CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 26 JUNI 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
I — De feiten
Verzoeker die in 1960 bij de Commissie in dienst is getreden, is ambtenaar in de rang C 3 (beambte). Tot 1968 was hij als offset-operator in de drukkerij van die instelling werkzaam.
Sinds 1964 lijdt hij aan een aandoening van zijn ademhalingsorganen, welke hij aan zijn werkomstandigheden wijt. Hij moest zijn arbeid namelijk in een ongezond lokaal in een souterrain verrichten en was blootgesteld aan de werking van prikkelende stoffen.
Vanaf die tijd vroeg en kreeg hij herhaaldelijk ziekteverlof.
Met name van september 1965 tot september 1968, derhalve over een periode van drie jaar, was hij in totaal meer dan 12 maanden met ziekteverlof.
Artikel 59, lid 1, laatste alinea, van het Statuut geeft in' een dergelijk geval het tot aanstelling bevoegde gezag de mogelijkheid zich tot een invaliditeitscommissie te wenden.
Aldus geschiedde toen de administratie op 27 september 1968 een dergelijke commissie vroeg na te gaan of verzoeker blijvend algeheel invalide was, waardoor het hem onmogelijk zou zijn, met een functie in zijn loopbaan overeenkomende werkzaamheden te verrichten.
De daarop gevormde invaliditeitscommissie kwam tot de conclusie dat de gezondheidstoestand van Vellozzi hem — toentertijd — niet verhinderde te werken, maar wel noodzakelijk maakte dat hij een post kreeg op een beschutte plaats, in een gezond lokaal en in een omgeving zonder prikkelende substanties voor de ademhalingsorganen. Ten slotte erkende zij dat verzoekers vroegere werkomstandigheden vanaf 1960 „goeddeels de oorzaak van zijn astmatische of soortgelijke bronchitis waren”.
Reeds voordat de administratie van deze conclusies kennis had gekregen, had zij verzoeker per 5 juli 1968 in een andere functie overgeplaatst naar het Directoraat-generaal Concurrentie waar hij documenten moest opbergen en kantoorbehoeften rondbrengen.
Uit het oordeel van de invaliditeitscommissie leidde Vellozzi evenwel af dat zijn ziekte door zijn beroep was veroorzaakt en hem derhalve recht gaf op een uitkering wegens blijvende gedeeltelijke invaliditeit in de zin van artikel 73 van het Statuut, evenals op volledige vergoeding van de kosten voor medische hulp en geneesmiddelen ter behandeling van zijn aandoening.
Hij vroeg te vergeefs om toepassing van deze statutaire bepalingen. Daarop wendde hij zich op 9 juni 1971 tot het Hof om het stilzwijgend besluit tot afwijzing van zijn verzoek — erkenning van een gedeeltelijke invaliditeit ad 30 % en toepassing uit dien hoofde van artikel 73 — te doen nietigverklaren.
Bij arrest van 13 juli 1972 verwierp het Hof (Tweede Kamer) het beroep, op grond dat verzoeker zich niet op het rapport van de in 1968 ingestelde invaliditeitscommissie kon baseren ten betoge dat deze zijn blijvende gedeeltelijke invaliditeit had erkend; dat de betrokkene derhalve geen grond had voor zijn vordering dat de nieuwe invaliditeitscommissie, die hij verzocht bijeen te roepen, alleen maar tot taak zou krijgen het percentage van zijn beweerde invaliditeit vast te stellen en te bepalen welk bedrag hem voor geneeskundige hulp en geneesmiddelen moest worden vergoed; dat integendeel, blijkens de inhoud van het rapport van de invaliditeitscommissie van 5 december 1968, de instelling van een nieuwe invaliditeitscommissie — die zich onder meer zou hebben uit te spreken over de oorzaken van verzoekers eventuele invaliditeit — gerechtvaardigd was.
Nadat het beroep was ingesteld, gaf de administratie opdracht aan een invaliditeitscommissie, bestaande uit dr. Therasse, aangewezen door het Hof van Justitie, dr. d'Avanzo, behandelend geneesheer van verzoeker, en dr. De Coster, door de eerste twee artsen in onderlinge overeenstemming aangewezen, om zich niet alleen erover uit te spreken of Vellozzi blijvend algeheel invalide was, maar ook na te gaan of hij als gevolg van zijn werkomstandigheden blijvend gedeeltelijk invalide was en in dat geval het invaliditeitspercentage te bepalen.
Op 31 maart 1973 deed de nieuwe invaliditeitscommissie aan de administratie mededeling van haar door dr. De Coster opgestelde en door dr. Therasse goedgekeurde conclusies. Deze luidden dat verzoeker voor 10 % blijvend gedeeltelijk invalide werd geacht en dat niet was bewezen dat de ziekteverschijnselen aan een beroepsziekte zijn te wijten.
Op 10 december 1973 deed de administratie copie van de conclusies toekomen aan verzoeker, die deze ongeldig achtte, omdat zij niet met eenparigheid van stemmen waren aanvaard door alle drie artsen van de invaliditeitscommissie.
Op 2 januari 1974 verzocht hij een derde invaliditeitscommissie samen te stellen.
Het eerste door hem ingestelde beroep, ingeschreven onder nr. 42-74, is gericht tegen het besluit van 23 april 1974 tot afwijzing van dit verzoek.
Inmiddels had het hoofd van de afdeling „individuele rechten” verzoeker op 3 april eraan herinnerd dat dr. Romain, raadgevend arts van de Commissie, hem na onderzoek op 15 maart 1973 onder de door de invaliditeitscommissie van 1968 omschreven voorwaarden arbeidsgeschikt had bevonden. Bijgevolg deelde hij hem officieel mee dat het tot aanstelling bevoegde gezag had besloten zijn afwezigheid onregelmatig te achten en artikel 60 van het Statuut toe passen door vanaf de ontvangst van de brief die afwezigheid in mindering te brengen op zijn vakantieverlof en vervolgens de betaling van zijn salaris te schorsen.
Nadat dit besluit op 10 en 14 mei 1974 was bevestigd, werd Vellozzi op 11 juli medegedeeld dat, waar hij voor het lopende jaar geen recht meer had op vakantieverlof, zijn salaris over de maand juli bij wijze van conservatoire maatregel, overeenkomstig artikel 60, werd geblokkeerd.
Op 16 mei en 5 augustus 1974 diende verzoeker klachten in tegen dit besluit, waarvan hij U bij een tweede beroep, ingeschreven onder nr. 62-74, nietigverklaring vraagt.
Daar beide zaken voor de behandeling en berechting zijn gevoegd, wordt U dus enerzijds verzocht nietig te verklaren de afwijzing van het verzoek een invaliditeitscommissie samen te stellen ten einde het in artikel 75 van het Statuut bepaalde inzake schadeloosstelling bij blijvende gedeeltelijke invaliditeit op verzoeker toe te passen en bijgevolg te verstaan dat de administratie is gehouden daartoe een nieuwe invaliditeitscommissie bijeen te roepen, en wordt U anderzijds verzocht om nietigverklaring van de krachtens artikel 60 van het Statuut jegens verzoeker genomen besluiten, met name dat van 11 juli 1974 waarbij zijn maandsalaris werd geblokkeerd.
Alvorens onze mening over de beroepen uiteen te zetten, zij nog in herinnering gebracht dat Uw Kamer tijdens de mondelinge behandeling van 20 februari jl. het initiatief heeft genomen partijen een minnelijke schikking in overweging te geven. Zulks is evenwel mislukt. De vertegenwoordigers van de Commissie hebben op 28 april jl. voorgesteld verzoeker onmiddellijk in een door de raadgevende artsen met zijn gezondheidstoestand verenigbaar geacht ambt te werk te stellen. Het werk in dit ambt — dat valt onder afdeling IX van het Directoraat-generaal Personeelszaken (documentatie, vermenigvuldiging en verspreiding van documenten) — zou bestaan uit het retoucheren van films. Volgens een door het Directoraat Personeelszaken overgelegde nota komen in het lokaal waar dit gebeurt licht en lucht door vier ramen binnen. Het retoucheren van films geschiedt met een produkt dat onschadelijk en op 20 centimeter afstand reukloos is. Twee geraadpleegde artsen van de instelling waren van mening dat verzoeker voor dit ambt volledig geschikt was.
Mits Vellozzi, die zijn werkzaamheden nog geenszins had hervat, de hem aangeboden post onverwijld zou aanvaarden, verklaarde de Commissie zich bereid hem zijn salaris te betalen, echter slechts vanaf 20 februari 1975, op welke datum partijen op verzoek van Uw Kamer hadden besloten te trachten tot een minnelijke schikking te komen.
Zijnerzijds handhaafde verzoeker echter de eis dat het besluit om artikel 60 van het Statuut op hem toe te passen, zonder meer zou worden ingetrokken en dat de sinds juli 1974 ingehouden bezoldiging volledig aan hem zou worden uitbetaald.
Voorts heeft hij geweigerd kennis te nemen van het overplaatsingsbesluit en de omschrijving van de hem voorgestelde nieuwe taken; hij wenste officiële mededeling van deze besluiten bij aangetekend schrijven.
Constaterend dat verzoeker anderzijds volhardde in zijn weigering de dienst op de hem aangeboden post te hervatten en ter dekking van zijn afwezigheid van 1 januari tot 24 mei 1975 vijf medische attesten van zijn behandelend geneesheer met dezelfde diagnose als voorheen aan de administratie had doen toekomen, meende de Commissie dat een minnelijke regeling onmogelijk was en verzocht zij Uw Kamer om een uitspraak op de beroepen.
Zijnerzijds heeft verzoekers raadsman zijn posita gehandhaafd.
Zo ligt de zaak nu de procedure, na de schorsing om te trachten tot een minnelijke regeling te komen, vandaag is hervat.
II — De conclusies van de in 1973 bijeengeroepen invaliditeitscommissie
Het eerste van de beide beroepen acht de Commissie niet-ontvankelijk op grond van artikel 91 van het Statuut, krachtens hetwelk een beroep in rechte van een ambtenaar tegen een hem bezwarend besluit slechts ontvankelijk is, indien de betrokkene tevoren een klacht heeft ingediend in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut, binnen de in die bepaling genoemde termijn.
Vast staat dat verzoeker — zonder tevoren een klacht te hebben ingediend — rechtstreeks bij het Hof in beroep is gegaan van het besluit van 23 april 1974, waarbij het bevoegde gezag zijn verzoek een nieuwe invaliditeitscommissie te vormen, heeft afgewezen. Zijn eerste verzoek is derhalve niet-ontvankelijk. Toch stellen wij U voor deze nietontvankelijkheidsgrond te passeren en ten principale uitspraak te doen, te meer omdat verzoekers betwisting van de regelmatigheid der conclusies van de in 1973 bijeengeroepen invaliditeitscommissie van invloed is op de uitslag van beide bij U aanhangig gemaakte zaken.
Wij zullen derhalve de geschillen ten principale bespreken, zonder bij de ontvankelijkheid van het eerste beroep stil te staan.
Daarbij zullen wij eerst zien naar de omstandigheden rond de vaststelling van de conclusies van de invaliditeitscommissie, die was gevormd ten einde met name na te gaan of verzoeker ten gevolge van zijn werkomstandigheden blijvend gedeeltelijk invalide was.
Naar bekend, blijkt uit deze op 31 maart 1973 aan de administratie medegedeelde conclusies dat betrokkene inderdaad voor naar schatting 10 % blijvend gedeeltelijk invalide is; omgekeerd echter wordt daarin niet bewezen geacht dat Vellozzi's ziekteverschijnselen aan een beroepsziekte zijn te wijten, hetgeen wil zeggen dat de commissie geen causaal verband tussen de invaliditeit en de vroegere werkomstandigheden van verzoeker heeft aangenomen.
Deze betoogt echter dat de administratie zich bij de weigering artikel 73 van het Statuut op hem toe te passen, niet geldig op dergelijke conclusies mocht baseren, aangezien zij slechts met meerderheid van stemmen waren vastgesteld, door twee van de drie artsen-commissieleden; de derde, door verzoeker aangewezen arts — diens behandelend geneesheer — had namelijk geweigerd zich bij de gemeenschappelijke mening van zijn beide collega's aan te sluiten.
Ons dunkt dat dit middel niet kan slagen.
Hoewel afdeling 4 van bijlage II van het Statuut niet te kennen geeft dat een invaliditeitscommissie haar conclusies met meerderheid van stemmen van haar leden kan nemen, lijkt het ons buiten kijf dat zonder uitdrukkelijke bepaling niet kan worden uitgegaan van de unanimiteitsregel waarop verzoeker zich beroept.
In het algemeen immers bestaan de in het Ambtenarenstatuut genoemde colleges die advies moeten geven alvorens de administratie bepaalde besluiten jegens haar personeelsleden kan nemen, uit een oneven aantal leden. Dit is niet alleen het geval bij de invaliditeitscommissie, maar ook bij voorbeeld bij de in afdeling 3 van dezelfde bijlage II bedoelde tuchtraden. Dit voorschrift dient ertoe adviezen of conclusies bij meerderheid van stemmen mogelijk te maken.
Een unanimiteitsbeginsel zou verlammend op deze colleges werken en beletten dat zij zich geldig kunnen uitspreken, zodra ook maar een van hun leden zou weigeren zich bij de meerderheid aan te sluiten.
In de tweede plaats is de samenstelling van de invaliditeitscommissies, die onafhankelijk van de administratie zijn, zo geregeld dat hun onpartijdigheid is gegarandeerd: slechts een van de drie artsen die de commissie vormen, wordt door de betrokken instelling benoemd; de ambtenaar wiens geval wordt onderzocht kan zijnerzijds de arts van zijn keuze aanwijzen; de derde arts wordt in onderlinge overeenstemming door de eerste twee aangewezen. Derhalve kan het voorkomen dat hetzij de door de ambtenaar aangewezen arts, hetzij de door de administratie benoemde, een oordeel heeft dat afwijkt van de gemeenschappelijke mening van de beide andere commissieleden. Dit doet echter niet af aan de geldigheid van de bij meerderheid van stemmen bereikte conclusies.
De vraag is overigens in deze zin beslist bij arrest van de Tweede Kamer van 14 december 1966 (zaak 3-66, Alfieri t. Europees Parlement, Jurispr. 1966, blz. 631). In gelijke zin is onlangs beslist bij een nog niet gepubliceerd arrest van de Eerste Kamer van 12 maart 1975 (zaak 31-71, Gigante t. Commissie).
In casu is niet betwist dat de conclusies van de invaliditeitscommissie zijn opgesteld door dr. De Coster, de door de beide andere commissieleden in onderlinge overeenstemming gekozen arts, en zijn medeondertekend door dr. Therasse. Slechts dr. d'Avanzo, de door verzoeker aangewezen arts, weigerde zijn goedkeuring daaraan te geven.
De conclusies zijn dus wettig vastgesteld. De administratie mocht uit het aldus door de invaliditeitscommissie gegeven advies terecht afleiden dat verzoekers blijvende gedeeltelijke invaliditeit niet aan de dienst is te wijten en derhalve geen toekenning van een uitkering op grond van artikel 73 van het Statuut kan rechtvaardigen.
Op grond van deze overwegingen kunnen wij tevens concluderen tot verwerping van het beroep nr. 42-74. Immers, voor het verzoek een nieuwe invaliditeitscommissie samen te stellen voert verzoeker juist aan dat het advies van de commissie die in 1973 was bijeengeroepen om zijn geval te onderzoeken, onregelmatig was omdat het niet unaniem was vastgesteld.
Bijgevolg heeft de administratie het verzoek terecht afgewezen, daar zij beschikte over conclusies die door de tevoren door haar gevormde invaliditeitscommissie wettig bij meerderheid van stemmen waren vastgesteld. Zij was niet gehouden een nieuwe invaliditeitscommissie bijeen te roepen voor een opdracht die alleen maar gelijk kon zijn aan die van de vorige.
III — Toepassing van artikel 60 van het Statuut
Thans komen wij aan het geschil over de toepassing van artikel 60 van het Statuut. Dit artikel luidt: „behoudens bij ziekte of ongeval mag de ambtenaar, zonder hiertoe tevoren door zijn chef te zijn gemachtigd, niet afwezig zijn. Onverminderd de eventuele toepassing van tuchtrechtelijke bepalingen, wordt iedere onregelmatige afwezigheid die naar behoren is vastgesteld, op het vakantieverlof in mindering gebracht. Indien de ambtenaar geen recht meer op zodanig verlof heeft, ontvangt hij over het desbetreffende tijdvak geen bezoldiging.
Opgemerkt zij dat Vellozzi van 1964 tot 1968 reeds herhaaldelijk ziekteverlof had gekregen totdat de eerste invaliditeitscommissie, die met het onderzoek van zijn geval was belast, bevond dat hij weliswaar aan een aandoening van de bronchiën leed doch niettemin arbeidsgeschikt was, voor zover zijn werkomstandigheden waren aangepast aan zijn gezondheidstoestand. Verzoeker heeft daarna slechts af en toe gewerkt. Van 1971 tot 1974 was hij praktisch voortdurend „wegens ziekte” afwezig. Afgezien van zijn vakantieverlof, was hij in totaal 244 dagen afwezig in 1971, 337 in 1972, 307 in 1973 en ten slotte 174 dagen alleen in het eerste halfjaar 1974.
Voorts weten wij dat hij sinds 1 juli van vorig jaar zijn werk niet heeft hervat.
Na mededeling aan verzoeker van de conclusies van de tweede invaliditeitscommissie, die hem in geringe mate blijvend gedeeltelijk invalide doch wel arbeidsgeschikt achtte, werd hij uitdrukkelijk uitgenodigd op zijn post terug te keren en toen reeds gewaarschuwd voor de gevolgen van een weigering zijnerzijds. Daarop volgden tussen oktober 1973 en eind mei 1974 periodieke controleonderzoeken door de medische dienst van de Commissie. Elk dier onderzoeken leidde tot de conclusie dat verzoeker wel degelijk arbeidsgeschikt was.
Daarom besloot de administratie op 3 april 1974 de bepalingen van artikel 60 van het Statuut op hem toe te passen. Echter eerst in juli daarop kwam de administratie tot de constatering dat, aangezien verzoeker geen recht meer had op vakantieverlof, de salarisbetaling diende te worden geschorst, overigens bij wijze van conservatoire maatregel.
Tegen dit besluit draagt Vellozzi als eerste grief voor dat artikel 60 niet kan worden toegepast op een ambtenaar die wegens ziekte afwezig is. Immers in dit artikel worden ziekte en ongeval duidelijk uitgezonderd en bovendien wordt in artikel 59, lid 1, bepaald: „de ambtenaar die aantoont ten gevolge van ziekte of ongeval verhinderd te zijn zijn werkzaamheden te verrichten, komt van rechtswege in aanmerking voor ziekteverlof.”
Volgens deze bepaling dient de ambtenaar voor zijn recht op ziekteverlof dus aan te tonen dat hij door ziekte is verhinderd zijn werkzaamheden te verrichten. Niet alleen is hij gehouden de administratie zo spoedig mogelijk van zijn ziekte op de hoogte te stellen, maar ook moet hij vanaf de vierde dag van zijn afwezigheid een medisch attest overleggen. Ten slotte is hij gehouden zich te onderwerpen aan een medische controle vanwege de instelling waaronder hij ressorteert.
Deze voorschriften tonen genoegzaam aan dat, wil de afwezigheid als regelmatig worden beschouwd en dus buiten de toepassing van artikel 60 vallen, men niet met een beroep op een slechte gezondheidstoestand of een of andere ziekte kan volstaan. Noodzakelijk is dat de ambtenaar aantoont — ter controle door de medische dienst van de administratie — dat hij een aandoening heeft waardoor hij zijn werkzaamheden niet kan verrichten.
De enkele overlegging van attesten van de behandelende geneesheer dat de betrokkene niet mag werken, voldoet niet aan dit vereiste. Nu lijkt ons in casu vast te staan dat de door verzoeker overgelegde medische attesten slechts melding maken van dezelfde aandoening der bronchiën als die welke naar het oordeel van de eerste invaliditeitscommissie Vellozzi niet arbeidsongeschikt maakte, ook al beval zij terzelfder tijd aan hem in een ander ambt te werk te stellen. De tweede invaliditeitscommissie concludeerde tot een blijvende gedeeltelijke invaliditeit die zo licht was, dat zij stellig geen grond kon vormen voor verzoekers verhindering om de hem sinds 1968 opgedragen werkzaamheden te verrichten.
Ten slotte werd verzoeker bij alle medische controles tussen oktober 1973 en mei 1974 arbeidsgeschikt bevonden. Ook al was de raadgevende arts, dr. Turner, bij een dier onderzoeken in april 1974 van mening dat verzoeker moest worden ontheven van archiefwerk dat toen tot zijn taak behoorde, toch kon deze beperking zeker niet afdoen aan de constatering van zijn arbeidsgeschiktheid. Overigens stond deze opmerking in verband met de verplaatsing, de maand tevoren, van de dienst waarbij Vellozzi had moeten werken naar een nieuw gebouw, dat dr. Turner bij bezichtiging deed besluiten deze beperking, die tevoren niet gerechtvaardigd zou zijn geweest, aan te bevelen.
Bijgevolg kan met het ruim drie jaar lang systematisch overleggen van door de behandelende geneesheer afgegeven attesten die staat maakten van dezelfde ziekte als reeds in 1968 door de eerste invaliditeitscommissie was geconstateerd, geenszins worden aangetoond — zoals vereist in artikel 59, lid 1 — dat verzoeker verhinderd was zijn werk te doen, vooral nu bij controleonderzoeken duidelijk was gebleken van zijn arbeidsgeschiktheid, althans onder met zijn gezondheidstoestand verenigbare omstandigheden.
Het tot aanstelling bevoegde gezag kon dan ook terecht verzoekers afwezigheid als onregelmatig in de zin van artikel 60 beschouwen en bij het besluit daartoe heeft het wel zeer veel geduld getoond.
Rest nog een laatste grief, waarmee het niet beter is gesteld. Zij berust op artikel 59, lid 3, van het Statuut, dat luidt: „in geval van betwisting wordt het advies van de invaliditeitscommissie ingewonnen.
Verzoeker betoogt dat de verplichting van de administratie om de invaliditeitscommissie te consulteren zowel geldt in het geval, zoals bij hem, dat wordt betwist dat een ambtenaar door ziekte is verhinderd zijn werkzaamheden te verrichten (lid 1), als in het geval van lid 2, dat een ambtenaar door de administratie ambtshalve met verlof wordt gezonden indien uit een onderzoek door een raadgevend arts blijkt dat zulks in verband met de gezondheidstoestand van de ambtenaar vereist is of dat te zijnen huize een besmettelijke ziekte heerst.
Verweerster betoogt daarentegen dat het advies van de invaliditeitscommissie slechts op het tweede geval slaat.
Wij neigen tot deze laatste uitlegging want volgens ons blijkt duidelijk uit de laatste alinea van artikel 59, lid 1, dat inwinning van het advies van een invaliditeitscommissie slechts is voorgeschreven, wanneer het totaal van de aan een ambtenaar op diens verzoek verleende ziekteverloven over een periode van drie jaar meer dan twaalf maanden bedraagt. Dit is ook logisch: indien een ambtenaar heeft aangetoond over een zo ruim bemeten periode in totaal meer dan twaalf maanden verhinderd te zijn geweest zijn werkzaamheden te verrichten, dan moet stellig worden nagegaan of hij nog wel arbeidsgeschikt is dan wel in feite blijvend algeheel invalide is, waardoor hij in het geheel niet langer kan werken. Overigens heeft de Commissie in 1968 deze procedure te baat genomen, nadat Vellozzi tussen september 1965 en september 1968 in totaal meer dan twaalf maanden met ziekteverlof was geweest.
Omgekeerd valt moeilijk in te zien dat steeds wanneer een ambtenaar wegens ziekte enkele dagen afwezig is, de administratie gehouden zou zijn het advies van de invaliditeitscommissie in te winnen indien zij betwist dat de ambtenaar werkelijk tijdelijk arbeidsongeschikt was. Bij een dergelijke ruime uitlegging zou men de instellingen tot een al te veelvuldig beroep op de invaliditeitscommissies dwingen. Verweerster heeft gelijk wanneer zij zegt dat een dergelijke procedure slechts in ernstige gevallen moet worden toegepast.
Maar zelfs wanneer men verzoekers stelling aanvaardt, lijkt ons dat er in casu in ieder geval geen aanleiding was het advies van de invaliditeitscommissie in te winnen, alleen al omdat zulks in 1973 reeds was geschied en de commissie toen in haar conclusies geenszins had aangenomen dat verzoeker door de geconstateerde aandoening arbeidsongeschikt was. Slechts wanneer verzoeker nadien hetzij een ernstige verslechtering van zijn toestand, hetzij een andere ziekte dan de tevoren geconstateerde had aangevoerd, zou zich een reële betwisting hebben kunnen voordoen en zou beroep op een nieuwe invaliditeitscommissie gerechtvaardigd zijn geweest. Verzoeker wil echter met steeds dezelfde aandoening van de ademhalingsorganen zijn herhaalde afwezigheid gedurende meer dan drie jaar rechtvaardigen en hij beroept zich zelfs niet op een verergering van deze ziekte van dien aard dat hij zijn werkzaamheden niet zou kunnen verrichten.
Daarom ook was zijn verzoek om in 1974 een derde invaliditeitscommissie samen te stellen uitsluitend gegrond op de onregelmatigheid, welke de conclusies van de vorige invaliditeitscommissie zijns inziens ongeldig maakte.
Derhalve concluderen wij tot verwerping van de beide beroepen nrs. 42 en 62-74 en tot verwijzing van elk van de partijen in haar eigen kosten overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy