CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 26 JUNI 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Ten vervolge op mijn eerdere conclusie in deze zaak zal ik mij thans, na de heropening van de mondelinge behandeling, uitspreken over de zaak 4-74 ten gronde.
Het beroep betreft het besluit tot overplaatsing van Scuppa binnen zijn instelling. Terwijl aanvankelijk het beroep primair strekte tot nietigverklaring van dit besluit en tot veroordeling van verweerster tot schadevergoeding, wijzigde verzoeker de volgorde van zijn conclusies in de loop van het geding en vordert hij thans primair vergoeding van de materiële en morele schade die hij door het bestreden besluit zou hebben geleden. Om de in onze eerste conclusie uiteengezette redenen, zullen wij hier alleen het vraagstuk van de morele schade behandelen.
Morele schade. In zijn dienstbetrekking heeft de ambtenaar onbetwistbaar recht op eerbiediging van zijn persoonlijkheid. Schending van dit recht zal bepaalde gevolgen hebben, ook buiten eventuele vergoeding van de materiële schade, zelfs al zijn de voorwaarden voor nietigverklaring van de bezwarende handeling niet vervuld. Het is duidelijk dat het niet gaat om de actie wegens niet-contractuele aansprakelijkheid, waarvoor artikel 215 van het EEG-Verdrag een voorafgaand onderzoek vereist naar het bestaan van een beginsel hetwelk de Lid-Staten gemeen hebben. Hoogstens komen wij hier in de sfeer van het algemene stelsel van de contractuele aansprakelijkheid volgens de eerste alinea van artikel 215, maar bij dienstbetrekkingen zijn de bijzondere bepalingen van het Statuut van de ambtenaren van toepassing. Waar artikel 24 van het Statuut de ambtenaar beschermt tegen eventuele externe aantasting, moet binnen de instelling van de ambtenaar de bescherming a fortiori worden gewaarborgd. Hoe dan ook, inzake dienstbetrekkingen verleent het Statuut volledige rechtsmacht aan het Hof dat in rechtvaardigheid en billijkheid middelen moet vinden om elke eventuele krenking van met name het recht op menselijke waardigheid en beroepseer te vergoeden. Van meet af aan heeft het Hof zich voor deze bescherming van de morele rechten van de ambtenaar uitgesproken. Zo wordt in het arrest in de gevoegde zaken 7-56 en 3 tot en met 7-57 van 12 juli 1957 uitdrukkelijk gezegd: „de door deze gedraging (van de gedaagde instelling) veroorzaakte beroering, de onrust en het ongemak, welke daarvan voor de betrokkenen het gevolg waren, hebben eisers derhalve een morele schade toegebracht, waarvoor zij vergoeding kunnen vorderen” (Jurispr. 1957, blz. 137). Deze bijzondere vorm van bescherming, waarbij de onrechtmatigheid van de bezwarende maatregel niet behoeft te worden aangetoond, is in 's Hofs rechtspraak nog herhaaldelijk bevestigd (gevoegde zaken 43, 45 en 48-59 van 15 juli 1960, Jurispr. 1960 blz. 965; zaken 19 en 65-63, Jurispr. 1965, blz. 585; zaak 84-63, Jurispr. 1964, blz. 661; zaak 87-63, Jurispr. 1964, blz. 961; zaak 93-63, Jurispr. 1964, blz. 1005; zaak 25-60, Jurispr. 1962, blz. 41). Nog onlangs wees U vergoeding van door een ambtenaar geleden schade toe, onafhankelijk van de onrechtmatigheid van het betwiste besluit (arrest van 12 juli 1973 in de gevoegde zaken 10 en 47-72, Di Pillo, Jurispr. 1973, blz. 772).
Het lijdt dus geen twijfel dat de concrete bescherming van een aspect van de persoonlijkheid van de ambtenaar ook in de toewijzing van vergoeding voor eventuele morele schade kan bestaan.
2.
Wij kunnen derhalve gaan onderzoeken of de gestelde voorwaarde, een foutief optreden van degene die handelingsbevoegd was voor de Commissie, in casu is vervuld.
In het besluit waarbij verzoeker werd overgeplaatst van de afdeling „sociale aangelegenheden in de landbouw, rechtsvorm van het grondgebruik” naar een afdeling met beperkter taken en een functie die voor de algemene ontwikkeling van het landbouwbeleid minder belangrijk lijkt, zoals de sectoren tabak en hop, ziet hij een manoeuvre om hem ertoe te brengen vrijwillig de Commissie te verlaten in het kader van de speciale regeling voor de dienstbeëindiging. In ieder geval was het volgens hem de vooropgezette bedoeling om hem te wippen uit zijn functie bij de belangrijke afdeling waarover hij begin 1969 de verantwoordelijkheid had gekregen.
Het staat vast dat, gelet op de bevoegdheden van de respectieve afdelingen, op verzoekers eigen belang en op het gewicht van de afdeling die hij enkele jaren had geleid en waarbij hij in november 1969 en januari 1972 over de gehele lijn een uitstekende beoordeling kreeg, zijn overplaatsing naar de andere afdeling, vooral in verband met de feiten die aan het besluit voorafgingen, hem in moreel opzicht en wellicht ook in zijn loopbaan kon schaden.
De verschillende gebeurtenissen die verzoeker aanhaalt om de beweerde vijandigheid van zijn directe chef aan te tonen, en die in een regelrechte boycot van zijn werkzaamheden tot uiting kwam — welke beweringen op feitelijke punten in wezen niet zijn weersproken —, worden door verweerster in het algemeen uitgelegd als een reactie op het gedrag van verzoeker die zich absoluut niets aantrok van het goed functioneren en de belangen van de dienst. De Commissie betoogt dat, toen men indertijd uitvoering moest gaan geven aan het plan Mansholt inzake de wijziging van de landbouwstructuur, het dienstbelang vereiste dat bijzonder coördinerende bevoegdheden en taken werden toegekend aan het hoofd van afdeling E/1, welke was belast met het opstellen van de algemene beleidslijnen voor bepaalde activiteiten van andere afdelingen die in hun taken met betrekking tot deze hervorming sterk op elkaar waren aangewezen. Op deze organisatie van de dienst had verzoeker negatief gereageerd door zijn afwijzing van een situatie die ook gold voor de andere afdelingshoofden van zijn directoraat ten opzichte van het hoofd van de afdeling E/1, maar die hij beschouwde als een onaanvaardbare toestand van ondergeschiktheid, die onverenigbaar was met zijn rang en functie. Volgens verweerster ligt deze afwijzing ten grondslag aan de talrijke door verzoeker genoemde incidenten.
Uit de stukken blijkt dat het hoofd van de afdeling E/1 verzoeker regelmatig opdrachten gaf door hem binnen een bepaalde termijn om gegevens, nota's of studies over kwesties vallende onder de bevoegdheid van de afdeling E/3 te vragen. Niet blijkt echter dat verzoeker ooit heeft nagelaten het gevraagde punctueel te verschaffen. Verweerster heeft met geen enkel concreet feit enig plichtsverzuim van verzoeker kunnen aantonen. Integendeel, hij gaf blijk van een grote plichtsbetrachting. In deze omstandigheden kan men geen kritiek op hem hebben alleen omdat hij steigerde tegen zijn feitelijke ondergeschiktheid aan een collega. In een organisatie waar de zin voor hiërarchie sterk is ontwikkeld, zoals bij de diensten van de Commissie, is het een kwestie van respect voor de bevoegdheden van elke ambtenaar dat hij orders van een meerdere krijgt en niet van een ambtenaar van gelijke rang en kwalificatie.
De Commissie stelt dat de moeilijkheden die tenslotte tot de aan het geding ten grondslag liggende feiten hebben geleid, het gevolg waren van de onwelwillende handelwijze van verzoeker in deze situatie. Wij kunnen echter niet inzien waarom een protesthouding die de gezagsverhoudingen eerbiedigde en niet in strijd was met de op verzoeker rustende plicht tot samenwerking in de dienst, een rechtvaardiging kon vormen voor diens geleidelijke gedwongen ontheffing van de uitoefening van zijn ambt van afdelingshoofd en voor een kwaadwillendheid die de enige verklaring vormt voor bepaalde bruuske reacties en volkomen ongemotiveerde verwijten van verzoekers directeur.
3.
Uit verzoekers persoonsdossier blijkt dat hij bij de Commissie een voorbeeldige loopbaan heeft gevolgd. In mei 1959 in dienst getreden als hoofdadministrateur, ter assistentie van het hoofd van de afdeling IV en vervolgens van de afdeling III in de betrekkingen met de Raad en met het Comité van permanente vertegenwoordigers, heeft hij zijn taken zodanig volbracht dat hem herhaaldelijk de hoogste lof van zijn meerderen ten deel viel.
Begin 1969 werd verzoeker benoemd tot hoofd van de afdeling E/3 van het Directoraat-generaal Landbouw en reeds na het eerste jaar in deze nieuwe hoedanigheid kreeg hij in alle opzichten een uitstekende beoordeling. In het rapport van november 1969 werd gewag gemaakt van zijn scherpzinnigheid, zijn grote ijver en bekwaamheid, zijn toewijding, zijn gezag en leidinggevende capaciteiten die noodzakelijk zijn voor een afdelingshoofd.
Ook het tweede rapport over zijn werkzaamheden als hoofd van de afdeling, dat op 28 januari 1972 door de directe chef van verzoeker was opgesteld, bevestigt zijn grote bekwaamheid en prestaties en zijn uitstekend gedrag in de dienst. Tevens wordt daarin op zijn gevoel voor verantwoordelijkheid gewezen.
Uit de processtukken blijkt echter dat verzoeker reeds in 1970 te kennen begon te geven — zij het in alleszins gepaste vorm — dat men hem belette volledig deel te nemen aan de werkzaamheden die tot de taken en de belangensector van zijn afdeling behoorden. Zo zou hij onder meer buiten bepaalde vergaderingen zijn gehouden die in het kader van het Directoraat-generaal Landbouw plaatshadden over problemen waarbij zijn afdeling rechtstreeks was betrokken.
Soortgelijke opmerkingen over verschillende moeilijkheden en belemmeringen voor de volledige uitoefening van zijn functie werden in de volgende jaren steeds talrijker, maar ontlokten geen enkele reactie aan de bevoegde directeur tot wie verzoeker zich telkens in goed vertrouwen wendde. In dit verband komt bovengenoemde opmerking over „het grote gevoel van verantwoordelijkheid” dat de directeur bij Scuppa had waargenomen, ietwat ironisch over. Daar dit echter wel niet zo zal zijn bedoeld, dienen wij de opmerking letterlijk op te vatten. Dan wordt het echter moeilijk de voortdurend negatieve houding tegenover de verantwoordelijke man van een zeer belangrijke afdeling van zijn directoraat te verklaren.
De aard van dit geding verplicht ons op de details in te gaan, omdat alleen een nauwgezet onderzoek een concreet beeld kan geven van de situatie waarin verzoeker zijn taken heeft verricht, en tegelijkertijd de betekenis kan duidelijk maken van het overplaatsingsbesluit waarvoor hij vergoeding van de morele en materiële schade vraagt.
4.
Scuppa noemt een hele reeks feiten die zich na zijn ambtsaanvaarding als hoofd van de afdeling E/3 hebben voorgedaan, om aan te tonen dat hij, na feitelijk ondergeschikt te zijn gemaakt aan een ambtenaar van gelijke rang — het hoofd van de afdeling E/1 —, dus in een situatie die niet kon worden gerechtvaardigd door de eisen van diens taak als coördinator van de werkzaamheden van de verschillende afdelingen binnen het directoraat, allerlei pesterijen had ondervonden: hij werd stelselmatig uitgesloten van vergaderingen die ten zeerste betrekking hadden op de activiteiten van zijn afdeling; hij werd onkundig gehouden van de werkzaamheden van de Commissie en van gegevens en informatie die eveneens zijn afdeling betroffen; de ambtenaren die direct onder hem ressorteerden ontvingen instructies niet alleen van zijn directeur — zonder dat hij hiervan op de hoogte was — (zie bijlage 19 bij de administratieve klacht van 14 juni 1973) maar ook van zijn eigen collega, het hoofd van de afdeling E/1. Elk direct contact met zijn meerderen werd verhinderd en dezen weigerden systematisch hem te ontvangen en te antwoorden op zijn verzoeken om opheldering en zijn pogingen om eventuele misverstanden uit de weg te ruimen; hij kreeg bruuske antwoorden en ongegronde beschuldigingen te horen op vragen omtrent het functioneren van de dienst, die in de meest correcte termen waren gesteld.
Wij verwijzen naar specifieke feiten waarover verzoeker toentertijd een standpunt heeft ingenomen in nota's aan zijn directe chef, en die door de Commissie niet worden betwist. Vooreerst dient te worden gezegd dat blijkens document nr. 1641/VI/69 van 10 februari 1969 (bijlage 5 bij de administratieve klacht) het besluit om de afdeling E/1 te belasten met de taak algemeen richting te geven aan werkzaamheden die een aantal belangrijke sectoren van verzoekers afdeling en andere afdelingen van het directoraat bestreken, een maatregel van algemene aard binnen het directoraat was en volkomen los stond van verzoeker, die eerst na deze datum afdelingshoofd was geworden. Verzoeker constateert echter reeds begin september 1969 dat het hoofd van de afdeling E/1 zich niet beperkte tot het geven van een algemene beleidslijn voor de werkzaamheden van zijn afdeling, maar ook zoals gezegd, concrete prestaties vergde van zijn collega, hoofd van de afdeling E/3, en zich rechtstreeks tot diens ondergeschikten wendde met bevelen en nauwkeurige arbeidsinstructies waarbij hij een termijn voor de uitvoering stelde. Gezien deze feiten die ongetwijfeld een met de regels van hiërarchie nauwelijks verenigbare inmenging vormden en die niet behoorden tot de aan het hoofd van afdeling E/1 opgedragen taak van algemeen beleid, kan men verzoeker geen ongelijk geven dat hij reeds kort na de aanvaarding van zijn ambt van afdelingshoofd duidelijke bezwaren kenbaar maakte (nota van 6 oktober 1969 aan de heer Rencki, hoofd van de afdeling E/1, met copie aan de directeur; bijlage 6 bij genoemde klacht).
Belangrijke wijzigingen in de verantwoordelijkheden van verzoeker werden hem op het laatste moment zonder voorafgaand overleg meegedeeld, nadat zijn ondergeschikten reeds op de hoogte waren gesteld (bijlage 17 bij de administratieve klacht).
Bijlage 20 bevat een op 5 juni 1972 aan directeur Craps gerichte nota waarin verzoeker klaagt dat hij voortdurend verstoken bleef van de voor het werk van zijn afdeling noodzakelijke informatie of te laat op de hoogte werd gesteld om zijn taak naar behoren te verrichten. Een latere opmerking in dezelfde zin in verband met een concreet geval treft men aan in bijlage 21 betreffende een document van 15 juni 1972.
Nergens blijkt dat zijn chef tot wie verzoeker zijn beleefde, maar duidelijk omschreven klachten richtte, ooit heeft gereageerd. Al zijn pogingen om eventuele misverstanden op te helderen en de moeilijkheden op te lossen liet men eenvoudig in het zand lopen. Reeds in zijn nota van 18 februari 1972 had verzoeker zijn directeur de diverse problemen uiteengezet waarmee hij zich zag geconfronteerd bij de uitvoering van zijn taken als afdelingshoofd. Het gaat om een stuk van 18 pagina's vol met feiten waarvan het doel duidelijk bleek uit de aanhef:
„verzoek om feitelijke erkenning:
—
van mijn plicht (en mijn recht) om mijn taak bij de Commissie doeltreffend te vervullen, zonder voortaan voortdurend belemmeringen te ondervinden in de uitoefening van mijn verantwoordelijkheden, in mijn gezag en in de contact- en informatiemogelijkheden die mij als hoofd van de afdeling VI — E/3 toekomen.
—
van mijn beroepseer en menselijke waardigheid”.
Tot slot van zijn gedetailleerde klachtnota vroeg verzoeker zijn directeur hem in staat te stellen genoemde moeilijkheden samen openhartig en in constructieve geest te bespreken om ze uit de weg te ruimen en het terrein te zuiveren van een aantal onnodige problemen.
In zijn administratieve klacht wees verzoeker op het uitblijven van enige reactie van zijn directeur op deze nota, en deze bewering is door verweerster niet weersproken.
De afwijzing van elk direct contact door zijn directeur wordt voorts aangetoond door de tot hem gerichte nota's van 16 maart 1973 en 21 maart 1973 (bijlagen 2 en 9 bij de administratieve klacht). De grove, volkomen ongegronde beschuldigingen in de antwoordnota aan verzoeker van 21 maart 1973 (bijlage 8) doen eerder denken aan een gemis van objectiviteit en onpartijdigheid bij de chef tegenover zijn afdelingshoofd. Ook de vrij barse toon waarop de directeur tijdens een vergadering met de Raad hem commandeerde de zaal te verlaten om plaats te maken voor een andere ambtenaar (nota bene van lagere rang; zie bijlage 4) lijkt niet bepaald te kunnen bijdragen tot harmonische menselijke betrekkingen binnen de dienst.
5.
De uit deze feiten blijkende gebrekkige verstandhouding in de dienst schijnt niet te zijn toe te schrijven aan verzoeker die zich meermaals volledig bereid heeft getoond elke eventuele aanleiding tot onenigheid of misverstand tussen hem en zijn directe chef uit de weg te ruimen. Wij betreuren vooral de inertie tegenover de herhaalde verzoeken om een open gesprek over de problemen die er ongetwijfeld waren. Een dergelijke houding is noch met de criteria van efficiëntie, noch met de in een moderne administratie vereiste eerbiediging van de menselijke persoon verenigbaar.
Verweerster heeft betoogd dat de oorzaak van alle moeilijkheden was gelegen in de negatieve (maar slechts mondeling geuite) reactie van verzoeker op de door zijn meerderen goedgekeurde directe bemoeiingen — zij het op zuiver uitvoerend niveau — van zijn collega met de werkzaamheden van zijn afdeling.
Wij gaan hier niet in op de vraag of het passend was om voor een soepele tenuitvoerlegging van het plan Mansholt de afdeling E/1 te belasten met de coördinering van het werk van de andere afdelingen. Maar het kan niet geoorloofd zijn dat een ambtenaar, zij het van de hoogste rang, zoals de Directeur-generaal Landbouw (indien genoemde situatie met zijn toestemming is ontstaan), de door de Commissie besloten interne reorganisatie der diensten zover drijft dat degene, aan wie de Commissie de verantwoordelijkheid voor een afdeling had toevertrouwd, door de onderbrenging dier verantwoordelijkheid bij anderen in feite van zijn functies wordt beroofd.
Men loopt dan immers gevaar de taken en verantwoordelijkheden te verwarren en de door de Commissie gewilde interne verdeling der bevoegdheden te verstoren; men schendt bovendien het recht van een ambtenaar — van wie men uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij uitstekend voldeed — om zijn functie volledig uit te oefenen, men krenkt zijn waardigheid, men ondergraaft het respect van zijn eigen ondergeschikten.
Het overplaatsingsbesluit, dat aanvankelijk het hoofdonderwerp van beroep 4-74 was, vormde het sluitstuk van deze gang van zaken waarbij verzoeker onrechtmatig van de feitelijke uitoefening zijner functies als hoofd van de afdeling E/3 werd ontheven. In het licht van de voorafgaande feiten kan dit besluit als de genadeslag worden gezien.
Het is mogelijk dat verzoeker een opvatting van zijn functies heeft gehad die de aan een afdelingshoofd toekomende bevoegdheden te boven ging. Wellicht ligt het feit dat hij deze opvatting niet verborgen heeft gehouden ten grondslag aan de moeilijkheden met zijn meerderen. Ook kan het zijn dat hij een buitensporige gevoeligheid aan de dag heeft gelegd voor de prerogatieven van zijn ambt en voor de eerbiediging van de verschillende bevoegdheden. Dit alles zou kunnen rechtvaardigen dat hij tot de orde werd geroepen en dat zijn bevoegdheidsgebied duidelijk werd afgebakend, doch niet dat hij de facto door andere ambtenaren, zij het van de hoogste rang, eenvoudig werd ontheven van zijn functie en verantwoordelijkheden die hem door een besluit van de Commissie toekwamen.
In verband met bovengenoemde feiten zou het overplaatsingsbesluit objectief kunnen worden opgevat als een goedkeuring van de handelwijze van verzoekers meerderen en als een desaveu van verzoeker. Toch blijkt niet dat de redenen voor het meningsverschil tussen verzoeker en zijn chefs door de Commissie specifiek zijn onderzocht (waarvoor overigens ook de rechtstreeks betrokkene op dit punt had moeten worden gehoord). Gelet op het feit dat verzoeker zelfs niet is gehoord, moeten wij ervan uitgaan dat degenen die het besluit hebben genomen, geen heldere kijk hadden op het verband met de voorafgaande gebeurtenissen en dat het besluit niet in die zin is bedoeld. Maar dan hebben zij zich toch laten verleiden tot een besluit dat, in het licht van de voorafgaande gebeurtenissen, zij het buiten hun medeweten, de schijn heeft dat een ambtenaar met goede verdiensten opzij wordt geschoven: een besluit dat hem als ambtenaar en als mens krenkt.
6.
Iudex iudicare debet secundum alligata et probata. In de strikte naleving van dit klassieke rechtsbeginsel in elk rechtsgeding is de waarborg gelegen voor de eerbiediging van de belangen van een ieder, ambtenaar zo goed als burger.
Er zijn een aantal sterke, nauwkeurige en samenhangende bewijzen geleverd van een behandeling die niet valt te rijmen met de regels en belangen van de openbare dienst. Men kan zich wellicht ook afvragen — aangezien er in het menselijk gebeuren altijd een causaliteit is — of deze buitengewone geringschatting en dit met voeten treden van de rechten van de persoon te wijten was aan even grote tekortkomingen van de betrokken ambtenaar. Maar men kan niet op grond van een dergelijke algemene veronderstelling, die nergens wordt bevestigd en zelfs door verweerster niet wordt verdedigd, verzoekers eis afwijzen, dat de rechten betreffende zijn persoon worden beschermd.
Mocht de administratie gemeend hebben dat stilzwijgen de beste manier was om eventuele fouten van de ambtenaar te dekken, dan zult U duidelijk moeten maken dat dit niet de geijkte methode was. Indien verzoekers meerderen hebben gemeend grootmoedig te moeten doen door zich uit te putten in loftuitingen voor een ambtenaar, zonder dat deze dit verdiende, om hem vervolgens op een gunstig moment in zijn persoon te treffen, dan zult U moeten beslissen dat mensen in een stelsel dat een voorbeeld van betrouwbaarheid moet zijn en bovenal de eerbiediging van de menselijke persoon moet verzekeren, niet met deze methode van quasi oprechtheid kunnen worden bestuurd.
Uw uitspraak zal derhalve de veroordeling van een methode moeten zijn: men denke niet dat het Hof van Justitie goedkeurt dat hoge ambtenaren willekeurige besluiten nemen zonder dat de lagere ambtenaren in staat zijn gesteld de redenen van deze besluiten, die diep in hun leven ingrijpen, te doorzien.
Het tot aanstelling bevoegde gezag kan stellig op elk moment in het belang van de dienst een besluit tot overplaatsing van een ambtenaar nemen. Maar wanneer het besluit, in verband met de daaraan voorafgegane feiten, objectief gezien het sluitstuk vormt van een algehele houding die onverenigbaar is met de grondbeginselen van de administratie, dan kan het besluit zelf aangetast raken, zelfs afgezien van de ongebruikelijke procedure die schijnt te zijn gevolgd en die wellicht haar verklaring kan vinden in de bijzondere eisen van de tijd waarin het werd genomen. Verweerster heeft overigens zelf toegegeven dat de moeilijkheden in de verhouding van verzoeker tot andere ambtenaren van directoraat E niet geheel vreemd waren aan zijn overplaatsing naar een ander directoraat: aldus erkent zij dat er tussen de hierboven bekritiseerde toestand en het betwiste besluit een verband is, althans in de bedoeling van de verantwoordelijke ambtenaren die erachter stonden.
Zonder op de subsidiaire vordering tot nietigverklaring van het besluit in te gaan, concluderen wij derhalve dat de Commissie worde veroordeeld tot vergoeding van de door verzoeker in zijn hoedanigheid van ambtenaar geleden schade, en laten wij het aan U over het bedrag te bepalen dat naar Uw mening past bij het morele waardeoordeel dat van Uw uitspraak wordt verwacht.
In elk geval concluderen wij dat verweerster in de zaak 4-74 worde verwezen in de kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy