CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 12 DECEMBER 1974 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Op 20 december 1972 verscheen bij het secretariaat-generaal van het Europese Parlement aankondiging van vacature nr. 707 voor drie reviseursposten in de loopbaan L/A 5-4 (Bijlage 1 bij het verzoekschrift). Deze posten zouden per 1 januari 1973 vrijkomen bij de Nederlandse sectie van de vertaaldienst van het Parlement. Volgens de aankondiging had de Voorzitter van het Parlement (als tot aanstelling bevoegd gezag) besloten ter voorziening in de vacature eerst de mogelijkheden tot bevordering of overplaatsing te onderzoeken. Daartoe werd het personeel van het secretariaat-generaal uitgenodigd te solliciteren en wel schriftelijk en in tweevoud.
Tien sollicitaties kwamen binnen en op 17 januari 1973 zond de Directeur-generaal Administratie, Personeel en Financiën de lijst met namen aan de betrokken directeur, de heer Bruch, vergezeld van een nota inhoudende dat geen der sollicitanten in aanmerking kwam voor overplaatsing, doch dat acht hunner — waaronder de heer De Dapper, huidig verzoeker — wel in aanmerking kwamen voor bevordering. Alle acht waren vertalers met de rang L/A 5 in de loopbaan L/A 6-5.
Op 25 januari 1973 berichtte de heer Bruch de Directeur-generaal (Bijlage 2 bij het verzoekschrift) dat de directeur van de vertaaldienst en het hoofd van de Nederlandse sectie te zamen met de reviseurs van die sectie de betrokken sollicitaties zeer zorgvuldig hadden bestudeerd en tot de conclusie waren gekomen dat na enkele bestudering van de persoonsdossiers der kandidaten bij geen van hen was gebleken van zo duidelijke bekwaamheden dat „zonder aarzeling” drie hunner voor bevordering konden worden voorgedragen. De heer Bruch stelde daarop voor — in overleg met de directeur van de vertaaldienst en het hoofd van de Nederlandse sectie — het tot aanstelling bevoegde gezag te adviseren een intern vergelijkend onderzoek op de grondslag van een examen te houden.
Het tot aanstelling bevoegde gezag was echter gekant tegen een dergelijk onderzoek en verzocht toch te trachten uit de kandidaten een keuze te doen, opdat in de posten zo mogelijk door bevordering kon worden voorzien.
Daarop beraadden het hoofd van de Nederlandse sectie en zijn drie oudste reviseurs zich opnieuw over de respectieve verdiensten der kandidaten. Ten slotte besloten zij eenstemmig drie — waaronder niet verzoeker — aan te bevelen voor bevordering.
Een door het hoofd van de Nederlandse sectie en zijn drie oudste reviseurs ondertekende nota met de aanbevelingen (Bijlage 4 bij het verzoekschrift) werd door de heer Bruch met een begeleidende nota van 9 mei 1973 (Bijlage 3 bij het verzoekschrift) aan de Directeur-generaal doorgezonden. In de begeleidende nota verklaarde de heer Bruch dat de directeur van de vertaaldienst met de aanbevelingen instemde en dat bij het opstellen der aanbevelingen tevens rekening was gehouden met de anciënniteit en de beoordelingsrapporten der kandidaten.
Op 21 mei 1973 besloot het tot aanstelling bevoegde gezag de drie aanbevolen kandidaten te bevorderen tot reviseur met de rang L/A 5 in de loopbaan L/A 5-4. Het besluit werd bekendgemaakt op 9 augustus 1973.
Op 5 november 1973 diende verzoeker bij het tot aanstelling bevoegde gezag tegen dit besluit een klacht in (Bijlage 5 bij het verzoekschrift) overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren. Toen deze klacht door het tot aanstelling bevoegde gezag bij brief van 14 februari 1974 (Bijlage 6 bij het verzoekschrift) werd verworpen, stelde verzoeker het onderhavige beroep in bij het Hof.
Verzoeker betwist de geldigheid van het besluit op verschillende gronden.
Een daarvan brengt naar mijn mening mede dat verzoeker in het gelijk moet worden gesteld.
Zoals bekend, luidt artikel 43 van het Statuut als volgt:
„Op de door elke instelling overeenkomstig artikel 110 vastgestelde wijze wordt van iedere ambtenaar, met uitzondering van de ambtenaren in de rangen A 1 en A 2, ten minste om de twee jaar een periodiek beoordelingsrapport opgesteld inzake diens bekwaamheid, prestaties en gedrag in dienst.
Dit rapport wordt ter kennis van de ambtenaar gebracht. Deze heeft de bevoegdheid hieraan alle opmerkingen toe te voegen die hij dienstig acht.”
In de door het Parlement ingevolge artikel 110 vastgestelde uitvoeringsbepalingen — voor zover hier van belang — wordt voorgeschreven dat de beoordelingsrapporten om de twee jaar moeten worden uitgebracht en dat de eerste beoordeling van een ambtenaar binnen twee jaar na zijn aanstelling in vaste dienst moet worden opgesteld (Bijlage 1 bij de repliek).
Artikel 45 van het Statuut bepaalt onder andere:
„Bevordering geschiedt uitsluitend bij keuze uit die ambtenaren welke reeds een minimumdiensttijd in hun rang hebben, na een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken.”
Het Hof werd bij de mondelinge behandeling enigszins in het onzekere gelaten omtrent de vraag welke stukken de ambtenaren die in mei 1973 de aanbevelingen uitbrachten, destijds eigenlijk ter beschikking hadden. Verweerder verklaarde — en verzoeker heeft dit uiteindelijk niet weersproken — dat deze ambtenaren beschikten over de persoonsdossiers van de kandidaten. Het staat niet vast of zij ook afschriften van de sollicitatiebrieven der kandidaten hadden, en of deze brieven relevante gegevens bevatten die niet anderszins uit de dossiers bleken. Ik zal U echter niet ophouden met een bespreking van het bewijsmateriaal dienaangaande, want één ding staat wel vast, namelijk dat de betrokken ambtenaren niet beschikten over recente beoordelingsrapporten over verzoeker en enkele andere kandidaten. Verweerder heeft dit bij de mondelinge behandeling ook wel toegegeven, daarbij echter opmerkend dat de voorbereiding der betrokken rapporten destijds voldoende was gevorderd om deze in aanmerking te kunnen nemen — naar mijn mening een opzienbarende verklaring in het licht van 's Hofs rechtspraak.
Het Hof beschikt over verzoekers laatste beoordelingsrapport (Bijlage 2 bij de repliek), dat is ondertekend op 21 december 1973. Uit zijn persoonsdossier —-waarover het Hof eveneens beschikt — blijkt dat hij in januari 1967 in vaste dienst is aangesteld, zodat het rapport elf maanden over tijd was. Volgens verweerder moest de vertraging worden toegeschreven aan moeilijkheden in verband met de uitbreiding der Gemeenschappen en de daarmee samenhangende aanwerving van nieuw personeel.
Ik twijfel er niet aan dat dergelijke moeilijkheden zich hebben voorgedaan, en zij verklaren wellicht waarom verzoekers beoordelingsrapport niet naar behoren in januari gereed was, maar ik wil toch opmerken — wederom aan de hand van verzoekers dossier — dat zijn vorige beoordelingsrapporten (van 1969 en 1971) ook al vrij laat, ofschoon niet in die mate, waren uitgebracht. Aangenomen dat die moeilijkheden een rechtsgeldig excuus vormden, dan ben ik toch van mening dat zij in mei hadden moeten zijn opgelost. Geen enkel argument is aangevoerd voor het tegendeel.
Het Hof heeft duidelijk uitgesproken dat artikel 45 een scrupuleus onderzoek van de dossiers der kandidaten verlangt, en in het bijzonder van hun beoordelingsrapporten, om te waarborgen dat de ruime beoordelingsbevoegdheid die het artikel verleent met volledige kennis van zaken wordt uitgeoefend — zie zaken 27-63, Raponi (Jurispr. 1964, blz. 263), 94 en 96-63, Bernusset (Jurispr. 1964, blz. 639) en 97-63, De Pascale (Jurispr. 1964, blz. 1061). In een recentere uitspraak overwoog het Hof dat de in artikel 43 aan de ambtenaar toegekende bevoegdheid aan de beoordelingsrapporten opmerkingen toe te voegen, voordat zij voor enig doel worden gerespecteerd — zie zaak 21-70, Rittweger (Jurispr. 1971, blz. 18) en de conclusie van Advocaat-Generaal Dutheillet de Lamothe in deze zaak (Jurispr. 1971, blz. 21). Het ware dus onjuist geweest met verzoekers beoordelingsrapport van 1973 rekening te houden nog voordat het was ondertekend.
Volgens verweerder vereist artikel 45 niet dat rekening wordt gehouden met beoordelingsrapporten over een bepaalde periode, en doet het daarom niet ter zake dat in casu het meest recente rapport over verzoeker van 1971 dateerde. Ik meen dat alleen het uitspreken van deze bewering al voldoende is om haar af te wijzen. Artikel 43 schrijft voor dat „ten minste om de twee jaar” een rapport wordt opgesteld en artikel 45 bepaalt dat hiermede rekening moet worden gehouden.
Mijns inziens moeten de onderhavige bevorderingen dan ook worden nietigverklaard.
Dit in aanmerking genomen, wil ik slechts zeer in het kort ingaan op verzoekers overige grieven.
In de eerste plaats betoogt verzoeker dat volgens artikel 45 bevordering „voor de betrokken ambtenaar aanstelling medebrengt in de eerstvolgende hogere rang van de categorie of groep waartoe hij behoort”, doch dat niettemin de drie in casu bevorderde ambtenaren dezelfde rang behielden als tevoren.
Verweerder werpt mijns inziens terecht tegen dat deze grief geen steek houdt. Zelfs al zou artikel 45 op dit punt eng moeten worden opgevat, dan nog is geen inbreuk gemaakt op zijn rechten. Hoe dit ook zij, ik meen dat uitlegging van artikel 45 niet mogelijk is zonder verwijzing naar bijlage I van het Statuut, dat het verband aangeeft tussen de standaardfuncties en loopbanen in elke categorie en dienst. Bij bestudering van deze bijlage ziet men een aantal gevallen waarop loopbanen elkaar overlappen. De loopbanen bij voorbeeld waarom het in deze zaak gaat, die van „Reviseur” en van „Vertaler”, overlappen elkaar in de rang L/A 5. Zo ook de loopbanen „Hoofd van de vertaalafdeling” en „Reviseur” in de rang L/A 4. Eveneens zijn verschillende voorbeelden hiervan te vinden bij de loopbanen van het personeel der ontwerpbureaus en het werkplaatspersoneel van Euratom. Zonder enige twijfel vormt aanstelling van een ambtenaar in een hogere loopbaan, bij voorbeeld benoeming van een vertaler tot reviseur, „bevordering” in de gewone zin van het woord. Moet nu worden aangenomen dat bij een vertaler in de rang L/A 5 niet van „bevordering” in de zin van artikel 45 kan worden gesproken, tenzij hij wordt benoemd in de rang L/A 4? Volgens mij niet, want dat zou betekenen dat het tot aanstelling bevoegde gezag bij een vertaler in die rang staat voor de keuze om hem helemaal niet te bevorderen, of bij zijn bevordering reeds aanwezige reviseurs in de rang L/A 5 te passeren. Ik kan niet aannemen dat de auteurs van het Statuut iets dergelijks werkelijk hebben bedoeld. Mijns inziens moet hier het beginsel worden toegepast dat is gehanteerd in de uitspraak van het Hogerhuis in de zaak Luke t. C.I.R. (1963) A.C. 557, namelijk dat een wetsbepaling niet naar de letter moet worden toegepast wanneer dit zou neerkomen op „terzijdestelling van de kennelijke bedoeling van de wet en tot totaal onredelijke resultaten zou leiden” (aldus Lord Reid op blz. 577).
Verzoeker heeft betoogd dat bij de drie betrokken ambtenaren niet zozeer sprake was van „bevordering” als wel van „overplaatsing”, doch dat kan volgens mij niet juist zijn. Ik meen dat „overplaatsing” in het Statuut wil zeggen overplaatsing naar een andere post in dezelfde loopbaan, omdat hiervoor geen keuzeprocedure is voorgeschreven.
Een andere grief van verzoeker luidt dat de ambtenaren die in casu de aanbevelingen voor het tot aanstelling bevoegd gezag hebben opgesteld, eenvoudig de drie kandidaten met de langste diensttijd hebben genomen, tegen wie niet een of andere uitsluitingsgrond was aan te voeren. Verzoeker vraagt het Hof dit af te leiden uit de inhoud van de nota van de heer Bruch van 9 mei 1973, mede in verband met de onzekerheid of deze ambtenaren over afschriften van de sollicitatiebrieven van de kandidaten beschikten. Uit de nota van de heer Bruch kan ik deze conclusie niet zonder meer trekken. Ik leid daaruit af dat volkomen terecht rekening is gehouden met anciënniteit als een der relevante factoren. Het ontbreken van de sollicitatiebrieven — aangenomen dat wordt bewezen dat verzoeker op dit punt gelijk heeft — zou ons naar mijn mening in dit opzicht niet verder brengen.
Ten slotte betoogt verzoeker dat het tot aanstelling bevoegde gezag zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheid door het aanvankelijk gegeven advies om een intern vergelijkend onderzoek te houden af te wijzen en te vragen alsnog te trachten kandidaten bij keuze aan te wijzen voor bevordering. Ik acht deze bewering onjuist omdat zij erop neerkomt dat het tot aanstelling bevoegde gezag — dat rechtens de beslissing moet nemen — gebonden zou zijn aan de mening van zijn eigen ambtenaren.
Wat de kosten betreft: wanneer het Hof mijn mening over de zaak ten gronde deelt, slaagt verzoeker in zijn beroep en zou hij gerechtigd zijn tot vergoeding van de kosten. Weliswaar hebben zijn grieven op een uitzondering na gefaald, doch ik meen niet dat de vergeefs voorgestelde grieven van dien aard waren dat hij kosten zal hebben te dragen. Bijgevolg concludeer ik dat verweerder dient te worden verwezen in de kosten van het geding.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy