CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 12 NOVEMBER 1974 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Reeds jaren en in ieder geval sinds lang voor de ondertekening van het EEG-Verdrag betrekt de Franse markt haar bananen hoofdzakelijk uit Guadeloupe, Martinique en Ivoorkust. Zoals U weet, zijn Guadeloupe en Martinique thans overzeese departementen van Frankrijk, terwijl Ivoorkust een der voormalige Franse onderhorigheden is die voorkomen in artikel 86 van het besluit van 30 januari 1967 van de Franse directeur-général des douanes et droits indirects, en een voorkeursbehandeling in de han del met Frankrijk genieten. De bananenleveranciers uit die landen worden op de Franse markt door een contingenterings-systeem en douanerechten beschermd.
Naar ik begrijp, komt het contingenteringssysteem op het volgende neer. Bananen uit de Franse overzeese departementen en uit wat ik gemakshalve zal aanduiden als „de landen van artikel 86” kunnen vrij in Frankrijk worden ingevoerd. Op grond van een handelsovereenkomst tussen Frankrijk en Spanje mag jaarlijks ook een contingent bananen van de Canarische eilanden in Frankrijk worden ingevoerd. Naarmate de toevoer uit die landen aanvulling behoeft, opent het ter zake bevoegde Franse Ministerie van Economie en Financiën een contingent voor andere landen, met uitzondering van Rhodesië.
Opgemerkt zij, dat het in dit systeem — voor andere landen dan Franse overzeese departementen, de landen van artikel 86 en Spanje — geen verschil maakt of zij al dan niet partij zijn bij de Overeenkomst van Jaoende dan wel behoren tot de „landen en gebieden” van artikel 131 van het Verdrag. Hier ligt de oorzaak van het geschil.
Charmasson is een Franse importeur van bananen, hoofdzakelijk uit Zaïre, Somaliland en Suriname. Beide eerstgenoemde landen zijn partij bij de Overeenkomst van Jaoende, terwijl Suriname onder artikel 131 valt. Op 28 oktober 1969 verscheen een mededeling van het Ministerie van Economie en Financiën dat een invoercontingent was geopend voor bananen uit het buitenland, doch niet uit de landen van artikel 86, noch uit Spanje en Rhodesië. Charmasson nu betwistte voor de Franse Conseil d'État de geldigheid van deze mededeling, met name op grond dat geen bijzondere bepaling ten gunste van de met de EEG geassocieerde landen was opgenomen.
In artikel 5 van de eerste Overeenkomst van Jaoende werd inzake de afschaffing van kwantitatieve beperkingen bepaald dat de Lid-Staten op de invoer van produkten van oorsprong uit de geassocieerde staten de dienovereenkomstige bepalingen van het Verdrag toepassen, die in hun onderlinge betrekkingen worden toegepast. Ingevolge artikel 4 van een besluit van 25 februari 1964 van de Raad (64/349 EEG) gold dit zelfde voor produkten van oorsprong uit de landen en gebieden van artikel 131. Ofschoon zowel de overeenkomst als het besluit op grond van hun eigen bepalingen op 31 mei 1969 zouden aflopen, bleven zij na die datum van kracht ingevolge besluiten van 28 mei 1969 van respectievelijk de Associatieraad en de Raad van de Europese Gemeenschappen.
De afschaffing van de kwantitatieve beperkingen tussen de Lid-Staten is, zoals bekend, geregeld in de artikelen 30 tot 37 EEG-Verdrag. Artikel 32 bepaalt met name dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van het Verdrag bestaande contingenten uiterlijk aan het einde van de overgangsperiode dienen te zijn afgeschaft en dat zij in de loop van deze periode geleidelijk worden opgeheven overeenkomstig de bepalingen van de volgende artikelen. Artikel 33 voorziet in de geleidelijke afschaffing van invoercontingenten, en wel door (1) een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag de voor andere Lid-Staten beschikbare bilaterale contingenten om te zetten in globale contingenten welke zonder discriminatie voor alle andere Lid-Staten openstaan, en (2) de aldus vastgestelde globale contingenten in de loop der jaren geleidelijk te verhogen. Artikel 33, lid 3, bepaalt dat aan het einde van het tiende jaar ieder contingent ten minste 20 % moet bedragen van de nationale produktie van de Lid-Staat die het contingent vaststelt. Het is duidelijk dat het in de onderhavige zaak gaat om de situatie tussen het einde van het tiende jaar en de afloop van de overgangsperiode.
Charmasson stelt nu dat Frankrijk in gevolge artikel 5 van de eerste Overeenkomst van Jaoende en artikel 4 van het besluit van 25 februari 1964 was gehouden de bepalingen van artikel 33 EEG-Verdrag toe te passen ten gunste van de geassocieerde staten en de landen, die onder artikel 131 vallen.
De Franse Regering meent dat artikel 38, lid 2, en artikel 45 van het Verdrag, ertoe leiden dat artikel 33 voor landbouwprodukten niet van toepassing was op een Lid-Staat waar bij de inwerkingtreding van het Verdrag een nationale marktorganisatie bestond, wat nu juist in Frankrijk het geval was voor bananen.
Aanstonds zij opgemerkt dat de Commissie het met de Franse Regering eens is. Immers, voordat Charmasson zich tot de Conseil d'État wendde, wees de Commissie in 1970 zijn klacht af, waarbij hij haar verzocht, eventueel op grond van artikel 169, op te treden om een einde te maken aan Frankrijks beweerde nalatigheid om zijn verdragsverplichtingen na te komen.
Dit zijn de omstandigheden waaronder de Conseil d'État twee prejudiciële vragen tot Uw Hof heeft gericht:
1.
Kan het bestaan in een Lid-Staat van een nationale marktorganisatie in de zin van de artikelen 43, 45 en 46 EEG-Verdrag de toepassing van artikel 33 van het Verdrag op het betrokken produkt uitsluiten?
2.
Zo ja, aan welke kenmerken dient dan een dergelijke marktorganisatie te voldoen?
Uiteraard dient volgens de Franse Regering en de Commissie de eerste vraag bevestigend te worden beantwoord.
Charmasson heeft geen schriftelijke opmerkingen ingediend. Bij de mondelinge behandeling betoogde hij echter dat de artikelen 33 en 45 als alternatieven moeten worden beschouwd in die zin dat een Lid-Staat ingevolge het Verdrag de mogelijkheid heeft voor de handel met andere Lid-Staten in een bepaald produkt de weg van artikel 45 te volgen, maar dat bij niet-gebruikmaking van die methode artikel 33 van toepassing is. In feite staat vast dat de methode van artikel 45 nauwelijks is gebruikt: een overeenkomst of contract op lange termijn als daar bedoeld, is slechts eenmaal tot stand gekomen, namelijk tussen Frankrijk en Duitsland voor de levering van granen. Bijgevolg zou in die opvatting artikel 33 op een geval als het onderhavige van toepassing zijn.
Hiermede ben ik het niet eens. Zowel artikel 33 als artikel 45 zijn dwingend geformuleerd en noch uit de bewoordingen noch uit de structuur van het Verdrag valt af te leiden dat een Lid-Staat daar tussen kan kiezen. In feite is artikel 38, lid 2, de kernbepaling voor de relatie tussen de beide artikelen. Het luidt:
„Voor zover in de artikelen 39 tot en met 46 niet anders is bepaald, zijn de regels voor de instelling van de gemeenschappelijke markt” — waaronder uiteraard de artikelen 30 tot en met 37 — „van toepassing op landbouwprodukten”.
Met de woorden „Save as otherwise provided” is de Engelse tekst van de bepaling in overeenstemming met de Deense, Duitse en Nederlandse tekst. De Franse en Italiaanse tekst („Sauf dispositions contraires . . .”, „Salvo contrarie disposizioni. ..”) lijken wellicht op het eerste gezicht strengere eisen te stellen aan de uitsluiting van de toepasselijkheid van de betrokken regels. Maar mij dunkt dat alle teksten bij een juiste ontleding op hetzelfde doelen, namelijk op een in de artikelen 39 tot en met 46 voorkomende onverenigbaarheid met de toepassing van deze regels. Het lijkt mij niet dat ik hierin afwijk van 's Hofs uitspraken in vroegere zaken, waarbij het zich met de uitlegging van artikel 38, lid 2, moest bezighouden.
Mijns inziens is de vraag dan ook eigenlijk of in het geval dat een Lid-Staat ten tijde van de inwerkingtreding van het Verdrag voor een bepaald landbouwprodukt een nationale marktorganisatie had, de desbetreffende bepalingen in de artikelen 39 tot en met 46 onverenigbaar zijn met de toepassing van artikel 33. Voor mijn conclusie dat zulks duidelijk het geval is, baseer ik mij niet alleen op de bewoordingen van artikel 45.
Om te beginnen bepaalt artikel 38, lid 4, dat „de werking en de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt dienen gepaard te gaan met de totstandkoming van een gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Lid-Staten”.
Vervolgens is daar artikel 39 waarin de doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden omschreven, en artikel 40, lid 2, dat bepaalt dat om die doeleinden te bereiken een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten tot stand zal worden gebracht, die naar gelang van de produkten de volgende vormen kan aannemen:
„a)
gemeenschappelijke regels inzake mededinging;
b)
verplichte coördinatie van de verschillende nationale marktorganisaties;
c)
een Europese marktorganisatie.”
Artikel 43 geeft de procedure aan voor „de totstandbrenging en de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, daarbij inbegrepen de vervanging van de nationale organisaties door een van de in artikel 40, lid 2, genoemde vormen van gemeenschappelijke ordening.”
Artikel 43, lid 3, bepaalt met name:
„De in artikel 40, lid 2, genoemde gemeenschappelijke ordening kan … door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen in de plaats worden gesteld van nationale marktorganisaties:
a)
indien de gemeenschappelijke ordening aan die Lid-Staten welke tegen deze maatregelen gekant zijn en zelf over een nationale organisatie voor de betrokken produktie beschikken, gelijkwaardige waarborgen biedt inzake de werkgelegenheid en de levensstandaard van de betrokken producenten, met inachtneming van het ritme van de mogelijke aanpassing en van de noodzakelijke specialisatie, en
b)
indien deze ordening aan het handelsverkeer binnen de Gemeenschap analoge voorwaarden waarborgt als op een nationale markt bestaan.”
De juiste draagwijdte van deze bepaling wordt in de literatuur verschillend uitgelegd. Maar wat die ook zijn, stellig verleent deze bepaling een Lid-Staat het recht zich in bepaalde gevallen te verzetten tegen vervanging van zijn nationale marktorganisatie door een gemeenschappelijke ordening. Mijns inziens zou het met dit recht volledig in strijd zijn, indien een Lid-Staat tegelijkertijd op grond van de artikelen 32 en 33 verplicht was zijn nationale organisatie te ontmantelen, voor zover deze op een contingenteringsstelsel berust.
Het lijkt mij niet nodig het gehele artikel 45 voor te lezen, waarop de argumentatie in deze zaak zich toespitst. De beginselbepaling staat in lid 1, dat luidt:
„Tot het tijdstip waarop de nationale organisaties door een der in artikel 40, lid 2, genoemde vormen van gemeenschappelijke ordening worden vervangen, wordt voor de produkten waarvoor in sommige Lid-Staten
—
bepalingen bestaan, welke ertoe strekken de nationale producenten te verzekeren van de afzet van hun produkten, en
—
invoerbehoeften bestaan,
de ontwikkeling van het handelsverkeer nagestreefd door het afsluiten van overeenkomsten of contracten op lange termijn tussen de uitvoerende en invoerende Lid-Staten.
Deze overeenkomsten of contracten moeten ertoe strekken bij de toepassing van bovengenoemde bepalingen op de verschillende producenten van de Gemeenschap elke discriminatie geleidelijk af te schaffen.
De bovenbedoelde overeenkomsten of contracten worden in de loop van de eerste etappe gesloten; met het beginsel van wederkerigheid moet rekening worden gehouden.”
Mij lijkt dat deze bepaling ziet op het speciale geval dat een Lid-Staat (a) een nationale marktorganisatie heeft voor een bepaald produkt waarvoor nog geen gemeenschappelijke ordening tot stand is gebracht, doch (b) de nationaal voortgebrachte hoeveelheid van dat produkt moet aanvullen door invoer. Het artikel schrijft voor dat de betrokken Lid-Staat in dat geval de ontwikkeling van het handelsverkeer in dat produkt met andere Lid-Staten moet nastreven door het afsluiten van overeenkomsten of contracten op lange termijn, strekkende tot geleidelijke wederzijdse afschaffing van elke discriminatie tussen zijn eigen nationale producenten en andere producenten binnen de Gemeenschap. Dit lijkt mij onverenigbaar met de gelijktijdige toepassing op dezelfde Lid-Staat, voor hetzelfde produkt, van de welhaast automatisch werkende bepalingen van de artikelen 32 en 33. Met de opmerking dat deze bepalingen welhaast automatisch werken, zie ik niet over het hoofd hetgeen Uw Hof daarover heeft gezegd in de zaak 13-68, Salgoil (Jurispr. 1968, blz. 643 tot 644). Uiteraard laten die bepalingen de Lid-Staten een zekere beleidsvrijheid.
Overigens heb ik mij wel afgevraagd waarom de Franse Regering de beweringen van Charmasson niet kortweg heeft afgedaan op grond van dit arrest, waarbij dacht ik toch is uitgemaakt dat de artikelen 32 en 33, gezien de zekere beleidsvrijheid die zij de Lid-Staten laten, niet rechtstreeks kunnen werken en voor particulieren dus ook geen rechten kunnen doen ontstaan. Dit punt is echter niet voorgedragen en de Conseil d'État heeft hierover ook geen vraag gesteld. Ik zal het daarom laten rusten.
Terugkomend op artikel 45 zou ik nog willen opmerken dat — in het licht van de voorgaande door mij genoemde artikelen — daarin mijns inziens ook ligt besloten dat een Lid-Staat met een nationale marktorganisatie voor een produkt waarvoor nog geen gemeenschappelijke marktordening bestaat, en die in de eigen behoeften voor dat produkt kan voorzien, niets behoeft te doen totdat de nationale marktorganisaties door een gemeenschappelijke ordening worden vervangen.
Het is een geruststellende gedachte dat mijn conclusie in overeenstemming is met het standpunt dat de Commissie en de regeringen van de Lid-Staten steeds hebben ingenomen, evenals met de mening van ten minste twee schrijvers (zie Ganshof van der Meersch, Droit des Communautés européennes, par. 1778 e.v., en Mégret, Droit de la Communauté Économique Européenne, deel 2, blz. 57 e.v.) en met de opvatting, die duidelijk door de opstellers van de Toetredingsakte wordt gehuldigd: zie artikel 60, lid 2, dat anders geen enkele betekenis zou hebben.
Daarmee kom ik thans tot de tweede vraag van de Conseil d'État. Deze is op het eerste gezicht van geduchte omvang. Wij alleen kennen maar al te goed het probleem waarvoor de rechter staat wanneer de wetgever een term in een kennelijk specifieke zin heeft gebruikt of zelfs gevormd, maar voor een definitie ervan is teruggeschrokken en deze liever aan de rechter overlaat. In een dergelijk geval gaat de rechter meestal omzichtig te werk; hij zal zich niet op een terrein willen werpen dat de wetgever zelf heeft gemeden, doch veeleer trachten van geval tot geval, telkens aan de hand van de feiten, tot een omschrijving te komen. Doch de thans gestelde categorische vraag welke kenmerken een nationale marktorganisatie moet vertonen, kan in verband met het bepaalde in artikel 177 van het Verdrag niet worden ontlopen.
Nu werpen Charmassons opmerkingen ter terechtzitting mijns inziens wel wat meer licht op hetgeen achter de vraag steekt. Hij wees op de bevindingen in de verwijzingsbeschikking van de Conseil d'État dat „bij de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag de bananeninvoer op de Franse markt ter bescherming van de producenten van de overzeese departementen en gebieden was gecontingenteerd en onderworpen aan een douanerecht” en „dat een Comité interprofessionnel bananier van de Franse Unie, ingesteld bij interministerieel besluit van 30 januari 1951 en bestaande uit producenten, vervoerders, rijpingsdeskundigen en kleinhandelaren was belast met studie en met overleg tussen belanghebbenden in bijzijn van overheidsvertegenwoordigers.” Dit — aldus de conclusie van Charmasson — was wat er bij de inwerkingtreding van het Verdrag in Frankrijk aan organisatie van de bananenmarkt bestond, zodat men bepaald nog niet kon spreken van een nationale marktorganisatie in de zin van het Verdrag.
Charmasson gaf in vijf punten een samenvatting van zijn betoog.
Ten eerste: het bestaan van een nationale marktorganisatie kan de toepassing van artikel 33 niet beletten, tenzij die organisatie al werkte toen het Verdrag van kracht werd. Mij dunkt dat dit alleszins voor de hand ligt en dat was ook de mening van Advocaat-Generaal Roemer in de zaken 90 en 91-63, Commissie t. Luxemburg en België (Jurispr. 1964, blz. 1312 tot 1313). Ik denk ook niet dat iemand dit in de onderhavige zaak betwist. Maar voorzover dit punt nog speciaal moet worden vermeld, dan mijns inziens in het antwoord op de eerste en niet de tweede vraag van de Conseil d'État.
Ten tweede: het begrip nationale marktorganisatie omvat een complex van maatregelen. Ook dit lijkt mij zonder meer duidelijk. Het stemt overeen met hetgeen het Hof zelf verklaarde in de zaak Commissie t. Luxemburg en België (Jurispr. 1964, blz. 1297). Bescherming van binnenlandse producenten enkel door contingenten of douanerechten of beide kan geen nationale marktorganisatie opleveren. Daarvoor is meer nodig. Zoals het Hof in die zaak — zij het obiter — heeft overwogen, dient er in een nationale marktorganisatie een element van controle en beheersing van de markt te zijn.
Ten derde betoogt Charmasson dat de betrokken maatregelen door de Staat moeten zijn genomen; zelfs met toestemming van de Staat genomen maatregelen van producenten en handelaren die zelf belang daarbij hebben, kunnen geen nationale marktorganisatie opleveren. Aanvankelijk zag ik wel wat in deze stelling, die in de opmerkingen van de Commissie werd ondersteund, maar uiteindelijk ben ik tot de slotsom gekomen dat zij moet worden verworpen. Artikel 42 van het Verdrag bepaalt onder meer:
„De bepalingen van het hoofdstuk over regels betreffende de mededinging zijn op de voortbrenging van en de handel in landbouwprodukten slechts in zoverre van toepassing, als door de Raad … zal worden bepaald … binnen het raam .. . van artikel 43, leden 2 en 3.”
Van artikel 43 gaat lid 2 grotendeels en lid 3 (dat ik reeds heb geciteerd) in zijn geheel over de vervanging van nationale marktorganisaties door gemeenschappelijke ordeningen. Hieruit valt af te leiden dat volgens de verdragsauteurs de betrokken marktorganisaties een zodanig karakter kunnen hebben dat, binnen de grenzen van artikel 42, „de bepalingen van het hoofdstuk betreffende de mededingingsregels” op die organisaties van toepassing kunnen zijn. Deze bepalingen omvatten met name artikel 85, dat uitsluitend betrekking heeft op overeenkomsten tussen ondernemingen. Hieruit concludeer ik dat de opstellers van het Verdrag hebben gedacht aan de mogelijkheid van een nationale marktorganisatie in de vorm van een overeenkomst tussen ondernemingen en dat zij bevreesd waren dat artikel 85 niet van toepassing zou zijn op die organisatie, behoudens voor zover door de Raad zou worden besloten binnen het raam van de bepalingen inzake de totstandbrenging en de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en met name die inzake de vervanging van nationale organisaties door gemeenschappelijke ordeningen. Wellicht is de volgende overweging doorslaggevend: gesteld dat voor een bepaald landbouwprodukt de nationale markten in sommige Lid-Staten zijn geordend door overheidsmaatregelen en in andere Lid-Staten door overeenkomsten tussen bijvoorbeeld coöperatieve producentenverenigingen en handelsverenigingen. Indien nu de uitdrukking „nationale marktorganisatie” in het Verdrag aldus zou moeten worden uitgelegd dat zij organisaties van laatstgenoemde soort uitsluit, dan zou de eerstgenoemde groep Lid-Staten wel en de laatstgenoemde niet op grond van artikel 43, lid 3, kunnen verlangen dat een overeenkomstig dat artikel tot stand te brengen gemeenschappelijke ordening hun producenten gelijkwaardige waarborgen biedt inzake hun werkgelegenheid en levensstandaard. Ik kan niet aannemen dat het Verdrag moet worden uitgelegd in de zin van een zodanige discriminatie tussen Lid-Staten.
Ten vierde stelt Charmasson dat de inachtneming van consumentenbelangen een wezenlijk kenmerk van een nationale marktorganisatie is. Hij baseert zich hiertoe op artikel 39, lid 1, sub e, van het Verdrag dat bepaalt dat het een der doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is „redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren”. Ongetwijfeld is dit een der doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en dienovereenkomstig moet het een der doelstellingen van elke gemeenschappelijke marktordening zijn. Mijns inziens volgt hieruit echter niet dat dit in de gedachtengang van de Verdragsauteurs ook een doelstelling van elke nationale marktorganisatie moet zijn. De door mij geciteerde Verdragsbepalingen bevatten aanwijzingen van hetgeen de opstellers van het Verdrag bij een gemeenschappelijke marktordening voor ogen stond, en er zijn meer aanwijzingen, bijvoorbeeld artikel 40, lid 3, dat onder meer bepaalt:
„De gemeenschappelijke ordening in een der in lid 2 vermelde vormen kan alle maatregelen medebrengen welke noodzakelijk zijn om de in artikel 39 omschreven doelstellingen te bereiken, met name prijsregelingen, subsidies zowel voor de produktie als voor het in de handel brengen der verschillende produkten, systemen van voorraadvorming en opslag en gemeenschappelijke organisatorische voorzieningen voor de stabilisatie van de in- of uitvoer.”
In het Verdrag is echter nergens de bedoeling van de auteurs af te lezen dat een nationale marktorganisatie alleen als zodanig zou worden erkend indien zij aan de kenmerken van een gemeenschappelijke ordening voldoet.' De artikelen 39, lid 2, sub b, en 43, lid 3, sub a, spreken uitdrukkelijk van „aanpassingen” bij de overgang van nationale marktorganisaties naar een gemeenschappelijke marktordening. Onder andere uit deze bepalingen blijkt mijns inziens dat een gemeenschappelijke marktordening niet per se een afspiegeling behoeft te zijn van de nationale organisaties die zij vervangt.
Dit is wellicht het juiste moment om te wijzen op de opmerkingen van de Franse Regering over de tweede vraag van de Conseil d'État. Zij komen erop neer dat het begrip marktorganisatie, zowel nationaal als gemeenschappelijk gezien, we zenlijk hetzelfde is, zodat de aanwijzingen in het Verdrag voor de kenmerken die een gemeenschappelijke marktordening moet vertonen en met name de doelstellingen in artikel 39, evenzeer van belang zijn bij het onderzoek naar hetgeen de opstellers van het Verdrag bedoelden met een nationale marktorganisatie. Zelf meen ik dat deze aanwijzingen, hoe waardevol ook bij dit onderzoek, om de reeds uiteengezette redenen niet als doorslaggevend kunnen worden beschouwd.
De Franse Regering heeft in haar opmerkingen tevens een aantal feitelijke gegevens vermeld over de in de loop der jaren genomen maatregelen ter beheersing van de Franse bananenmarkt en over de gevolgen daarvan. Deze feiten worden door Charmasson grotendeels weersproken of zijn volgens hem niet ter zake dienend, omdat zij betrekking hebben op de tijd van voor de inwerkingtreding van het Verdrag. Ik ben het met Charmasson eens dat het niet aan Uw Hof is zich over deze kwesties uit te spreken.
Als vijfde en laatste punt brengt Charmasson naar voren dat een nationale marktorganisatie waarborgen voor de werkgelegenheid en levensstandaard van de betrokken producenten moet omvatten. Dit is, dunkt mij, stellig juist: het ligt besloten in artikel 43, lid 3, zoals Advocaat-Generaal Roemer heeft uiteengezet in de zaak Commissie t. Luxemburg en België (Jurispr. 1964, blz. 1311). Ook de Commissie heeft dit in haar opmerkingen in de onderhavige zaak onderstreept.
Het lijkt mij overbodig de zeer doorwrochte en nuttige opmerkingen van de Commissie bij dit onderdeel van de zaak te herhalen. Immers, in mijn betoog heb ik reeds aangegeven op welke punten ik het daarmede eens ben en op welke niet. In feite is er maar één belangrijke vraag waarover ik met haar van mening verschil, namelijk of maatregelen waarbij een nationale marktorganisatie tot stand wordt gebracht door de Staat moeten worden genomen of dat het ook maatregelen mogen zijn van de daarbij betrokken producenten en handelaren zelf.
Resumerend concludeer ik dat de vragen van de Conseil d'État aan het Hof waren te beantwoorden als volgt:
1.
het bestaan in een Lid-Staat, ten tijde van de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag, van een nationale marktorganisatie voor een bepaald landbouwprodukt sluit in de Lid-Staat de toepassing van artikel 33 van het Verdrag op dat produkt uit.
2.
een zodanige nationale marktorganisatie heeft als onderscheidende kenmerken dat zij een complex van maatregelen moet omvatten, die hetzij van de Staat hetzij van de daarbij betrokken producenten en handelaren zelf afkomstig zijn en die zich niet beperken tot het opleggen van contingenten of douanerechten of één van beide, doch tot controle en beheersing van de markt ten einde met name waarborgen te bieden inzake de werkgelegenheid en de levensstandaard van de betrokken producenten.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy