CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 23 OKTOBER 1974 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Ondanks het feit dat de zaken 26-74 en 34-74 in processueel opzicht verschillen (in het ene geval gaat het om een tegen de Commissie gerichte schadevergoedingsactie, in het andere vraagt het Tribunal d'instance te Lille om een prejudiciële beslissing nopens de uitlegging van sommige bepalingen van communautaire verordeningen) vinden wij in de omstandigheid dat de betrokken onderneming dezelfde is en dat in beide gevallen goeddeels dezelfde rechtsproblemen aan de orde komen, aanleiding ze gelijktijdig te behandelen; daartoe bestaat te meer aanleiding waar het antwoord op de vraag welke de Franse rechter in zaak 34-74 heeft gesteld, op nationaal niveau zou kunnen leiden tot een beslissing welke herstel behelst van dezelfde schade waarvan verzoekster in haar voor dit Hof tegen de Commissie aanhangig gemaakte zaak 26-74 vergoeding vordert.
Het komt niet vaak voor dat de gedaagde partij in een geding dat strekt tot terugbetaling van bedragen die volgens de eiser wederrechtelijk zijn ingevorderd, verklaart het met deze laatste eens te zijn. In het prejudicieel verzoek dat het Tribunal d'instance te Lille tot het Hof heeft gericht in de zaak tussen de firma Roquette als eiseres en de Franse douane als gedaagde, is zulks het geval. In haar mondelinge opmerkingen heeft de Franse Regering verklaard dat zij zich bij het toepassen van compenserende bedragen op zetmeelhoudende produkten heeft gedragen naar verordening nr. 218/74/EEG — waarin de Commissie krachtens 's Raads verordening nr. 974/71 compenserende monetaire bedragen heeft vastgesteld —, ofschoon zij van mening was dat er volgens de beginselen van die basisverorde ning bij de export van op basis van granen verwerkte produkten geen compenserende bedragen behoorden te worden gegeven wanneer zulks niet ook de export van granen niet geschiedde.
De Commissie heeft weliswaar getracht haar gedragslijn te rechtvaardigen door te stellen dat deze haar was voorgeschreven door een specifieke bepaling van 's Raads verordening, te weten artikel 4 bis, lid 2, doch zij heeft niet ontkend dat de in het leven geroepen situatie als zeer abnormaal was te beschouwen en nauwelijks verenigbaar kon worden geacht met de juiste werking van de gemeenschappelijke markt dan wel met de doelstelling van de verordening waarbij het stelsel van compenserende bedragen werd ingevoerd; zelfs heeft zij tweemaal getracht de Raad te bewegen tot het wijzigen van genoemde bijzondere bepaling (artikel 9 bis, lid 2) die bij verordening nr. 509/73 in verordening nr. 974/71 is opgenomen en tot de hierbedoelde ongerijmdheden heeft geleid. Zij traden aan het licht nadat de situatie op de wereldmarkt voor granen zich in die zin had gewijzigd, dat de prijzen aldaar in korte tijd van een ver beneden het prijspeil van de Gemeenschap gelegen niveau tot boven dat prijspeil waren opgelopen; en artikel 4 bis was met het oog op de tevoren bestaande situatie geschreven.
2.
Zoals bekend is men er, in afwachting van de vaststelling van nieuwe pariteiten, mee voortgegaan voor produkten met een interventieprijs en produkten waarvan de prijs van die van eerstgenoemde produkten afhangt, het prijspeil vast te stellen — en de desbetreffende berekeningen te maken — op grond van de voorheen aan het Internationale Monetaire Fonds opgegeven pariteiten, en wel zulks ook voor landen met een zwevende munteenheid. Ofschoon theoretisch ongewijzigd gebleven, ondergingen deze prijzen derhalve al naar gelang van de munteenheid waarin zij werden uitgedrukt, een daling of stijging tot het beloop van de feitelijke revaluatie of devaluatie van die munteenheid, hetgeen via verstoring van de handel in landbouwprodukten heeft geleid tot speculatieve bewegingen en ontreddering van het in het communautaire landbouwrecht voorziene interventiestelsel.
Juist om zulke verstoringen van de werking van de gemeenschappelijke landbouwordening te voorkomen heeft men het systeem van compenserende bedragen ingevoerd; de doorwerking van gewijzigde valutaverhoudingen in de prijzen der basisprodukten waarvoor interventieprijzen zijn vastgesteld — en van de landbouwprodukten welker prijs van de basisprodukten afhankelijk is — wordt erdoor opgevangen.
Nog onlangs vond het Hof aanleiding in te gaan op de problematiek der monetaire fluctuaties en de werking van het communautaire stelsel volgens hetwelk de ondercompensaties waartoe zulke fluctuaties op de markt voor landbouwprodukten kunnen leiden, worden vermeden (men zie zaken 5-73, Balkan Import Export, Jurispr. 1973, blz. 1091; 9-73, Schlüter, Jurispr. 1973, blz. 1135 en 10-73 Rewe-Zentralfinanz, Jurispr. 1973, blz. 1175). Ik behoef dus niet meer uitvoerig stil te staan bij het mechanisme der compenserende bedragen en volsta er mee naar genoemde jurisprudentie en met name naar de conclusie van de Advocaat-Generaal Roemer in de zaak 5-73 te verwijzen. Ik zal thans trachten een materie die wemelt van dorre bepalingen van technische aard, zich leent tot een ingewikkelde probleemstelling en tegenstrijdige aspecten vertoont, zoveel mogelijk te vereenvoudigen.
Wat het ten deze relevante voorschrift betreft, ik zou mij ertoe willen beperken de ten deze rechtstreeks toepasselijke bepalingen in herinnering te roepen.
Volgens de laatste overweging van de considerans van verordening nr. 974/71 — waarbij de compenserende bedragen zijn ingesteld — dienen de compenserende bedragen niet hoger te zijn dan strikt noodzakelijk is om de invloed te compenseren van de monetaire maatregelen op de prijzen van de basisprodukten waarvoor is voorzien in interventiemaatregelen en slechts van toepassing te zijn in gevallen waarin deze invloed moeilijkheden zou veroorzaken.
In artikel 2, lid 2, dier verordening is bepaald dat voor produkten welker prijzen afhankelijk zijn van de prijzen van produkten waarvoor in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten in interventiemaatregelen is voorzien, en die onder de gemeenschappelijke ordening der markten vallen — zoals juist met de hierbedoelde zetmeelhoudende produkten het geval is — de compenserende bedragen gelijk zijn aan de invloed die de prijzen van het betrokken produkt ondergaan door de toepassing van het compenserend bedrag op de prijzen van het basisprodukt waarvan zij afhankelijk zijn.
Dit voorschrift is niet gewijzigd door 's Raads verordening nr. 509/73, waarbij de regeling van de vorige verordening die alleen had gegolden voor Staten welker geldeenheid de fluctuatiegrens van de geldende internationale regeling in bovenwaartse richting overschreed, ook van toepassing werd verklaard — en verplicht gesteld — voor Staten waar de waarde det munteenheid tot beneden die grens daalde. Aan verordening nr. 974/71 werd een artikel 4 bis toegevoegd, waarmede men heeft willen voorkomen dat importen uit derde landen in aanmerking werden gebracht voor een compenserend bedrag dat qua hoogte veel weg had van een invoersubsidie — hetgeen zou gebeuren wanneer de waarde van een munteenheid in benedenwaartse richting bepaalde grenzen mocht overschrijden —; in het tweede lid wordt daarom bepaald dat in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten en met derde landen de compenserende bedragen die ten gevolge van een waardedaling van de betrokken munteenheid van toepassing zijn, de belasting bij invoer uit derde landen niet te boven mogen gaan.
Voorts zij herinnerd aan artikel 14 van 's Raads verordening nr. 120/67 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, volgens welke bij invoer van uit granen verkregen zetmeel een heffing wordt toegepast die uit twee elementen bestaat:
a)
een variabel element, overeenkomend met de invloed die van de heffingen op de basisprodukten uitgaat op de kostprijs der hierbedoelde produkten.
b)
een vast element, vastgesteld met inachtneming van de noodzaak de verwerkende industrie te beschermen.
Alleen bij het eerste van deze beide elementen is er sprake van een invloed van de prijs der basisprodukten op de verwerkte produkten.
3.
In casu houden de door de firma Roquette gewraakte en door de overige interveniënten toegegeven ongerijmdheden verband met het feit dat men in een nieuwe situatie, waarvoor het ontbreken van een heffing bij invoer uit derde landen van basisprodukten als gevolg van de stijging hunner prijzen op de wereldmarkt, en mitsdien het ontbreken van compenserende bedragen voor die basisprodukten kenmerkend was, het compenserend bedrag op de verwerkte produkten is blijven toepassen, waardoor de Franse exporteur van die produkten in het nadeel geraakte ten opzichte van zijn concurrenten in andere Lid-Staten waar de munteenheid niet in waarde was gedaald.
Deze volgens de firma Roquette rechtstreeks met artikel 2, lid 2, van basisverordening nr. 974/71 strijdige situatie is ontstaan doordat de Commissie bij toepassing van de aftoppingsregel van artikel 4 bis, lid 2, volgens hetwelk de „belasting bij invoer” het plafond vormt voor de toe te kennen compenserende bedragen, niet alleen het hiervoor in de eerste plaats genoemde variabele element, doch ook het vaste element, bedoeld ter bescherming van de veredelingsindustrie in de Gemeenschap, in aanmerking heeft genomen.
Om het ongerijmde resultaat waartoe men aldus komt uit de weg te gaan had de Commissie toen de verhouding tussen de prijzen op de wereldmarkt en die in de Gemeenschap zich radicaal wijzigde, terstond bij de Raad een ontwerp-verordening tot wijziging van lid 2 van artikel 4 bis ingediend, volgens hetwelk bij een uit meer dan één element samengestelde „belasting bij invoer” voor de toepassing; van de compenserende bedragen slechts het element dat bestemd was om de wijziging van de prijzen der basisprodukten recht te doen wedervaren, in aanmerking behoefde te worden genomen. Enkele weken geleden heeft de Raad de bepaling voorlopig buiten werking gesteld (art. 1 van verordening nr. 2497/74 van 2 oktober 1974, PB nr. L 268, blz. 5).
Het Hof zal thans in de eerste plaats moeten nagaan of de destijds geldende regeling de Commissie verplichtte ter bepaling van het compenserend bedrag in ieder geval ook het vaste element in aanmerking te nemen — zoals in casu is geschied —.
4.
Waarin bestaat nu eigenlijk de door de firma Roquette en de Franse Regering gewraakte anomalie? In het door de firma aangehaalde voorbeeld van de Belgische stijfselfabrikant die in Frankrijk maïs koopt en vervolgens het daaruit gewonnen zetmeel verkoopt zonder daarvoor een compenserend bedrag te betalen, terwijl een Franse producent over zijn export naar België zodanig bedrag — naar rato van de verwerkte hoeveelheid maïs — wel moet opbrengen, is er sprake van een ongelijke behandeling van twee in de Gemeenschap gevestigde ondernemingen die in de doelstelling van het compensatiestelsel generlei rechtvaardiging vindt en indruist tegen een der beginselen van de communautaire orde. Men denke slechts aan het beginsel omschreven in de laatste overweging van de considerans der basisverordening, volgens welke de compenserende bedragen niet hoger dienen te zijn dan strikt noodzakelijk is om de invloed te compenseren van de monetaire maatregelen op de prijzen van de basisprodukten. Dit beginsel wordt in ons voorbeeld kennelijk geschonden: de Belgische producent heeft voor het basisprodukt eenzelfde bedrag — en in dezelfde munt — betaald als de Franse fabrikant. Men zou het voorbeeld nog kunnen verfijnen en het geval van Belgische export naar Frankrijk van uit Franse maïs vervaardigde stijfsel aan de orde kunnen stellen. Krachtens artikel 4 bis, lid 2, zou de Commissie hem in aanmerking brengen voor een compenserend bedrag dat zou moeten, doch kennelijk niet zou kunnen dienen ter compensatie van de invloed van de monetaire maatregelen op het basisprodukt — het is in Frankrijk gekocht en vrij van compenserende bedragen naar België uitgevoerd —.
De ware oorzaak van de ellende moet waarschijnlijk niet in de betaling van een compenserend bedrag door de Franse exporteur, doch in de vrijstelling van de Belgische koper van Franse maïs van een overeenkomstige belasting bij uitvoer van dit basisprodukt worden gezocht. Zulk een belasting zou wellicht meer in overeenstemming zijn geweest met de logica van het stelsel der compenserende bedragen, omdat zij, wat de goede werking van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten betreft, het door de verschillende fluctuaties der nationale valuta's ondergraven evenwicht zou herstellen. En met voormelde buitenwerkingstelling van de onderhavige bepaling heeft men hieraan, althans voorlopig, iets willen doen.
Maar was het in de onderhavige periode ook bij gebreke van een tijdige legislatieve voorziening wel mogelijk de ongerijmdheden waartoe men door voormelde toepassing dezer bepaling kwam, te vermijden?
Om deze vraag te beantwoorden zullen wij artikel 4 bis, lid 2, hebben te bezien in samenhang met het systeem waarvan het deel uitmaakt, alsook in verband met de overige bepalingen en in het licht van de doelstelling en grondbeginselen dier bepalingen.
Wij wijzen hier met name op de algemene regel van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 974/71, volgens hetwelk het compenserend bedrag gelijk is aan de invloed die de prijzen van het betrokken produkt door de toepassing van het compenserend bedrag op het basisprodukt ondergaan.
Deze algemeen gelijk-stelling komt er, ingepast in het kader van artikel 4 bis, in hoofdzaak op neer dat aan de vaste niet met de prijs van de basisprodukten samenhangende elementen der heffing iedere praktische betekenis wordt ontzegd: zij kunnen er niet toe leiden dat het compenserend bedrag bij verwerkte produkten de volgens dit algemeen criterium aan te houden grens te boven gaat. Wordt het anders geldend compenserend bedrag over de grondstof aldus tot nihil gereduceerd (namelijk wanneer de heffing op invoer van het basisprodukt uit derde landen nihil bedraagt), dan kan er ook geen compenserend bedrag op verwerkte produkten worden toegepast. Weliswaar kan men, zuiver formeel redenerend, dit resultaat ook bereiken zonder uitlegging van de term „belasting bij invoer” waarmede in lid 2 van artikel 4 bis wordt gewerkt — in dier voege dat zij geacht wordt slechts het variabel element van de belasting bij invoer uit derde landen te omvatten —.
De firma Roquette heeft opgemerkt dat men er bij toepassing dezer bepaling, indien ruim opgevat, mee kan volstaan de algemene maatstaf (gelijk-stelling) van artikel 2 aan te leggen.
Dat wil dan echter zeggen dat de vaste elementen van de belasting bij invoer uit derde landen de hoogte van het compenserend bedrag in geen enkel geval kunnen beïnvloeden, immers alleen wanneer de wereldmarktprijzen van grondstoffen hoger zijn dan — of ten naaste bij gelijk aan — de prijzen in de Gemeenschap (ofwel wanneer het vaste element van de belasting bij invoer nihil of vrijwel nihil bedraagt), kunnen aan het in aanmerking nemen dier vaste elementen gevolgen verbonden zijn voor het niveau van het compenserend bedrag.
Door deze laatste vaststelling komt mijns inziens de betekenis te ontvallen aan de redenering van de Deense Regering die, ervan uitgaande dat de vaste elementen tot economisch doel of gevolg hebben dat er voor in de Gemeenschap verwerkte produkten hogere prijzen worden gegarandeerd — ten einde de hogere kostprijzen in de Gemeenschap te dekken —, tot de slotsom kwam dat deze elementen in aanmerking moeten worden genomen ten einde, overeenkomstig artikel 4 bis, lid 2, de prijzen indirect te kunnen vergelijken.
5.
Is het in overeenstemming met de aan het lid 2 toegedachte werking wanneer men aldus bij de berekening de vaste elementen der heffing buiten beschouwing laat?
De Commissie heeft erop gewezen dat men door in dit voorschrift een grens vast te stellen waarboven de compenserende bedragen bij depreciatie van de betrokken munteenheid niet mogen stijgen, heeft willen voorkomen dat er beneden de wereldmarktprijs uit derde landen zou worden ingevoerd.
Wanneer dit de betekenis van deze bepaling is, dan kunnen alleen de elementen der heffing die bedoeld zijn om het verschil tussen wereldmarktprijs en Gemeenschapsprijs te compenseren, in aanmerking worden genomen omdat wederom alleen die elementen daartoe nuttig en nodig zijn. Maar dan moet het bij het variabel element op te tellen vaste element der heffing, dat niet dient tot compensatie van het verschil tussen wereldmarktprijs en Gemeenschapsprijs, ook buiten de berekening worden gehouden.
Het resultaat waartoe men komt wanneer men tracht de bedoeling van artikel 4 bis, lid 2, te achterhalen komt dus overeen met de uitkomst die men door toepassing van het algemeen voorschrift van artikel 2 verkrijgt. Zo zou de toepassing van artikel 4 bis, lid 2, ook in de lijn liggen van de doelstelling en beginselen van verordening nr. 974/71, zoals die tot uitdrukking komen in de laatste overweging harer considerans, volgens welke de interventiemaatregelen slechts van toepassing dienen te zijn in gevallen waarin de invloed van de monetaire maatregelen op de prijzen van de basisprodukten moeilijkheden zou veroorzaken, hetgeen in de hierbedoelde sector niet het geval schijnt te zijn. De discriminerende en met de algemene beginselen van de gemeenschappelijke markt strijdige gevolgen waartoe men komt door de toepassing die de Commissie aan artikel 4 bis, lid 2, heeft gegeven, vormen een argument te meer om zulk uitlegging niet met letter en geest van de hierbedoelde regeling in overeenstemming te achten.
De wenselijkheid voor ogen houdend om de hierbedoelde voorschriften zoveel mogelijk op elkander te doen aansluiten, meen ik dan ook dat de letterlijke en tot een tegenovergestelde uitkomst leidende uitlegging welke de Commissie en de Deense Regering aan de in artikel 4 bis, lid 2, gebezigde term „belasting bij invoer” menen te moeten geven, dient te worden verworpen ten gunste van het resultaat ener historisch-systematische interpretatie.
6.
De Commissie heeft echter nog een ander — praktisch — argument bij de hand: de uitlegger zou zich met name op het terrein van het economisch recht de concrete gevolgen van een bepaalde interpretatie terdege dienen te realiseren, waartoe hij een ruimer gezichtsveld dient te bestrijken en nieuwe problemen onder ogen heeft te zien.
De Commissie meent dat het buiten beschouwing laten van de vaste elementen der belasting bij invoer tot nog grotere moeilijkheden had kunnen leiden, zoal niet in de hierbedoelde sector der zetmeelhoudende produkten, dan toch in andere sectoren, met name in de sector varkensvlees; om alleen voor die sector geldende redenen zou het aldaar, zonder een compenserend bedrag bij invoer uit landen met een zwakke munteenheid naar Lid-Staten met sterke valuta, langs de weg van massale exporten van bedoeld produkt en verkoop aan interventiebureaus van landen met sterke valuta — waarbij men van bedoeld verschil in koerswaarde zou kunnen profiteren — kunnen komen tot de speculatieve bewegingen die men nu juist met behulp van verordening nr. 974/71 een halt wilde toeroepen.
Het voorbeeld van het varkensvlees is, althans in de gedachtengang der Commissie, niet zeer overtuigend omdat er juist in de Lid-Staten met een zwakke munteenheid, zoals Italië, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, een tekort aan bestaat, terwijl Ierland weliswaar varkensvlees exporteert, doch wat deze sector betreft in de Gemeenschap een vrij bescheiden plaats inneemt. Naar men weet wordt varkensvlees in de Gemeenschap vooral geëxporteerd door Denemarken en Nederland, twee Staten met een „sterke” munteenheid.
Doch daargelaten dat dit voorbeeld niet overtuigend is (hetgeen ons niet geheel onverschillig mag laten omdat het moest dienen om een bij uitstek praktisch argument te staven), kan worden opgemerkt dat het gesignaleerde gevaar voor moeilijkheden reeds voortvloeide uit het feit dat men een voorschrift tot beperking der compenserende bedragen in stand had gelaten ofschoon er in bepaalde sectoren behoefte bestond aan een doeltreffender compensatie voor de valutaschommelingen. Het medeberekenen van de vaste elementen van de belasting bij invoer kan dan hoogstens een uiterste redmiddel opleveren waardoor de moeilijkheden die zich als gevolg van bedoeld beperkend voorschrift voordoen — en die de Commissie in de considerans van haar op 6 september 1974 bij de Raad ingediende ontwerp-verordening (PB nr. C 107, blz. 5) duidelijk heeft omschreven — kunnen worden verzacht, doch niet uit de weg geruimd.
Alle moeilijkheden vloeien voort uit het feit dat men artikel 4 bis, lid 2, ofschoon geschreven voor een situatie tegengesteld aan die welke zich naderhand heeft voorgedaan, ook toen niet buiten werking heeft gesteld; het kon niet anders of dit voorschrift moest toen tot onbedoelde en ongerijmde resultaten leiden, in dier voege dat bepaalde ondernemers in de Gemeenschap lasten te dragen kregen die, zowel bij toetsing aan de doelstellingen van het bijzondere stelsel der compenserende bedragen als aan de algemene beginselen van de rechtsorde der Gemeenschap, als volkomen ongerechtvaardigd moesten worden beschouwd, terwijl daarentegen anderen onbillijk werden bevoordeeld en in andere sectoren niet in een passende compensatie voor waardeschommelingen der munteenheden was voorzien — met als gevolg verlegging van het handelsverkeer en ontwrichting der mededinging —.
Gezien deze innerlijk tegenstrijdige en in alle gevallen verwerpelijke — want niet aan de doelstelling van het systeem beantwoordende — consequenties, geloof ik dat men zich bij de uitlegging slechts kan laten leiden door het praktisch streven het ergste te voorkomen. In dit verband dient wel te worden bedacht dat de hierbedoelde moeilijkheden, nadat de Raad voorshands tot buitenwerkingstelling dezer bepaling heeft besloten, tot het verleden zijn gaan behoren, zowel voorzover zij zich, als gevolg van de wijze waarop de Commissie het voorschrift heeft toegepast, daadwerkelijk hebben voorgedaan als voorzover de Commissie ze ingeval van een andere uitvoering van de bepaling duchtte, en wij hopen dat de bevoegde gezagsorganen van de Gemeenschap zich ervoor zullen wachten de bepaling in bijzondere economische situaties te doen herleven.
7.
Nu ik dan in deze prejudiciële zaak mijn conclusie onder woorden ga brengen, moge ik er, mijnheer de President en mijne heren Rechters, op wijzen dat de taak van wie in abstracto hetzij de afzonderlijke rechtsregels hetzij het toe te passen stelsel moet uitleggen, met betrekking tot deze complexe en levende materie ener in ontwikkeling verkerende economie een zeer bijzondere is, omdat de verordeningen nu eenmaal vragen om een toepassing die op de verschillende al dan niet door de wetgever voorziene situaties is afgestemd. Daarom kan men ook bij het formuleren van een antwoord op de vragen van de rechtbank te Lille de onderhavige bijzondere marktsituatie niet buiten beschouwing laten. Ik wil er ook de aandacht op vestigen dat de beide taken welke het Hof van Justitie in artikel 177 van het Verdrag worden opgedragen, in deze zaak samenvallen dan wel in elkaar opgaan; het antwoord dat ik U in overweging zal geven zal daarom een tweeërlei oplossing behelzen: hetzij een uitlegging die eerbiediging der beginselen mogelijk maakt, hetzij de uitspraak dat de hierbedoelde bepaling niet rechtsgeldig is.
Het stelsel dat de toevoeging van de beperkende en in sommige opzichten afwijkende bepaling van artikel 4 bis, lid 2, aan verordening nr. 974/71 bracht, leent zich wegens het feit dat er, wat de prijzen op de wereldmarkt betreft, een situatie is ingetreden die diametraal tegengesteld is aan die waarvan men bij het geven van dit voorschrift is uitgegaan, niet langer voor een eensluidende toepassing op alle verwerkte produkten, die logisch bij de beginselen en doelstellingen aansluit en tegelijkertijd op de praktijk is afgestemd. De rechter zal in een legislatief gezien zo onvolkomen situatie de zin der bepalingen, met eerbiediging van de doelstelling en de grondbeginselen van het systeem, hebben aan te passen aan de werkelijkheid ten einde bepaalde bezwaren die de verhoudingen op betreurenswaardige wijze scheeftrekken, te vermijden.
Mocht het Hof het, gelet op hetgeen hiervoor nopens de voorgeschiedenis en bedoeling van artikel 4 bis, lid 2, is opgemerkt, niet mogelijk achten de term „belasting bij invoer” in de hier voorgestane zin limitatief op te vatten of wel zulks op grond van de op letterlijke uitlegging berustende redenering van de Commissie en de Deense Regering, dan zal misschien moeten worden gewerkt met het ten aanzien van economische verhoudingen volledig tot zijn recht komend begin sel cessante ratione legis, cessat et ipsa lex, hetgeen ertoe zou moeten leiden dat het voorschrift, althans ten dele, buiten toepassing dient te worden gelaten.
Ook langs deze weg zou een toepassing van het systeem zonder de gesignaleerde anomalieën kunnen worden verkregen.
Wij zagen dat in de sector zetmeelhoudende produkten de toepassing zelve van compenserende bedragen die niet ook op de basisprodukten worden toegepast, tot ontwrichting leidt, terwijl er zonder zulke bedragen niets aan de hand schijnt te zijn; anderzijds kan het in andere produktiesectoren ter vermijding van moeilijkheden juist noodzakelijk zijn op het verwerkte produkt een niet ook op het basisprodukt toegepast compenserend bedrag toe te passen.
Voorts weten wij dat er volgens de algemene regel van verordening nr. 974/71 slechts plaats is voor compenserende bedragen wanneer de invloed van de monetaire maatregelen op de prijzen der basisprodukten moeilijkheden zou veroorzaken.
Volgens dit algemeen beginsel der basisverordening — waarin trouwens het oude principe tot uitdrukking komt dat een regel die zijn bestaansgrond verliest niet langer behoort te worden toegepast — is de toepassing welke de Commissie aan artikel 4 bis, lid 2, heeft gegeven wellicht te verdedigen in sectoren waar een gedifferentieerde toepassing van compenserende bedragen niet tegen de doelstelling van het systeem indruist, doch moet zij worden vermeden in sectoren waar geen moeilijkheden te duchten zijn. Dit ware een praktische oplossing, die het voordeel zou bieden dat alle consequenties van de reeds aan het voorschrift gegeven uitvoering niet opnieuw aan de orde behoeven te worden gesteld; wij dienen echter niet te verhelen dat deze oplossing minder sluitend zou zijn en minder duidelijkheid zou scheppen dan de zojuist voorgestane.
8.
Ik meen daarom dat de vragen van de rechtbank te Lille in die zin dienen te worden beantwoord dat het in aanmerking nemen van het vaste element van de belasting bij invoer uit derde landen niet tot het toepassen van compenserende bedragen op de uitvoer van verwerkte produkten mag leiden, wanneer er wegens de uitvoer van het desbetreffend basisprodukt geen zodanig bedrag kan worden toegepast.
Geheel subsidiair ware dit, wanneer praktische overwegingen de doorslag moeten geven, te verdedigen voor de beperkte groep van gevallen waarin men, juist voor de desbetreffende sector van verwerkte produkten, heeft vastgesteld dat het gevaar van moeilijkheden als die welke men door middel van verordening nr. 974/71 wilde vermijden, zich werkelijk voordoet.
Zo niet, dan moet worden geconcludeerd dat artikel 4 bis, lid 2, van verordening nr. 974/71 zich niet met de doelstelling en de grote lijnen der verordening verdraagt, noch ook met de algemene beginselen die bij de toepassing van het Verdrag moeten worden inachtgenomen, en met name niet met het beginsel ener gelijke behandeling van de rechtssubjecten die de lasten voorzien in het Gemeenschapsrecht hebben te dragen, hetgeen er dan toe zou moeten leiden dat aan de bepaling althans ten dele de rechtsgeldigheid dient te worden ontzegd.
Gezien de gunstige gevolgen waartoe zulk een uitlegging voor verzoeker in de zaak voor de Franse rechter zou leiden, meen ik dat het Hof zich voorshands niet behoeft uit te spreken over de in de zaak 26-74 ingestelde schadevergoedingsactie. De desbetreffende procedure zal daarom moeten worden geschorst om op grondslag van de feitelijk en rechtens nieuwe situatie eventueel, ten verzoeke van de desbetreffende onderneming, te worden hervat wanneer de uitkomst van het geding voor de nationale rechter haar geen genoegdoening mocht schenken.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy