelde doeleinden in gevaar worden gebracht, is het, enerzijds, aan de Gemennschap met ingang van de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijke landbouwbeleid en, anderzijds, aan Griekenland met ingang van de inwerkingtreding van deze overeenkomst, toegestaan voor bepaalde produkten een stelsel van minimumprijzen toe te passen, beneden welke de invoer:
—
hetzij tijdelijk kan worden geschorst of verminderd,
—
hetzij kan worden onderworpen aan de voorwaarde dat die invoer plaatsvindt tegen een hogere prijs dan de voor het betrokken produkt vastgestelde minimumprijs.
In het tweede geval worden de minimumprijzen vastgesteld exclusief douanerechten.”
Verzoekster stelt dat dit artikel de Gemeenschap belet zichzelf, behalve door de daarin voorgeschreven methode van minimumprijzen, tegen buitensporig lage Griekse prijzen te beschermen. Verzoekster wijst er terecht op dat een stelsel van minimumprijzen niet hetzelfde is als een stelsel van compenserende heffingen, aangezien — voor zover hier van belang — in het eerste geval de Griekse importeur degene is aan wie het verschil tussen de minimumprijs en de prijs die hij anders zou kunnen factureren ten goede komt, terwijl bij een stelsel van compenserende heffingen deze heffingen aan de Gemeenschap toevloeien.
Mij dunkt dat aan dit argument een analoge misvatting ten grondslag ligt als aan verzoeksters aanvankelijke argument dat op artikel 43 steunt.
Artikel 41 ziet slechts op een situatie waarin een ongemeen laag prijspeil voor bepaalde produkten of een bepaald produkt voortvloeit uit de „geleidelijke afschaffing van douanerechten en kwantitatieve beperkingen tussen de Overeenkomstsluitende Partijen” krachtens de overeenkomst. De onderhavige compenserende heffingen zijn in casu niet wegens een dergelijke situatie ingesteld. Op gevaar af steeds weer in herhaling te vervallen zij vermeld dat dit eenvoudig is geschied in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de communautaire wijnmarkt. Hieruit volgt mijns inziens dat de bepalingen van artikel 41 ten deze niet van belang zijn.
Ik kom thans tot de vragen zelf, gelijk die door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel aan Uw Hof werden voorgelegd. Het zijn er vier, en zij weerspiegelen de vier middelen van verzoekster.
De eerste luidt:
„Welke betekenis moet worden toegekend aan het woord, regeling', gebezigd in paragraaf 2 van Protocol nr. 14, dat is gehecht aan de, Overeenkomst, waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Griekenland'?”
Om de redenen, die ik reeds heb uiteengezet, ben ik van mening dat deze vraag als volgt ware te beantwoorden:
„Paragraaf 2 van Protocol nr. 14, gehecht aan de Overeenkomst waarbij een Associatie wordt tot stand gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Griekenland dient aldus te worden verstaan dat zij slechts ziet op de douanerechten en tariefcontingenten, welke op invoer uit Griekenland moeten worden toegepast.”
De tweede vraag luidt:
„Is de compenserende heffing, die door de Commissie van de Europese Gemeenschappen is ingesteld op in België en het Groothertogdom Luxemburg ingevoerde Griekse wijnen een recht of een heffing van gelijke werking in de zin van artikel 37, lid 2, van voormelde Associatieovereenkomst?”
Deze vraag is wellicht niet geheel nauwkeurig geformuleerd voor zover het daarin heet dat de heffing door de Commissie wordt ingesteld. Juister ware het te zeggen dat zulks door de Gemeenschap geschiedt, want verordening nr. 816/70, waarbij de heffing werd ingevoerd, is uiteraard een verordening van de Raad en de betrokken verordeningen der Commissie zijn louter uitvoeringsvoorschriften. Bijgevolg zou ik de vraag als volgt willen beantwoorden:
„De compenserende heffing, ingesteld door de Europese Economische Gemeenschap op in België en Luxemburg ingevoerde Griekse wijn is geen recht of een heffing van gelijke werking in de zin van artikel 37, lid 2, van voormelde Associatieovereenkomst maar een heffing op grond van het aan die overeenkomst gehechte Protocol nr. 12.”
De derde vraag luidt als volgt:
„Is de Commissie van de Europese Gemeenschappen in het kader van artikel 43 dier Associatieovereenkomst bevoegd om zelfstandig, dat wil zeggen met uitsluiting van de Associatieraad, het bedrag en de modaliteiten der compenserende heffing op de invoer van Griekse wijn op het grondgebied van de EEG vast te stellen?”
Indien Advocaat-Generaal Mayras en ik het juist zien, is deze vraag irrelevant voor de oplossing van de geschillen waarover de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel moet oordelen. In gelijke zin hebben zich zowel verweerder, de Belgische Staat, als de Commissie, in hun voor Uw Hof gemaakte opmerkingen nadrukkelijk uitgesproken. Bovendien blijkt die irrelevantie uit de omstandigheid dat verzoekster en de Commissie het er in wezen over eens zijn dat het juiste antwoord op de vraag luidt: „Neen, behoudens wanneer de laatste paragraaf van dat artikel toepassing vindt.” Verweerder volstond met te zeggen dat de vraag irrelevant was, zonder zich aan veronderstellingen omtrent het juiste antwoord te wagen.
Hoe ware deze vraag door Uw Hof te beantwoorden?
Zoals in een aantal Uwer arresten is beslist, staat het, bij verzoeken krachtens artikel 177 EEG-Verdrag om een prejudiciële beslissing, in het algemeen uiteraard aan de verwijzende nationale rechter om de relevantie van de prejudiciële vragen te beoordelen en is Uw Hof tot een onderzoek op dit punt niet bevoegd. Maar dit algemeen beginsel lijdt, naar ik vrees, op zijn minst één uitzondering, die hier van toepassing is. Deze uitzondering vloeit voort uit de omstandigheid dat Uw Hof ingevolge artikel 177 bevoegd is een uitspraak te doen over de uitlegging van het Verdrag alsmede de geldigheid en de uitlegging van door de Instellingen van de Gemeenschap verrichte handelingen. Het Hof heeft geen rechtstreekse bevoegdheid om krachtens artikel 177 uitspraak te doen over de uitlegging van een acte als de Associatieovereenkomst met Griekenland: naar ik vrees is Uw Hof daartoe slechts bevoegd, indien deze uitlegging relevant is voor de vraag inzake de geldigheid van een door een Instelling der Gemeenschap verrichte handeling of voor de vraag, welke uitlegging daaraan moet worden gegeven. Mijns inziens volgt hieruit dat de door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel gestelde vragen in casu slechts ontvankelijk zijn voor zover zij betrekking hebben op de geldigheid en werking van verordening nr. 816/70 en van de Gemeenschapsvoorschriften ter uitvoering daarvan.
Derhalve zou ik de vraag als volgt willen beantwoorden:
„De bepalingen van artikel 43 van voormelde Associatieovereenkomst laten de geldigheid en toepassing van verordening (EEG) nr. 816/70 van de Raad alsmede van de ter uitvoering daarvan vastgestelde gemeenschapsverordeningen onverlet.”
De vierde door de Rechtbank van eerste aanleg gestelde vraag luidt als volgt:
„Is het, bijaldien de voorwaarden voor toepassing van artikel 41 der Associatieovereenkomst zijn vervuld, de Commissie van de Europese Gemeenschappen geoorloofd, de aldaar voorziene bescherming tot uitvoering te brengen anders dan door middel van een stelsel van minimumprijzen, en wel meer in het bijzonder door een stelsel van door de Gemeenschap opgelegde compenserende heffingen?”
Het komt mij voor dat dezelfde overwegingen welke ten aanzien van de vorige vraag golden ook hier van toepassing zijn en dat het antwoord in gelijke zin zou dienen te luiden:
„De bepalingen van artikel 41 van voormelde Associatieovereenkomst laten eveneens de geldigheid en de toepassing dier verordeningen onverlet.”
De wijze waarop de Rechtbank van eerste aanleg haar vragen formuleerde heeft op twee punten tot critiek van de zijde van verweerder en de Commissie geleid.
In de eerste plaats werd opgemerkt dat de Rechtbank ten aanzien van de verschillende bepalingen der Associatieovereenkomst, waaromtrent zij uitlegging had verzocht, heeft nagelaten te vragen of deze rechtstreeks toepasselijk waren, in dier voege dat zij voor personen in verzoeksters positie rechten doen ontstaan welke deze voor hun nationale rechter kunnen inroepen. Op dit punt moge ik ermee volstaan te zeggen dat deze vraag zich bij mijn opvatting omtrent de uitlegging dier bepalingen niet voordoet.
In de tweede plaats is nog aangevoerd dat de Rechtbank heeft nagelaten de vraag te stellen waarop het werkelijk aankomt, namelijk of het geoorloofd was op invoer van Griekse wijn in België de compenserende heffingen van artikel 9, lid 3, van verordening nr. 816/70 toe te passen of dat zulks in strijd was met de Associatieovereenkomst met Griekenland, en in het bijzonder met de artikelen 37, lid 2, sub a, 41 en 43, alsmede met paragraaf 2 van Protocol nr. 14.
Het staat buiten iedere twijfel dat het in casu uitsluitend om deze vraag gaat. Ik neig tot de gedachte dat het antwoord daarop duidelijk zal zijn indien Uw Hof de door de Rechtbank gestelde vragen één voor één in de door mij voorgestelde zin beantwoordt, maar een alternatieve oplossing, waaraan Uw Hof mogelijk de voorkeur wil geven, zou kunnen zijn op die vragen kortweg te antwoorden dat het op grond van geen enkele bepaling van de Associatieovereenkomst ongeoorloofd is op invoer van Griekse wijn in België de compenserende heffingen van artikel 9, lid 3, toe te passen.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy