CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 23 OCTOBER 1974 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Dat een verzekeringsorgaan na verloop van ruim twaalf jaren terugbetaling verlangt van een uitkering krachtens de wetgeving op de ziekte- en invaliditeitsverzekering die een werknemer destijds zonder enig voorbehoud werd verstrekt, moge in het kader van een onpersoonlijk administratief stelsel „kunnen”; het druist stellig in tegen de beginselen van het stelsel van sociale zekerheid. De repetitio indebiti betreft in casu invaliditeitsuitkeringen welke de verzekerde van 1 januari tot 31 oktober 1959 van een verzekeringsorgaan in een andere Lid-Staat heeft ontvangen krachtens een algemene regeling inzake de invaliditeitsverzekering welke op grond van werkzaamheden in deze tweede staat verricht op hem van toepassing was geweest.
De Arbeidsrechtbank te Bergen verkeert in twijfel over de vraag of er bij de terugvordering door het Belgisch verzekeringsorgaan naar Gemeenschapsrecht een verjaringstermijn in acht moest worden genomen en verzoekt het Hof om opheldering. De verjaringskwestie is echter logischerwijze ondergeschikt aan de vraag of de verzekeringsinstellingen na de inwerkingtreding van het Gemeenschapsrecht inzake de migrerende werknemers bij het berekenen van invaliditeitsuitkeringen soortgelijke uitkeringen, door betrokkene krachtens de wettelijke regeling van een andere staat genoten, nog wel in aanmerking mogen nemen. Wij zullen dus eerst een uitleggingsvraag, betreffende de artikelen 27 en 28 van verordening nr. 3, moeten bespreken.
Er zij in dit verband op gewezen dat voor het verkrijgen van recht op uitkeringen krachtens de Belgische wettelijke regeling — type A — samentelling van tijdvakken vervuld onder andere wettelijke regelingen achterwege kan blijven. Daaraan doet geenszins af dat het Belgisch verzekeringsorgaan vóór de inwerkingtreding van de desbetreffende voorschriften van het Gemeenschapsrecht krachtens de destijds geldende overeenkomsten tussen België en de Bondsrepubliek van het Duitse verzekeringsorgaan het gedeelte der uitkeringen welke het de werknemer op grond van zijn op 9 januari 1953 ingetreden arbeidsongeschiktheid had verstrekt, mocht terugvorderen. Met ingang van 1 januari 1959 — datum van inwerkingtreding van de gemeenschapsrechtelijke voorschriften die een coördinatie behelzen van de nationale wettelijke regelingen inzake de verzekering van werknemers die achtereenvolgens binnen de Gemeenschap aan verschillende national verzekeringsstelsels onderworpen zijn geweest — heeft de Duits verzekeringsinstelling haar uitkeringen rechtstreeks aan de werknemer doen toekomen, en wel zulks tot 31 oktober 1959. Op die datum verloor betrokkene de hoedanigheid van vluchteling in de zin van het speciale UNO-Statuut welke hem volgens de artikelen 4, lid 1, juncto 1, letter j, van verordening nr. 3, onder de desbetreffende communautaire rechtsvoorschriften deed vallen. De tot terugbetaling strekkende actie van het Belgische verzekeringslichaam betreft voormelde korte periode.
In zijn arrest van 6 december 1973, gewezen in de zaak 140-73 (Mancuso) heeft het Hof voor recht verklaard dat „de overeenkomstige toepassing van de artikelen 27 en 28 van verordening nr. 3 in de gevallen bedoeld in artikel 26, lid 1, … mede(brengt) dat toerekening pro rata … van uitkeringen slechts mogelijk is wanneer er met het oog op het verkrijgen van recht op uitkering tevoren moet worden overgegaan tot samentelling der onder verschillende wettelijke regelingen vervulde tijdvakken” (Jurispr. 1973, blz. 1457). Aan het Hof is niet gevraagd op deze uitspraak terug te komen, waarmede a priori vaststaat dat dit beginsel ook in casu tot gelding zal moeten komen.
Is voor het verkrijgen van recht op uitkering krachtens de Belgische ziekte- en invaliditeitsverzekering dus geen samentelling nodig, dan kan het Belgisch verzekeringsorgaan na de inwerkingtreding der verordening niet verlangen dat de last der invaliditeitsuitkeringen pro rata temporis krachtens de artikelen 27 en 28 van verordening nr. 3 ook gedeeltelijk door het Duitse verzekeringsorgaan wordt gedragen en mag het ter berekening van de te zijnen laste komende uitkering geen rekening houden met invaliditeitsuitkeringen welke betrokkene van de Duitse verzekeringsinstelling heeft ontvangen; en om het equivalent van het bedrag dat de werknemer rechtmatig krachtens de Duitse verzekeringsregeling heeft ontvangen te kunnen terugvorderen is dan ook een beroep op artikel 34, lid 3, der verordening — betreffende de terugbetaling van voorschotten — vruchteloos.
Deze uitsluiting betreft echter alleen de mogelijkheid van toerekening pro rata krachtens de artikelen 27 en 28 van verordening nr. 3 en doet niet af aan de bevoegdheid der staten om, overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 3, de nodige maatregelen te nemen ten einde een ongerechtvaardigde cumulatie van invaliditeitsuitkeringen voor één en hetzelfde geval van arbeidsongeschiktheid te voorkomen.
Die bevoegdheid is in voormeld arrest 140-73 met zoveel woorden erkend op voorwaarde dat er sprake moet zijn van uitkeringen „verkregen buiten de artikelen 27 en 28 om”.
Hoe ver gaat de aldus door het Hof aangegeven beperking? Kennelijk betreft zij alleen staten waar de verzekerde alleen via samentelling van de ook in andere Lid-Staten vervulde tijdvakken voor uitkering in aanmerking komt en is zij niet van toepassing op staten waar zodanige samentelling voor het verkrijgen van recht op uitkering — en ter berekening van de uitkeringen — niet nodig is, zoals met name het geval is in staten met een wettelijke regeling van type A. Staten met een wettelijke regeling volgens welke de duur der verzekeringstijdvakken buiten beschouwing blijft, kunnen dus consequenties verbinden aan invaliditeitsuitkeringen waarvoor de verzekerde ter zake van dezelfde arbeidsongeschiktheid krachtens andere wettelijke regelingen in aanmerking komt, hetgeen dan volgens de ne bis in idem-regel eventueel ook zijn uitwerking heeft op de positie van de gerechtigden.
De rechter in het hoofdgeding zal dus hebben na te gaan of de terugbetaling van een invaliditeitsuitkering wellicht verlangd wordt niet omdat het Belgische verzekeringsorgaan tot herberekening is overgegaan — met ongeoorloofde toerekening pro rata parte van de last welke ingevolge de artikelen 27 en 28 van verordening nr. 3 op haar rust —, doch alleen op grond van een nationale regeling, gegeven ter voorkoming van cumulatie van uitkeringen voor een en hetzelfde geval — onverminderd uiteraard de beginselen en maatstaven welken het Hof in voormelde uitspraak heeft toegelicht —.
Zou er in het eerste geval ten aanzien van de verjaring zelfs geen vraag rijzen, in het tweede geval zou het recht op terugbetaling uitsluitend op het nationale recht berusten en niet op artikel 34, lid 3, van 's Raads verordening nr. 4 en dat nationale recht zou dan stellig ook op de verjaring van toepassing blijven.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy