CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 30 APRIL 1974 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Het onderhavig geding vindt zijn oorzaak in een meningsverschil betreffende de douanerechtelijke indeling van een partij van een alcoholhoudend produkt die in september 1968 uit België in de Bondsrepubliek Duitsland is ingevoerd, te weten, uit Melasse-Sprit vervaardigdeTrinkbranntwein die na monsterneming volkomen neutraal en chemisch zuiver bleek te zijn, zodat het produkt als niet gedenatureerde ethylalcohol met een sterkte van minder dan 80 % onder post 22.09-A-II werd gebracht. Vóórdien was er post 22.09-C-V-b, die alcoholhoudende dranken omvat, op toegepast. Indeling onder post 22.09-A-II leidde tot heffing van een invoerrecht, dat bij handhaving van de indeling onder post 22.09-C-V-b achterwege zou zijn gebleven.
De uitlegging van deze tariefposten deed nog zwaarwegender vragen — van complexe aard — rijzen met betrekking tot artikel 38, lid 1 en 3, van het EEG-Verdrag en de rechtsgeldigheid ener door de Raad krachtens lid 3 vastgestelde verordening, namelijk verordening 7 bis van 18 december 1959, geplaatst in het Publikatieblad van 30 januari 1961, waarin de Raad met gebetruikmaking van de bevoegdheden welke hij aan lid 3 ontleent, aan de lijst landbouwprodukten van bijlage II van het Verdrag drie groepen heeft toegevoegd: suiker, stroop en melasse, gearomatiseerd of met toegevoegde kleurstoffen — die de overeenkomstige zuivere produkten kunnen vervangen —; ethvlalcohol verkregen uit landbouwprodukten — wegens het nauwe verband met de produkten die erdoor worden veredeld —; tafelazijn — omdat de markt voor dat produkt onlosmakelijk met die voor ethylalcohol en wijn verbonden is —.
In de eerste vraag trekt de Duitse rechter de rechtsgeldigheid dezer verordening in twijfel omdat zij werd uitgevaardigd nadat de in artikel 38, lid 3, van het Verdrag vervatte machtiging om produkten aan de lijst van bijlage II toe te voegen was geëxpireerd.
In de tweede vraag gaat het erom of de Raad, gezien de inhoud van bedoelde machtiging, aan die lijst ethylalcohol, ongeacht de sterkte, mocht toevoegen. Ter beantwoording van deze vraag zal de omschrijving der landbouwprodukten in artikel 38, lid 1, dus moeten worden bezien in verband met de in lid 3 bedoelde lijst.
Terloops zij opgemerkt dat het Bundesfinanzhof, deze geldigheidsvragen stellende, overwoog dat het niet zelf over de rechtsgeldigheid van 's Raads verordeningen kan beslissen.
Mocht het niet tot ongeldigverklaring van verordening nr. 7 bis komen, dan wordt in de derde plaats gevraagd naar het criterium ter afbakening van de produkten vallende onder de tariefnummers 22.09-A-II en 22.09-C-V-b.
Het verband tussen de eigenlijke indelingskwestie en vragen van meer algemene aard is gelegen in het feit dat invoerrechten op de intercommunautaire handel in het hierbedoelde produkt slechts denkbaar zijn voor zover het als een landbouwprodukt is te beschouwen, zodat artikel 1 van 's Raads versnellingsbeschikking van 26 juli 1966 — dat de Staten verplichtte per 1 juli 1968 de nog bestaande invoerrechten op in bijlage II niet genoemde produkten definitief af te schaffen — niet van toepassing is. Slechts met behulp van deze uitzondering op de vrijmaking van het handelsverkeer binnen de Gemeenschap konden de Staten op de onder post 22.09-A-II vallende produkten van het gemeenschappelijk douanetarief in 1968 nog invoerrechten toepassen; de produkten van post 22.09-C-V-b vielen als niet-landbouwprodukten niet onder deze bepaling.
2.
Tijdens de behandeling heeft de Raad zich ten exceptieve beroepen op 's Hofs onbevoegdheid zich over de rechtsgeldigheid van verordening 7 bis uit te spreken: door het Toetredingsverdrag van 22 januari 1972 en de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden — zoals die door de nieuwe Lid-Staten zijn bedongen — zou aan die verordening rechtens dezelfde waarde moeten worden gehecht als aan het Verdrag waarin die toetreding is vastgelegd. De Raad wijst erop dat genoemde verordening het Verdrag heeft aangevuld (hetgeen misschien een stilzwijgend beroep behelst op artikel 1 van het Toetredingsverdrag, volgens hetwelk de nieuwe Lid-Sta ten partij worden bij de Verdragen zoals die zijn „gewijzigd of aangevuld”) en dat de artikelen 7 en 8 van bedoelde Akte, volgens welke de besluiten van de Instellingen der Gemeenschappen „hun eigen rechtskarakter” behouden, de hier bedoelde verordening niet betreffen. De Raad verwijst voorts naar het bij die Akte gevoegde Protocol nr. 19, volgens welks tweede lid de noodzakelijke maatregelen ter vergemakkelijking van het gebruik van granen uit de Gemeenschap voor de vervaardiging van alcoholhoudende dranken kunnen worden getroffen in het kader van de vast te stellen verordening inzake de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector alcohol; hij leidt daaruit af dat dit Protocol iedere betekenis zou verliezen wanneer verordening nr. 7 bis ongeldig zou kunnen worden verklaard.
Zonder 's Raads standpunt inzake een gewijzigde rechtswaarde van de bepalingen der hierbedoelde verordening ten gronde te bespreken kunnen wij volstaan met erop te wijzen dat wijzigingen die met het Verdrag en met bedoelde Akte zijn ingetreden in ieder geval pas vanaf de inwerkingtreding der Akte effect kunnen sorteren; voordien zou een verordening van de Raad welker geldigheid incidenteel wordt aangevochten aan 's Hofs rechtscontrole onderworpen blijven zonder dat zulks onverenigbaar ware met de onaantastbaarheid der in de verordening vervatte regeling die zou zijn ingetreden doordien zij deel is gaan uitmaken van een tussen Lid-Staten gesloten internationaal verdrag. Vóór de veronderstelde wijziging van het rechtskarakter der hierbedoelde bepalingen zou het volgens het EEG-Verdrag steeds mogelijk zijn gebleven na te gaan of er gebreken aan kleefden die in bepaalde gevallen tot ongeldigheid konden leiden. Aan de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector alcohol die in genoemde bepaling van Protocol nr. 19 schijnt te zijn bedoeld, wordt dus in het geheel geen afbreuk gedaan.
Ik acht derhalve de door de Raad opgeworpen exceptie van onbevoegdheid ongegrond.
3.
Ter beantwoording van de eerste vraag moet worden vastgesteld welke rechtsmacht in artikel 38, lid 3, aan de Raad is toegekend, dat wil zeggen hoe en volgens welke procedure zij moet worden uitgeoefend.
De Duitse rechter wijst er in zijn verwijzingsbeschikking op dat verordening nr. 7 bis, waarbij de lijst van landbouwprodukten is uitgebreid, pas in het Publikatieblad van de Gemeenschappen werd geplaatst toen de termijn van artikel 38, lid 3, al meer dan een jaar was verstreken. Dat de verordening haar eigen inwerkingtreding op 31 december 1959 heeft bepaald, anders gezegd op de laatste dag waarop de in die bepaling besloten liggende maatregelen konden worden genomen, brengt in dit probleem geen wijziging; wanneer moet worden uitgemaakt of van de in artikel 38, lid 3, omschreven bevoegdheid een rechtsgeldig gebruik gemaakt is, gaat het niet om de vraag met ingang van welke datum het desbetreffend besluit effect moest sorteren, doch om de vraag of de Raad de daartoe nodige bevoegdheid nog bezat. Dat de verordening op 18 december 1959 is gedateerd leidt niet tot een andere probleemstelling.
Omdat de verordeningen volgens artikel 191 van het EEG-Verdrag in het Publikatieblad van de Gemeenschap warden bekendgemaakt, betwijfelt de rechter of verordening nr. 7 bis wel rechtsgeldig is vastgesteld: aan de publikatie der hierbedoelde besluiten kwam constitutieve werking toe in die zin dat er voor de bekendmaking van een verordening nog geen sprake was.
Evenwel is gebleken dat de Raad binnen de in artikel 38, lid 3, omschreven termijn langs reguliere weg — met gekwalificeerde meerderheid en op voorstel van de Commissie — had besloten alle produkten bedoeld in verordening nr. 7 bis in de lijst van bijlage II op te nemen. Van dat besluit blijkt met name uit het proces-verbaal van de XXVIe zitting van de Raad, gehouden op 18 december 1959. Korte tijd nadien is er trouwens mededeling van gedaan aan de pers in bewoordingen die over het definitief karakter van dat besluit geen twijfel lieten bestaan. Dat het nog niet in een verordening is neergelegd, aangezien men — met ons — van mening is dat het in het publikatieblad van de Gemeenschappen zal moeten worden geplaatst, neemt niet weg dat in casu de termijn van artikel 38, lid 3, in acht is genomen; nu aldaar niet wordt aangegeven van welke rechtsvorm de Raad zich met het oog op een uitbreiding van de lijst van bijlage II kan bedienen, mag het voldoende worden geacht dat de Raad met betrekking tot de vraag welke produkten in de lijst moeten worden opgenomen binnen die termijn op enigerlei wijze zijn standpunt heeft bepaald.
Men dient namelijk tussen inhoud en vorm van een besluit te onderscheiden: besluitvorming en mededeling van een genomen besluit dienen niet te worden verward, ook al is die mededeling noodzakelijk om jegens de adressaten — uiteraard pas in de toekomst — rechtsgevolg te kunnen sorteren. Hetgeen er binnen de hierbedoelde termijn moest gebeuren was het nemen van de beslissing waarin 's Raads bevoegdheid tot handelen haar neerslag vond. Met andere woorden, was aan de besluitvorming een termijn ad quem gesteld, voor de werking ener handeling geldt een termijn a quo. De gevolgen behoren zich, voorzover zij met de communautaire verordening als specifiek beleidsmiddel samenhangen, slechts in de toekomst, dat wil zeggen na bekendmaking, te doen gevoelen. De verordening mag dus ook later worden gepubliceerd, immers de gevolgen treden pas nadien in; voor haar rechtsgeldigheid is het alleen van belang dat de erin besloten liggende materiële regeling is vastgesteld vóór afloop van de termiin die aan de uitoefening dezer bevoegdheden is gesteld. Blijft binnen die termijn bekendmaking in het Publikatieblad achterwege, dan kan zulks aan toepassingvan de communautaire landbouwregeling op de hierbedoelde produkten vóór de publikatie van verordening nr. 7 bis waarin het „besluit” tot uitvoering is gebracht — welke publikatie meer dan een jaar later heeft plaats gevonden — in de weg staan, dit neemt niet weg dat van de in artikel 30, lid 3, van het Verdrag omschreven bevoegdheid binnen de termijn gebruik is gemaakt.
4.
In de tweede vraag gaat het om de term „produkten in eerste graad van bewerking” die rechtstreeks verband houden met de voortbrengselen van bodem, veeteelt en visserij. Deze term is van doorslaggevende betekenis ter afbakening van de grenzen binnen welke de Raad bevoegd is om, zoals in artikel 38, lid 3, voorzien, produkten aan de lijst toe te voegen.
Wie ervan uitgaat dat er geen twee definities van landbouwprodukten naast elkander kunnen bestaan en dat de omschrijving van lid 1 — en de opsomming van bijlage II waarin zij wordt uitgewerkt — maar één enkele definitie opleveren waaronder alle produkten vermeld op de lijst der bijlage moeten kunnen worden gebracht, althans wie meent dat die lijst met haar van de auteurs van het Verdrag zelf afkomstige opsomming voldoende houvast biedt ter bepaling van inhoud en draagwijdte van de in lid 1 gebezigde term, zal wanneer hij vervolgens nagaat welke produkten er zoal in bijlage II zijn opgesomd, nochtans tot de slotsom komen dat er in lid 1 met een nogal ruim begrip landbouwprodukten wordt gewerkt: op de lijst blijken produkten voor te komen die niet alleen geen voortbrengselen van bodem, veeteelt en visserij zijn, doch ook volgens een strenge begripsomschrijving niet zijn te beschouwen als produkten in eerste graad van bewerking. Wij noemen bij voorbeeld zetmeel, gluten, gehydrogeneerde of gezuiverde vetten, margarine, kunstreuzel, bereidingen van vlees, vis, groenten en vruchten, bereid voedsel voor dieren, altemaal produkten die, ofschoon uit een landbouwprodukt verkregen, min of meer ingewikkelde fabrikageprocédés vergen die in de regel niet tot één enkele bewerking beperkt blijven.
Wie dus het begrip der produkten bedoeld in artikel 38, lid 1, aan de hand van bijlage II wil uitleggen, zal een ruimer begrip „produkten in eerste graad van bewerking” moeten aanhouden, zo ruim dat ook het onderhavig produkt er zonder bezwaar toe kan worden gerekend.
De twijfel van de Duitse rechter houdt enkel en alleen verband met het feit dat de Raad bij opname van ethylalcohol in bijlage II de sterkte buiten beschouwing heeft gelaten, zodat zulke alcohol ook als produkt in de eerste graad van bewerking zou zijn te beschouwen wanneer het na het destilleren met water is aangelengd.
De twee interveniërende regeringen willen er daarentegen niet van weten dat de Raad krachtens artikel 38, lid 3, alcohol op de hierbedoelde lijst had kunnen brengen.
Artikel 38, lid 3, mag volgens de interveniënten alleen worden gelezen in verband met lid 1 en de aldaar gegeven definitie van landbouwprodukten, op zich zelf beschouwd, zonder dat men zich bij de uitlegging van de term „produkten in de eerste graad van bewerking” mag laten leiden door de opsomming welke de auteurs van het Verdrag in bijlage II hebben gegeven; anders dan de Raad, waren zij niet gehouden de in lid 1 gestelde grens in acht te nemen.
De term „eerste graad van bewerking” wensen zij streng te zien uitgelegd; huns inziens is er onder te verstaan één enkele bewerking van een produktieproces dat met een landbouwprodukt als grondstof aanvangt.
Zo onderscheidt de vertegenwoordiger van de Engelse Regering bij uit graan gewonnen alcohol twee verschillende bewerkingen: het tot gisting brengen van de grondstof en het distilleren; het aldus verkregen produkt is dus van de tweede graad van bewerking. De vertegenwoordiger van de Ierse Regering onderscheidt nog twee andere voorafgaande bewerkingen, zoals het mengen van verschillende graansoorten en vervolgens het tot gisting brengen daarvan; wel verre van met het landbouwprodukt „rechtstreeks verband” te moeten houden zou de alcohol dus als een produkt in de vierde graad van bewerking moeten worden beschouwd!
Een goed anatoom zal niet nalaten de bijzonderheden waarop hij bij zijn analytisch onderzoek stuit te voegen in het geheel waarbinnen ze tot hun recht komen. Ik heb de indruk dat men van de zijde der interveniënten weliswaar tot een minutieuze ontleding van de alcoholfabrikage is overgegaan, doch het procédé als geheel uit het oog heeft verloren en zo is gekomen tot willekeurige uitkomsten die met name opvallen wanneer men ziet hoe de Ierse vertegenwoordiger het ene produktieproces waartoe hij, de ook door Engeland als uitgangspunt gekozen methode consequent toepassend, was gekomen, alsnog tot verschillende zelfstandige procédés verknipt.
Wat er na gisting voor de dag komt is in werkelijkheid geen produkt in de tweede of derde graad van bewerking, doch meestal als zodanig niet bruikbaar materiaal dat is te beschouwen als een etappe op de weg naar het echte veredelingsprodukt dat met de onderscheiden bewerkingshandelingen wordt beoogd: de alcohol.
De term „eerste graad van bewerking” is stellig moeilijk te definiëren. Hij behoort tot een categorie van begrippen waarmede iedere rechtsorde zich bij het opstellen van criteria op een economisch gebied dat niet uitmunt door scherpe afbakeningen pleegt te behelpen, mede om de overheid met het oog op de verschillende casusposities enige speling te laten. Ook in het recht der verschillende Staten zien wij dat de wetgever onder de van andere produktieprocessen te onderscheiden landbouw meer begrijpt dan het uit de bodem halen der produkten en er ook al die op verhandeling van het produkt gerichte aktiviteiten onder brengt die normaliter door de landbouwer zelf worden verricht.
In het onderhavige geval heeft de wetgever van de Gemeenschap, met stellig ook de gebruikelijke criteria ter onderscheiding van de landbouw enerzijds en andere produktiesectoren anderzijds voor ogen, zich bediend van het criterium „eerste graad van bewerking”, dat — zoals gezegd — de uitlegger enige speling laat. Doch zulk een definitie leent zich er niet toe om in concreto bij de rechtstreekse toepassing door belanghebbenden, te worden gehanteerd en behoeft specificatie of precisering, gegeven in bijlage II van het Verdrag zelf dan wel, binnen de termijn van twee jaar, gesteld in artikel 38, lid 3, door de Raad. Welke is deze aan de Raad verleende bevoegdheid? Zij draagt stellig een vaststellend karakter en betreft de toepassing van het criterium; om echter uit te maken welke maatstaf er nu precies in lid 1, wordt aangelegd, zal men zich in de uitlegging van zijn inhoud hebben te begeven.
Interveniënten maken, zoals wij zagen, duidelijk onderscheid tussen de uitvoerende bevoegdheden zoals die ten aanzien van bijlage II reeds worden uitgeoefend en de bevoegdheid van de Raad om de lijsten binnen twee jaar bij een toepassingsbesluit aan te vullen. Terecht. Bij deze zo duidelijke onderscheiding kan men het echter niet laten. Het is een fundamentele uitleggingsregel dat aan een besluit dat de rechtstreekse toepassing behelst van een door dezelfde auteur in samenhang daarmede opgestelde rechtsregel, bijzondere interpretatieve betekenis toekomt. De uitlegging als rationeel handelen is gebaseerd op het consequent doorgevoerde beginsel dat men zich, op zoek naar de betekenis van een besluit, ook mag laten leiden door de overige uitlatingen van dezelfde auteur. Wanneer de auteurs van het Verdrag tezelfder tijd een regel opstellen èn voor bepaalde gevallen ook een bepaalde toepassing van die regel voorzien, dan zeggen die toepassingsvoorschriften ons ook iets over het systeem dat de auteurs van het Verdrag voor ogen stond. Daarom laat de ruime maatstaf die in bijlage II blijkt te zijn aangelegd, ons ook de vrijheid uit te maken binnen welke grenzen de Raad gemachtigd was de onvermijdelijke leemten die bij de eerste uitvoeringshandelingen aan de dag waren getreden, op te vullen.
In die zin lijdt het voor mij geen twijfel dat de betekenis van de term „eerste graad van bewerking” niet zonder meer mag worden gelijkgesteld met de eerste vormverandering die een basisprodukt ondergaat noch ook met enigerlei chemische verandering die de oorspronkelijke eigenschappen ervan wijzigt. Anders zouden typische landbouwprodukten worden uitgesloten (zoals olijfolie, omdat dit produkt alleen kan worden verkregen nadat de olijven zijn gebroken, het vruchtvlees is uitgeperst en het vruchtenat is gezeefd, waarna er eventueel ter verkrijging van een betere smaak nog verdere handelingen nodig zijn; anderzijds is het bij kaas zo gesteld dat de melk eerst een aantal handelingen en bewerkingen heeft te ondergaan), hetgeen onbevredigend moet worden geacht zolang men alleen maar in abstracto blijft uitgaan van de definitie van landbouwprodukten die door de interveniërende regeringen wordt voorgestaan. A fortiori zouden dan niet meer tot de landbouwprodukten mogen worden gerekend suiker, stroop en melasse, gearomatiseerd en met toegevoegde kleurstoffen, produkten die men ter tegemoetkoming aan bepaalde in het kader van de gemeenschappelijke ordening der suikermarkt gebleken behoeften in bijlage II heeft opgenomen — en wel omdat zij bepaalde produkten in zuivere staat kunnen vervangen —. Omdat suiker, stroop en melasse reeds veredelingsprodukten zijn, zou men er volgens de ons aan de hand gedane uitlegging van artikel 38, lid 1, alleen maar een aroma of een kleurstof aan behoeven toe te voegen om ze tot niet-landbouwprodukten te maken, waardoor de goede werking van de gemeenschappelijke regeling van de suikermarkt ernstig in gevaar zou kunnen worden gebracht.
Met deze voorbeelden is mijns inziens de onhoudbaarheid van de uitlegging der interveniënten in theoretisch en praktisch opzicht voldoende aangetoond. Wanneer meerdere bewerkingen en uiterlijke en structurele wijzigingen van een basisprodukt dus niet reeds impliceren dat er niet langer van een produkt in de eerste graad van bewerking kan worden gesproken, zullen wij ter afbakening van dit begrip andere criteria moeten zoeken en te rade hebben te gaan met de ratio van de desbetreffende bepaling.
Dat artikel 38, lid 1, de groep van waren verkregen bij veredeling van onder de communautaire landbouwregeling vallende produkten met zoveel woorden beperkt tot produkten in eerste graad van bewerking die met agrarische basisprodukten rechtstreeks verband houden, wijst er stellig op dat de auteurs van het Verdrag een grens hebben willen stellen aan de categorie der produkten die' onder dé speciale landbouwregeling kunnen worden gebracht: van terugkeer tot de opvatting der fysiocraten kon bepaald geen sprake zijn! In beginsel zijn dan ook uitgesloten veredelingsprodukten met welker vervaardiging zodanige produktiekosten gepaard gaan dat de prijs van de agrarische basisprodukten volkomen marginaal wordt. In de doctrine heeft men er dan ook op gewezen dat het niveau en de schommelingen dier prijzen dan nauwelijks doorwerken in de produktiekosten, zodat er van discriminatie ten nadele van bedoelde veredelingsprodukten — vergeleken met andere industrieprodukten — geen sprake is (zo Olmi, Commentario al trattato CEE van Quadri-Monaco-Trabucchi, deel I, blz. 244).
Wanneer de ratio van de beperking die de auteurs van het Verdrag aan het toelaten van veredelingsprodukten tot de landbouwregeling hebben gesteld hierin moet worden gezocht dan moet het er anderzijds voor worden gehouden dat produkten welker prijs in niet onbelangrijke mate door de kosten van het agrarisch basisprodukt wordt bepaald, daartoe in beginsel wèl kunnen worden toegelaten, zulks temeer omdat het hier om zo belangrijke vormen van veredeling gaat als bijvoorbeeld de verwerking van koren tot brood. Genoemde schrijver heeft er dan ook op gewezen dat „de afhankelijkheid van het agrarisch basisprodukt het voor de landbouwprijzen kenmerkende gebrek aan stabiliteit en voorzienbaarheid doet doorwerken in de produktiekosten van het veredelingsprodukt, hetgeen stabiliserende maatregelen aan de grens en binnen de markt noodzakelijk maakt. En wanneer het agrarisch basisprodukt onder een marktordening valt die de prijs hoog houdt en het veredelingsprodukt onder een liberale regeling, dan zal de veredelingsindustrie niet bestand zijn tegen de mededinging van andere landen die bedoelde produkten tegen lage prijs verwerken: en nadien zal een crisis in de veredelingsindustrie zich ook doen gelden in de produktie van het door haar verwerkte agrarisch basisprodukt”.
Kan aan de kosten als criterium groot belang toekomen (en hoe kan het anders waar het hier om een economische classificatie gaat), zij zijn niet de enige maatstaf; wij zullen daarnevens ook doorslaggevende betekenis moeten toekennen aan het feit dat het produkt zelf op economisch verantwoorde wijze in de vorm van het veredelingsprodukt aan de markt komt en dus de afzet in belangrijke mate beïnvloedt, ook al liggen de kosten van verwerking hoger dan de verkoopprijs van het landbouwprodukt in engere zin.
In het licht van deze overwegingen wordt het begrijpelijk dat de auteurs van het Verdrag met gulle hand veredelingsprodukten op de lijst van bijlage II hebben gebracht. En soortgelijke overwegingen dienen ons aanleiding te geven om, in de lijn hiervan, de term „produkten in eerste graad van bewerking” in ruime zin te verstaan door de begrenzing van 's Raads bevoegdheid ex artikel 38, lid 3, niet zozeer te zoeken in de meer of minder ingewikkelde bewerkingen die ter vervaardiging van het veredelingsprodukt nodig zijn, als wel in de mate van doorwerking der kosten van het agrarisch basisprodukt in de prijs van het veredelingsprodukt of in het belang van die prijs voor de afzet van het basisprodukt. Wanneer die kosten dan bepalend blijven voor de prijs van het veredelingsprodukt, althans wanneer het veredelingsprodukt een economisch belangrijke rol speelt bij de afzet van het basisprodukt, is het, gezien functie en doelstellingen van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten, geoorloofd de desbetreffende waren krachtens artikel 38, lid 3, alsnog in bijlage II onder te brengen.
Aan de hand van dit criterium zou men zelfs tot voormelde conclusie moeten komen wanneer het — quod non — voor uitgesloten zou moeten worden gehouden dat de lijst van produkten die de auteurs van het Verdrag in bijlage II hebben opgenomen, zou mogen worden gebruikt om de draagwijdte van de term landbouwprodukten, in de zin van artikel 38, lid 1, nader vast te stellen.
Ook wie erkent dat de Raad niet alle veredelingsprodukten in dezelfde ruime mate op die lijst had kunnen opnemen als de auteurs van het Verdrag zou hebben vrijgestaan, zal hem bezwaarlijk de bevoegdheid daarop alsnog bepaalde produkten op te nemen, kunnen ontzeggen op de enkele grond dat hun verwerking in meer fasen heeft moeten plaats hebben, wanneer zulks overigens beantwoordt aan werkelijke behoeften van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, die in de lijn liggen van de doelstellingen van het Verdrag en zich met de inhoud van bijlage II verdragen. Zelfs wie de term landbouwprodukt — in artikel 38, lid 1, — in enge zin verstaat, mag het redelijkerwijze niet laten bij een zuiver letterlijke uitlegging die de Raad iedere mogelijkheid zou ontnemen te rade te gaan met hetgeen vanouds onder landbouw wordt verstaan en hem zou verbieden voormelde maatstaf — de overwegende invloed der kosten van het agrarisch basisprodukt op de prijs van het veredelingsprodukt c.q. de enige economisch verantwoorde mogelijkheid het produkt op de markt te brengen — te hanteren, dat wil zeggen recht te doen wedervaren aan de daarmede samenhangende objectieve behoeften waaraan de door de auteurs van het Verdrag zelf gewilde bescherming der agrarische basisprodukten ten grondslag ligt.
Wanneer men de Raad de bevoegdheid toekent alcohol op de lijst van bijlage II te brengen, zal men in geen geval alcohol met een door verdunning met water verlaagd percentage kunnen uitsluiten, immers zodanige verdunning laat de aard en de chemische eigenschappen van de alcohol volkomen ongewijzigd en doet er niet aan af dat het rechtstreeks uit een agrarisch produkt is gewonnen.
5.
In de derde vraag van het Bundesfinanzhof gaat het om de douanerechtelijke indeling van een waar die de importeur als Trinkbranntwein, hergestellt aus Melasse-Sprit, aromatisiert had aangemeld en door de douane aanvankelijk als „alcoholhoudende drank” was beschouwd — en onder post 22.09-C-V-b van het gemeenschappelijk douanetarief gebracht —; toen echter na monsterneming bleek dat men te doen had met een volkomen neutraal en chemisch zuiver produkt, waaraan geen aromaten waren toegevoegd, werd deze waar alsnog als niet-gedenatureerde ethylalcohol met een sterkte van minder dan 80 % gebracht onder post 22.09-A-II.
Het bij inklaring dezer waren — in september 1968 — geldend gemeenschappelijk douanetarief vermeldde onder post 22.09-C-V-b, „andere alcoholhoudende dranken”. Post 22.09 omvat ethylalcohol, niet-gedenatureerd, met een sterkte van minder dan 80 graden; gedistilleerde dranken, likeuren en andere alcoholhoudende dranken; samengestelde alcoholische preparaten (geconcentreerde extracten) voor de vervaardiging van dranken. Onder A wordt met name genoemd ethylalcohol, niet-gedenatureerd, met een sterkte van minder dan 80 graden.
Terwijl op de onder post 22.09-C-V-b vallende waren, voorzover het gemeenschappelijk douanetarief daarop van toepassing was, geen binnentarief mocht worden toegepast, vallen waren in de zin van post 22.09-A-II die bij verordening nr. 7bis op de lijst van bijlage II zijn gebracht, buiten de werkingssfeer van verordening EEG nr. 950/68 waarbij het gemeenschappelijk douanetarief is ingevoerd. Daarvoor bleven, voorzover het landbouwprodukten waren, de nationale tarieven gelden, zodat het geoorloofd bleef op de invoer uit andere Lid-Staten nationale belastingen te heffen. Hetgeen er toe leidde dat op de hierbedoelde produkten een nationale heffing ad 110,35 DM per hectoliter werd toegepast.
Ter voorkoming van de methodischeen begripsverwarring die zich in het geding bij de nationale rechter schijnt te hebben voorgedaan dient er derhalve op te worden gewezen dat men er bij de uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief goed aan doet niet uit te gaan van de rechtsbegrippen en de casuïstiek van het nationale recht noch ook van de handelsgebruiken van een bepaalde Staat. Bij het onderscheiden tussen alcoholhoudende dranken in de zin van post 2209-C-V-b en niet-gedenatueerde ethylalcohol met een sterkte van minder dan 80o dient men zich dus aan het communautaire stelsel te houden; aan zulke termen behoort namelijk alom in de Gemeenschap eenzelfde betekenis toe te komen.
Uit de toelichting die de Commissie ten processe heeft verstrekt en uit haar verwijzingen naar de nomenclatuur van Brussel — met toelichtingen — blijkt dat het onderscheid tussen beide voormelde soorten produkten niet op de onderscheiden werkelijke gebruiksbestemmingen, doch op hun objectieve eigenschappen is gebaseerd. Dit is in overeenstemming met een in 's Hofs rechtspraak reeds aanvaard criterium, dat tegemoetkomt aan de behoefte de rechtszekerheid te bevorderen en de administratie eenvoudig te houden (men zie bij voorbeeld het arrest 36-71, Henck, Jurisprudentie 1972, blz. 197). Met name ook uit de voorbeelden van alcoholhoudende dranken die men heeft aangehaald om er de betekenis van onderverdeling 22.09-C-V aan te demonstreren blijkt dat het hier gaat om dranken die onderling verschillen door hun bijzondere smaak en geur, die in de regel verkregen worden door er tijdens het distilleren bepaalde stoffen aan toe te voegen, en wel voornamelijk die welke de produkten van deze onderverdeling van gezuiverde of neutrale alcohol onderscheiden voorzover daarin geen bijzondere aromaten voorkomen, zodat zij bij gebreke van een bijzondere smaak en geur onder de onderverdeling 22.09-A vallen, om het even of zij door toevoeging van water voor consumptie geschikt gemaakt zijn.
Ik geef U in overweging de vragen van het Bundesfinanzhof als volgt te beantwoorden:
1.
Dat 's Raads verordening nr. 7 bis van 18 december 1959 in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen is geplaatst na afloop van de termijn van artikel 38 van het EEG-Verdrag doet aan haar geldigheid niet af, nu blijkt dat zij tijdig is vastgesteld.
2.
De Raad heeft krachtens de haar in artikel 38, lid 3, van het EEG-Verdrag verleende bevoegdheid rechtsgeldig ethylalcohol, ongeacht de sterkte, kunnen plaatsen op de lijst van bijlage II van het Verdrag.
3.
Waren die vallen onder post 22.09-A-II van het gemeenschappelijk douanetarief zijn produkten die voornamelijk naar de eraan ten grondslag liggende chemische samenstelling zijn te onderscheiden en inzoverre verschillen van waren in de zin van post 22.09-C-V-b, die bij latere verwerking door toevoeging van een bepaalde smaak of geur bijzondere kenmerken gaan vertonen.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy