CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN11 JULI 1974 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Aangezien de marktprijzen in de Gemeenschap vanwege de veevoederprijzen in de regel boven het niveau van de wereldmarkt liggen, bepaalt artikel 15, lid 1, van 's Raads verordening nr. 121/67 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees (PB nr. L 117 van 19. 6. 1967, blz. 2283) dat, ten einde de uitvoer van de in artikel 1 van verordening nr. 121/67 genoemde produkten „op basis van de noteringen of de prijzen van deze produkten op de wereldmarkt mogelijk te maken, het verschil tussen deze noteringen of prijzen en de prijzen van de Gemeenschap overbrugd kan worden door een restitutie bij de uitvoer”.
De beginselen voor de toekenning van restituties bij de uitvoer van produkten in de sector varkensvlees zijn neergelegd in 's Raads verordening nr. 177/67 (PB nr. L 130 van 28. 6. 1967, blz. 2614). Volgens artikel 6, lid 1, wordt de restitutie uitbetaald,
„wanneer het bewijs wordt geleverd dat de produkten
—
uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd en
—
van oorsprong uit de Gemeenschap zijn, behalve in geval van toepassing van artikel 7.”
Artikel 7 bepaalt:
„Bij de uitvoer van in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 121/67/EEG genoemde en uit derde landen ingevoerde en naar derde landen wederuitgevoerde produkten wordt geen restitutie toegekend, tenzij de exporteur aantoont:
—
dat het uit te voeren produkt identiek is aan het tevoren ingevoerde produkt en
—
dat bij de invoer van dit produkt de heffing is geïnd.”
In verband met genoemd artikel 6 van verordening nr. 177/67 zij ook gewezen op 's Raads verordening nr. 802/68 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip „oorsprong van goederen” (PB nr. L 148 van 28. 6. 1968, blz, 1). Hierin wordt het begrip oorsprong van goederen — luidens artikel 1 — onder meer gedefinieerd met het oog op „de uniforme toepassing van alle maatregelen van de Gemeenschap of van de Lid-Staten inzake de uitvoer van goederen.” Voor zover hier van belang wordt bepaald dat goederen die geheel en al in een land zijn verkregen, van oorsprong uit dat land zijn. Voorts luidt artikel 4, lid 2:
„onder goederen die geheel en al in een land zijn verkregen worden verstaan: … d) produkten afkomstig van levende dieren die aldaar worden gehouden.”
Ten slotte zij nog gewezen op verordening nr. 1041/67 van de Commissie „houdende uitvoeringsbepalingen inzake de verlening van restituties bij de uitvoer van produkten waarvoor een stelsel van gemeenschappelijke prijzen geldt” (PB nr. L 314 van 23. 12. 1967, blz. 9). Volgens artikel 6, lid 1, worden restituties slechts verleend voor produkten die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden.
Ook de firma Norddeutsches Vieh- und Fleischkontor, verzoekster in het hoofdgeding dat tot de thans te behandelen vraag heeft geleid, wilde in aanmerking komen voor de communautaire restitutieregelingen. Zij had in juni en juli 1969 enkele partijen varkensvlees, die door haar als „buik en buikspek” waren omschreven, naar Joegoslavië geëxporteerd. In haar verzoek om exportrestitutie gaf zij op, dat de waar van oorsprong uit de Gemeenschap was. Daarop werd het verzoek, althans ten dele, ingewilligd. In april 1970 vond bij verzoekster een onderzoek in het kader van de marktordening plaats, waarbij bleek dat een deel van de waar uit de Duitse Democratische Republiek afkomstig was. Het Hauptzollamt Hamburg-Jonas, verweerder in het hoofgeding, vorderde daarop de reeds verleende restitutie terug en wees het nog niet afgedane gedeelte van het verzoek af.
In het geding dat de Firma Norddeutsches Vieh- und Fleischkontor GmbH vervolgens bij het Finanzgericht Hamburg aanhangig maakte, betoogde verzoekster tot staving van haar aanspraak op restitutie, dat deze ook geldt, voor waren die in het kader van de zogenaamde interzonale handel uit de Duitse Democratische Republiek de Bondsrepubliek Duitsland zijn binnengekomen. Zij zocht met name steun bij het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland en de daarmede samenhangende vraagstukken, dat als Bijlage bij het EEG-Verdrag is gevoegd. Hierin wordt gezegd:
„aangezien het handelsverkeer tussen de Duitse gebieden waar de grondwet voor de Bondsrepubliek Duitsland geldt, en de Duitse gebieden waar die grondwet niet wordt toegepast, deel uitmaakt van de binnenlandse handel van Duitsland, vereist de toepassing van het Verdrag in Duitsland geen enkele wijziging van de thans voor die binnenlandse handel bestaande regeling.”
Het Hauptzollamt, verweerder in het hoofdgeding, bleef echter bij zijn standpunt dat aan de voorwaarden voor de toekenning van een restitutie niet was voldaan. Daar artikel 7 van verordening nr. 177/67 niet toepasselijk is, gaat het om de vraag of de betrokken waren van oorsprong uit de Gemeenschap zijn. Dit is niet het geval bij waren, afkomstig uit de Duitse Democratische Republiek, ook al zijn deze in het kader van de interzonale handel in de Bondsrepubliek Duitsland gebracht.
In verband met dit geschil betreffende de uitlegging van gemeenschapsrechtelike bepalingen besloot het Finanzgericht bij beschikking van 30 januari 1974 het geding te schorsen en het Hof krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vraag voor te leggen:
„Moeten artikel 6, lid 1, dan wel artikel 7 van verordening nr. 177/67 en artikel 4, leden 1 en 2, sub d), van verordening nr. 802/68, in verband met het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland en de daarmede samenhangende vraagstukken aldus worden uitgelegd dat produkten in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 121/67, die in het kader van het „Interzonenabkommen” uit de Duitse Democratische Republiek in de Bondsrepubliek Duitsland zijn gebracht, bij uitvoer uit de Bondsrepubliek naar een derde land voor restitutie in aanmerking komen?”
Beziet men thans allereerst artikel 7 van verordening nr. 177/67, dan wordt reeds uit de bewoordingen duidelijk — in zoverre zijn alle betrokkenen het eens — dat hierop geen aanspraak kan worden gegrond op een restitutie voor waren die uit de Duitse Democratische Republiek naar de Bondsrepubliek Duitsland worden gebracht en vandaar naar derde landen worden geëxporteerd. Deze opvatting is aan geen twijfel onderhevig, omdat in artikel 7 van verordening nr. 177/67 voor een restitutie als voorwaarde wordt gesteld, dat het gaat om waren die uit derde landen werden ingevoerd en waarvoor heffingen moesten worden betaald. Daarvan kan bij waren die in het kader van het Interzonenabkommen uit de Duitse Democratische Republiek in de Bondsrepubliek Duitsland binnenkomen, juist ingevolge het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland, geen sprake zijn. Volgens het Protocol maakt een dergelijk handelsverkeer deel uit van de binnenlandse handel van Duitsland, en noch de toepassing van het EEG-Verdrag, noch — volledigheidshalve — die van het secundaire recht vereist enige wijziging van de voor die handel bestaande regeling. Wanneer goederen op de voet van dit Protocol in de Bondsrepubliek Duitsland binnenkomen, kan er dus, juist omdat het om binnenlandse Duitse handel gaat, niet van import uit derde landen worden gesproken, en het is op grond van het Protocol met name ook niet mogelijk dat voor dergelijke waren heffingen moeten worden betaald.
Waar artikel 7 van verordening nr. 177/67 voor de beslechting van het bodemgeschil dus niet in aanmerking komt, kan alleen — zoals verzoekster terecht heeft betoogd — artikel 6 uitkomst brengen; volgens dit artikel bestaat aanspraak op restitutie, wanneer het bewijs wordt geleverd dat de produkten uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd en van oorsprong uit de Gemeenschap zijn.
Voor de interpretatie van deze bepaling dient men allereerst te rade te gaan bij 's Raads verordening nr. 802/68 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip „oorsprong van goederen”. In artikel 1 dezer verordening wordt immers het begrip „oorsprong van goederen” mede gedefinieerd „met het oog op de uniforme toepassing van alle maatregelen van de Gemeenschap of van de Lid-Staten, inzake de uitvoer van goederen”. In dit verband is van belang het reeds genoemde artikel 4, dat als volgt luidt:
„1.
goederen die geheel en al in een land zijn verkregen zijn van oorsprong uit dat land;
2.
onder goederen die geheel en al in een land zijn verkregen worden verstaan … d) produkten afkomstig van levende dieren die aldaar worden gehouden.”
Voor de Lid-Staten betekent dit, dat waren uit deze landen van oorsprong zijn, wanneer zij zijn verkregen in de gebieden waarop het EEG-Verdrag van toepassing is. Daartoe behoort volgens artikel 227 EEG-Verdrag zeker niet het grondgebied van de Duitse Democratische Republiek. Zoals de Bondsregering terecht heeft betoogd, kan ook het reeds genoemde Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland niet tot een andere conclusie leiden. In feite heeft het Protocol namelijk slechts ten doel de Bondsrepubliek Duitsland te ontheffen van de verplichting, het Gemeenschapsrecht op de binnenlandse Duitse handel toe te passen. Het breidt echter het toepassingsgebied van het EEG-Verdrag — of de territoriale werking zo men wil — niet tot de Duitse Democratische Republiek uit; het Protocol vormt geen directe of indirecte grondslag voor het lidmaatschap van de Duitse Democratische Republiek in de Europese Economische Gemeenschap.
Ook verzoekster in het hoofdgeding wil niet zover gaan. de juistheid van deze stelling te betwijfelen. Zij is enkel van mening dat verordening nr. 802/68 in het licht van het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland moet worden uitgelegd en dat dienovereenkomstig moet worden aangenomen dat waren die in het kader van de zogenaamde interzonale handel legaal in de Bondsrepubliek Duitsland zijn binnengekomen, uit dat land afkomstig zijn. Wanneer namelijk wordt gezegd, dat dit handelsverkeer „deel uitmaakt van de binnenlandse handel van Duitsland”, dan moeten de betrokken goederen worden behandeld als waren zij in de Bondsrepubliek Duitsland zelf verhandeld. Hieruit zou dan de conclusie voortvloeien dat zij in de zin van verordening nr. 802/68 moeten worden geacht in de Bondsrepubliek Duitsland te zijn verkregen.
Ook deze opvatting is moeilijk te verdedigen.
Zoals de Bondsregering en de Commissie terecht hebben opgemerkt, is de betekenis van het Protocol nu eenmaal beperkt tot het binnenlandse goederenverkeer van Duitsland. De enige bedoeling ervan is — en hieruit volgt stellig een restrictieve interpretatie — rekening te houden met de bijzondere betrekkingen tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Duitse Democratische Republiek, dat wil zeggen, te zorgen dat de splitsing van Duitsland niet wordt verergerd door de toepassing van het Gemeenschapsrecht op de binnenlandse Duitse handel. Het goederenverkeer van de landen der Gemeenschap met derde landen valt daarentegen zeker buiten de werkingssfeer van het Protocol. Zo gezien, zou men de betekenis van het Protocol overtrekken, wanneer hieraan een argument zou worden ontleend voor exportrestituties die niet in het kader van de binnenlandse Duitse handel vallen, en wanneer met name zou worden gepoogd hieruit ten aanzien van de oorsprong der waren in verband met de exportrestituties de door verweerster voorgestane fictie te putten. Zo ver reikt het doel van het Protocol beslist niet.
Anderzijds is het voor de oplossing van het onderhavige probleem van belang, de zin en het doel van de restitutieregeling in de ordeningen der landbouwmarkten na te gaan. Zoals wij reeds herhaaldelijk hebben gezien, bevatten deze marktordeningen prijsmechanismen, die de landbouwproducenten bepaalde inkomstengaranties moeten verschaffen. Hiertoe dienen vooral exportbevorderende maatregelen, met een afzetgarantie en een subsidie uit communautaire middelen bij uitvoer naar derde landen. Uit dit oogpunt bezien is het volkomen begrijpelijk, dat in beginsel slechts produkten uit de Gemeenschap, dat wil zeggen uit landen die bijdragen in de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, voor dergelijke maatregelen in aanmerking kunnen komen. Wel is daarnaast krachtens artikel 7 van verordening nr. 177/67 een restitutie in zekere mate ook mogelijk voor ingevoerde waren, die natuurlijk niets bijdragen tot het inkomen van de producenten in de Gemeenschap, doch in een dergelijk geval worden de geïnde heffingen slechts als het ware terugbetaald om te voldoen aan een elementair rechtsvaardigheidsvereiste.
Deze overwegingen zijn van beslissende betekenis voor de oplossing van het U voorgelegde probleem. Het is daarentegen niet — zoals verzoekster meent — doorslaggevend, dat produkten uit de Duitse Democratische Republiek aan de vraag- en aanbodzijde dezelfde invloed op de markt uitoefenen als produkten uit het land zelf, omdat de handel in landbouwprodukten tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Duitse Democratische Republiek op de grondslag van gemeenschappelijke prijzen plaatsvindt. Een dergelijke redenering zou niet alleen voorbijgaan aan de beperkte doelstelling van het Protocol betreffende de binnenlandse Duitse handel, doch zou bovendien als gevolg van de voor DDR-produkten geldende prijsegalisatie, die de producenten in de Duitse Democratische Republiek zeker ten goede komt, de noodzaak meebrengen de export van dergelijke produkten op de wereldmarkt te bevorderen, hetgeen ontoelaatbaar is.
Hoewel reeds het vorenoverwogene — op grond waarvan artikel 6 van verordening nr. 177/67 in samenhang met verordening nr. 802/68 eng moet worden uitgelegd — tot een ontkennend antwoord op de vraag van het Finanzgericht Hamburg leidt, wil ik volledigheidshalve toch nog op enige nadere opmerkingen van verzoekster ingaan.
Zo heeft verzoekster in haar memorie gesteld, dat uit de Duitse Democratische Republiek in de Bondsrepubliek Duitsland geïmporteerde goederen zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden, wat volgens artikel 6 van verordening nr. 1041/67 van de Comissie voorwaarde is voor de toekenning van een restitutie. Zij betoogt dat met betrekking tot het vrije verkeer van goederen slechts wordt onderscheiden tussen goederen, afkomstig uit de Lid-Staten en goederen afkomstig uit derde landen. Daar waren die uit de Duitse Democratische Republiek zijn geïmporteerd, niet onder de laatste categorie, dat wil zeggen de definitie van artikel 10, lid 1, van het EEG-Verdrag vallen, zou moeten worden aangenomen dat deze noodzakelijkerwijs de in artikel 9, lid 2, genoemde kenmerken „produkten welke van oorsprong zijn uit de Lid-Staten” vertonen en dus, zoals met name uit de Franse tekst van deze bepaling zou blijken, zijn te beschouwen als van oorsprong uit een Lid-Staat.
Deze redenering lijkt op het eerste gezicht plausibel. Overtuigend acht ik haar bij nader inzien echter niet. Met name wordt over het hoofd gezien, dat het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland, hetwelk dezelfde rangorde heeft als het Verdrag zelf, een bijzondere regeling invoert voor het vrije verkeer van goederen die vanuit de Duitse Democratische Republiek naar de Bondsrepubliek Duitsland worden geleverd. Zo bezien, acht ik het hoogst bedenkelijk om problemen die op de herkomst van zulke waren betrekking hebben, uitsluitend met behulp van het principiële en algemene schema van de artikelen 9 en 10 van het Verdrag op te lossen.
Verzoekster tracht de door haar bepleite uitkomst te staven met een gecombineerde uitlegging van de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 177/67. Zij betoogt dat de verordening — in de laatste overweging van de considerans — alleen een bijzondere motivering voor artikel 7 bevat. Daaruit moet worden geconcludeerd dat in het kader van de marktordening met artikel 6 niet iets anders wordt beoogd dan met artikel 7. Het wil slechts waarborgen dat restitutie achterwege blijft bij produkten die uit derde landen zijn ingevoerd. Het bewijs dat de uitsluitingsgrond van artikel 7 niet aanwezig is kan, zo gezien, worden geleverd door aan te tonen dat de waar van oorsprong uit de Gemeenschap is. Wanneer een waar echter niet onder artikel 7 van verordening nr. 177/67 valt, is daarmee omgekeerd ook bewezen dat zij van oorsprong uit de Gemeenschap is.
Ook deze interpretatie lijkt mij niet overtuigend. Zij miskent volledig het in de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 177/67 neergelegde systeem. Zoals de Commissie terecht heeft uiteengezet, gaat het hier namelijk niet alleen om regels betreffende de formele bewijslast, maar ook om de vaststelling van de materiële voorwaarden voor de toekenning van restituties. Daarbij staat — anders dan verzoekster meent — het beginsel op de voorgrond, dat slechts produkten welke van oorsprong uit de Gemeenschap zijn, voor restitutie in aanmerking komen. Voor waren uit derde landen worden in beginsel geen restituties toegekend; hiervoor geldt hoogstens een exportfaciliteit in de vorm van een terugbetaling van geïnde heffingen. Bij deze interpretatie wordt zonder meer duidelijk dat in het bewijs dat de import niet uit een derde land afkomstig is, nog geen bewijs is te zien, dat een waar dan uit de Gemeenschap afkomstig is.
Ten slotte ben ik het ook niet eens met de subsidiaire stelling van verzoekster, dat verordening nr. 177/67 met betrekking tot produkten uit de Duitse Democratische Republiek die naar de Bondsre publiek Duitsland worden geleverd, een leemte vertoont en dat derhalve ware te danken aan een analoge toepassing van artikel 7 der verordening. Deze opvatting kan niet slagen, omdat de auteurs van verordening nr. 177/67 bekend waren met het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland en de bijzondere positie van de uit de Duitse Democratische Republiek in de Bondsrepubliek Duitsland gebrachte waren. Van een leemte in het systeem is in feite ook geen sprake; veeleer kan het standpunt worden verdedigd dat de verordening houdende algemene voorschriften betreffende de toekenning van restituties een volkomen duidelijk en gesloten systeem bevat. Volgens dit stelsel worden restituties alleen toegekend bij de uitvoer van waren die van oorsprong uit de Gemeenschap zijn, alsmede van produkten uit derde landen, mits hiervoor de heffing bij de invoer was geïnd.
Deze regeling vertoont overigens evenmin — zoals verzoekster tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld — een discriminatie in die zin dat bij wederuitvoer van DDR-waren uit andere Lid-Staten wel restituties worden toegekend. Een dergelijke verschillende behandeling is immers gerechtvaardigd, omdat de andere Lid-Staten over produkten uit de Duitse Democratische Republiek heffingen innen. Het terugbetalen van dergelijke heffingen is echter zeker niet gelijk te stellen met de toekenning van een exportsubsidie uit middelen der Gemeenschap of eventueel nationale middelen, die verzoekster bij de uitvoer van naar de Bondsrepubliek Duitsland geleverde produkten uit de Duitse Democratische Republiek gerechtvaardigd acht op de enkele grond dat er bij de levering dezer waren naar de Bondsrepubliek prijsegalisatie plaatsvindt.
Overeenkomstig het standpunt van de Bondsregering en de Commissie concludeer ik derhalve dat de door het Finanzgericht Hamburg gestelde vraag worde beantwoord als volgt:
Artikel 6, lid 1, en artikel 7 van verordening nr. 177/67, alsmede artikel 4, leden 1 en 2, sub d), van verordening nr. 802/68, in verband met het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland en de daarmede samenhangende vraagstukken, moeten aldus worden uitgelegd, dat voor produkten in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 121/67, die in het kader van de binnenlandse handel van Duitsland uit de Duitse Democratische Republiek vrij van heffing in de Bondsrepubliek Duitsland zijn gebracht, bij uitvoer uit de Bondsrepubliek Duitsland naar een derde land geen restituties worden toegekend.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy