CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 13 NOVEMBER 1974 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Op 21 juni van dit jaar heeft het Hof uitspraak gedaan op een verzoek om een prejudiciële beslissing van de Belgische Raad van State. De vragen in die zaak hadden betrekking op de uitlegging van de artikelen 52 en 55 EEG-Verdrag. Met name ging het erom of de bepalingen van artikel 52 na het einde van de overgangsperiode rechtstreekse werking hadden, zulks niettegenstaande het ontbreken van richtlijnen bedoeld in de artikelen 54, lid 2, en 57, lid 1, met betrekking tot de werkzaamheden van advocaten.
In die vorige zaak was dus het recht van vestiging aan de orde, zoals dit is omschreven in hoofdstuk 2, titel III, van het EEG-Verdrag.
De prejudiciële vragen die de Nederlandse Centrale Raad van Beroep aan het Hof heeft gesteld, doen op het terrein van de door hoofdstuk 3 (art. 59-66) bestreken diensten soortgelijke problemen rijzen als door het Hof zijn beslist in het zoëven bedoelde arrest-Reyners.
Er is dus reden aansluiting te zoeken bij de grote lijnen van dat arrest, voor zover althans hoofdstuk 3 van het Verdrag uitgaat van gelijke beginselen als hoofdstuk 2 betreffende de vrijheid van vestiging.
Maar laten wij beginnen met een uiteenzetting van de feiten welke aan de zaak ten grondslag liggen.
De heer Van Binsbergen uit het Nederlandse Beesel benoemde op 5 juli 1972 de heer Kortmann, toenmaals wonende in Zeist — eveneens in Nederland —, tot zijn procesgemachtigde in een geding tegen de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid inzake een werkloosheidsuitkering.
Die machtiging berustte op artikel 46 van de Nederlandse wet houdende regeling van de procedure van de Centrale Raad van Beroep (Beroepswet). Ingevolge die bepaling kunnen partijen procederen in persoon of bij gemachtigde; in het laatste geval moet de gemachtigde desgevorderd zijn bevoegdheid aantonen door het overleggen van een schriftelijke volmacht, behalve in het geval van advocaten, die tot die overlegging niet zijn gehouden.
Artikel 47 van genoemde wet bepaalt dat partijen zich kunnen bedienen van de bijstand van een raadsman en zich door deze kunnen doen vergezellen, waar zij in het geding optreden.
In de loop van het geding nu verhuisde de heer Kortmann naar Neeroeteren in België, en vanuit die nieuwe woonplaats richtte hij zich tot de Centrale Raad van Beroep met het verzoek hem op zijn nieuwe adres afschrift te zenden van de processtukken van zijn cliënt, teneinde de zaak te kunnen bestuderen en zijn pleidooi voor te bereiden.
Op 3 november 1973 deelde de griffie van de Centrale Raad van Beroep hem mee dat aan zijn verzoek niet kon worden voldaan, op grond dat artikel 48 van de Beroepswet bepaalt dat „als gemachtigden of raadslieden alleen kunnen optreden in het Rijk gevestigde personen.”
De heer Kortmann, nu woonachtig in België, ziet zich dus deze bepaling tegengeworpen, ingevolge waarvan het hem verboden zou zijn voor de Centrale Raad van Beroep op te treden als gemachtigde of raadsman van zijn cliënt.
De 8e december daaropvolgend komt hij voor de Centrale Raad op tegen de toepassing op zijn geval van het betrokken wetsartikel. Hij betoogt dat hij enkele weken tevoren nog voor diezelfde instantie heeft gepleit zonder dat hij toen van zijn verhuizing een geheim had gemaakt. Hij is van mening dat de tegen hem getroffen maatregel in strijd is met het bepaalde in de artikelen 59 en 60 EEG-Verdrag betreffende het vrij verrichten van diensten, welke zijns inziens rechtstreeks toepasselijk zijn en waaraan hij mitsdien subjectieve rechten kan ontlenen.
Hij stelt derhalve dat de voorwaarde van woonplaats of vestiging in Nederland, door de Nederlandse wet gesteld aan juridische adviseurs om een partij voor de Centrale Raad van Beroep te kunnen vertegenwoordigen of bijstaan, met die bepalingen van het Verdrag onverenigbaar is.
Door de griffier gevraagd de aard van zijn beroepswerkzaamheden nader te omschrijven, verklaart de heer Kortmann (men zie het dossier en ook zijn verklaringen voor het Hof) dat hij het beroep van juridisch adviseur uitoefent, dat deze werkzaamheid in Nederland aan geen enkele regel is gebonden, dat er geen enkel diploma voor is vereist noch inschrijving op het tableau van een beroepsorganisatie of orde. Hij voegt daaraan toe dat hij een „praktijk” heeft voor administratieve en sociale rechtsgedingen, verzoekschriften opstelt en zijn cliënten mondeling verdedigt voor de afdeling Contenieux van de Nederlandse Raad van State, de Centrale Raad van Beroep en bepaalde departementale beroepscommissies.
In feite, zo zegt hij, vormen de beroepen op de Raad van State driekwart van zijn werkzaamheden. Sinds hij zich in België heeft gevestigd, overigens vlak bij de Nederlandse grens, behandelt hij de dossiers thuis, hij stelt er zijn memories op en gaat alleen naar Nederland om te pleiten, hetgeen in 1973 overigens 36 maal is voorgekomen.
Voorts treedt hij op als beheerder van onroerend goed, schrijft artikelen voor juridische tijdschriften en beschikt over een secretariaat. Hij heeft dus de Centrale Raad van Beroep verzocht hem te beschouwen als iemand die, tenminste tijdelijk, zijn werkzaamheden of een deel ervan in Nederland uitoefent, overeenkomstig artikel 60, derde alinea, van het Verdrag. Op grond van deze gegevens, blijkend uit de door de rechter a quo overgelegde stukken, zouden wij geneigd zijn de heer Kortmann een soort van „Vliegende Hollander” te noemen, aangezien hij voor zijn beroepswerkzaamheden „laveert” tussen België en Nederland.
In elk geval heeft de Centrale Raad van Beroep, gelet op het betoog van de heer Kortmann, besloten het geding te schorsen en het Hof te vragen of de artikelen 59 en 60 EEG-Verdrag rechtstreekse werking hebben en mitsdien voor de burgers subjectieve rechten scheppen welker handhaving aan de nationale rechter kan worden gevraagd, en zo ja, welke dan de betekenis is van die bepalingen, en met name van de laatste alinea van artikel 60.
De Centrale Raad behoudt zich voor om, rekening houdend met de gegeven uitlegging, te onderzoeken of er termen zijn tot toepassing van artikel 90 Beroepswet, waarvan het tweede lid bepaalt dat degenen die geen woonplaats hebben binnen Nederland of binnen een land dat ten deze wederkerigheid heeft aanvaard, verplicht zijn woonplaats binnen Nederland te kiezen.
Het lijkt ons logisch eerst in te gaan op de vraag van de uitlegging van de artikelen 59 en 60, want het is in het licht daarvan dat wij vervolgens een mening zullen kunnen geven over de rechtstreekse werking van die artikelen.
De werkzaamheden van de niet in loondienst uitgeoefende beroepen, waartoe uiteraard ook de vrije beroepen moeten worden gerekend, kunnen worden verricht hetzij door onderdanen van een Lid-Staat, die op het grondgebied van een andere Lid-Staat zijn gevestigd — dat wil zeggen dat zij blijvend, althans voor langere tijd woonplaats in die Staat hebben —, hetzij als dienstverrichting.
In het eerste geval worden die werkzaamheden beheerst door de regels van het Verdrag betreffende het recht van vestiging (artikelen 52-58), hetgeen zich voordeed in de zaak-Reyners.
In het tweede geval zijn de artikelen 59 en volgende betreffende het vrij verrichten van diensten toepasselijk.
De Centrale Raad van Beroep nu heeft zijn vragen terecht op het terrein van de dienstverrichting gesitueerd.
Verder dienen wij ten deze twee verschillende situaties te onderscheiden:
—
in de eerste plaats de van één — of meer — min of meer incidentele dienstverrichtingen, waarbij degene die de dienst verricht, beroepshalve woonplaats heeft in Lid-Staat A, maar degene(n) voor wie de dienst is bestemd, in Lid-Staat B woont (wonen). Wij hebben de situatie op het oog dat de verrichter van de dienst in zodanig geval niet per se persoonlijk, daartoe gedwongen door zijn werkzaamheden, de grens tussen beide Staten behoeft te overschrijden.
Dit is trouwens, tenminste voor een deel van zijn werkzaamheid als juridisch adviseur, het geval met de heer Kortmann.
Wij mogen immers aannemen dat hij in zijn woonplaats in België de memories opstelt, welke hij per post aan de Nederlandse rechterlijke instanties stuurt waarvoor de zaken waarin hij optreedt, aanhangig zijn, zonder in dat stadium verplicht te zijn zich in persoon te verplaatsen.
—
Wij dienen echter ook een andere situatie te bezien, en wel die van de laatste alinea van artikel 60 van het Verdrag, luidende:
„Onverminderd de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het recht van vestiging, kan degene die de diensten verricht, daartoe zijn werkzaamheden tijdelijk uitoefenen in het land waar de dienst wordt verricht, onder dezelfde voorwaarden als die welke dat land aan zijn eigen onderdanen oplegt.”
Ofschoon deze bepaling een noodzakelijk onderscheid maakt tussen de vestiging — die als essentieel kenmerk een op zijn minst betrekkelijke duurzaamheid heeft — en de dienstverrichting, heeft zij duidelijk betrekking op het geval waarin die diensten de prestataris nopen tot een tijdelijke werkzaamheid in het land waar zij worden verricht, dat wil zeggen dat hij daar met tussenpozen persoonlijk aanwezig is.
Dit nu is eveneens het geval met de heer Kortmann, in zover hij zich, volgens zijn eigen verklaringen, regelmatig en vrij frequent naar Nederland begeeft om er te pleiten voor bepaalde rechterlijke instanties en ongetwijfeld ook voor contact met zijn cliënten.
Maar zowel in het eerste als in het tweede geval is het duidelijk dat, met het oog op het in het opschrift van titel III van het Verdrag genoemde doel — „het vrije verkeer van personen …” —, de regels van zowel artikel 59 als artikel 60, derde alinea, zijn bedoeld om de gelijke behandeling te verwezenlijken van de eigen onderdanen van een Lid-Staat en die van de andere Lid-Staten der Gemeenschap. Op het bijzondere terrein van de diensten verzekeren deze bepalingen dus de toepassing van de algemene regel van artikel 7 van het Verdrag — één der „beginselen” van de Gemeenschap —, lui-dens hetwelk voor de toepassing van het Verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen daarin gesteld „elke discriminatie op grond van nationaliteit is verboden.”
Dit beginsel beheerst eveneens de toepassing van artikel 48 betreffende het vrije verkeer van werknemers; en overeenkomstig 's Hofs arrest van 21 juni 1974 (zaak 2-74, Reyners) zijn ook de bepalingen van artikel 52 betreffende de vrijheid van vestiging erop gebaseerd.
Het gaat er dus niet zozeer om een absolute vrijheid van dienstverrichting binnen het gehele gebied van de Gemeenschap te verzekeren als wel om aan het einde van de overgangsperiode elke discriminatie, elke ongelijkheid tussen eigen en vreemde onderdanen te verbieden.
Het lijkt ons overbodig aan dit beginsel, naar aanleiding van de zaak-Reyners door ons uitgewerkt en in 's Hofs rechtspraak herhaaldelijk bevestigd, veel woorden te besteden.
Anderzijds is het voor 's Hofs oplossing van de huidige prejudiciële zaak van wezenlijk belang dat wij ons rekenschap geven van het verschil tussen de regels met betrekking tot het recht van vestiging en die betreffende het vrij verrichten van diensten.
Het moet immers duidelijk zijn dat de beroepsbeoefenaar die onderdaan is van een Lid-Staat, maar die in de zin van artikel 52 gevestigd is op het grondgebied van een andere Lid-Staat, juist vanwege de vestiging valt onder de wet van het gastland, welks overheid hem dezelfde voorwaarden voor de toegang tot de werkzaamheid en de uitoefening ervan kan stellen als aan de eigen onderdanen en hem bijgevolg aan hetzelfde toezicht kan onderwerpen.
Dat wil zeggen dat die vreemde, als gemeenschapsonderdaan bevoorrechte, ingezetene stellig recht heeft op gelijke behandeling, maar zich niet kan onttrekken aan voorschriften van nationaal recht, ook al zou dat recht in de toekomst met de wetgeving van de andere Lid-Staten worden geharmoniseerd.
De dienstverrichter daarentegen is niet per definitie een ingezetene; hij is niet„gevestigd”. Zijn woonplaats, zijn hoofdverblijf, bevindt zich op het grondgebied van Lid-Staat A. Laten we zeggen, in casu België. Ingevolge de artikelen 59 en 60 heeft hij — wij komen erop terug — een subjectief recht om beroepshalve diensten te verrichten voor personen die in Lid-Staat B — in casu Nederland — wonen.
Zelfs is het mogelijk — stellig een wat theoretisch geval, dat echter niet geheel kan worden uitgesloten — dat hij daartoe persoonlijk nooit in Nederland komt. Zelfs wanneer hij zich tamelijk vaak daarheen begeeft, verlaat hij na verrichte dienst het land weer en valt hij slechts onder de Nederlandse wet voor zover de werkzaamheden die hij daar tijdelijk uitoefent, zelf gereglementeerd zijn, hetgeen, zo is ons verzekerd, voor de werkzaamheid van vrij juridisch adviseur in Nederland niet het geval is.
De dienstverrichter ontsnapt derhalve — en dit is een fundamenteel aspect van het verschil tussen enerzijds de eenvoudige, incidentele, dienstverrichting en zelfs de tijdelijke werkzaamheid, en anderzijds de vestiging — aan de greep en het toezicht van de nationale instanties van het land waar de dienst wordt verricht.
Het valt gemakkelijk in te zien dat zo'n situatie gevaren meebrengt, zowel ten aanzien van de beroepsethiek als voor een eventuele aansprakelijkstelling van de dienstverrichter op met zijn beroep verband houdende dan wel civiel- of strafrechtelijke gronden. Ook vanuit fiscaal gezichtspunt is deze situatie niet zonder belang.
De consequenties daarvan kan men zich licht indenken, met name op het gebied van kredietverlening, financiële voorschriften of verzekering, om maar te zwijgen van het rechtskundig advies.
Zonder af te doen aan het beginsel van non-discriminatie is het daarom noodzakelijk de eisen daarvan overeen te brengen met hetgeen nodig is voor de bescherming van de particulieren, van hen voor wie de diensten worden verricht, en rekening te houden met de noodzaak van toezicht, dat de nationale instanties daartoe kunnen uitoefenen.
In het licht van deze opmerkingen zullen wij thans onderzoeken of de bij artikel 48 Beroepswet voor gemachtigden en raadslieden bij de raden van beroep verplicht gestelde vestiging in Nederland een verboden discriminatie is ingevolge artikel 59 of artikel 60, derde alinea, EEG-Verdrag.
Anders dan in het geval-Reyners gaat het hier niet om een nationaliteitsvoorwaarde, maar om een voorwaarde van vestiging ongeacht nationaliteit.
Waarover de Nederlandse onderdaan Kortmann zich beklaagt, is dat hij vanwege het enkele feit van zijn vestiging in België het slachtoffer is van een discriminatie ten opzichte van zijn landgenoten die in Nederland zijn gevestigd.
Het discriminatieverbod nu moge zich gemakkelijk laten toepassen wanneer het verschil in behandeling het uitdrukkelijk of rechtstreeks gevolg is van een nationaliteitsvoorwaarde, bij een verkapte discriminatie is een beslissing minder eenvoudig.
Het Hof is reeds eerder met dit probleem geconfronteerd geweest, tenminste op het gebied van artikel 48 van het Verdrag.
In de zaak-Sotgiu (zaak 152-73, arrest van 12 februari 1974, Jurispr. 1974, blz. 153) hadden wij gelegenheid uiteen te zetten dat van een verkapte discriminatie sprake is wanneer de wet of de interne regeling, zonder enige voorwaarde van nationaliteit te stellen, aan de tewerkstelling gekoppelde toelagen of voordelen doet afhangen van criteria als de plaats van herkomst, de geboorteplaats of de werkelijke woonplaats op het nationale grondgebied, op zodanige manier dat de regeling in feite alleen ten gunste van de eigen onderdanen werkt en slechts in uitzonderingsgevallen ook aan de onderdanen van andere Lid-Staten ten goede komt.
Het Hof heeft toen beslist dat „de regels omtrent de gelijkheid van behandeling, zowel in het Verdrag als in verordening nr. 1612/68 (betreffende de tewerkstelling van migrerende v/erknemers) niet alleen de zichtbare discriminaties op grond van de nationaliteit verbieden, maar ook alle verkapte vormen van discriminatie, die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden.”
Genoemde zaak betrof een discriminatie vanwege de woonplaats van het gezin. Het Hof bevestigde daarmee overigens een rechtspraak die met name is ontwikkeld in het arrest van 13 december 1972 (zaak 44-72, Marsman, Jurispr. 1972, blz. 1248).
Vandaag spreken wij weliswaar over de artikelen 59 en 60, maar wij menen dat hier dezelfde uitlegging op haar plaats is voor zover de door de Nederlandse wet gestelde voorwaarde aan gemachtigden of raadslieden bij de raden van beroep betrekking heeft op hun vestiging binnen het Rijk.
Want ook als dit niet wordt beoogd, heeft zodanig vereiste onvermijdelijk tot gevolg dat een juridisch adviseur geen diensten kan verrichten voor de justitiabelen van de Nederlandse rechterlijke instanties, wanneer hijzelf in een buurland is gevestigd.
Dat vereiste is derhalve onverenigbaar met de vrijheid van het dienstenverkeer binnen de Gemeenschap.
Aangenomen zelfs dat het niet de bedoeling van de Nederlandse wetgever is geweest een discriminatie in te voeren, maar te bereiken dat de vrije adviseurs, voor wie zoals bekend geen enkele regel betreffende de beroepsuitoefening of — ethiek bestaat en die zelfs geen enkel diploma behoeven te bezitten, tenminste zijn gevestigd binnen het gebied waar de nationale instanties bevoegd zijn — ook dan kan zodanige beweegreden geen rechtvaardiging zijn voor de door de wetstekst geschapen situatie.
Wij moeten het dus ervoor houden dat de ongelijke behandeling die objectief uit de toepassing ervan voortvloeit, in strijd is met de artikelen 59 en 60, derde alinea, van het Verdrag.
Zou het anders zijn als de voorwaarde van vestiging betrekking had op de zetel of het rechtsgebied van een rechterlijke instantie, zodat zij gerechtvaardigd zou lijken door de dwingende eis van een goede rechtsbedeling?
Feit is dat de wet in verscheidene Lid-Staten van de advocaten verlangt dat zij hun beroepshalve vestiging, hun kantoor, hebben in het rechtsgebied van de rechtbank of het gerechtshof waarbij zij zijn ingeschreven.
Dit is met name het geval in de Bondsrepubliek Duitsland (artikel 27 van de Bundesrechtsanwaltsordnung). In andere vorm is dit eveneens het geval in Frankrijk: behoudens uitzondering kunnen alleen advocaten die bij de balie van een „tribunal de grande instance” zijn ingeschreven, partijen voor dat rechtscollege vertegenwoordigen; dit noemt men de territorialiteit van de vertegenwoordiging in rechte, een erfenis van het oude beroep van „avoué”. Hetzelfde geldt op het niveau van de Cour d'appel, waar de avoué's de recente hervorming van de rechtsgeleerde beroepen hebben overleefd.
Zodanige regelingen worden gemotiveerd met de noodzaak voor de rechterlijke instanties om ter plaatse waar zij zetelen, of althans in hun ambtsgebied te beschikken over hulporganen van de justitie, die gemakkelijk bereikbaar zijn, bekend bij de rechters en in staat in nauwe samenwerking met dezen de rechtsgedingen vlot af te handelen. Daaraan moet worden toegevoegd dat het ook gaat om een groepsmonopolie, waaraan de beroepsgenoten om voor de hand liggende redenen sterk hechten.
Opgemerkt zij overigens dat in Frankrijk het territorialiteitsbeginsel wel regel is gebleven voor de vertegenwoordiging in rechte, maar niet geldt voor het pleiten.
Opgemerkt zij ook dat, waar geen monopolie van de advocaten bestaat, dat wil in de meeste gevallen zeggen voor de rechter in sociale zaken, het territorialiteitsbeginsel uiteraard evenmin bestaat.
In de onderhavige zaak nu hebben wij niet te doen met een advocaat, maar met een vrij juridisch adviseur, die tot taak heeft zijn cliënten bijstand te verlenen voor een rechterlijke instantie waar de vertegenwoordiging door een advocaat niet wettelijk is voorgeschreven.
Om die reden kunnen onzes inziens de door de gemachtigde van de Duitse Regering voor het Hof gemaakte opmerkingen, hoe belangwekkend ook, geen wezenlijke bijdrage leveren aan de oplossing van het gestelde probleem.
Voegen wij daaraan toe dat, indien de Nederlandse Regering het nodig acht om met het oog op praktische behoeften, op een goede rechtsbedeling, buitenslands gevestigde adviseurs zekere voorwaarden te stellen, zij naar onze mening dan gebruik zou kunnen maken van het systeem van het gekozen domicilie ten kantore van een advocaat of ten huize van een adviseur die binnen het betrokken rechtsgebied is gevestigd.
Die eis, bedoeld om de verzending van stukken en het procesverloop te vergemakkelijken en tevens als een garantie voor de justitiabelen zelf, zou niet in strijd zijn met het beginsel van het vrije dienstenverkeer en geen verboden discriminatie invoeren.
Dit is trouwens ook het systeem van 's. Hofs eigen reglement voor de procesvoering, dat, aangezien de bij een balie in een der Lid-Staten ingeschreven advocaten het recht hebben partijen voor het Hof bij te staan en te vertegenwoordigen, in artikel 38, paragraaf 2, bepaalt: „In het verzoekschrift wordt voor de mededeling van alle akten der procedure domicilie gekozen ter plaatse waar het Hof gevestigd is. Het verzoekschrift bevat voorts de naam van de persoon, die gemachtigd is en zich verbonden heeft tot het in ontvangst nemen van alle te betekenen stukken.”
Artikel 90 Beroepswet nu. bevat de verplichting tot domiciliekeuze, weliswaar niet voor de raadslieden, maar voor partijen zelf, indien zij buiten Nederland gevestigd zijn en zich tot een Nederlandse raad van beroep willen wenden.
Stellig is het niet onze taak uit te maken of deze bepaling desgevallend op een vrij juridisch adviseur die in België is gevestigd, zou kunnen worden toegepast. Dat is een vraag van uitlegging van nationaal recht, welke de Centrale Raad van Beroep in voorkomend geval moet beslissen.
Komen wij thans tot de vraag of de artikelen 59 en 60 van het Verdrag rechtstreekse werking hebben.
Los van de criteria, ontwikkeld door een oudere en wél bevestigde rechtspraak, vindt de oplossing van dit probleem een stevige basis in de rechtsoverwegingen van 's Hofs arrest van 21 juni 1974 (Reyners).
Op die, op zich reeds zeer verhelderende basis aarzelen wij niet ons uit te spreken voor de rechtstreekse toepasselijkheid van de artikelen 59 en 60, derde alinea, en zulks te meer nu advocaat-generaal Warner nog zeer onlangs duidelijk en krachtig in die zin stelling heeft genomen.
Al deze eenstemmigheid stelt ons overigens in staat het kort te maken.
Aan de erkenning van de directe werking van een gemeenschapsbepaling stelt 's Hofs rechtspraak de criteria van duidelijkheid en nauwkeurigheid.
Stellig voldoet artikel 59 aan die voorwaarden, want het verbiedt de Staten om de onderdanen van de Gemeenschap, die, gevestigd in een andere Lid-Staat, diensten verrichten, wettelijke maatregelen of administratieve handelwijzen tegen te werpen welke de dienstverrichting op hun grondgebied kunnen belemmeren. Dit sluit het verbod in aan die diensten andere voorwaarden te stellen dan die welke ervoor zouden gelden indien verricht door op het nationale grondgebied gevestigde eigen onderdanen.
De derde alinea van artikel 60 bevat insgelijks een ondubbelzinnige verplichting.
In de tweede plaats moet de betrokken communautaire bepaling onvoorwaardelijk en volledig zijn. Welnu, afgezien van de termijn waarbinnen zij in werking moeten treden, bevat artikel 59 noch artikel 60, derde alinea, een voorwaarde waarvan hun rechtstreekse toepasselijkheid afhangt. Weliswaar brengen de artikelen 55 en 56 op het vrij verrichten van diensten enkele uitzonderingen aan, welke gelden op het terrein waarmee wij ons thans bezighouden, maar zoals bekend zijn die uitzonderingen nauwkeurig bepaald, moeten zij strikt worden geïnterpreteerd en kunnen zij evenmin de directe werking van de artikelen 59 en 60 terzijde stellen als — zo heeft het Hof beslist — die van artikel 52.
En ten slotte moge het waar zijn dat voor de directe werking van een gemeenschapsbepaling de toepassing ervan niet afhankelijk mag zijn van nationale dan wel communautaire maatregelen — de rechtstreekse toepasselijkheid van de onderhavige artikelen van het Verdrag wordt niet verhinderd door de omstandigheid dat, zoals overigens ook het geval is voor het recht van vestiging, artikel 63 van het Verdrag voorziet in de vaststelling door de Raad van een algemeen programma voor de opheffing van de beperkingen op het vrij verrichten van diensten.
De vaststelling van dat programma in december 1961, waarbij in beginsel het ritme van de opheffing der verschillende beperkingen voor elke soort van werkzaamheid alsmede de voorwaarden zelf van die opheffing zijn vastgelegd, heeft een volkomen duidelijke situatie geschapen.
Rest nog het argument dat artikel 63, lid 2, de Raad de bevoegdheid geeft richtlijnen vast te stellen voor de liberalisatie van een bepaalde soort diensten en dat daardoor de in artikel 59 vervatte principiële verplichting afhankelijk zou zijn van gemeenschapshandelingen.
Wat dit betreft, bevinden wij ons echter in een rechtssituatie die volkomen identiek is met die van de zaak-Reyners.
Juist zoals artikel 52 — en in overeen komstige bewoordingen — voorziet artikel 59 in de geleidelijke opheffing van de beperkingen of discriminaties in de loop van de overgangsperiode. Ofschoon de Raad bevoegd wordt verklaard daartoe richtlijnen vast te stellen, legt het artikel niettemin ontegenzeglijk een resultaatsverplichting op die aan het einde van bedoelde overgangsperiode moest zijn nagekomen en waarvan de nakoming stellig had moeten worden vergemakkelijkt door, maar niet afhankelijk moet worden gesteld van die richtlijnen.
Die geleidelijke nakoming is niet verwezenlijkt, laten wij dat vaststellen; maar zoals het Hof in de zaak-Reyners heeft gezegd, het feit dat de Raad daarin is tekort geschoten, „laat de verplichting zelf na het verstrijken van de voor haar nakoming bepaalde termijn intact.”
Het Hof overwoog vervolgens „dat deze uitlegging in overeenstemming is met artikel 8, lid 7, van het Verdrag, luidens hetwelk het einde van de overgangsperiode het uiterste tijdstip vormt waarop alle bij het Verdrag gestelde regels in werking moeten treden en alle maatregelen welke het tot stand brengen van de gemeenschappelijke markt medebrengt, moeten zijn verwezenlijkt.”
De in het hoofdstuk betreffende het vrij verrichten van diensten bedoelde richtlijnen zijn dus overbodig geworden, althans voor de daadwerkelijke toepassing van het beginsel van gelijke behandeling. Zij blijven stellig van belang, maar alleen voor zover zij tot doel hebben het daadwerkelijk verrichten van diensten te vergemakkelijken.
Wij konden ermee volstaan aldus de hoofdpunten van 's Hofs beslissing in de zaak-Reyners in de herinnering te roepen om tot de conclusie te komen dat, evenals artikel 52, de artikelen 59 en 60, derde alinea, na het einde van de overgangsperiode rechtstreekse werking hebben.
Gelet op de volgorde waarin de Nederlandse rechter zijn vragen heeft gesteld, concluderen wij dus dat het Hof verklare voor recht:
1.
de artikelen 59 en 60, derde alinea, EEG-Verdrag zijn sedert het einde van de overgangsperiode rechtstreeks toepasselijk niettegenstaande het eventueel ontbreken, op een bepaald terrein, van de richtlijnen bedoeld in artikel 63, lid 2;
2.
de artikelen 59 en 60, derde alinea, beogen de opheffing van elke beperking op het vrij verrichten van diensten, welke door een Lid-Staat met name zou zijn ingevoerd op de enkele grond dat degene die de diensten verricht, zou wonen of zijn gevestigd op het grondgebied van een andere Lid-Staat;
een voorwaarde van vestiging op het grondgebied van de eerste Staat, welke — geheel los zelfs van een nationaliteitsvoorwaarde — wordt gesteld aan gemachtigden en juridische adviseurs om de justitiabelen voor bepaalde nationale rechterlijke instanties bijstand te kunnen verlenen, vormt aldus een door bovengenoemde bepalingen van het Verdrag verboden beperking.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy