CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 10 OKTOBER 1974 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Moulijn, voormalig hoofdadministrateur bij de Commissie van de Europese Economische Gemeenschap, werd op 1 maart 1973 gepensioneerd. Hij geniet een communautair ouderdomspensioen, plus een nationaal ouderdomspensioen, daar hij eveneens Nederlands rijksambtenaar is geweest.
Sedert 1965 is hij gescheiden. De Nederlandse rechtbank, die het echtscheidingsvonnis uitsprak, heeft hem een alimentatieverplichting jegens zijn gewezen echt genote opgelegd ad 700 Fl per maand, welk bedrag in 1968 op 784 Fl per maand werd gebracht.
Artikel 2, lid 4, van bijlage VII van het Ambtenarenstatuut luidt:
„In uitzonderlijke gevallen kan een persoon, ten aanzien van wie de ambtenaar een wettelijke onderhoudsplicht heeft welke hem zware lasten oplegt, bij bijzonder, met redenen omkleed besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag, genomen op grond van bewijsstukken, met een te zijnen laste komend kind worden gelijkgesteld.”
Moulijn nu verzocht de Commissie zijn voormalige echtgenote gelijk te stellen met een ten laste komend kind in de zin van deze statutaire bepaling.
Na verschillende weigeringen kreeg hij ten slotte in 1969 genoègdoening en wel met terugwerkende kracht vanaf december 1965, tijdstip der scheiding.
In 1973, na een nieuw onderzoek, trok de Commissie de toelage echter in op grond van artikel 1, lid 4, eerste alinea, van de maatregelen ter uitvoering van artikel 2, lid 4, van bijlage VII van het Statuut, luidende:
„De ambtenaar moet aantonen dat hij voor het onderhoud van de desbetreffende persoon ten minste 20 % besteedt van het belastbare bedrag van zijn bezoldiging, eventueel vermeerderd met het nettobedrag van zijn andere inkomsten.”
De Commissie had namelijk in haar brief van 18 april 1973, die het bestreden besluit vormt, de inkomsten van Moulijn opgesomd, en deze vergeleken met het alimentatiebedrag dat hij wettelijk aan zijn voormalige echtgenote was verschuldigd.
De Commissie stelde vast dat het belastbare bedrag van verzoekers communautair ouderdomspensioen 24053 Bfr beloopt en dat hij bovendien beschikte over aanvullende inkomsten uit zijn Nederlands pensioen van ongeveer 1400 Fl, of wel 19334 Bfr.
Daarnaast bracht zij naar voren dat de door verzoeker betaalde alimentatie 784 Fl of wel 10827 Bfr, bedroeg.
Zij leidde daaruit af dat genoemde alimentatie niet ten minste 20 % bedroeg van de inkomsten die in aanmerking moeten worden genomen voor uitkering van de toelage voor een ten laste komend persoon.
Tegen dit besluit heeft verzoeker op 25 juni 1973 — dus binnen de statutaire termijn — een klacht ingediend, waarop de Commissie niet heeft geantwoord.
Deswege heeft Moulijn thans beroep ingesteld, zowel van het besluit waarbij de Commissie weigerde de toelage voor een ten laste komend persoon jegens hem te handhaven als van het stilzwijgend besluit tot afwijzing van zijn klacht, welke afwijzing overigens door de Commissie op 14 februari 1974 uitdrukkelijk werd bevestigd.
Daar tegen het verzoekschrift geen exceptie van niet-ontvankelijkheid is opgeworpen, zullen wij de zaak ten principale onderzoeken. Daarbij zij opgemerkt dat de standpunten van verzoeker en van de Commissie alleen bij de schriftelijke behandeling zijn uiteengezet. Moulijn heeft zich bij de mondelinge behandeling niet doen vertegenwoordigen, waarop ook de Commissie het niet nodig achtte tijdens deze zitting het woord te voeren.
Moulijn verzoekt U niet slechts het stilzwijgend besluit tot afwijzing van zijn klacht nietig te verklaren, maar eveneens te verstaan dat hij voldoet aan de voorwaarden van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen om in het genot te worden gesteld van een toelage voor een ten laste komend persoon, in zover hij zijn voormalige echtgenote een door een Nederlandse rechtbank vastgestelde alimentatie is verschuldigd; bovendien verzoekt hij U uit te spreken dat de hem volgens zijn zeggen door de Commissie verschuldigde som dient te worden vermeerderd met een rente van 8 % 's jaars vanaf 1 maart 1973 tot de dag van betaling, behoudens vaststelling dier rente door het Hof. In feite vraagt hij U dus de toelage rentedragend te maken vanaf de weigering der betaling.
Allereerst zij opgemerkt dat het begrip „ten laste komend persoon” geen moeilijkheden oplevert, daar de gescheiden echtgenote van Moulijn immers aanspraak heeft op een alimentatie, tot betaling waarvan haar gewezen echtgenoot is veroordeeld bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing van een Nederlandse rechter.
Wij bevinden ons dus inderdaad op het terrein van de betrokken statutaire bepaling.
Het geding gaat uitsluitend over de uitlegging van artikel 1, lid 4, eerste alinea van de maatregelen ter uitvoering van artikel 2, lid 4, van bijlage VII van het Statuut, welke bepaling wij in het begin hebben aangehaald.
In concreto is de vraag of het totale bedrag van al verzoekers inkomsten, dus ook andere dan zijn communautair ouderdomspensioen, in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling van de „last” van de aan zijn voormalige echtgenote betaalde alimentatie. Indien deze alimentatie minder bedraagt dan 20 % van zijn totale inkomen, kan hij volgens de Commissie geen aanspraak maken op de toelage voor een ten laste komend persoon. Moulijn is uiteraard een andere mening toegedaan. Volgens hem mogen zijn andere inkomsten dan het communautaire pensioen slechts voor 20 % in aanmerking worden genomen.
Aanstonds zij opgemerkt dat de gelijkstelling met een ten laste komend kind van een persoon, ten aanzien van wie de ambtenaar een wettelijke onderhoudsplicht heeft, een uitzonderingsbepaling is, voor de toepassing waarvan een „bijzonder, met redenen omkleed besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag, genomen op grond van bewijsstukken” is vereist. Dit impliceert, zoals het Hof uitdrukkelijk heeft verklaard in het arrest Brandau t. Raad (zaak 46-71, Tweede Kamer, 7 juni 1972, Jurispr. 1972, blz. 373) dat de bevoegde instelling een zekere beoordelingsmarge heeft om deze bepaling in elk afzonderlijk geval toe te passen.
Anders gezegd, een dergelijke statutaire bepaling moet eng worden geïnterpreteerd; in de tweede plaats beschikt de administratie bij deze beoordeling over een zekere discretionaire bevoegdheid.
Deze overwegingen worden versterkt door het feit dat de communautaire wetgever het nodig heeft geoordeeld aan de gelijkstelling de voorwaarde te verbinden dat het onderhoud van de alimentatiegerechtigde de ambtenaar of gewezen ambtenaar „zware lasten” oplegt.
Wij zullen nu de vraag die U in de onderhavige zaak wordt voorgelegd, toetsen aan deze eerste, maar belangrijke aanwijzingen, welke zowel uit de statutaire tekst als uit Uw jurisprudentie kunnen worden afgeleid.
Een zuiver grammaticale analyse van de litigieuze tekst brengt ons niet verder: niet alleen heeft de bewuste drempel van 20 %, al naar de versies in de verschillende talen, volgens de regels van de grammaticale congruentie en interpunctie de ene maal betrekking op de communautaire bezoldiging, en de andere maal op het bedrag voor het onderhoud van de ten laste komende persoon, maar ook wordt dit gebrek aan overeenstemming aangetroffen binnen de versies in de verschillende talen zelf, naar gelang het gaat om één of meer ten laste komende personen (artikel 1, sub 5).
Wij denken derhalve onze mening hoofdzakelijk te moeten afleiden uit de algemene opzet van de zogenaamde uitvoeringsbepalingen die op dit gebied door de Commissie zijn vastgesteld.
Het is immers duidelijk dat de gelijkstelling met een ten laste komend kind van een persoon, ten aanzien van wie de ambtenaar een alimentatieverplichting heeft, een weliswaar billijk voordeel is, maar geen onvoorwaardelijk recht van de betrokken ambtenaar.
Nodig is dat de last der alimentatie, zoals het Statuut voorschrijft, voldoende „zwaar” is.
Ten einde een volledig discretionaire, om niet te zeggen willekeurige, beoordeling te vermijden, was het derhalve voegzaam een drempel vast te leggen, waarboven deze last zou leiden tot gelijkstelling en bijgevolg tot toekenning van een toelage voor een ten laste komend persoon.
Dit heeft de Commissie gedaan door te eisen dat het bedrag, door de ambtenaar besteed aan het onderhoud van de ten laste komende persoon, ten minste gelijk is aan 20 % niet alleen van zijn Gemeenschapsbezoldiging of -pensioen, maar van het totaal der inkomsten van welke aard ook waarover hij beschikt, dus van zijn totale Gemeenschaps- en overig inkomen, zo hij dit laatste heeft.
Anders gezegd, wanneer deze ambtenaar een eigen vermogen heeft of naast de communautaire bezoldiging over neveninkomsten beschikt, is het logisch daarmede integraal rekening te houden, want voor zover deze inkomsten, uit welke bron ook: onroerend goed, effecten, overheids- of particulier pensioen, uiteindelijk deze alimentatielast verlichten, valt niet in te zien waarom juist de Commissie de ambtenaar moet helpen bij het nakomen van zijn verplichting, die trouwens los staat van de banden tussen deze — in actieve dienst zijnde of gepensioneerde — ambtenaar en de communautaire instelling.
Toch leidt de uitlegging die wij menen te moeten volgen, in casu ten slotte tot genoegdoening voor verzoeker. Want het staat vast — is althans niet door de Commissie betwist — dat Moulijns totale inkomen 43387 Bfr bedraagt, de som van het belastbare bedrag van zijn communautaire pensioen ad 24053 Bfr en zijn Nederlands pensioen ad 19334 Bfr.
Evenmin is betwist, dat de alimentatie die hij zijn voormalige echtgenote moet betalen, zoals gezegd 10827 Bfr bedraagt. De alimentatie bedraagt dus meer dan 20 % van het werkelijke totale inkomen van betrokkene.
Onder deze omstandigheden en zonder dat de overige middelen van het beroep nader behoeven te worden onderzocht, zijn wij van mening dat recht dient te worden gedaan aan Moulijns verzoek.
Resumerend concluderen wij:
—
tot nietigverklaring zowel van het besluit, vervat in de brief van 18 april 1973 der Commissie, als van het stilzwijgend besluit tot afwijzing van verzoekers klacht;
—
tot verstrekking aan hem van een toelage voor een ten laste komend persoon, wegens de alimentatieverplichting jegens zijn voormalige echtgenote;
—
ten slotte tot verwijzing van de Commissie in de kosten van het geding.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy