CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 26 FEBRUARI 1975 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
In de zaak waarin ik thans heb te concluderen, zijn excepties van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en is vervolgens gedebatteerd over de zaak ten gronde.
Een geordende procesvoering brengt mee dat eerst de ontvankelijkheidskwestie wordt afgedaan, omdat het Hof pas daarna kan overgaan tot de behandeling ten gronde. In een zaak echter als deze, waarin meer dan 500 ambtenaren van de Commissie een rechtsvraag hebben opgeworpen ter oplossing van een probleem dat volgens verzoekers zowel een economisch als een normatief aspect heeft, zou ik voor een keer van de gewone logische volgorde, die overigens ook de juridische volgorde is, willen afwijken om een bijzondere reden. Naar mijn mening ligt het hoofdprobleem namelijk zo duidelijk dat ik het in elk opzicht gewenst acht eerst op de hoofdzaak in te gaan en U een beslissing voor te stellen waarvan de reikwijdte de normale processuele beeldhoek te buiten gaat.
Verzoekers vorderen nietigverklaring van de besluiten op grond waarvan de Commissie een inhouding heeft toegepast op het salaris van haar ambtenaren wegens deelneming aan de laatste twee dagen van de staking die is gehouden van 11 tot 15 december 1972.
Bij een verkenning van het gehele stakingsterrein doen zich tal van vragen voor, om te beginnen al de prealabele vraag van de toelaatbaarheid van een staking van ambtenaren der Gemeenschappen, gezien het ontbreken van statutaire bepalingen ter zake. Ik meen echter dat het zelfs voor dit fundamentele punt voldoende is te wijzen op de hoofdtrekken van dit maatschappelijk verschijnsel.
Wat is eigenlijk een staking?
Het bij afspraak neerleggen van het werk in vakverenigingsverband mag stellig niet worden gezien als een samenstel van individuele schendingen van de arbeidsverhouding. Dit verschijnsel is een produkt van de maatschappelijke realiteit van onze moderne tijd en valt naar zijn kenmerken te beschouwen als een middel van de werknemers om een collectief doel te bereiken. In die optiek wordt de staking gekenmerkt door haar maatschappelijk karakter en is zij een naar wezen en gevolgen duidelijk omschreven verschijnsel. Juist bij dit verschijnsel wordt nu gewoonlijk en algemeen aangenomen dat nederlegging van het werk voor de individuele deelnemer redelijkerwijs — althans wanneer men niet wil afwijken van de elementaire logische orde — gepaard gaat met inhouding van het salaris voor het werk dat men uitdrukkelijk niet heeft willen verrichten. Zonder dit element zou de staking volgens mij iedere betekenis en gevoelswaarde verliezen; zij zou niet meer mogen worden beoordeeld op haar collectiviteitsrechtvaardiging als strijdmiddel dat deel uitmaakt van de dynamiek van een ruime juridische opvatting van de arbeidsverhouding, maar een simpele weigering zijn tot nakoming van een juridische verplichting. Zulks te meer omdat in die optiek bescherming moet worden geboden aan de wederpartij, namelijk de werkgever die geen uitdrukkelijke schending kan dulden van de arbeidsovereenkomst tussen hem en de individuele werknemer.
Afgezien van overwegingen over de rechtmatigheid van het door ambtenaren aangewende maatschappelijke strijdmiddel, en afgezien van het zwijgen van het personeelsstatuut, is het derhalve duidelijk dat werknemers bij een staking op eigen initiatief geen aanspraak kunnen maken op salarisbetaling voor niet verrichte werkzaamheden gedurende de stakingsdagen, en dat zij zich niet kunnen verzetten tegen terugbetaling in de vorm van een salarisinhouding op grond van artikel 85 van genoemd Statuut. Dit standpunt dat aansluit op de aard zelf van dit middel uit het vakbewegingsarsenaal, gaat ook verder dan de opvatting die steunt op de prestatieregel.
Het bovenstaande ware reeds voldoende om de vordering van verzoekers ongegrond te verklaren.
Uit een meer beperkt en traditioneel oogpunt kan bovendien worden opgemerkt dat het algemene beginsel van de wederzijdse prestatie, dat ook geldt voor de arbeidsverhouding van de ambtenaar, is aanvaard in het Statuut van de ambtenaren, zoals blijkt uit de bepaling van artikel 40, dat de ambtenaar geen recht heeft op enigerlei bezoldiging gedurende het verlof om redenen van persoonlijke aard, en van artikel 42, dat de ambtenaar die in militair verband is opgenomen ten einde zijn wettelijke eerste oefening te vervullen, weliswaar zijn uit het Statuut voortvloeiende rechten met betrekking tot plaatsing in een hogere salaristrap en bevordering behoudt, doch geen bezoldiging meer ontvangt.
Daar de staking noodzakelijkerwijze een collectief karakter heeft, kan zelfs niet naar analogie worden ingestemd met het argument dat verzoekers ontlenen aan artikel 60 van het Statuut, dat is geschreven voor individuele gedragingen van volkomen andere aard.
Voorts is sprake geweest van een beweerd repressief karakter van de salarisinhouding, omdat de ambtenaren die het werk op 14 december hebben hervat, daardoor niet zijn getroffen. Voorts is gesproken van discriminatie omdat in andere gevallen of bij andere instellingen de inhouding niet is toegepast. Het ligt niet op mijn weg, en naar ik meen ook niet op de Uwe, te onderzoeken waarom verweerster of andere instellingen van de Gemeenschap de salarisinhouding op hun stakende ambtenaren niet of niet in alle gevallen hebben toegepast. Wellicht lagen aan de genomen besluiten bijzondere redenen ten grondslag. In elk geval staat vast dat het enkele feit dat de Gemeenschapsautoriteiten hebben afgezien van een strikte toepassing van een vaste juridische maatstaf niet het recht geeft te eisen dat andere niet nader gerechtvaardigde uitzonderingen op de regel worden gemaakt.
Mitsdien concludeer ik tot verwerping van het beroep, gevolgen rechtens.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy