CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 23 OKTOBER 1974 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Inleiding
Het belang van de rol die de vennootschappen in het economisch leven spe len, behoeft geen nader betoog, evenmin als de plaats die zij in de werking van de gemeenschappelijke markt moeten innemen.
Daarom ook zijn de regels van het Verdrag van Rome met betrekking tot zowel het recht van vestiging als het vrij verrichten van diensten mede op vennootschappen van toepassing, krachtens het beginsel van artikel 58 dat de vennootschappen welke in overeenstemming met de wetgeving van een Lid-Staat zijn opgericht en welke hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Gemeenschap hebben, voor de toepassing dier regels worden gelijkgesteld met de natuurlijke personen die onderdaan zijn van de Lid-Staten.
Eveneens daarom bevat artikel 54, lid 3, dat de Raad respectievelijk de Commissie de bevoegdheid verleent bepaalde richtlijnen te geven, sub g een bepaling waarbij hun wordt opgedragen voor zover nodig de waarborgen te coördineren welke in de Lid-Staten van de rechtspersonen worden verlangd om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers daarin als van derden, ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken.
Op basis van deze bepaling stelde de Raad op 9 maart 1968 een eerste richtlijn vast met een overigens beperkte doelstelling: zij heeft slechts betrekking op de vennootschappen op aandelen en de vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, en regelt slechts drie onderwerpen:
1.
de openbaarmaking van de oprichtingsakten, statutenwijzigingen en bepaalde stukken inzake de financiële rekening en verantwoording;
2.
de rechtsgeldigheid van de verbintenissen der vennootschap;
3.
de nietigheid van vennootschappen.
Van deze drie onderwerpen gaat het in de onderhavige zaak om de rechtsgeldigheid van de verbintenissen der vennootschap en de bevoegdheden van haar organen. Het belang zowel van derden als van de deelnemers wordt rechtstreeks geraakt. En ongetwijfeld is het belang der deelnemers tegengesteld aan dat van derden.
De deelnemers trachten zich van hun kant vooral te beschermen tegen een te grote bevoegdheid van de organen der vennootschap. Zij genieten deze bescher ming zolang de vennootschap niet wordt gebonden bij onrechtmatig optreden van haar organen of bij overschrijding van de hun statutair dan wel bij besluit van de algemene vergadering gegeven bevoegdheden.
Daarentegen verlangt de bescherming van derden dat de vennootschap zich niet — met een beroep op de onrechtmatigheid van een besluit van haar vertegenwoordiger(s) of op de overschrijding van hun bevoegdheid — onttrekt aan verplichtingen die uit handelingen dier vertegenwoordigers voortvloeien.
Derden moeten zich op de opgewekte schijn kunnen verlaten en daarbij de zekerheid hebben dat, bij onderhandelingen met een of meer als wettige vertegenwoordigers der vennootschap gemachtigde personen, de met deze(n) gesloten overeenkomst aan de vennootschap zelf kan worden tegengeworpen.
De nationale wetten van de zes Staten die destijds lid waren van de Europese Economische Gemeenschap, regelden deze problematiek echter niet en brachten rechtstechnisch evenmin het noodzakelijke evenwicht tussen deze tegengestelde belangen van de deelnemers en derden tot stand, met name wat betreft de wijze van openbaarmaking. Een feit is dat de oplossing van een dergelijk probleem samenhangt met de economische en sociale omstandigheden in iedere Staat en dat het evenwicht tussen die tegengestelde belangen ook in tijd wisselt naar gelang van de ontwikkeling van de handelsbetrekkingen en de kredietstructuur.
Terecht is opgemerkt dat sedert een jaar of dertig in Frankrijk, Italië en Duitsland krachtigere maatregelen ter bescherming van derden zijn genomen, terwijl bij voorbeeld in de Benelux-landen het rechtsstelsel in het algemeen gunstiger is gebleven voor de deelnemers. Eveneens heeft de in de loop der jaren meer en meer verfijnde rechtspraak in de verschillende landen, in een algemeen streven derden te goeder trouw te beschermen, bepaalde divergenties aanmerkelijk verkleind.
Het lijdt geen twijfel dat openbaarmaking een doeltreffend middel is om het belangenconflict tussen deelnemers en derden te verzachten, met name als het gaat om openbaarmaking van benoemingen, het aftreden of de afzetting van organen evenals van statutaire bepalingen inzake hun bevoegdheden.
Maar omgekeerd mag de vennootschap dergelijke publikaties voorhouden aan derden, voor wie deze informatie normaal toegankelijk is.
De richtlijn van 9 maart 1968 stelt in artikel 2, lid 1, sub d, eerste zin, de openbaarmaking verplicht van de benoeming, het aftreden en de identiteit van de personen die, als orgaan waarin de wet voorziet of als leden van een dergelijk orgaan, de bevoegdheid hebben de vennootschap ten opzichte van derden te verbinden en haar in rechte te vertegenwoordigen, en wel voor de in artikel 1 dier richtlijn bedoelde vennootschapsvormen, waaronder de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Duits recht: „Gesellschaft mit beschrankter Haftung (GmbH)”. De tweede zin dier bepaling luidt: „Uit de openbaarmaking moet blijken of de personen die de bevoegdheid hebben de vennootschap te verbinden, dit alleen of slechts gezamenlijk kunnen doen”.
Ingevolge deze richtlijn werd in de Bondsrepubliek bij wet van 15 augustus 1969 (Gesetz zur Durchführung der er-sten Richtlinie des Rates der Europäischen Gemeinschaften zur Koordinierung des Gesellschaftsrechts) het Duitse recht en met name de wet op de vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (Gesetz betreffend die Gesellschaften mit beschrankter Haftung) gewijzigd. Deze wijzigingen, die op 1 september 1969 in werking traden, hebben met name betrekking op artikel 8 houdende de voorwaarden voor de inschrijving van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Duits recht in het handelsregister. Aan dit artikel werd een lid 3 toegevoegd, dat luidt: „In de aanmelding dient tevens de vertegenwoor digingsbevoegdheid der bestuurders te worden vermeld”.
Eveneens werd artikel 10, eerste lid, dat betrekking heeft op de inhoud der inschrijving in het handelsregister, aangevuld met de zin: „Tevens dient de vertegenwoordigingsbevoegdheid der bestuurders te worden vermeld”.
Vóór deze wijziging behoefde die vertegenwoordigingsbevoegdheid slechts te worden ingeschreven, indien de vennootschapsakte op dit punt bijzondere — van de wet afwijkende — bepalingen bevatte. Een bevoegdheid overeenkomstig de wettelijke bepalingen behoefde niet te worden bekendgemaakt of ingeschreven.
Deze wijzigingen in de Duitse wet hebben echter in feite niets veranderd aan de reeds bestaande bepalingen over de uitoefening van de vertegenwoordigingsbevoegdheid. Volgens het ongewijzigde artikel 35 van de wet wordt immers deze bevoegdheid gezamenlijk uitgeoefend als er verschillende bestuurders zijn en individueel, wanneer er slechts één is.
I — Probleemstelling
De prejudiciële vraag die het Bundesgerichtshof tot U heeft gericht, is, zoals U weet, gericht op de uitlegging van voornoemde bepaling van artikel 2, lid 1, sub d, tweede zin, van de richtlijn van 9 maart 1968. Het Bundesgerichtshof vraagt of, voor het geval het met de vertegenwoordiging van een vennootschap belast orgaan slechts één lid telt, het feit dat dit lid de vennootschap alléén vertegenwoordigt, dient te worden openbaargemaakt wanneer:
—
het vertegenwoordigend orgaan van een vennootschap uit één of meer leden kan bestaan;
—
het Duitse nationale recht in geval van benoeming van slechts één lid dwingend voorschrijft dat hij de vertegenwoordigingsbevoegdheid alleen heeft.
Wij zullen thans eerst in het kort de omstandigheden en de procedure uiteenzetten, die het Bundesgerichtshof ertoe hebben gebracht gebruik te maken van de prejudiciële verwijzing overeenkomstig artikel 177 van het Verdrag.
De firma Haaga, gevestigd te Stuttgart, heeft ten doel de fabricage van apparaten voor medisch of ziekenhuisgebruik, met name van sterilisatieapparaten.
Deze vennootschap met beperkte aansprakelijkheid telde oorspronkelijk twee bestuurders, Rudolph en Albert Haaga, de oprichters van de onderneming. Beiden konden, ieder voor zich, de vennootschap verbinden. Dit blijkt uit artikel 5 van de statuten. In geval echter andere bestuurders zouden worden benoemd, bepaalden de statuten dat steeds twee bestuurders of één bestuurder met een procuratiehouder de vennootschap konden verbinden en tekeningsbevoegd waren. In artikel 6 van de statuten werd daaraan toegevoegd dat de bevoegdheid der bestuurders om de vennootschap tegenover derden te verbinden onbeperkt was.
Uit het handelsregister te Stuttgart blijkt echer dat de vennootschap thans nog slechts één bestuurder, Friedrich Haaga Junior, heeft, en dat er bovendien een procuratiehouder is, wiens naam eveneens naast die van de bestuurder in het handelsregister is ingeschreven.
De vermelding in het handelsregister kwam dan ook met de aanvankelijk bestaande, werkelijke situatie van de vennootschap overeen. Deze vermelding was, naar het lijkt, conform artikel 10, lid 2, van de Duitse wet op de vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, zoals dit voor 15 augustus 1969 luidde, dat wil zeggen vóór de wijziging ingevolge de betrokken communautaire richtlijn. Maar zoals wij hebben gezien schrijft de bepaling na de wijziging voor dat „tevens de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de bestuurders moet worden vermeld”.
Bijgevolg is de vraag gerezen of de nieuwe bepaling ter uitvoering van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de vennootschap naast de oorspronkelijke inschrijving in het handelsregister alsnog moet laten opnemen dat „in geval van slechts één bestuurder, deze bevoegd is de vennootschap alleen te verbinden”.
En inderdaad heeft de „Rechtspfleger” bij het Amtsgericht te Stuttgart, als bewaarder van het handelsregister, de Firma Haaga bij brief van 11 augustus 1971 verzocht de vertegenwoordigingsbevoegdheid van haar bestuurders met het ter zake gerechtigde aantal op te geven en met name te verklaren dat, wanneer er slechts één bestuurder was, deze bevoegd was de vennootschap alleen te vertegenwoordigen.
De Firma Haaga kwam hiertegen in verzet op grond dat de inschrijving naar haar mening overbodig zou zijn juist omdat de vennootschap nog maar één bestuurder had. Het Amtsgericht weigerde zich hieromtrent uit te spreken en verwees het verzet in appel naar het Landgericht. Dit appel werd bij uitspraak van 8 december 1971 verworpen.
Hiervan ging de vennootschap in beroep bij het Oberlandesgericht te Stuttgart. Deze instantie achtte het beroep ongegrond, overwegende dat de nieuwe tekst van de artikelen 8 en 10 van de wet op de vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid beoogde derden in staat te stellen op elk ogenblik te weten te komen wie werkelijk vertegenwoordigingsbevoegd is; voorts werd overwogen dat, in de handel tussen Lid-Staten van de gemeenschappelijke markt, de betrokkenen niet mogen worden verondersteld nauwkeurig op de hoogte zijn van de stand van de eventueel uiteenlopende wetgevingen in die verschillende staten. Bijgevolg kwam het Oberlandesgericht tot de slotsom dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid in alle gevallen volledig moet worden openbaar gemaakt, waarbij de impliciete vertegenwoordigingsbevoegdheid van één enkele bestuurder expliciet uit de inschrijving in het handelsregister moet blijken.
Het Oberlandesgericht te Stuttgart kon echter geen definitieve uitspraak in die zin doen, omdat een ander Oberlandesgericht, te Frankfurt am Main, enige tijd te voren bij uitspraak van 6 mei 1971 een anders luidend oordeel had gegeven.
Ten einde nu in een dergelijk geval een uiteenlopende jurisprudentie te vermijden, verlangt het Duitse Wetboek van rechtsvordering dat het beroepen Oberlandesgericht de zaak naar het Bundesgerichtshof, de cassatierechter, verwijst ter beslechting van het juridische probleem dat de beide Oberlandesgerichte verdeeld houdt.
De verwijzing naar het Bundesgerichtshof ter zake van een inschrijving in het handelsregister is aldaar overigens geen bijzonderheid van de wet; een ander voorbeeld van een dergelijke verwijzing is op strafrechtelijk gebied te vinden in het Gerichtsverfassungsgesetz. Wanneer een Oberlandesgericht van plan is af te wijken van een strafrechtelijke uitspraak van hetzij het Bundesgerichtshof, hetzij een ander Oberlandesgericht, is het in bepaalde gevallen gehouden de zaak naar het Bundesgerichtshof te verwijzen.
Aldus geschiedde in de onderhavige zaak. De federale cassatierechter besloot op 14 februari 1974 echter het geding te schorsen en zich tot U te wenden met een prejudiciële vraag, die letterlijk in het rapport ter terechtzitting is overgenomen en die wij hier niet zullen behoeven te herhalen.
Daarentegen lijkt het ons in verband met de bijzondere omstandigheden waaronder de prejudiciële vraag U aldus is gesteld, dienstig na te gaan of zij, getoetst aan artikel 177 van het Verdrag, wel ontvankelijk is.
Immers, het Bundesgerichtshof legt de vraag aan U voor in het kader van een volontaire procedure. Niet een partij in de strikte zin van het woord heeft zich tot dit hoge rechtscollege gewend, maar een rechterlijke instantie die daaraan juridisch ondergeschikt is, en wel ter vaststelling van de nationale jurisprudentie op een specifiek punt.
Mag daaruit nu worden afgeleid dat het Bundesgerichtshof dusdoende geen werkelijk jurisdictionele taak vervult? Wij menen van niet en willen daartoe aan stippen dat het handelsregister in Duitsland, ingevolge artikel 125 van de Gesetz über die Angelegenheiten der freiwilligen Gerichtsbarkeit, volgens een daarin nauwkeurig omschreven procedure wordt bewaard bij het Amtsgericht, een rechtbank van eerste aanleg.
Deze procedure geldt overigens niet alleen voor de bewaring van het handelsregister, maar ook op bepaalde gebieden als voogdij, adoptie, toezicht op het verenigingsregister, successie enzovoort. Naar het lijkt gaat het niet zozeer om contentieuze zaken als om „administratieve aangelegenheden die in judiciële vorm worden behandeld”, dat wil zeggen met de waarborgen van een werkelijke gerechtelijke procedure. Wat met name het handelsregister betreft, kan men trouwens de bevoegdheid van het Amtsgericht vergelijken met die van het Tri-bunal de commerce in Frankrijk. Men kan dan ook gevoeglijk aannemen dat de rechtbank van eerste aanleg, evenals uiteraard de beroepsinstanties en met name het Oberlandesgericht, ten deze een werkelijk rechtsprekende taak vervullen; de jurisprudentie van het Bundesverfassungsgericht bevestigt dit; de bepalingen van de Grondwet inzake de gerechtelijke waarborgen voor de burger, dat wil zeggen het recht om te worden gehoord en de waarborg van een door de wet toegekende rechter zijn op dit soort procedures van toepassing.
Wat ons betreft hebben wij er dan ook geen enkele moeite mee dat het Bundesgerichtshof krachtens artikel 177 van het Verdrag de betrokken prejudiciële vraag naar U heeft verwezen.
Door U te vragen de richtlijn van de Raad uit te leggen, brengt het zijn wil tot uitdrukking om aan de Duitse wet ter uitvoering van die richtlijn een uitlegging te geven, in overeenstemming met de vereisten van het Gemeenschapsrecht.
Wij dienen ons gelukkig te prijzen met dit initiatief van het Bundesgerichtshof, reeds omdat het de eerste keer is dat een nationale rechter van de prejudiciële verwijzing gebruik maakt ten einde Uw uitlegging te vernemen van een coördineringsrichtlijn die ons inziens ongetwijfeld hoort tot de categorie handelingen van een instelling, die in artikel 177 zijn genoemd; en vervolgens daar het bij ons weten eveneens de eerste keer is dat het cassatiehof van de Bondsrepubliek zich met een vraag tot U wendt.
II — Bespreking
Hoewel de firma Haaga geen schriftelijke opmerkingen heeft ingediend en zich bij de mondelinge behandeling niet heeft doen vertegenwoordigen, valt uit de stukken van de Duitse rechters duidelijk te zien welke stelling zij daar heeft betrokken. Haar standpunt is eenvoudig; zij weigert zich te voegen naar hetgeen haar als een louter administratieve pietluttigheid voorkomt, te meer daar de oude versie van artikel 10 van de Duitse wet op de vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid vermelding van de bevoegdheid om de vennootschap te verbinden slechts verplicht stelde, wanneer daarbij van de wet werd afgeweken.
Deze redenering wordt ondersteund door de Commissie evenals door een aantal nationale rechterlijke instanties. Zij stoelt op de volgende overwegingen:
Naar Duits recht, evenals trouwens naar het recht van een aantal andere Lid-Staten, kan een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid door één enkele bestuurder worden gebonden.
Daar zowel in de huidige Duitse wet als in de richtlijn slechts sprake is van bestuurder en niet van procuratiehouder, kan en moet, in een vennootschap met slechts één bestuurder, deze de vennootschap noodzakelijkerwijze verbinden; het vereiste van medewerking van een procuratiehouder kan niet aan derden worden tegengeworpen. Voor ingewijde derden vormt een statutaire bepaling waarbij de bevoegdheid om de vennootschap te verbinden aan één enkele bestuurder wordt verleend, geen beperking maar een uitbreiding dier bevoegdheid, omdat een vennootschap in het algemeen door twee bestuurders wordt gebonden. Bovendien kunnen, krachtens zowel arti kel 37 van de Duitse wet als artikel 9, lid 2, van de richtlijn, beperkingen van de bevoegdheid om de vennootschap te verbinden niet aan derden worden tegengeworpen, zelfs niet, indien zij bekend zijn gemaakt.
In de vennootschapsopvatting welke men als institutioneel zou kunnen aanduiden en die in de richtlijn lijkt te worden gevolgd, staat de door de wet geopende enkele mogelijkheid om een beslissings- of vertegenwoordigingsbevoegdheid aan een bepaald orgaan van de vennootschap te verlenen met daadwerkelijke verlening gelijk, of zulks geschied is of niet. Tegenover derden is de handeling geldig die binnen de grenzen van deze wettelijke bevoegdheid is verricht, en verbindt zij de vennootschap.
Wanneer, ingevolge de wet, de vennootschap wordt gebonden door verschillende personen die gezamenlijk optreden of door één hunner alléén, wat het geval is bij de bestuurder van de GmbH in Duitsland, dan moet dit wettelijk voorschrift uiteraard kunnen worden tegengeworpen aan derden, die geacht worden daarvan op de hoogte te zijn. Wanneer er slechts één bestuurder is, dan ontleent de statutaire bepaling dat de handtekening van één lid van het collectief vertegenwoordigingsorgaan voldoende is, haar geldigheid jegens derden niet aan een speciale vermelding in het handelsregister, maar aan de combinatie dat zij de bevoegdheden van elk der leden van het orgaan uitbreidt en dat zij slechts de wettelijke regeling weergeeft. De rechtstoestand bestaat reeeds vóór de openbaarmaking, omdat zij rechtstreeks uit de wet voortvloeit. Anders gezegd, de vermelding in het handelsregister is slechts erkennend van aard en niet constitutief en op weglating daarvan behoeft dus niet de sanctie te staan dat tegenwerping aan derden niet mogelijk is.
Ook al lijkt deze gedachtengang eenvoudig en logisch op het nationale vlak en is de bescherming van derden evenals van de deelnemers aldus door de wet zelf behoorlijk verwezenlijkt, toch betwijfelen wij zeer of dit eveneens opgaat in het kader van het intracommunautaire handelsverkeer, wanneer de derden — die er belang bij hebben de feitelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid in een Duitse vennootschap met beperkte aansprakelijkheid te kennen — onderdanen van andere Lid-Staten der Gemeenschap zijn.
En deze overweging brengt ons ertoe de verplichte openbaarmaking in de zin van de richtlijn van 9 maart 1968 ruim op te vatten.
Ons inziens is immers voor derden buiten de Duitse Bondsrepubliek evenals voor vennootschappen of personen die in de firma Haaga zouden gaan deelnemen, de vermelding in het handelsregister dubbelzinnig.
Bij lezing van de statuten en de inschrijvingen in het handelsregister zou men zonder kennis van het Duitse recht tot de volgende conclusie kunnen komen:
1.
wanneer er meer dan twee bestuurders zijn, kan de vennootschap slechts door twee hunner worden gebonden;
2.
wanneer er slechts twee bestuurders zijn, kan de vennootschap slechts worden gebonden door een bestuurder en een procuratiehouder;
3.
bij nauwkeurige lezing van de vermelding in de kolom „Prokura” van het handelsregister is het ten slotte niet uitgesloten dat bij ontstentenis van een bestuurder, twee procuratiehouders gezamenlijk de vennootschap kunnen verbinden.
Opgemerkt is, dat derden slechts dan belang erbij hebben de statuten en het register te raadplegen, wanneer zij niet te doen hebben met het wettelijke vertegenwoordigingsorgaan. Maar om te weten of een persoon wel het wettelijk vertegenwoordigingsorgaan is, moeten zij eerst de wetsbepalingen kennen.
Wanneer derden of buitenlandse deelnemers niet weten dat een procuratiehouder geen wettelijk orgaan is en dat, zoals hier, procuratiehouders nooit alléén de vennootschap, kunnen verbinden, dan kan de door de wet aan een procuratie houder toegekende bevoegdheid om dit samen met een bestuurder te doen, hun uiteindelijk toeschijnen als een uitbreiding van de bevoegdheden van het vertegenwoordigingsorgaan, die hun kan worden tegengeworpen, vooral wanneer zij is bekendgemaakt.
In de tweede plaats lijkt ons dat de betekenis van de uiteindelijk aanvaarde tekst duidelijk wordt uit de achtereenvolgende versies van de betrokken bepaling der richtlijn.
In artikel 2, sub 4, van het aan het Economisch en Sociaal Comité en het Parlement voorgelegde ontwerp werd in hoofdzaak gezegd dat uit de openbaarmaking de respectieve hoedanigheid moet blijken van de personen die, ingevolge de wet of de statuten, als orgaan van de vennootschap de bevoegdheid hebben haar jegens derden te verbinden en haar te vertegenwoordigen.
In het ontwerp van 30 oktober 1966, gepubliceerd in het Nederlandse tijdschrift „De naamloze vennootschap”, 1967 (blz. 18) stond de volgende formulering: „Les mesures de publicité doivent faire ressortir la qualité respective de ces personnes et préciser si elles agissent seules ou conjointement”.
De uiteindelijk door de Raad op 9 maart 1968 vastgestelde tekst bepaalt:
„Uit de openbaarmaking moet blijken of de personen die de bevoegdheid hebben de vennootschap te verbinden, dit alleen of slechts gezamenlijk kunnen doen”.
Men is geneigd te denken dat deze redactie meer in het bijzonder het Duitse recht op het oog heeft, daar zij een nadere verklaring verlangt of de bestuursleden van vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid individueel of collectief bevoegd zijn de vennootschap te verbinden.
Ten derde, wanneer het feit dat de bevoegdheden van één enkele bestuurder aan derden kunnen worden tegengeworpen niet uit een speciale vermelding in het handelsregister maar rechtstreeks uit de wet voortvloeit, waarom verlangt de richtlijn dan toch openbaarmaking van de statutaire bepalingen, met inbegrip van die welke de bevoegdheden van de vennootschapsgemachtigden tot de wettelijke beperken?
Zulks te meer, omdat de richtlijn elders — met name in artikel 2, lid 1, sub j, voor de vereffenaars — wèl zegt dat de bevoegdheden van de vertegenwoordigers niet behoeven te worden vermeld indien deze uitdrukkelijk en uitsluitend uit de wet voortvloeien.
Last but not least, zolang de verdeling van de bevoegdheden tussen de organen aan de nationale wetgevingen wordt overgelaten, hetgeen momenteel nog het geval is, dreigt de op Gemeenschapsniveau tot stand gebrachte coördinatie weer in gevaar te worden gebracht, wanneer de doeltreffendheid van de richtlijn aldus zou afhangen van de zorgvuldigheid waarmede elke Lid-Staat in zijn eigen wetgeving de wettelijke bevoegdheden van elk orgaan omschrijft.
Weliswaar kan naar het huidige Duitse positieve recht een statutaire bepaling, waarbij de bevoegdheid om de vennootschap te verbinden wordt toegekend aan een procuratiehouder te zamen met een bestuurder, niet aan derden worden tegengeworpen, maar wie zal zeggen of deze wetgeving niet op een zekere dag die mogelijkheid zal toelaten? In dat geval zouden derden al heel moeilijk kunnen aantonen dat zij op goede gronden mochten menen dat deze bepaling niet van toepassing was.
Om al deze redenen lijkt het ons derhalve noodzakelijk dat derden, met name onderdanen van andere Lid-Staten dan de Bondsrepubliek, die overwegen in zakelijk contact te treden met een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of daarin deelnemer te worden, enkel door de vermelding in het handelsregister nauwkeurig op de hoogte zijn van de structuur en regeling der bevoegdheden binnen die vennootschap. Derden kennen immers slechts de uittreksels uit de openbare registers. Zij kunnen moeilijk de beschikking krijgen over opeenvolgende versies van de statuten. Ook al worden zij geacht hun eigen wetgeving te kennen, toch kan van hen naar onze mening bezwaarlijk worden verlangd dat zij op de hoogte zijn van de wetgeving van de Bondsrepubliek Duitsland.
Ons inziens moet derhalve artikel 2, lid 1, sub d, van de richtlijn aldus worden uitgelegd dat de bevoegdheid van alle leden van de organen van de vennootschap om haar te verbinden, moet worden aangegeven en bekendgemaakt overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, zelfs als deze bevoegdheid rechtstreeks uit de nationale wet voortvloeit.
Resumerend concluderen wij dat U verklare voor recht dat artikel 2, lid 1, sub d, tweede zin, van de richtlijn van de Raad van 9 maart 1968 aldus moet worden uitgelegd:
Aangezien het vertegenwoordigend orgaan van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Duits recht uit een of meer leden kan bestaan, is het noodzakelijk, zelfs ingeval slechts één lid is benoemd, dat het feit dat dit ene lid bevoegd is de vennootschap alléén te vertegenwoordigen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van genoemde richtlijn wordt bekendgemaakt.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy