CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 19 FEBRUARI 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoeker in het geding waarin ik thans mijn standpunt heb te bepalen, is in april 1959 bij de Hoge Autoriteit van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in dienst gerreden. In mei 1961 werd hij geplaatst op de vertaaldienst van het Europees Parlement. Sedert januari 1963 was hij als hoofdadministrateur werkzaam op het secretariaat van verschillende commissies van genoemd Parlement, onder meer op dat van de Commissie voor Milieubeheer en Volksgezondheid. Per 1 juli 1971 is hem de rang A4 toegekend.
Na bevordering van het hoofd van het secretariaat van de Commissie voor Milieubeheer en Volksgezondheid, een ambtenaar in de rang A3 wiens medewerker hij destijds was, zouden er aldaar nog slechts twee personen werkzaam zijn gebleven, waarvan hij zelf er een was. Hem zou door het voormalige hoofd van dit secretariaat zijn opgedragen per 1 september 1973 de leiding over te nemen. Hij stelt zich dan ook op het standpunt dat hij die post sindsdien in feite heeft bekleed. Met een beroep op artikel 7, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren verlangt hij daarom een aanvullende toelage over het tijdvak van 1 december 1973 tot aan de benoeming van het nieuwe hoofd van bedoeld secretariaat, die blijkbaar op 20 mei 1974 is ingegaan. In dit verband zij voorts opgemerkt dat verzoeker in een brief van 26 november 1973 de Directeur-generaal van de afdeling Administratie, Personeel en Financiën van het Europese Parlement had verzocht hem per 1 september 1973 officieel met de waarneming van de in feite door hem vervulde post bij de Commissie voor Milieubeheer en Volksgezondheid te belasten. Toen hij geen antwoord ontving heeft hij in een brief aan de secretaris-generaal van het Parlement van 13 februari 1974 hierop nogmaals de aandacht gevestigd. Voorts wendde hij zich op 22 februari 1974 tot het tot aanstelling bevoegd gezag met een formele klacht ingevolge artikel 90, lid 2, van het Statuut, waarin hij ertegen opkwam dat hem geen aanvullende toelage ex artikel 7, lid 2, van het Statuut was toegekend en verzocht dienaangaande terstond een beslissing te nemen. De secretaris-generaal gaf hem op 4 maart 1974 ten antwoord dat bedoelde post binnenkort zou worden vervuld, zodat er geen termen aanwezig waren de voorzitter voor te stellen voor zo korte tijd tot een voorziening ad interim over te gaan.
Op 26 september 1973 deed men het personeel van het Parlement kennisgeving nr. 875 — betreffende te vervullen vacatures — toekomen, volgens welke de voorzitter had besloten de procedure ter vervulling van vijf posten in de loopbaan A3 (afdelingshoofd) op het Directoraat-generaal Commissies en Interparlementaire Delegaties open te stellen, des dat voorlopig bevordering of overplaatsing in overweging zou worden genomen. Gevolg gevend aan de in de kennisgeving gedane oproep solliciteerde verzoeker op 28 september 1973 naar de — onder meer — opengestelde post van hoofd van de afdeling Milieubeheer en Volksgezondheid. Op die sollicitatie liet hij op 5 oktober 1973 een brief aan de voorzitter van het Europees Parlement volgen, waarin hij erop wees dat hij sedert september 1973 de facto het secretariaat van bedoelde commissie leidde en de voorzitter verzocht te bevorderen dat artikel 29, lid 1, van het Statuut werd nageleefd, volgens welk voorschrift het tot aanstelling bevoegd gezag bij vervulling van vacatures eerst de mogelijkheid van
a)
bevordering of overplaatsing binnen de instelling,
b)
een vergelijkend onderzoek binnen de instelling,
c)
overgang van ambtenaren van andere instellingen der drie Europese Gemeenschappen
dient te onderzoeken en vervolgens over te gaan tot een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en/of een examen.
Verweerder heeft betoogd het in artikel 29, lid 1, sub a), bedoelde onderzoek te hebben verricht. Hij was daarbij echter tot de conclusie gekomen dat een ruimere keus verkieslijk was, weshalve er een intern vergelijkend onderzoek was uitgeschreven. Bij kennisgeving van 23 november 1973 werd het personeel medegedeeld dat er voor vijf A3-posten op het directoraat-generaal commissies tot zulk een onderzoek — A/43 — zou worden overgegaan. De vacatures zouden worden vervuld nadat er schriftelijke bewijsstukken zouden zijn ingewonnen en een gesprek zou zijn gevoerd.
Verzoeker solliciteerde op 30 november 1973 nogmaals, na de secretaris-generaal van het Parlement op 26 november 1973 schriftelijk te hebben verzocht de uitslag van het onderzoek ingevolge artikel 29, lid 1, sub a), te willen mededelen, casu quo mede te delen waarom die uitslag te zijnen aanzien tot een negatief resultaat had geleid. In antwoord hierop deelde de voorzitter hem bij brief van 20 december 1973 alleen maar mede dat bij bedoeld onderzoek de verkieslijkheid van een ruimere keus was gebleken, zodat tot een intern vergelijkend onderzoek werd overgegaan.
Dat onderzoek vond vervolgens onder deelneming van een groot aantal gegadigden plaats. De jury stelde de lijst van geschikte kandidaten vast, doch verzoekers naam kwam er niet op voor. Op grond van die lijst werden in februari 1974 vijf andere sollicitanten benoemd en, zoals gezegd, werd een hunner per 20 mei 1974 met de leiding van het secretariaat der Commissie voor Milieubeheer en Volksgezondheid belast.
Verzoeker vond hierin aanleiding een formele klacht ex artikel 90, lid 2, van het Statuut in te dienen bij het tot aanstelling bevoegd gezag; dit op 7 maart 1974 ingekomen stuk behelsde het verzoek genoemde benoemingsbesluiten in te trekken en hemzelf op een der vacante posten van afdelingshoofd te benoemen. Op die klacht werd op 14 maart 1974 door de voorzitter van het Parlement afwijzend beschikt. Verzoeker moest nogmaals vernemen dat men een grotere keuzemogelijkheid had willen hebben. Ook werd erop gewezen dat de jury hem niet op de lijst van geschikte kandidaten had geplaatst en dat hij in zijn klacht niet repte van door de jury of het tot aanstelling bevoegd gezag gemaakte fouten. Ten slotte werd hij uitgenodigd zijn opvatting, wat dit laatste punt betreft, te motiveren.
Op 18 maart 1974 gaf hij hieraan gevolg. Maar reeds op 19 maart wendde hij zich ook tot het Hof van Justitie met conclusie dat het Hof:
1.
het Europees Parlement zou veroordelen tot betaling aan verzoeker van de aanvullende toelage, bedoeld in artikel 7. lid 2. van het Statuut.
2.
zou verstaan dat de administratie van het Europees Parlement aan verzoeker ten onrechte niet heeft bevestigd dat hij de vacante post bij de Commissie voor Milieubeheer en Volksgezondheid in feite ad interim vervuld had,
3.
te verstaan dat het intern vergelijkend onderzoek A/43 in strijd met de voorschriften was geopend, het met alle gevolgen van dien nietig te verklaren en te verstaan dat de op dit vergelijkend onderzoek gevolgde benoemingen nietig zijn.
Afgezien van enkele bewijsvorderingen verlangde hij subsidiair ook dat de vijf benoemingen die op grond van het vergelijkend onderzoek A/43 hadden plaatsgehad, als strijdig met de artikelen 7, 29 en 45 van het Statuut zouden worden nietig verklaard.
Met de klacht diende verzoeker bij afzonderlijke akte een verzoek ex artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering in, daartoe strekkende dat het Parlement de post van afdelingshoofd op het secretariaat van de Commissie voor Milieubeheer en Volksgezondheid voorshands niet zou bezetten. Dit verzoek werd bij beschikking van de President van de Eerste Kamer van 28 maart 1974 afgewezen.
I —
Mij thans zettend tot bespreking van het onderhavig geval, zou ik in verband met de bedenkingen van verweerder eerst enkele opmerkingen inzake de ontvankelijkheid der vordering willen maken.
1.
Voor zover de vordering artikel 7, lid 2, van het Statuut betreft (vervulling van een post ad interim), acht het Parlement haar in strijd met artikel 91 van het Statuut en dus niet-ontvankelijk.
Ten aanzien van de verlangde verklaring voor recht dat hij bedoelde post in feite gedurende enige tijd („ad interim”) heeft vervuld wijst het Parlement erop, dat verzoeker op 26 november 1973 — en wederom op 13 februari 1974 — had verzocht met de vervulling van die post te worden belast, waarop op 4 maart 1974 afwijzend was beschikt, en die beschikking had door verzoeker moeten worden aangevochten met een klacht ex artikel 91 — hetgeen niet was gebeurd.
Met betrekking tot de gevorderde aanvullende toelage als bedoeld in artikel 7, lid 2, van het Statuut betoogt het Parlement dat die vordering weliswaar in de klacht van 22 februari 1974 ter sprake was gebracht, doch dat er niet op was ingegaan omdat de beschikking van 4 maart 1974 niet op die aangelegenheid betrekking had. Een actie was dus pas mogelijk nadat de klacht stilzwijgend was afgewezen — id est op 22 juni 1974 — en niet reeds in maart 1974.
In het algemeen zij voor het ogenblik opgemerkt dat men volgens artikel 91, lid 2, van het tegenwoordige Statuut in een vordering in rechte pas kan worden ontvangen wanneer er tevoren, dat wil zeggen binnen de termijn van artikel 90, lid 2, een klacht bij het tot aanstelling bevoegd gezag is ingediend — en daarop afwijzend is beschikt —. De klacht moet volgens artikel 90, tweede alinea, van het Statuut zijn gericht tegen voor betrokkene bezwarende besluiten, dat wil zeggen besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag, of wel tegen het stilzitten der administratie in gevallen waarin het Statuut bepaalde maatregelen voorziet. Ik zou hierover het volgende willen opmerken:
a) wat betreft de verlangde verklaring voor recht dat verzoeker een bepaalde post gedurende enige tijd in feite heeft vervuld
In verzoekers brief van 26 november 1973, waarin hij verzoekt om met ingang van 1 september 1973 ad interim voor bedoelde post te worden aangewezen, alsook in zijn brief van 13 februari 1974, waarin hij om een beslissing op zijn verzoek van 26 november 1973 vraagt, zou ik verzoeken als bedoeld in artikel 90 van het Statuut willen lezen. Het Parlement heeft er terecht op gewezen dat de inhoud de doorslag moet geven en niet het antwoord op de vraag of de stukken aan het tot aanstelling bevoegd gezag waren gericht, daargelaten dat men in zulke gevallen toch altijd de hiërarchische weg heeft te bewandelen, dat wil zeggen de onmiddellijke superieur moet inschakelen: op de verzoeken werd in een brief van de secretaris-generaal — het tot aanstelling bevoegd gezagsorgaan — op 4 maart 1974, vóór afloop van de daarvoor geldende termijn van vier maanden, met zoveel woorden afwijzend beschikt. Er had toen een klacht kunnen worden ingediend; zij bleef echter achterwege. Een klacht ligt ook niet besloten in verzoekers brief van 22 februari 1974; zij ging immers aan bedoeld schrijven van de secretaris-generaal vooraf. Bovendien gaat het in die brief om een andere kwestie, namelijk de betaling van een aanvullende toelage. Omdat er aan de actie in rechte dus geen klacht is voorafgegaan, kan verzoeker in zoverre niet in zijn vordering worden ontvangen.
Dat wordt niet anders wanneer men zich met verzoeker op het standpunt stelt dat er voor een „interimaat” in de zin van artikel 7 van het Statuut geen formeel besluit behoeft te worden genomen en dat het daartoe voldoende is wanneer de onmiddellijk hogere ambtenaar betrokkene ertoe behorende werkzaamheden opdraagt. Zelfs wanneer een verzoek ex artikel 90 dan overbodig zou mogen worden geacht, blijft het zo dat men alvorens een declaratoire vordering in te stellen een klacht wegens niet-erkenning van een in feite vervuld „interimaat” moet hebben ingediend. En aan die voorwaarde is in ieder geval niet voldaan.
Maar zelfs wanneer men over de reeds genoemde bezwaren zou heenstappen en de brief van 22 februari 1974 ook in zoverre als een volgens de voorschriften gedane klacht zou willen beschouwen, zou tegen de ontvankelijkheid van die klacht toch kunnen worden ingebracht dat zij dan pas na vier maanden, op 22 juni 1974, had kunnen worden geacht stilzwijgend te zijn afgewezen. De vordering zou dan te vroeg zijn ingesteld.
Ten slotte baat een beroep op artikel 91, lid 4, van het Statuut verzoeker al evenmin. Volgens dat voorschrift kan men zich in afwijking van lid 2, dus vóór afwijzing van de klacht en reeds terstond na indiening ervan, tot het Hof van Justitie wenden wanneer bij het beroep een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van het betwiste besluit of om voorlopige maatregelen gevoegd wordt. De ten principale voor het Hof gevoerde procedure wordt dan opgeschort totdat de klacht uitdrukkelijk of stilzwijgend is afgewezen. Allereerst zij vastgesteld dat verzoeker in het geheel niet een klacht heeft ingediend waarin hij hetzelfde verlangt als hij thans in rechte wil bereiken. Zelfs afgezien daarvan dient men, naar het Parlement terecht heeft betoogd, te bedenken dat toen verzoeker een uitspraak in kort geding verlangde krachtens welke de post die hij zou hebben waargenomen, voorlopig niet zou mogen worden bezet, hem een ander doel voor ogen stond dan thans in rechte het geval is en dat alleen al daarom artikel 91, lid 4, in casu buiten toepassing dient te blijven.
Hoe men dus de feiten die voor de door verzoeker gevorderde erkenning van bedoeld „interimaat” relevant zijn ook moge beoordelen, de vordering zal in ieder geval niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
b) de vordering tot betaling van een aanvullende toelage
Met betrekking tot deze vordering, waaraan verzoeker rechtstreeks het Statuut ten grondslag legt — zodat er geen formeel besluit aan zou behoeven vooraf te gaan — zij opgemerkt dat er op 22 februari 1974 een klacht is ingediend, waarop niet uitdrukkelijk werd beschikt. Een actie had dus pas kunnen worden ingesteld toen de klacht op 22 juni 1974 — na vier maanden — geacht kon worden stilzwijgend te zijn verworpen. Met zijn op 19 maart 1974 ingestelde vordering handelde verzoeker dan ook prematuur, zodat niet-ontvankelijkverklaring moet volgen.
Ook via artikel 91, lid 4, komt men niet tot een ander resultaat, en wel om de eenvoudige reden dat men met het verzoek krachtens artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering iets anders op het oog had, te weten een bevel heeft willen uitlokken dat de beweerdelijk door verzoeker vervulde post voorlopig niet zou worden bezet.
Daarom zullen de beide vorderingen die de vervulling ad interim van bedoelde post betreffen, moeten worden afgewezen.
2.
De vordering tot nietigverklaring van het vergelijkend onderzoek A/43 en de daarop berustende benoemingsbesluiten …
Het Parlement heeft in zoverre geen processuele bedenkingen voorgedragen en alleen vragen te berde gebracht die de ontvankelijkheid betreffen. Wij zullen echter ook daarop moeten ingaan.
In zoverre deed zich de volgende ontwikkeling voor: nadat het vergelijkend onderzoek was geopend en de benoemingsbesluiten van februari 1974 waartoe het leidde waren bekendgemaakt, heeft verzoeker op 7 maart 1974 een klacht tegen die besluiten ingediend. Zij werd bij besluit van de voorzitter van het Parlement van 14 maart 1974 ongegrond verklaard. Tegelijkertijd werd hem gevraagd zijn bezwaren nopens de gewraakte handelwijze van jury en tot aanstelling bevoegd gezag nader te motiveren, waaraan hij op 18 maart 1974, daags voordat hij zich tot het Hof van Justitie wendde, voldeed.
Tegen de ontvankelijkheid van het beroep in rechte kan dus, wat de onderhavige kwestie betreft, stellig niet worden ingebracht dat er tevoren geen klacht zou zijn ingediend. De ontvankelijkheid kan ook niet in twijfel worden getrokken door wie in verzoekers brief van 18 maart 1974 een nadere klacht mocht willen lezen of daarin de voortzetting van de klachtprocedure die niet tot een beschikking had geleid besloten mocht achten. In zoverre mag namelijk op het reeds genoemde artikel 91, lid 4, van het Statuut worden gewezen en op het feit dat de actie ertoe strekte een beschikking in kort geding uit te lokken die kennelijk de onderhavige vordering betrof.
Het kan slechts de vraag zijn — en daarop komen ook de opmerkingen van het Parlement neer — of de klacht effect kon sorteren, dat wil zeggen, of voor de stelling dat het vergelijkend onderzoek niet volgens de voorschriften zou zijn gevoerd voldoende gronden waren aangevoerd. In zoverre zijn er echter tegen de klacht geen steekhoudende bezwaren ingebracht.
Men kan zich reeds principieel op het standpunt stellen dat aan zulk een administratieve „voorprocedure” waaraan geen advocaat te pas behoeft te komen en die wellicht wordt ingeleid op een tijdstip waarop nog niet alle mogelijke punten van bezwaar bekend kunnen zijn, geen overdreven eisen mogen worden gesteld. Voorts is de klacht wel degelijk met redenen omkleed. Dit geldt voor de klacht van 7 maart 1974, waarin wordt verwezen naar een andere tot de voorzitter van het Parlement gerichte brief van 5 oktober 1973 — en daarmede naar de noodzaak artikel 29, lid 1, van het Statuut in acht te nemen —. Het geldt eveneens voor de nadere redengeving die in de brief van 18 maart 1974 te vinden is. Daarin lezen wij ondubbelzinnig bepaalde tegen het onderzoek gerichte bezwaren als het ontbreken van objectieve maatstaven of de in meer dan één opzicht onjuiste toepassing van zulke maatstaven.
Anders dan het Parlement ben ik dan ook van mening dat verzoeker in zijn verzoeken rot nietigverklaring van bedoeld onderzoek en van de benoemingsbesluiten die erop zijn gevolgd, kan worden ontvangen.
II — De zaak ten principale
1. De vorderingen inzake het „interimaat”
Ondanks de uitkomsten van ons onderzoek naar de ontvankelijkheid wil ik ten principale beginnen met een enkel woord betreffende de vorderingen in zake het „interimaat”. Deze Kamer dient namelijk te weten wat ik hiervan denk voor het geval dat zij mijn betoog inzake de ontvankelijkheid niet mocht kunnen aanvaarden.
a)
Vragen wij ons eerst af of verzoeker tijdelijk met de waarneming van de post van secretaris van een commissie was belast en zich dus in de positie bevond die in artikel 7, lid 2, van het Statuut wordt omschreven.
Verzoeker heeft betoogd dat de hiërarchische boven hem geplaatste ambtenaar hem de waarneming had opgedragen. Een formeel besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag was daartoe volgens verzoeker niet nodig en al evenmin zou in het Statuut te lezen vallen dat een ambtenaar het tot aanstelling bevoegd gezag om officiële erkenning van zodanige situatie dient te vragen. Voorts wijst hij er op dat hij nochtans op 26 november 1973 zodanig verzoek heeft ingediend en dat een directeur of directeur-generaal heeft geadviseerd er gunstig op te beschikken.
Geheel daargelaten dat het Parlement ontkent dat aan verzoeker door zijn superieur zou zijn opgedragen bedoelde post ad interim te vervullen, kan tegenover verzoekers betoog worden gewezen op 's Hofs jurisprudentie, volgens welke voor toepassing van artikel 7 van het Statuut een formeel besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag onontbeerlijk is. Men zie het arrest in de zaak 35-69 (arrest van 9 juli 1970, Herta Gross-Lampe t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1970, blz. 614, volgens welks overwegingen zulk een besluit nodig is omdat de ambtenaar aan toepassing van artikel 7 een bepaalde aanspraak ontleent, zodat tot afweging van het dienstbelang moet worden overgegaan. In dezelfde zin het arrest in de zaak 48-70 (arrest van 16 maart 1970, G. Bernardi t. Europees Parlement, Jurispr. 1971, blz. 184). Deze rechtsopvatting is ook alleszins aanvaardbaar; zij is de enige die zich met de eis der rechtszekerheid verdraagt, immers met het oog op de gevraagde toekenning van een aanvullende toelage en de beperkte tijdsduur die met het „interimaat” is gemoeid moet precies vaststaan wanneer bedoelde toestand intreedt. Zij ligt ook in de lijn van hetgeen nodig is ter verzekering van de uitoefening van organisatorische bevoegdheden die anders door handelingen van niet bevoegde superieuren zouden worden uitgehold.
Daartegenover houden de argumenten die verzoeker wil ontlenen aan artikel 21 van het Statuut, waarin een ambtenaar voor de vervulling van de hem opgedragen taak verantwoordelijk wordt gesteld, geen steek. In zoverre mogen de organisatorische belangen niet over het hoofd worden gezien; men dient ook te bedenken dat volgens artikel 21, lid 3, een ambtenaar die een bepaalde opdracht onregelmatig acht, zijn chef van zijn zienswijze op de hoogte moet stellen. Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar artikel 25, lid 3, waarin verzoeker onder de vele aangehaalde besluiten die ex artikel 7, lid 2, mist, waaraan hij de conclusie verbindt dat zodanig besluit voor toepassing van artikel 7 niet nodig is. In de jurisprudentie op artikel 25, lid 2 (oud), dat met het tegenwoordige lid 3 overeenkomt, is namelijk reeds uitgemaakt dat tot de besluiten houdende „vaststelling van de ambtelijke stand” ook behoren „besluiten tot tewerkstelling ad interim in de zin van artikel 7, lid 2” (vgl. arrest in de zaak 48-70).
Is evenwel voor toepassing van artikel 7, lid 2, van het Statuut een uitdrukkelijk besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag nodig, dan is het wanneer er ten behoeve van verzoeker geen zodanig besluit is genomen, duidelijk dat hij de gevorderde declaratoire uitspraak dat hij zich in de rechtspositie van artikel 7, tweede lid, bevindt, niet zal kunnen verkrijgen.
Al evenmin mag hij verlangen dat er te zijnen behoeve een dergelijk besluit wordt genomen. Artikel 7, lid 2, van het Statuut is namelijk ondubbelzinnig facultatief geredigeerd en laat dus ruimte voor discretionaire beslissingen. Bij de uitoefening dier discretionaire bevoegdheid kan bet stellig relevant zijn of er — zoals in een brief van de secretaris-generaal van 4 maart 1974 wordt gesteld — op moet worden gerekend dat de hierbedoelde post spoedig zal worden bezet.
Het eerste deel van het petitum moet dus, hoe men het ook keert of wendt, ook op zakelijke gronden worden afgewezen.
b)
Hetzelfde geldt voor de vordering dat het Parlement worde veroordeeld tot betaling van een aanvullende toelage ex artikel 7, tweede lid, van het Statuut, waarop uiteraard slechts aanspraak kan worden gemaakt wanneer aan de formele voorwaarden van artikel 7, lid 2, — besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag — is voldaan.
2. De rechtmatigheid der bestreden benoemingsbesluiten
Centraal staat de vraag of de door het Parlement op grond van het vergelijkend onderzoek A/43 genomen besluiten tot benoeming van andere kandidaten rechtmatig zijn. Verzoeker ontkent het met een beroep op artikel 29, lid 1, van het Statuut; reeds het uitschrijven van een vergelijkend onderzoek acht hij onrechtmatig wanneer de vacature ook via bevordering kan worden vervuld. Bovendien kleefden er zijns inziens aan het onderzoek een aantal fouten.
a)
Allereerst dient dus te worden onderzocht of het vergelijkend onderzoek A/43 wel mocht worden uitgeschreven.
Met het oog op de voorziening in vacatures moeten volgens artikel 29 van het Statuut allereerst:
a)
de mogelijkheden tot bevordering en tot overplaatsing binnen de instelling,
b)
de mogelijkheden tot het organiseren van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling,
c)
de verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen der drie Europese Gemeenschappen
worden onderzocht; pas dan wordt tot een vergelijkend onderzoek overgegaan.
Verzoeker meent dat dit voorschrift in casu niet is nageleefd, aangezien het voorgeschreven onderzoek naar de bevorderingsmogelijkheden door de administratie en niet door het tot aanstelling bevoegd gezag is geschied. Voorts leest hij in artikel 29 dat het resultaat van het onderzoek in een uitdrukkelijk besluit in formele zin moet worden vastgelegd — hegeen al evenmin is gebeurd —. Ten slotte zou het de bedoeling van artikel 29 zijn dat wanneer bevordering mogelijk is, daartoe ook moet worden overgegaan, — zonder dat er dan nog een vergelijkend onderzoek kan worden uitgeschreven —. Waar zijn superieuren herhaaldelijk met zoveel woorden hadden te kennen gegeven dat verzoeker voor bevordering in aanmerking kwam, zou men door nochtans tot een vergelijkend onderzoek over te gaan, een subjectief recht van verzoeker hebben geschonden.
Het in artikel 29 voorgeschreven onderzoek behoort zeker niet door de een of andere administratieve instantie, doch door het tot aanstelling bevoegd gezag te worden verricht. Ik meen echter dat dit in casu ook is geschied. Ik verwijs daartoe naar de brief van de voorzitter van het Parlement van 20 december 1973, die als bijlage 10 bij het beroepschrift gevoegd is.
Voorts kan volgens artikel 29 van het Statuut niet worden verlangd dat er naast het besluit tot uitschrijving van een vergelijkend onderzoek ook een met redenen omkleed formeel besluit inzake de bestaande mogelijkheden tot bevordering wordt genomen. Daarbij kan men dezelfde gezichtspunten doen gelden die het volgens de jurisprudentie overbodig maken aan te geven waarom bepaalde kandidaten wel en anderen niet voor bevordering in aanmerking zijn gebracht. De goede reputatie van sollicitanten kan namelijk van het uitdrukkelijk formuleren van een negatieve beoordeling te lijden hebben.
Veel moeilijker is daarentegen de vraag hoe het volgens artikel 29, lid 1, verplichte onderzoek der bevorderingsmogelijkheden moet worden opgevat; of van een wél bestaande mogelijkheid ook gebruik moet worden gemaakt dan wel of het tot aanstelling bevoegd gezag de vrijheid heeft zulks niet te doen, bij voorbeeld omdat het met het oog op de vervulling der vacatures over een ruimere keus wil beschikken.
De vroegere Franse Advocaat-Generaal Lagrange heeft, wat dit betreft, in zijn conclusie in de zaak 15-63 (arrest van 4 maart 1964, Claude Lasalle t. Europees Parlement, Jurispr. 1964, blz. 94) uit artikel 4 van het Statuut, waarin de termen bevordering en benoeming tegenover elkander worden gesteld, het beginsel afgeleid dat het tot aanstelling bevoegd gezag, alvorens elders te gaan zoeken, allereerst op de „eigen reserve”, dat wil zeggen de reeds tot de dienst behorende ambtenaren, moet terugvallen. In dezelfde zin ook Eulers die in zijn commentaar op het Europees ambtenarenstatuut schrijft dat „die Besetzungsmöglichkeiten jedes nachfolgenden Ranges nur geprüft werden dürfen, wenn die Prüfung derjenigen des vorangehenden Ranges zu dem Ergebnis geführt hat, daß auf dessen Weise die Dauerplanstelle nicht erfolgversprechend besetzt werden kann” (bij artikel 29, blz. 256). Deze opvattingen zijn, bezien tegen de achtergrond van de algehele systematiek van het Statuut, ook alleszins begrijpelijk. De carrières zijn praktisch tot één salarisgroep beperkt en toegang tot een hogere salarisgroep verkrijgt men alleen door bevordering, anders gezegd: niet zonder moeilijkheden. Er is dan ook iets voo'. te zeggen dat het beginsel dat ambtenaren van de Gemeenschappen voorgaan, een zekere compensatie moet bieden waar de carrièremogelijkheden reeds zo beperkt zijn dat gegadigden stellig kunnen worden afgeschrikt.
Op grond van zulke overwegingen zou men het tot aanstelling bevoegd gezag verplicht kunnen achten de belangen dergenen die in beginsel op bevordering mogen rekenen, bijzonder ernstig te nemen. Het komt mij echter hoogst bedenkelijk voor wanneer men in artikel 29 zodra bevordering mogelijk is ook een plicht tot bevordering besloten wil achten, dat wil zeggen zodra de daartoe in artikel 45 gestelde voorwaarden zijn vervuld en betrokkene voor de post geschikt is te achten. Juist uit de jongste jurisprudentie inzake ambtenarengeschillen mag worden afgeleid dat bij de uitlegging van het Statuut allereerst op de tekst moet worden gelet. Doet men dat, dan dient te worden erkend dat men, wanneer zulks de bedoeling mocht zijn geweest, in artikel 29 ook met zoveel woorden een plicht tot bevordering zou hebben omschreven en niet slechts zou hebben gesproken van een verplichting de bevorderingsmogelijkheden te onderzoeken.
Ik ben dan ook van mening dat het vergaande standpunt van verzoeker in het Statuut geen steun vindt. Hoogstens mag men — overeenkomstig het uitgangspunt van Lagrange en Euler — bij de toepassing van artikel 29, lid 1, verlangen dat het voorgeschreven onderzoek uiterst zorgvuldig geschiedt en dat daarbij op alle belangen van in beginsel voor bevordering in aanmerking komende personen wordt gelet. Maar dan mag tot toepassing van artikel 29, lid 1, sub b), niet alleen worden overgegaan wanneer voor de post geschikte ambtenaren — die voor bevordering in aanmerking kunnen worden gebracht — ontbreken, doch ook wanneer daarvoor andere zakelijke gronden die ten processe eventueel dienen te worden gestaafd, kunnen worden aangevoerd.
In casu heeft het Parlement op vragen van de Kamer verklaard dat er nadat de vacature voor het eerst was opengesteld, 25 sollicitaties waren ingekomen. Vijf sollicitanten, waaronder verzoeker, hadden volgens de directeur Personeelszaken kunnen worden bevorderd, maar bij nader onderzoek zou zijn gebleken dat zich onder de kandidaten een aantal andere ambtenaren bevonden die op grond van hun „papieren” en bekwaamheden geschikt voor de te vervullen vacature konden worden geacht. En enkele andere kandidaten zouden over enkele maanden voor bevordering in aanmerking zijn gekomen. In die situatie had het tot aanstelling bevoegd gezag geconcludeerd dat men alvorens tot benoemingen over te gaan over een ruimere keuzemogelijkheid diende te beschikken, zodat tot een vergelijkend onderzoek was besloten. Het ging het tot aanstelling bevoegd gezag vooral om een zorgvuldige vergelijking van de kwaliteiten van alle kandidaten en daarmede ook om de belangen van alle in beginsel voor bevordering in aanmerking komende personen. Volgens het Statuut dat geen verdere etappes kent, was toen alleen een intern vergelijkend onderzoek ex artikel 29, sub b), mogelijk, waartoe evenwel ook tijdelijke functionarissen moesten worden toegelaten — men moge dit bedenkelijk achten, op grond van 's Hofs jurisprudentie is er niet aan te ontkomen —.
Ik zie dan ook geen grond voor het verwijt dat het tot aanstelling bevoegd gezag artikel 29, lid 1, zou hebben geschonden en geen aanleiding om het uitschrijven van het vergelijkend onderzoek onrechtmatig te verklaren.
b)
Wij zullen dus thans hebben te spreken over de volgende vraag, namelijk of het vergelijkend onderzoek zo correct heeft plaatsgehad dat de op grond daarvan opgestelde lijst van geschikte kandidaten, waarop het tot aanstelling bevoegd gezag bij de vervulling van de posten is afgegaan, zich niet voor kritiek leent.
Verzoeker heeft er evenwel zoveel op aan te merken dat ik meen aan mijn bespreking enkele algemene opmerkingen te moeten laten voorafgaan.
Het lijdt voor mij geen twijfel dat de werkzaamheden van een jury, voor zover de beoordeling der kandidaten betreffende, door het Hof van Justitie niet volledig kunnen worden nagegaan. Dat is uitgesloten, omdat de jury reeds blijkens artikel 5 van bijlage III van het Statuut bij het onderzoek over een zekere discretionaire bevoegdheid beschikt en zal moeten komen tot een aantal beoordelingen waarvoor het Hof van Justitie zijn eigen waardering niet in de plaats mag stellen. In gevallen als het onderhavige moet het Hof van Justitie zich er dan ook principieel toe beperken na te gaan of het onderzoek volgens de voorschriften heeft plaats gehad en, vooral, of het beginsel dat allen dezelfde kansen dienen te krijgen, is nageleefd. Ook mag erop worden gelet of de jury gezichtspunten die voor het onderzoek irrelevant zijn te achten in zijn overwegingen heeft betrokken dan wel aspecten van onmiskenbaar belang buiten beschouwing heeft gelaten. Verder mag men zich dan alleen nog maar afvragen of van kennelijk onjuiste beoordelingen dan wel van willekeur bij de uitoefening der discretionaire bevoegdheden is gebleken. — Bij onze bespreking naar verzoekers grieven zullen wij in de eerste plaats moeten ingaan op de vraag of het vergelijkend onderzoek is verricht door een regulier samengestelde jury. — Verzoeker heeft er aanvankelijk bezwaar tegen gemaakt dat de leden van de jury door de secretaris-generaal van het Parlement zijn benoemd en niet — zoals in het besluit van het Parlement van 12 december 1962 is voorzien —, door de voorzitter als het volgens artikel 2 van het Statuut tot aanstelling bevoegd gezag. Het Parlement heeft echter aangetoond dat ingevolge een nieuw, krachtens artikel 2 van het Statuut genomen besluit van 7 en 8 oktober 1971 de secretaris-generaal ten deze inderdaad bevoegd is en verzoeker heeft er toen aanmerking op gemaakt dat dat besluit niet was gepubliceerd; bij gebreke vandien zou het geen effect zijn gaan sorteren, zodat ook de op grond ervan genomen besluiten niet rechtsgeldig zouden zijn.
Ik acht het, zonder daarop thans verder te willen ingaan, dubieus of besluiten waarbij bepaalde administratieve diensten tot bepaalde handelingen worden gemachtigd, moeten worden gepubliceerd, ook wanneer het daarbij niet om „regelgevende” bevoegdheden gaat. Wat betreft de aanwijzing van het statutair tot aanstelling bevoegde gezag kan men de indruk verkrijgen dat zulke maatregelen tot „verdeling der werkzaamheden binnen de diensten” (zoals zij in de op 30 mei 1973 in de zaken 46-72 en 49-72 gewezen arresten R. de Greef en G. Drescig t. Commissie, Jurispr. 1973, blz. 543 en 565, zijn genoemd), willen zij effect gaan sorteren, alleen maar aan de belangrijkste diensten en aan de vertegenwoordiging van het personeel behoeven te zijn medegedeeld — en men mag het ervoor houden dat zulks op het Parlement ook is gebeurd —. Wie publikatie noodzakelijk acht, dient zich dan verder af te vragen of het daarbij gaat om een zo wezenlijk vormvoorschrift dat niet-inachtneming de krachtens zodanige machtiging verrichte handelingen onrechtmatig maakt. Maar ik behoef ook daarop niet verder in te gaan, omdat mijns inziens in casu een andere overweging de doorslag geeft. Zelfs wanneer men zover zou willen gaan het delegeren van bevoegdheden aan de secretaris-generaal nietig te achten en hem in zoverre dus onbevoegd zou willen verklaren, blijft onverminderd van kracht hetgeen het Hof van Justitie in voormelde jurisprudentie heeft overwogen met betrekking tot de nietigheid van handelingen die met niet-inachtneming van de bevoegdheidsregels van artikel 2 van het Statuut werden verricht. Het Hof wil dan namelijk van nietigheid alleen weten wanneer het gevaar mocht ontstaan dat via afwijking van de bevoegdheidsregels een der waarborgen die de ambtenaren in het Statuut worden gegeven dan wel de voorschriften nopens een behoorlijk personeelsbeleid zouden worden geschonden. Daarvan kan echter bij samenstelling van een jury door de secretaris-generaal bezwaarlijk worden gesproken, vooral omdat men het ervoor mag houden dat wanneer de voorzitter van het Parlement te dien aanzien bevoegd is, de voorstellen van de secretaris-generaal in de regel worden overgenomen.
Wat betreft de door de jury in aanmerking genomen gegevens: verzoeker maakt er bezwaar tegen dat men, behalve op de periodieke beoordelingsrapporten ex artikel 43 van het Statuut, ook op gegevens heeft gelet die men elders dan in de Gemeenschappen heeft ingewonnen, bij voorbeeld op getuigschriften van industriële ondernemingen.
Verzoeker die kennelijk uitgaat van artikel 45, het voorschrift betreffende de bevorderingen, vergeet dat wij hier met een vergelijkend onderzoek op grond van schriftelijke bewijsstukken te maken hebben. Daarbij mag uiteraard acht worden geslagen op allerlei stukken die uitsluitsel geven over de bekwaamheid van de kandidaten, zodat men zich daarbij niet behoeft te beperken tot hetgeen zich binnen de Gemeenschappen afspeelt.
Voorts kon het weliswaar te denken geven dat de voorzitter der jury, ten deze gehoord, heeft opgemerkt dat men zich in vergaande mate had gehouden aan het voor andere vergelijkende onderzoeken geldende schema; de in verband hiermede rijzende bezwaren werden echter ontzenuwd toen wij alsnog mochten vernemen dat men ook had gewerkt met specifieke, op de vervulling van de onderhavige posten toegesneden criteria, zoals die in het rapport van de jury onder de nummers 6, 7, 8, 9 en 10 zijn genoemd. Uit een en ander krijgt men de indruk dat de jury niet buiten het kader van zijn discretionaire bevoegdheden is getreden en dat er in ieder geval niet van een — ten deze alleen relevante — kennelijk willekeurige redactie der examencondities kan worden gesproken.
Verzoeker maakt voorts bezwaar tegen de wijze waarop de jury zich een oordeel gevormd heeft over de kennis der talen (criterium 11) en over de „connaissance très approfondie de la structure et du fonctionnement des Communautés européennes et de leurs institutions, notamment du Parlement, ainsi que des traités et de la législation communautaire” (criterium 12). Men zou zich daarbij van een mondeling examen hebben bediend, terwijl in de aankondiging van de vacature slechts werd gesproken van een onderzoek der schriftelijke bewijsstukken en een gesprek.
Van de voorzitter van de jury mochten wij ten verhore vernemen dat bij het onderhoud met de betrokkenen de gespreksvorm in acht is genomen. De jury heeft alleen de gegevens inzake de talenkennis die waren vervat in de rapporten ex artikel 43 van het Statuut en in de opgaven der kandidaten zelf, even willen verifiëren en via enkele in hoofdzaak gelijksoortige vragen over onderwerpen betreffende het Gemeenschapsrecht een indruk willen krijgen van hun vaardigheid. Ook dit ontmoet bij mij geen bezwaar. In de kennisgeving der vacature waren namelijk deze beide onderdelen genoemd als voorwaarden waaraan door de kandidaten moest worden voldaan. Omdat het persoonsdossier te dien aanzien geen objectieve gegevens bevat, zat er niets anders op dan de desbetreffende opgaven in het eveneens voorgeschreven gesprek te toetsen. Dat men daarbij wat het tweede punt betreft, de pretentieuze redactie van de kennisgeving der vacatures geen recht kon doen wedervaren, moge als een tekortkoming worden beschouwd; voor de beoordeling is het niet van groot belang, en wol om de eenvoudige reden dat hetzelfde ook voor alle andere kandidaten gold, zodat zij een zelfde kans hebben gehad.
Staan wij vervolgens iets langer stil bij bepaalde criteria — om ook in zoverre een onderzoek te kunnen instellen naar de grieven van verzoeker —, dan kom ik — nog steeds in het bestek van de te onzer beschikking staande beperkte mogelijkheden — tot de volgende conclusies:
Dat van de anciënniteit in de categorie A casu quo LA en van die in de carrière A 4/5 casu quo LA 4/5 slechts tien jaren in aanmerking zijn genomen en dat de jury mede acht geslagen heeft op de leeftijd der kandidaten, is mijns inziens niet zonder meer onjuist. — Wat het eerste punt betreft: ik meen dat deze kwestie voldoende tot klaarheid is gebracht door de toelichting dat voor posten als in de kennisgevingen bedoeld in de regel slechts op ervaringen van zo beperkte duur wordt afgegaan. Daarbij komt anderzijds het begrijpelijk streven het belang van zulke automatisch werkende criteria te beperken ten einde de belangen van jongere kandidaten recht te doen wedervaren. — Ten aanzien van het tweede punt kan men voorts de overweging doen gelden dat aldus de factor „algemene levenservaring” mede tot zijn recht kan komen.
Ook de getuigenverklaringen inzake de waarde van universiteitsdiploma's waren mijns inziens aanvaardbaar. Gezien de verklaringen lijdt het voor mij geen twijfel dat er in ieder geval bij de beoordeling van verzoekers titels geen fouten zijn begaan.
Evenmin zie ik grond voor kritiek op de waardering der ingevolge artikel 43 van het Statuut uitgebrachte rapporten of zelfs op de procedure die men bij gebreke van die rapporten heeft gevolgd. In zoverre is mijns inziens terecht van de gegevens waarop in de plaats van die rapporten is afgegaan (jarenlange werk zaamheid op secretariaten der fracties) en van een gemiddeld waarderingscijfer gebruik gemaakt, nog daargelaten dat bedoelde gevallen buiten beschouwing kunnen blijven omdat de desbetreffende kandidaten niet op de lijst van geschikte kandidaten zijn geplaatst.
Eveneens acht ik aanvaardbaar hetgeen door de getuige werd verklaard met betrekking tot criterium nr. 8, volgens hetwelke „expérience ou activités antérieures présentant une analogie ou constituant une préparation aux fonctions correspondant aux emplois à pouvoir” in aanmerking worden genomen. Het is vooral van belang dat ervaring die men in dienst van het Parlement zelf heeft opgedaan, niet buiten beschouwing blijft. Wanneer de verklaringen der getuigen juist zijn — en er bestaat geen aanleiding ze in twijfel te trekken —, dan werd die ervaring in ander verband, en wel in verband met de criteria 7, 8 en 10, in aanmerking genomen.
Ten slotte werden er in het algemeen ook overtuigende verklaringen afgegeven met betrekking tot de zojuist genoemde criteria 9 en 10, volgens welke het aan kwam op „capacité de diriger une équipe de personnel de haut niveau” en de „qualité d'organisation et de méthodes”.
De jury is in zoverre kennelijk afgegaan op de gegevens die te vinden waren in volgens artikel 43 van het Statuut opgemaakte rapporten en op andere stukken uit het persoonsdossier die betrekking hadden op binnen de Gemeenschap verrichte werkzaamheden, en wel met name op werk verricht op commissie-secretariaten, en in bijlagen betreffende vroegere arbeid, elders dan in de Gemeenschap verricht, waaraan gelijkluidende conclusies mochten worden verbonden.
Ik kom dus tot de slotsom dat er van ernstige kritiek op de werkzaamheden van de jury eigenlijk geen sprake kan zijn. Alleen gevoel ik mij op twee punten niet geheel bevredigd. Zij mogen niet onvermeld blijven.
Ik bedoel niet dat het wellicht juister zou zijn geweest indien men bij de beoordeling van de diensttijd ook de gehele diensttijd in dier voege in aanmerking had genomen dat men de ertoe behorende perioden alle even zwaar had doen wegen, en riet slechts op de hierbedoelde tien jaren had gelet. Veeleer gaat het er mij om dat men verzoekers specifieke ervaring, in de commissie-dienst opgedaan, juister gezegd: zijn in feite ad interim vervulde diensttijd, onvoldoende recht heeft doen wedervaren; anders zou hij volgens de getuigen voor dat arbeidsterrein een waardering hebben gekregen die in een of twee punten meer tot uitdrukking zou zijn gekomen. En ik bedoel anderzijds dat mag worden betwijfeld of aan de verschillende criteria wel het juiste gewicht is toegekend, waarbij ik met name denk aan de invloed die van de waardering van het korte gesprek is uitgegaan.
Men mag zich evenwel afvragen of er in zoverre bij de beoordeling werkelijk in her oog lopende fouten zijn gemaakt van zodanige ernst dat het Hof er rekening mee moet houden. Men krijgt ook de indruk dat correcties waarschijnlijk niet tot noemenswaarde wijzigingen van de lijst van geschikte kandidaten zouden leiden; volgens die lijst waren aan de wel benoemde kandidaten 661/2 en 751/2 punten toegekend en aan verzoeker slechts 60 punten. Wanneer men dit voor ogen houdt en voorts bedenkt dat het tot aanstelling bevoegd gezag bij het bepalen van zijn keuze uit de lijst toch steeds over enige speelruimte beschikt (vgl. arrest 62-65 van 15 december 1966, Manlio Serio t. Commissie, Jurispr. 1966, blz. 807), binnen welke speelruimte wellicht ook vragen van nationale proportionaliteit een rol kunnen spelen, dan mag over genoemde bezwaren worden heengestapt.
Mijn conclusie luidt dat bij het vergelijkend onderzeok niet is gebleken van fouten die tot nietigverklaring van dat onderzoek — en dus ook van de daarop berustende benoemingsbesluiten — kunnen leiden.
Ik geef het Hof dus in overweging de heer Küster in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren voor zover hij het Parlement tot betaling van een aanvullende toelage krachtens artikel 7, lid 2, van het Statuut wenst te zien veroordeeld en vastgesteld dat het Parlement hem ten onrechte niet heeft bevestigd dat hij de post van hoofd der Commissie voor Milieubeheer en Volksgezondheid in feite ad interim heeft vervuld, de vordering voor het overige ongegrond te verklaren en overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering uitspraak te doen over de kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy