CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 12 MEI 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De onderhavige zaak hangt nauw samen met zaak 53/72, die door dezelfde verzoeker tegen de Commissie aanhangig werd gemaakt en waarin op 11 juli 1974 arrest werd gewezen (Jurispr. 1974, blz. 791).
Aan beide zaken liggen de volgende feiten ten grondslag: door middel van een tussen 28 en 30 april 1971 verricht onderzoek had de heer Guillot, wetenschappelijk ambtenaar bij het Onderzoekcentrum van Euratom te Ispra, getracht de juistheid aan te tonen van een sinds 1968 door hem verdedigde theorie betreffende een effect van oplosbaarheid in water van radioactief xenongas. De heer Malvicini, de directe chef van Guillot, had hem er van beschuldigd de resultaten van dit onderzoek te hebben vervalst. Volgens Guillot had de Commissie zijn beroepsreputatie moeten beschermen; op 14 april 1972 had zij daarentegen afwijzend beschikt op de klacht van Guillot van 3 januari 1972 waarmee deze onder andere intrekking van de door Malvicini geuite beschuldiging verlangde. Tegen dit besluit van 14 april 1972 heeft Guillot zijn eerste beroep ingesteld, waarin hij nietigverklaring van dit besluit vorderde.
In bovengenoemd arrest achtte het Hof de weigering van de Commissie om een onderzoek in te stellen naar de gegrondheid van de jegens verzoeker geuite beschuldigingen, welke betrekking hadden op zijn gedrag in de dienst en zijn integriteit in het geding brachten, ongerechtvaardigd. Ingevolge de nietigverklaring van haar afwijzend besluit was de Commissie, aldus het arrest, gehouden het onderzoek zo snel mogelijk in te stellen (overwegingen 19 tot 22).
Na de sluiting van de mondelinge behandeling in de zaak 53/72, slechts enige weken voordat het arrest werd gewezen, diende de heer Guillot bij het Hof het inleidend verzoekschrift in de onderhavige zaak in. Aanleiding voor dit tweede beroep vormt een door Malvicini ondertekende nota van 21 oktober 1971, welke verzoeker, zonder hiervan tevoren in kennis te zijn gesteld, had gevonden in zijn persoonsdossier, dat door de wederpartij in het kader van de zaak 53/72 ter griffie van het Hof was gedeponeerd. In dit document met het opschrift: „Korte beschrijving en toelichtingen betreffende de feiten die de heer Guillot ertoe hebben gebracht een klacht in de zin van artikel 90 van het Ambtenarenstatuut in te dienen”, werd de door Malvicini in een memorandum van 4 mei 1971 aan de directeur-generaal van het Onderzoekcentrum aanvankelijk geuite beschuldiging betreffende de wijziging van de resultaten van de laatste zes metingen van het betrokken wetenschappelijk onderzoek uitgebreid, doordat werd beweerd dat de gegevens betreffende de laatste elf metingen waren gewijzigd. Tegelijkertijd werd Guillot ervan beschuldigd de resultaten van drie andere voorafgaande metingen te hebben laten verdwijnen.
In de klacht, die Guillot op 26 november 1973 op grond van artikel 90 van het Statuut van de ambtenaren indiende tegen de opname buiten zijn medeweten van genoemd document in zijn persoonsdossier en tegen de daarin vervatte beschuldigingen vroeg hij verwijdering van dit document, intrekking van de beschuldigingen, vergoeding van de geleden schade alsmede teruggave van de door Malvicini achtergehouden aantekeningen van de proefnemingen betreffende hetzelfde verschijnsel, die verzoeker naar zijn zeggen vóór die van eind april 1971 had verricht
Toen de Commissie na afloop van de in artikel 90, lid 2, laatste alinea van het Statuut genoemde termijn nog geen uitdrukkelijk standpunt had ingenomen, stelde Guillot op 25 juni 1974 het onderhavige beroep in tegen dit stilzwijgend besluit tot afwijzing. Naast vernietiging van dit besluit vordert verzoeker verwijdering uit zijn persoonsdossier van Malvicini's nota van 21 oktober 1971, veroordeling van de Commissie tot betaling van een miljoen Belgische franken schadevergoeding en teruggave van de aantekeningen van de door hem genomen proeven.
Bij memorie van 13 maart 1975 heeft verweerster een formele exceptie van niet-ontvankelijkheid van alle middelen en conclusies van het beroep opgeworpen. Bij beschikking van 24 september 1975 besloot het Hof de exceptie met de hoofdzaak te voegen.
Partijen zijn ter terechtzitting van 18 november 1976 in hun pleidooien gehoord. Vervolgens gelastte het Hof bij beschikking van 25 januari 1977 de comparitie van verzoeker en het verhoor van 4 getuigen betreffende de in het memorandum van Malvicini van 21 oktober 1971 genoemde, en hiermee samenhangende, gebeurtenissen. Deze instructiemaatregel vond ter terechtzitting van 3 maart 1977 plaats.
2.
Vooraf zij opgemerkt dat in het onderhavige beroep — dat, zoals wij hebben gezien, is ingesteld naar aanleiding van een document waarin vroegere beschuldigingen met betrekking tot één feit worden herhaald en uitgebreid — noodzakelijkerwijs weer enige vragen aan de orde komen welke in de voorafgaande zaak zijn besproken. Destijds kon het Hof op deze vragen geen beslissing ten gronde geven, want het beschikte niet over de noodzakelijke gegevens, aangezien de Commissie had nagelaten het in die situatie vereiste onderzoek te verrichten.
Laten wij thans de argumenten onderzoeken welke de Commissie heeft aangevoerd tot staving van de stelling dat hetberoep niet-ontvankelijk is.
In de eerste plaats betoogde zij dat zij bezig was de gegevens te verzamelen op grond waarvan zij de gegrondheid van de beschuldigingen van verzoekers directe meerdere kon beoordelen, en dat verzoeker derhalve tot het einde van haar onderzoek de Gemeenschap niet kon verwijten dat zij hem geen bijstand had verleend tegenover de beweerde smaad.
Dit argument heeft betrekking op de gegrondheid, en niet op de ontvankelijkheid van het verzoek. Bovendien kan de verwijzing van verweerster naar het onderzoek, dat heeft plaatsgehad na instelling van het onderhavige beroep, in geen geval uitsluiten dat verzoeker, toen hij dit beroep instelde, mocht betogen dat de Gemeenschap geen bijstand heeft verleend. Door deze opmerking had de Commissie hoogstens uitstel kunnen verkrijgen van s Hofs beslissing ten gronde, in afwachting van het resultaat van het onderzoek dat zij had aangevangen ingevolge de genoemde uitspraak in de zaak 53/72, doch hierdoor kan zeker niet de ontvankelijkheid van het beroep worden uitgesloten, want deze moet worden beoordeeld op grond van de situatie op het moment waarop het beroep is ingesteld.
Om de niet-ontvankelijkheid van het tweede middel, behelzende schending van artikel 26 van het Statuut, door de opname van de nota van Malvicini van 21 oktober 1971 in het persoonsdossier van verzoeker buiten zijn medeweten aan te tonen, merkt verweerster op dat zij dit document heeft doen verwijderen; hierdoor zou het verzoek zonder voorwerp zijn geraakt. Doch ook dit is geschied na de instelling van het beroep en kan derhalve niet tot niet-ontvankelijkheid leiden. Dit feit zal in het onderzoek naar de gegrondheid van het verzoek zelf moeten worden betrokken.
Om dezelfde redenen kan de niet-ontvankelijkheid van het middel schending van artikel 26 van het Statuut, niet worden gegrond op het feit, dat de in de nota van Malvicini gemaakte opmerkingen deel zijn gaan uitmaken van het door de Commissie verrichte onderzoek.
Ten slotte moet worden opgemerkt dat de Commissie ook betreffende het verzoek tot vergoeding van de schade die verzoeker beweerdelijk heeft geleden door de vervolging waarvan hij zich het slachtoffer waant, heeft betoogd dat zij nog niet het noodzakelijke onderzoek heeft verricht ter vaststelling van de gegrondheid van de beschuldigingen, die de eigenlijke oorzaak van deze schade zouden zijn. Eens te meer moet ik opmerken dat het hier gaat om een probleem ten gronde: dergelijke excepties hebben niets te maken met de ontvankelijkheid van het beroep.
Ook ten aanzien van de vorderingen die samenvallen met de in de vorige zaak ingestelde vorderingen kan niet de exceptie van „gewijsde” worden opgeworpen. Immers, in het arrest van 11 juli 1974 heeft het Hof zich niet uitgesproken over de schadevordering, „in afwachting van het resultaat der door de Commissie te ondernemen stappen” (overwegingen 35 en 36). Uit het dictum van het arrest wordt duidelijk dat deze vordering werd afgewezen „in het kader van de onderhavige procedure”.
Aangezien bovengenoemd arrest formeel gezien niet van interlocutoire aard was, werd hiermee de zaak 53/72 definitief afgesloten. Het bleef echter mogelijk een nieuwe procedure aan te spannen, waarin Guillot, in het licht van de resultaten van het onderzoek van de Commissie of van nieuwe feiten, opnieuw schadevergoeding kon vorderen. Het nieuwe feit in de vorm van het memorandum van Malvicini (dat, hoewel het door de Commissie in de loop van het vorige geding bekend was gemaakt, geen aanleiding had gegeven tot specifieke vorderingen van verzoeker) rechtvaardigt mijns inziens voldoende dat Guillot in het kader van het onderhavige beroep, nog voordat de Commissie haar onderzoek heeft verricht, een nieuwe schadevordering heeft ingesteld.
De Commissie heeft een laatste exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen tegen verzoekers vordering tot teruggave van de resultaten van sommige door hem verrichte onderzoeken. De Commissie stelde dat die resultaten haar toebehoorden. Ook deze exceptie heeft duidelijk betrekking op de zaak ten gronde. Wel wil ik hier reeds opmerken, dat aangezien het om werkdocumenten gaat die ongetwijfeld eigendom zijn van de Commissie, de betrokken vordering als ongegrond moet worden beschouwd.
3.
Is het beroep, zoals ik meen, ontvankelijk, dan moeten nu de argumenten worden onderzocht waarop de verzoeken tot nietigverklaring en schadevergoeding steunen. Wij hebben gezien dat verzoeker primair klaagt over schending van artikel 24 van het Statuut, waarin de Gemeenschap wordt verplicht de ambtenaar bijstand te verlenen, „inzonderheid bij rechtsvervolgingen van hen die zich hebben schuldig gemaakt aan bedreigingen, grove beledigingen, beschimpingen, smaad of vergrijpen tegen persoon of goed, waaraan hijzelf of de leden van zijn gezin uit hoofde van zijn hoedanigheid en zijn functie blootstaan”. De Commissie zou deze regel hebben geschonden door niet de noodzakelijke stappen te ondernemen om na te gaan of de tegenover Guillot door diens directe meerdere ingebrachte beschuldigingen betreffende een dienstverrichting al dan niet gegrond waren.
In de tweede plaats laakt verzoeker de schending van artikel 26, tweede en derde alinea, van het Statuut, luidende als volgt: „stukken, bedoeld onder a (dat wil zeggen bescheiden welke betrekking hebben op zijn positie als ambtenaar, alsmede alle beoordelingen van zijn kundigheden, zijn prestaties of zijn gedrag), kan de instelling niet tegen de ambtenaar aanvoeren, noch te zijnen nadele gebruiken, indien zij hem niet zijn medegedeeld voordat ze aan zijn dossier worden toegevoegd.”
Hierover zou ik willen opmerken dat, aangezien de nota van Malvicini van 21 oktober 1971 tegen verzoeker nieuwe punten van beschuldiging bevatte in vergelijking met die welke hem voordien waren medegedeeld, de Commissie deze nota zeker niet in het persoonsdossier van betrokkene kon opnemen zonder de in artikel 26 genoemde formaliteiten in acht te nemen. Door vervolgens de nota te verwijderen heeft de Commissie zelf stilzwijgend de onregelmatigheid van haar gedrag erkend. Anderzijds is verzoeker op dit punt genoegdoening verschaft.
Onderzoeken wij thans het kernprobleem van deze zaak, namelijk de beweerde schending van genoemd artikel 24. In het arrest van 11 juli 1974 in zaak 53/72, baseerde Uw Hof zich op artikel 24 (evenals op het redelijkheidsbeginsel en de eisen van behoorlijk bestuur) om daaruit de verplichting van de administratie af te leiden de gegrondheid te onderzoeken van door een hiërarchische meerdere geuite zware beschuldigingen, welke afbreuk doen aan de beroepseer van een ambtenaar in de uitoefening van zijn functies. Daar de Commissie in de eerste zaak Guillot verantwoordelijk werd gesteld voor de niet-nakoming van deze verplichting, werd haar opgedragen een onderzoek te verrichten dat ten doel had „bewijs te leveren tot staving van de beschuldigingen inzake verzoekers oprechtheid”. In dit verband zou niet alleen het achterwege laten van een dergelijk onderzoek een nieuwe schending van artikel 24 hebben opgeleverd, doch zou deze bepaling ook als geschonden zijn te beschouwen indien de tegenover Guillot geuite beschuldigingen op grond van de resultaten van het onderzoek dat het Hof aan de Commissie heeft opgedragen, ongegrond zouden blijken; want in dat geval zou de Commissie ervoor verantwoordelijk zijn, deze niet tijdig te hebben verworpen en niet alle maatregelen te hebben genomen welke de door verzoeker ondergane belediging ongedaan konden maken. Omgekeerd mag geen schending van artikel 24 worden aangenomen indien het door de Commissie ter uitvoering van het voorgaande arrest verrichte onderzoek een objectieve en afdoende rechtvaardiging van de tegenover verzoeker door diens directe meerdere geuite beschuldigingen oplevert; dat zou immers betekenen dat de Commisie niet gehouden was verzoeker vrij te pleiten van dergelijke beschuldigingen.
Er dient op te worden gewezen dat het er in deze procedure niet om gaat vast te stellen of het resultaat dat verzoeker zegt te hebben aangetoond door middel van de bestreden proeven, wetenschappelijk houdbaar kan worden geacht. Het gaat er alleen om of verzoeker zich zodanig heeft gedragen dat een beschuldiging van vervalsing van de proeven gerechtvaardigd is, of hij dus een ander resultaat heeft willen aantonen dan het daadwerkelijk verkregene, dan wel een toch twijfelachtig resultaat, verkregen door middel van methodes welke een nauwgezet en plichtsgetrouw onderzoeker nooit zou toepassen, voor exact en onweerlegbaar heeft doen doorgaan.
4.
De oplossing van de onderhavige zaak hangt dus voornamelijk af van de vraag of de uitkomst van het door de Commissie of voor haar rekening verrichte onderzoek, welke valt op te maken uit de rapporten die zij heeft overgelegd in de onderhavige procedure, al dan niet de door Malvicini tegen Guillot geuite beschuldigingen met betrekking tot de door deze laatste tussen 28 en 30 april 1971 verrichte proeven rechtvaardigt.
Alvorens de resultaten van dit onderzoek te behandelen, meen ik echter aan de hand van de beschikbare stukken in het kort te moeten wijzen op de saillante feiten waarop verzoekers chef zijn beschuldigingen heeft gebaseerd, en op het standpunt van verzoeker hieromtrent.
In het reeds genoemde memorandum van 4 mei 1971 aan de directeur, met het opschrift „Vervalsing van onderzoekresultaten”, dat tot het vorige geding had geleid, had Malvicini geschreven dat Guillot hem van de laatste zes metingen van het onderzoek (de nummers 42-47) niet de printerlijsten van de multikanale TMC-analysator doch slechts de door Guillot zelf bewerkte gegevens had toen toekomen. Malvicini zou echter deze gegevens hebben kunnen vergelijken met de afwijkende gegevens van de printer, omdat Guillot deze laatste had opgenomen op een strook van een Olivettirekenmachine, welke Malvicini in een papiermand had gevonden. Hierover ondervraagd door de heer Malvicini, zou Guillot daarentegen in aanwezigheid van een derde hebben verzekerd, dat hij de printerlijsten aan Malvicini zelf had overhandigd.
Bij memorandum van 6 juli 1971 aan de directeur-generaal herhaalde Malvicini de voorafgaande opmerkingen en voegde hij eraan toe dat Guillot hem van alle metingen welke hij op 29 april vanaf 11.25 uur had verricht, dat wil zeggen vanaf meting 34, slechts de door hem bewerkte gegevens, en niet de originele aantekeningen van de spectrometer van de multikanale TMC-analysator had overhandigd.
In de nota van 21 oktober 1971 die de aanleiding vormt van de onderhavige zaak, maakte de heer Malvicini duidelijk dat verzoeker hem de resultaten had meegedeeld van de sinds het begin van het onderzoek tot 29 april, 11.25 uur verrichte metingen, tezamen met de printerlijsten van de analysator, terwijl verzoeker hem van de volgende proeven, verricht tussen 29 april, 11.35 uur en 30 april, 7.10 uur (de metingen 34-47), alleen de resultaten van de laatste 11 metingen had overhandigd (37-47), en geen enkele printerlijst van de analysator.
De betrokken proeven werden op 30 april 1971 beëindigd. In de nota van 21 oktober wordt gesteld, dat Malvicini eerst daags daarna, op 1 mei, toen hij de gegevens van de laatste metingen in grafiek wilde brengen, bemerkte dat hij de printerlijsten niet had. Aanvankelijk dacht hij dat hij ze op zijn tafel had laten liggen; maar toen hij ze niet vond zocht hij verder en ten slotte vond hij een strook van de Olivetti-rekenmachine in een papiermand in de gang voor verzoekers bureau. Op deze strook stonden de waarden van de spectra van de laatste zes metingen, welke niet overeenkwamen met de door, Guillot opgegeven waarden. Toen Malvicini op maandagmorgen 3 mei, in aanwezigheid van een andere ambtenaar, de heer Dominici, opheldering hierover vroeg antwoordde Guillot, dat de verstrekte gegevens uit de analysator afkomstig waren, zonder dat hierop enige correctie was aangebracht. Malvicini toonde Guillot toen naar zijn zeggen de aantekeningen op de strook van de rekenmachine; Guillot kon op dat moment geen verklaring geven en ging weg. Omdat Malvicini argwaan had gekregen zou hij andere stroken van de Olivetti-rekenmachine en printerlijsten van de analysator hebben gezocht en gevonden in vuilnisemmers waarin de laatste dagen papier van diverse bureaus was gedeponeerd.
Dezelfde namiddag verklaarde Guillot aan Malvicini dat hij de resultaten van de laatste zes metingen had gecorrigeerd, om een onjuistheid, die zich bij de proef had voorgedaan doordat een buisje met radioactieve vloeistof scheef was komen te staan, weg te werken. Deze verklaring, welke Guillot op-verzoek van Malvicini vervolgens op de laatste bladzijde van het voorheen aan zijn meerdere overhandigde rapport opnam, werd later ook in zijn memorandum van 7 mei en 9 juli aan directeur-generaal Caprioglio herhaald.
Nadat Malvicini de printerlijst die hij op bovengenoemde manier had teruggevonden, stukje voor stukje had gereconstrueerd, kwam hij volgens zijn zeggen tot de conslusie dat alle op 29 april vanaf 11.35 uur verkregen gegevens (dat wil zeggen de metingen 34 tot 47) door Guillot waren gecorrigeerd.
Deze laatste ontkende echter dat hij de printerlijsten had gewijzigd, behalve, zoals gezegd, van de laatste zes metingen, ten aanzien waarvan het meningsverschil tussen Guillot en Malvicini uitsluitend de interpretatie van de oorzaken van de aangebrachte wijzigingen betreft.
5.
De Commissie heeft 4 rapporten uitgebracht van evenzovele onderzoeken die op haar verzoek naar de bestreden feiten zijn ingesteld:
1)
het rapport van 19 september 1975, dat ten orocesse vaak „het rapport Boulenger” is genoemd, naar de naam van de wetenschappelijk ambtenaar van het Belgisch Studiecentrum voor Kernenergie te Mol, waartoe de Commissie zich had gewend. Hieraan heeft ook meegewerkt de heer Collard, eveneens wetenschappelijk ambtenaar van het Centrum te Mol;
2)
het rapport van 28 oktober 1975 van de interne administratieve commissie, speciaal ingesteld door de directeur-generaal van het gemeenschappelijk Onderzoekcentrum te Ispra;
3)
het rapport van 29 december 1975, opgesteld door genoemde heer Collard en door andere wetenschappelijke ambtenaren van het Studiecentrum te Mol;
4)
ten slotte een aanvullend rapport Boulenger — Collard van 26 april 1976.
Het eerste rapport begint met een volledig onderzoek naar de wetenschappelijke activiteiten die verzoeker vanaf 1968 heeft verricht bij het Onderzoekcentrum te Ispra. Het wordt als zijn verdienste beschouwd, dat hij op het gebied van de bescherming tegen radioactiviteit, als eerste het probleem van de retentie van xenonisotopen in de weefsels van het menselijk lichaam heeft bestudeerd. De in 1968 op dit gebied door Guillot verrichte werkzaamheden worden belangrijk geacht, ook al is er aanleiding tot enige reserves.
De latere werkzaamheden (in de periode 1968-1970) betreffende de retentieverschillen in het menselijk lichaam tussen verschillende soorten radioïsotopen van xenon, doen bij de auteurs van het rapport nog meer reserves ontstaan ten aanzien van de opgegeven resultaten, omdat de statistische precisie van de metingen ontbreekt. Ook blijkt het aantal resultaten vaak te klein om er stellige conclusies aan te verbinden, terwijl in deze sector de biologische variëteit een belemmering vormt voor zeer nauwkeurige metingen.
De kritiek op weer latere werkzaamheden neemt toe, vooral met betrekking tot de juistheid van de wiskundige redeneringen. Wel wordt aangenomen dat de geldigheid van de onderzoekresultaten niet bij voorbaat kan worden uitgesloten, doch de kritiek richt zich op de met behulp van de wiskunde uit deze resultaten getrokken conclusies.
Over de wetenschappelijke werkzaamheden en proeven welke verzoeker vóór het onderzoek van eind april 1971 heeft verricht, wordt tot slot in het rapport Boulenger opgemerkt dat Guillot bij het opstellen van zijn stukken, blijk zou hebben gegeven van een gevaarlijke voorbarigheid, gezien de moeilijke omstandigheden waarin hij moest werken wegens het meningsverschil dat hij al enige tijd met Malvicini had. Het zou trouwens moeilijk zijn eventuele fouten aan te tonen omdat de redenering niet voldoende duidelijk is. Volgens de rapporteurs is dit gedrag van verzoeker waarschijnlijk veroorzaakt door diens verbittering over het conflict met zijn directe meerdere, die de wetenschappelijke waarde bestreed van de ontdekkingen die verzoeker meende te hebben gedaan. Daardoor miste de heer Guillot wellicht enigszins de noodzakelijke scherpzinnigheid en helderheid van geest en werd hij er toe aangezet zijn stellingen te bewijzen door middel van onderzoekgegevens die hij ten onrechte meende te hebben verkregen.
Ten aanzien van de proeven betreffende de oplosbaarheid van radioactief xenon in water, welke verzoeker van 28 tot 30 april 1971 had genomen teneinde de juistheid te onderzoeken van sommige resultaten die hij naar zijn zeggen reeds had verkregen bij voorafgaande experimenten, merken de rapporteurs op dat zich tot aan meting nr. 33 niets abnormaals heeft voorgedaan. Zij stellen echter vast dat de op 29 april tussen 11.35 uur en 12.05 uur verrichte metingen nrs. 34-36 niet voorkomen in de documenten van Guillot. De rapporteurs merken hieromtrent op dat verzoeker „deze lijkt te hebben verwijderd omdat zij niet naar zijn zin waren”'. De resultaten van de volgende vijf metingen (nrs. 37-41) zijn volgens de rapporteurs gewijzigd; dit zou ook het geval zijn geweest met de resultaten van de laatste zes metingen. Op dit punt bevat het rapport geen formele afwijzing van verzoekers verklaring dat hij op de laatste zes metingen een correctiecoëfficiënt heeft toegepast om rekening te houden met een toevallige verplaatsing van een bij de proef gebruikt buisje. Anderzijds zijn de rapporteurs het met verzoeker eens dat deze laatste zes metingen in het kader van het onderzoek slechts van ondergeschikt belang zijn. Zij merken echter op dat verzoeker de correctie van de resultaten zodanig heeft uitgevoerd dat deze niet duidelijk blijkt uit het aan Malvicini overgelegde rapport.
In het rapport Boulenger wordt het verzoeker echter zwaarder aangerekend dat hij niets heeft gezegd over de wijzigingen van de voorafgaande vijf metingen, noch de drie ontbrekende metingen heeft genoemd.
In feite zijn volgens de rapporteurs juist deze laatste metingen (34-36) en de vijf daaropvolgende (37-41) beslissend om het gezochte verschijnsel aan te tonen. Dit verschijnsel van isotopenscheiding, waarvan verzoeker het bestaan beweert, schijnt juist voort te vloeien uit de 20 metingen van de eerste dag. Verzoekers opmerkingen over de overeenkomst tussen de eerste en de tweede serie metingen zouden daarentegen niet juist zijn. Volgens het rapport Boulenger kon een dergelijke overeenkomst die noodzakelijk lijkt om het gezochte verschijnsel te bewijzen, niet bestaan zonder wijziging van de resultaten van de metingen nrs. 37-41 en het weglaten van de resultaten van de metingen 34-36.
Ten slotte zou de beweerde verplaatsing van het buisje geen rechtvaardiging vormen van de wijzigingen in de metingen van de tweede dag, noch van het gebruik van verschillende correctiefactoren, in plaats van een enkele op alle metingen toegepaste factor. Indien het buisje per ongeluk scheef stond — aldus de rapporteurs — zou de enige wetenschappelijk juiste beslissing zijn geweest, de metingen welke door het ongeval konden zijn beïnvloed, buiten beschouwing te laten en het experiment te herhalen. De rapporteurs zijn van mening dat de hantering van aangepaste resultaten om daarmee hoe dan ook het gewenste effect aan te tonen, wetenschappelijk gezien een echte vervalsing vormt.
6.
Het tweede rapport betreft het onderzoek van een bij besluit van 18 september 1975 door de directeur-generaal van het gemeenschappelijk Onderzoekcentrum ingestelde interne administratieve commissie, samengesteld uit ambtenaren van het Centrum, de directeur van de vestiging te Karlsruhe en een ambtenaar van de administratie. Deze commissie richtte zich bij haar werkzaamheden op het arrest van het Hof in de zaak 53/72 en de conclusie van advocaat-generaal Trabucchi in die zaak, evenals op de memoranda van Malvicini aan directeur Caprioglio van 3 mei en 6 juli 1971, de tabellen van de onderzoekgegevens welke Guillot op 28 en 30 april en 6 mei 1971 aan Malvicini overhandigde en bovendien op de stroken van de Olivetti-rekenmachine en de multikanale analysator waarop de resultaten van de proeven staan gedrukt.
Volgens de administratieve commissie bestaat het kernprobleem in de vergelijking van de registratie der metingen door middel van elektronische apparatuur (primaire informaties) met tabellen, registraties of rapporten met numerieke waarden (secundaire informaties) welke verzoeker aan de hand van de primaire informaties heeft uitgewerkt. Van de primaire informaties welke betrekking hebben op het geschil, zijn naar de mening van deze commissie de printerlijsten betreffende de nrs. 37-41 van bijzonder belang. De Commissie stelde vast dat de op het strookje van de Olivetti-rekenmachine voorkomende waarden overeenkomen met die van het rapport van Guillot, doch uitsluitend wat xenon 133 betreft, terwijl zij een verschil constateerde tussen de waarden betreffende xenon 131m, welke in het rapport van Guillot systematisch hoger zijn. Op de desbetreffende vraag van de commissie van onderzoek ontkende verzoeker dat de op de strook van de Olivetti-rekenmachine voorkomende berekeningen door hemzelf waren verricht. Tevens suggereerde hij de mogelijkheid van een vervalsing te zijnen nadele. De commissie constateerde echter een volledige overeenkomst tussen de waarden op de printerlijsten van de multikanale analysator en die van de Olivetti-rekenmachine, en gezien de technische middelen die in Ispra ten tijde van de onderhavige feiten beschikbaar waren, sloot zij de concrete mogelijkheid om kunstmatig een printerlijst van de elektronische analysator samen te stellen, uit. Daarom kwam de Commissie tot de conclusie dat ook de door Malvicini gevonden strook van de Olivetti-rekenmachine echt is.
Hiervan uitgaande stelde de commissie van onderzoek dat de door Guillot verschafte secundaire informaties als onjuist, en als afwijkend van de gegevens van de primaire informaties moeten worden beschouwd. De afwijking zou 2 % bedragen.
De interne administratieve commissie concludeerde dat de wijzigingen in de experimentele waarden en de overlegging van de gewijzigde gegevens door Guillot wetenschappelijk en beroepsmatig gezien onaanvaardbaar zijn, zodat de beschuldigingen van Malvicini aan het adres van verzoeker gerechtvaardigd zijn.
7.
In het door de heren Collard, Ballaux en Leduc, wetenschappelijke ambtenaren bij het Belgische Centrum te Mol ondertekende aanvullende rapport van 29 december 1975, dat de Commissie tot staving van haar verweer overlegt, is sprake van drie door de rapporteurs in de maanden november en december 1975 verrichte proeven betreffende hetzelfde verschijnsel als het door verzoeker van 28 tot 30 april 1971 onderzochte. Volgens dit rapport wordt het isotopeneffect door de nieuwe proeven bevestigd, maar is het veel zwakker dan Guillot had doen voorkomen.
Er zij echter op gewezen dat in de onderhavige zaak niet de wetenschappelijke waarde van de theorie en van de experimenten van verzoeker in het geding zijn. Bovendien ving het genoemde rapport Boulenger terecht aan met de opmerking dat een nieuw onderzoek naar hetzelfde verschijnsel onmogelijk zou kunnen worden verricht onder absoluut identieke omstandigheden als die waarin Guillot zijn proeven had genomen. Om deze laatste wetenschappelijk te controleren zou het volgens het rapport Boulenger de voorkeur verdienen, dat Guillot zelf deze proeven eventueel ten overstaan van getuigen herhaalt.
Verzoeker merkt zijnerzijds in repliek op dat de drie in het rapport van 29 december 1975 beschreven nieuwe proeven zijn genomen onder omstandigheden die de onderzoekers hebben gekozen zonder hem te vragen of hij hiermee akkoord ging
8.
Ten slotte, legde verweerster als bijlage bij haar dupliek, het vierde rapport over, gedateerd 26 april 1976 en ondertekend door de heren Boulenger en Collard. Dezen spreken opnieuw als hun overtuiging uit dat de hun door de Commissie ter beschikking gestelde strookjes welke het voornaamste materiaal hebben gevormd van hun voorafgaande onderzoeken, de originele strookjes zijn betreffende de door Guillot van 28 tot 30 april 1971 verrichte proeven. Zij bevestigen ook hun standpunt dat met de resultaten van de metingen nrs. 37-41 werd geknoeid, terwijl de drie voorafgaande metingen, die ook niet de gewenste resultaten opleverden, in het rapport van de heer Guillot eenvoudig zijn weggelaten.
Volgens de heren Collard en Boulenger had het geknoei met de resultaten der proeven enkel ten doel deze resultaten in overeenstemming te brengen met de door Guillot verdedigde stelling. Daarom vinden de rapporteurs dat men terecht kan spreken van „vervalsing op wetenschappelijk gebied”, temeer daar de wil van Guillot om de manipulaties te verbergen, duidelijk blijkt uit de wijze waarop zijn rapport is opgesteld. Hij heeft er immers voor gezorgd de resultaten van de proeven zodanig te corrigeren dat de wijzigingen voor iemand die niet in het bezit is van de originele strookjes, onopgemerkt blijven.
9.
Verzoeker heeft tegengeworpen dat noch de administratieve commissie noch de auteurs van het „rapport Boulenger” de rechten van de verdediging in acht hebben genomen. Zij zouden eenzijdig tewerk zijn gegaan, zonder verzoeker inzage te geven van de stukken betreffende hun respectieve onderzoeken en zonder hem de mogelijkheid te bieden zijn standpunt te verdedigen; bovendien zouden zij zich hoofdzakelijk hebben gebaseerd op de strookjes van de Olivetti-rekenmachine en de printerlijsten van de multikanale analysator, dat wil zeggen op materiaal waarvan de authenticiteit niet tevoren door verzoeker zelf was erkend.
Guillot noemt in dit verband 's Hofs arrest in de zaak 80/63, betreffende de werkzaamheden van de in artikel 102 van het Ambtenarenstatuut van 1962 bedoelde integratiecommissie (arrest van 1 juli 1964, Jurispr. 1964, blz. 803). Overwegende, dat een negatief advies van de integratiecommissie het tot aanstelling bevoegde gezag bindt, besliste het Hof in deze zaak dat de commissie, alvorens haar advies uit te brengen, de betrokkene in staat dient te stellen opmerkingen te maken omtrent de factoren die van invloed kunnen zijn op zijn benoeming. In de zaak waarin genoemd arrest werd gewezen, was betrokkene na het verhoor van zijn chefs wel gehoord door de integratiecommissie, doch hij was niet opnieuw uitgenodigd opmerkingen te maken over de inlichtingen die daarna door de commissie waren ingewonnen, en die haar tot een negatief advies hadden gebracht. Het Hof besliste derhalve dat dit verzuim tot nietigheid van het door de commissie uitgebrachte advies leidde.
Anders dan in bovengenoemd geval binden de in casu beschikbare technische rapporten geenszins de organen met beslissingsbevoegdheid inzake de statutaire positie van verzoeker, en zijn zij ook niet bestemd om invloed uit te oefenen op een dergelijke beslissing. De vraag waarop deze documenten daadwerkelijk van invloed kunnen zijn heeft immers geen betrekking op de statutaire positie van de betrokken ambtenaar. Zij is voor hem echter van groot belang; en dit brengt mij tot de principiële uitspraak dat ook bij ontbreken van strikte formele regels en buiten een gerechtelijke procedure, de organen, belast met het vervullen van zo delicate taken, bij hun werkzaamheden aan betrokkene afdoende garanties moeten bieden.
Dat in casu bij de door de commissie verrichte onderzoeken de rechten van de verdediging niet zijn geëerbiedigd, is echter grotendeels aan verzoeker te wijten. De Commissie had zich immers bereid verklaard hem binnen bepaalde grenzen aan de werkzaamheden van de deskundigen te laten deelnemen (zie brief van 15 januari 1975 van de gemachtigde van de Commissie aan de advocaat van verzoeker). Doch verzoeker heeft er de voorkeur aan gegeven van deze mogelijkheid geen gebruik te maken.
Ook daarom kan de gewraakte afwezigheid van inspraak in het onderhavige geding aan de door gekwalificeerde specialisten overgelegde technische rapporten niet alle belang ontnemen. Weliswaar is de bewijskracht van een buitengerechtelijk onderzoek niet gelijk aan die van een rechtstreeks door het Hof in het kader van een proces gelaste expertise. Doch we mogen niet vergeten dat het Hof zelf in zijn meermalen genoemde beslissing in de voorgaande zaak Guillot, de Commissie heeft opgedragen een onderzoek te verrichten, ondanks het feit dat de Commissie nadrukkelijk om een officieel deskundigenonderzoek had gevraagd. Daarom acht ik de conclusie gewettigd dat het Hof bij zijn beslissing wel niet uitsluitend mag uitgaan van de hierboven genoemde technische rapporten, doch niettemin de bevoegdheid en de plicht heeft er rekening mee te houden in het kader van de verschillende bewijsmiddelen waarop het eindoordeel inzake de bestreden stellingen moet berusten.
10.
Het door verzoeker gevoerde verweer tegen de beschuldigingen dat hij de resultaten van de proeven van april 1971 zou hebben vervalst, bestaat in hoofdzaak in de ontkenning van de echtheid der printerlijsten van het multikanale TMC-apparaat betreffende de metingen 37-41, welke zijn toenmalige chef in de vuilnisbakken beweert te hebben gevonden. Logisch volgt dan ook uit verzoekers standpunt dat de beschuldiging van Malvicini zou worden gestaafd, indien deze authenticiteit kan worden vastgesteld.
Ten bewijze van de echtheid van deze stroken wijst verweerster op de reeds in de rapporten van de twee onderzoekcommissies genoemde omstandigheid, dat voor een van de twee gassoorten welke Guillot tijdens zijn onderzoek heeft geanalyseerd, namelijk xenon 133, de op de betrokken stroken geregistreerde waarden overeenkomen met de door verzoeker zelf in zijn rapport aan directeur Caprioglio ter beschikking gestelde resultaten (behoudens enkele kleine verschillen welke kunnen worden toegeschreven aan een mechanisch defect in de afdrukmachine en welke praktisch uitsluitend betrekking hebben op de kolom der eenheden). Voor de andere gassoorten, xenon 131m, ontbreekt daarentegen een dergelijke overeenkomst.
Verzoeker opperde in de eerste plaats dat deze gegevens betrekking hadden op een ander onderzoek dan het zijne, of dat zij het rechtstreekse resultaat waren van een opzettelijke vervalsing, verricht om hem te benadelen. Doch ik heb er reeds op gewezen dat er volgens de Commissie en de door haar geraadpleegde deskundigen slechts een kans van een op de duizend is om door middel van de automatische TMC-printer een resultaat te verkrijgen dat overeenkomt met dat van het onderzoek van Guillot naar het eerste van de beide gassen.
Verzoeker heeft voorts zowel tijdens de schriftelijke als tijdens de mondelinge behandeling de overeenkomst bestreden tussen de op de printerlijsten geregistreerde waarden voor xenon 133 en de in zijn rapport opgegeven resultaten. Met name trok verzoeker een in de kolom van de honderd-tallen voorkomend cijfer in twijfel: dit cijfer kon blijkbaar worden gelezen als een 0 of als een 9. Maar bij een nauwkeurig onderzoek van de betrokken strook, gelet op het normale verloop van de curve welke het bestudeerde verschijnsel van oplosbaarheid weergeeft, en op de in het rapport van verzoeker zelf aangegeven waarden, lijkt het in het rapport Boulenger in aanmerking genomen cijfer juist te zijn en overeen te komen met het cijfer dat verzoeker zelf aanvankelijk had aangegeven.
Ten slotte heeft verzoeker meer in het algemeen gesteld dat het in de afdrukmachine ontdekte mechanische defect, dat, zoals gezegd, praktisch uitsluitend betrekking had op de kolom met de eenheden, welke af en toe moeilijk te lezen is, aan de door de Commissie met het onderzoek belaste deskundigen een zekere beoordelingsvrijheid heeft gelaten, waarvan dezen zouden hebben geprofiteerd om de op de printerlijst afgedrukte resultaten aan te passen aan die welke reeds in het rapport Guillot waren genoteerd, zodat een onbestaande overeenkomst werd aangetoond.
Dit argument, dat in wezen neerkomt op de beschuldiging dat de door de Commissie aangewezen deskundigen hebben geknoeid met de berekeningen, lijkt echter niet overtuigend. In de eerste plaats dient te worden bedacht dat deze deskundigen voor onleesbare cijfers niet willekeurig een waarde hebben gekozen die hun gelegen kwam, doch voortdurend de gemiddelde waarde 5 hebben aangehouden. Bovendien heeft de Commissie aangetoond dat wanneer voor elk onleesbaar cijfer op de stroken de grenswaarde wordt gekozen (dus de 1, respectievelijk de 9), zodat men een minimum- en een maximumresultaat verkrijgt, de gegevens van verzoekers rapport steeds binnen deze beide grenzen blijven.
Met betrekking tot de verschillende cijfers welke verzoeker tijdens de onderhavige procedure op grond van deze grenswaardenmethode noemde, heeft de Commissie opgemerkt dat het verschil te wijten was aan het feit dat Guillot bij de vaststelling van deze cijfers niet de vaste factor had afgetrokken welke wordt toegepast in verband met het zogenaamde „achtergrondgeluid” van de meetapparatuur, terwijl hij deze factor wel had afgetrokken bij de analyse van de gegevens van de bewuste proeven.
In zijn opmerkingen, gevoegd bij de brief van zijn advocaat van 6 december 1976, ontkende verzoeker in antwoord op dit laatste punt, het „achtergrondgeluid” in zijn „technische bijlage” van 7 mei 1971, te hebben afgetrokken van de door de automatische afdrukmachine verschafte waarden. Deze opmerking is echter lijnrecht in strijd met hetgeen hij voordien, op bladzijde 2 van bovengenoemde technische bijlage, heeft beweerd.
Ten bewijze van de echtheid van de stroken vestigde de Commissie ten slotte de aandacht op enkele met de hand hierop geschreven opmerkingen, welke grotendeels van verzoeker zelf afkomstig waren. Bovendien wees zij op het feit dat uit de verschillende stukken strook duidelijk blijkt dat zij van dezelfde lijst afkomstig waren, omdat de respectieve marges van deze stukken overeenkwamen. Doch verzoeker ontkende aanvankelijk dat de geschreven opmerkingen van zijn hand waren, en volhardde in deze strikt negatieve houding tot de dag vóór zijn verschijning ter terechtzitting.
11.
Vooral met het oog op talrijke geschilpunten tussen partijen ten aanzien van feiten die van beslissende betekenis leken te zijn voor de oplossing van de zaak, en gelet op de tegenstrijdige opmerkingen van Guillot over een dezer feiten, heeft het Hof besloten verzoeker persoonlijk te doen verschijnen en vier getuigen te horen: de heren Benco, Dominici, Collard en Malvicini. Vervolgens is verzoeker in de gelegenheid gesteld schriftelijke opmerkingen te maken over het bijgebrachte bewijs.
Deze mondelinge instructie leidde met name tot de opheldering van sommige tot dan toe onduidelijk gebleven punten met betrekking tot het gedrag van Malvicini, in het bijzonder de wijze waarop hij de strookjes betreffende de proeven van verzoeker had teruggevonden en de redenen waarom vervolgens een periode van zes maanden was verlopen tussen de datum waarop deze strookjes waren teruggevonden en het verschijnen van het reeds genoemde memorandum van oktober 1971 waarin de beschuldiging van vervalsing nog werd uitgebreid.
Hierover ondervraagd tijdens zijn getuigenverklaring, zette Malvicini uiteen dat hij in de eerste helft van mei de verschillende stukken strook betreffende de betrokken experimenten had opgespoord en gereconstrueerd, en na dit materiaal te hebben geanalyseerd en tot de genoemde conclusies te zijn gekomen, zijn directe meerdere en de directeur-generaal van het Centrum hiervan mondeling op de hoogte had gesteld.
Guillot, die wegens een chirurgische ingreep in het ziekenhuis verbleef, was gedurende de maanden mei en juni niet op zijn werk verschenen. Op 24 juni besloot Malvicini als gevolg van gesprekken met zijn directe meerdere en met de heer Blaise, een andere wetenschappelijke ambtenaar, Guillot om opheldering te vragen over de betrokken proeven. Deze antwoordde in een nota van 9 juli, welke ten kantore van Malvicini werd bezorgd nadat deze voor de hele maand juli op zomervakantie was gegaan. Bij zijn terugkeer was Guillot weer afwezig, ditmaal wegens vakantie, en ook de directeur-generaal was er niet. Zodoende kon Malvicini eerst eind september de directeur-generaal vragen wat zijn reactie was op de kwestie van de vervalsingen van Guillots proeven. De directeur-generaal vroeg Malvicini toen zijn opmerkingen schriftelijke toe te lichten, hetgeen deze bij memorandum van 21 oktober heeft gedaan.
In zijn opmerkingen over de resultaten van het verhoor, kon verzoeker op geen enkel punt de juistheid van dit feitenrelaas in twijfel trekken.
Anderzijds leverde de mondelinge instructie geen rechtvaardiging op voor verzoekers tegenstrijdige opmerkingen, doch bracht nieuwe tegenstrijdigheden aan het licht, die alle tezamen de geloofwaardigheid van betrokkene ernstig aantasten.
In de eerste plaats kwam vast te staan dat Malvicini op 26 en 27 april, onmiddellijk voor het tijdstip waarop Guillot de betrokken proeven heeft genomen, met behulp van zijn medewerkers een soortgelijk inleidend onderzoek had verricht, waarvan de uitslag negatief was, dat wil zeggen niet het door verzoeker beweerde verschijnsel van de oplossing van gas aantoonde. Uit de getuigenverklaringen is gebleken dat verzoeker volledig op de hoogte was van dit onderzoek, en het is onbegrijpelijk waarom hij dit zo lang is blijven ontkennen. Eerst in de na het getuigenverhoor ingediende schriftelijke opmerkingen gaf verzoeker voor de eerste maal toe op de hoogte te zijn geweest van de door Malvicini op 26 en 27 april 1971 verrichte voorbereidingen en „voorproeven”, waarbij hij evenwel beweerde dat deze niet als echte proeven konden worden aangemerkt vanwege het gebruik van een handpomp in plaats van de door verzoeker gebruikte elektrische pomp, die een betere waterdichtheid garandeerde.
In de tweede plaats verklaarde verzoeker in zijn getuigenis dat het door hem bij de betrokken proeven gebruikte gas xenon 131 door hemzelf in de vestiging te Ispra was geprepareerd en vervolgens met het van het Centrum te Mol afkomstige gas xenon 133 was vermengd. In de tegelijk met het memorandum van 7 mei 1971 aan de directeur-generaal van het Centrum aangeboden „technische bijlage”, had hij echter beweerd dat het mengsel van xenon 131 en xenon 133 hem in reeds geprepareerde toestand door het Centrum te Mol was verschaft. Indien verzoekers mondelinge verklaring waar is, was het — zoals de heer Collard opmerkte — niet erg correct van hem hierover voordien nooit te hebben gesproken, aangezien bij het mengen van de beide gassoorten het gebruik van een verschillend soort xenon 131, dat van het door het Centrum te Mol geleverde gas op enkele belangrijke punten afweek, onvermijdelijk gevolgen zou hebben gehad voor het verloop van de proeven en derhalve voor de beoordeling van de resultaten ervan. Anderzijds lijkt de getuigenverklaring van de heer Dominici te bevestigen wat verzoeker voordien in genoemd rapport had geschreven, namelijk dat het uitsluitend ging om in het Centrum te Mol geprepareerde gassen.
Een andere tegenstrijdigheid schuilt in de opmerkingen van Guillot ten aanzien van de tijdsduur van „het borrelen” van de gassen in het water op donderdagmorgen 29 april. In zijn schriftelijk rapport had hij een duur van 10 tot 15 minuten aangegeven; mondeling beweerde hij echter dit proces ongeveer een uur lang te hebben toegepast. Opgemerkt dient te worden dat het belangrijk is deze duur precies te bepalen om de resultaten van de proef nauwkeurig te berekenen.
Ten aanzien van de correctiecoëfficiënt welke zou zijn gehanteerd om de door de schuine stand van een buisje veroorzaakte afwijking te compenseren, merkte verzoeker in zijn aan Malvicini geschreven rapport op dat hij deze factor (uitgedrukt in een waarde van 4 cijfers, die blijkbaar was vastgesteld, met het oog op het herstel van de loop van de curve zoals die daags tevoren was geweest) op de resultaten betreffende het xenon 131, doch niet op die van het gas xenon 133 had toegepast. In het latere rapport aan de directeur-generaal schreef hij evenwel dat hij de correctiecoëfficiënt op beide gassen had toegepast, waardoor hij hieraan elke betekenis heeft ontnomen, zoals hij zelf nadien in zijn getuigenis in antwoord op een vraag van de rechter-rapporteur, moest erkennen.
In verbartd met deze correctiecoëfficiënt heeft getuige Collard voorts bevestigd wat reeds in het „rapport Boulenger” was opgemerkt, namelijk dat Guillot dezelfde coëfficiënt ook had toegepast op de metingen welke aan de laatste zes vooraf gingen.
Dit zou tot de veronderstelling kunnen leiden dat de bewering van Guillot betreffende de scheve stand van het buisje niet op waarheid berust: het is best mogelijk dat verzoeker het incident met het buisje heeft bedacht ter weerlegging van de kritiek van Malvicini welke uitsluitend betrekking had op de laatste zes metingen (waarvan Malvicini op het moment van zijn onderhoud op 3 mei 1971 met Guillot namelijk de strookjes van de Olivetti-rekenmachine had gevonden en waartoe hij derhalve zijn aanvankelijke opmerkingen had beperkt).
Deze veronderstelling wordt nog versterkt door het thans vaststaande feit dat Guillot in zijn eerste rapport aan Malvicini geen melding had gemaakt van enig incident tijdens de proeven, noch van correcties die hij had aangebracht in de gegevens van de analysator.
De getuigenverklaring van Dominici, die aanwezig was geweest bij het onderhoud van maandagmorgen 3 mei 1971 tussen Malvicini en Guillot, tijdens hetwelk aan deze laatste was verweten dat de gegevens van zijn schriftelijk rapport betreffende het gas xenon 131 en de op het strookje van de rekenmachine voorkomende gegevens welke Malvicini twee dagen tevoren had kunnen opsporen, niet met elkaar overeenkwamen, bevestigt Malvicini's bewering, dat Guillot hem van de correcties op de gegevens uit de automatische afdrukmachine betreffende een van de beide gassen eerst op de hoogte had gesteld, na hiertoe te zijn gedwongen als gevolg van de kritiek van Malvicini.
Zich bewust van zijn dubbelzinnig gedrag beweerde verzoeker reeds in zijn nota van 9 juli 1971 aan de directeur-generaal, en vervolgens gedurende de gehele procedure, dat hij Malvicini op 30 april 1971, de laatste dag van het betrokken onderzoek, mondeling spontaan op de hoogte heeft gesteld van de aangebrachte „correctie” der resultaten. Maar gezien de getuigenverklaring van Dominici over de wijze waarop het gesprek van 3 mei 's morgens verliep, kan moeilijk geloof worden gehecht aan deze bewering van verzoeker.
Ook ten aanzien van de vraag hoe Guillot bij de berekening van de resultaten het mechanisch defect van de afdrukmachine betreffende de kolom van de eenheden heeft verholpen, vertinen de verklaringen van verzoeker een gebrek aan duidelijkheid en samenhang. Hij beweerde immers dat hij het ontbrekende cijfer soms door een 1 dan weer door een 9 heeft vervangen, zonder echter te verklaren volgens welke criteria hij nu eens het ene dan weer het andere cijfer koos. Op grond van de niet bestreden strookjes en van de door Guillot in zijn rapport genoemde cijfers, kan het er echter voor worden gehouden dat hij het ontbrekende cijfer voortdurend door de gemiddelde waarde 5 had vervangen.
Ten slotte zij erop gewezen dat verzoeker tijdens zijn verklaring ter terechtzitting voor de eerste keer heeft toegegeven dat een gedeelte van de met de hand geschreven cijfers en woorden op de strookjes van de automatische afdrukmachine betreffende de metingen 37 tot 41, van hem afkomstig konden zijn.
Deze bekentenis betekent een ernstige verzwakking van de volledig negatieve houding die hij tevoren had ingenomen.
Ten slotte blijkt uit het feit dat verzoeker bij zijn poging om de onbetrouwbaarheid van de deskundigenrapporten van de Commissie aan te tonen, verstrikt is geraakt in een net van onjuistheden, tegenstrijdigheden en onsamenhangende verklaringen, hoe zwak zijn positie is. Het geheel der besproken feiten versterkt mijns inziens de technische constateringen en opvattingen in de door de Commissie overgelegde rapporten: met name geldt dit voor de op onafhankelijke wijze opgemaakte rapporten van de deskundigen van het Centrum te Mol en van de administratieve commissie van onderzoek. Voorts heb ik er reeds op gewezen dat het voor de verwerping van het beroep noodzakelijk en voldoende is vast te stellen dat het gedrag van verzoeker van dien aard is geweest dat de door zijn directe meerdere tegen hem ingebrachte beschuldigingen gerechtvaardigd zijn, en dat de Commissie derhalve geenszins onrechtmatig heeft gehandeld door de heer Malvicini niet te desavoueren. Ik meen dat zulks inderdaad is komen vast te staan.
12.
Op grond van het vorenoverwogene ben ik van mening dat de stelling van Guillot dat de Commissie te zijnen nadele artikel 24 van het Statuut van de ambtenaren heeft geschonden, moet worden verworpen. Ik heb reeds uiteengezet dat de Commissie ongetwijfeld wel artikel 26 heeft geschonden, maar doordat zij ondertussen het memorandum van Malvicini van 21 oktober 1971 uit het persoonsdossier van verzoeker heeft verwijderd, is het desbetreffende verzoek zonder voorwerp geraakt.
Wij concluderen derhalve dat Uw Hof verzoekers eis tot nietigverklaring van het stilzwijgende besluit van de Commissie tot afwijzing van de door verzoeker op 26 november 1973 ingediende klacht, ongegrond verklare.
Het verzoek, verweerster te veroordelen tot vergoeding van de schade welke verzoeker zou hebben geleden wegens de weigering van de Commissie om de beschuldigingen in het memorandum van Malvicini van 21 oktober 1971 te dementeren moet eveneens ongegrond worden verklaard, aangezien deze weigering rechtmatig was. Ook het verzoek tot teruggave van de documenten betreffende de door verzoeker verrichte wetenschappelijke experimenten moet worden afgewezen, want — zoals ik reeds heb opgemerkt — deze documenten behoren niet toe aan verzoeker, omdat het hier gaat om proeven, verricht in het Centrum te Ispra en met middelen van dit Centrum. Daar het beroep in hoofdzaak ongegrond is, concluderen wij voorts dat elk der partijen haar eigen kosten zal dragen, overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering betreffende de beroepen van ambtenaren van de Gemeenschappen.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy