CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 26 JUNI 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek op het gebied van de Kernenergie beschikt in zijn vier onderscheiden inrichtingen over personeel van in hoofdzaak drie verschillende categorieën:
—
ambtenaren, die bij eenzijdig besluit van de instelling in een vast ambt zijn aangesteld en in een statutaire en reglementaire positie verkeren; hun rechten en verplichtingen zijn geregeld in het Statuut; hun bezoldiging wordt bepaald overeenkomstig de artikelen 62-70 hiervan;
—
functionarissen, verbonden aan een inrichting, die eveneens een vast, op de begroting van het GCOK vermeld ambt bekleden, doch op contractuele basis zijn aangesteld.
Ofschoon de artikelen 11-26 van het Statuut betreffende de rechten en verplichtingen van de ambtenaar op hen van overeenkomstige toepassing zijn, wordt ingevolge artikel 94 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden (RAP) hun bezoldiging voor elke standplaats door de Raad vastgesteld met inachtneming van de plaatselijke gebruiken;
—
tenslotte plaatselijke functionarissen, wier ambten niet zijn opgenomen in de bij de begroting gevoegde lijst en die uit de algemene kredieten worden bezoldigd; hun bezoldiging wordt ingevolge artikel 79 RAP door elke instelling vastgesteld aan de hand van de voorschriften en gebruiken ter plaatse waar zij hun werkzaamheden moeten verrichtèn.
Terwijl dus de bezoldiging van de vaste ambtenaren van de onderzoekcentra wordt bepaald volgens de algemene sala risschaal van het Statuut — behoudens toepassing van een per land van tewerkstelling variërende correctiecoëfficiënt —, is die van plaatselijke en aan een inrichting verbonden functionarissen uitsluitend gerelateerd aan factoren die specifiek zijn voor hun standplaats.
Voor drie van de Euratom-centra, namelijk Karlsruhe, Mol en Petten — alle gelegen in landen die nationale centra voor kernonderzoek bezitten — hanteert de Raad in de praktijk als criterium voor de bezoldiging de salarisschalen welke voor de ambtenaren van die nationale centra gelden.
De functionarissen van het centrum te Ispra verkeren in een bijzondere situatie. Want omdat er in Italië geen nationaal onderzoekcentrum bestaat, neemt de Raad daar als grondslag van de bezoldiging de ter plaatse geldende collectieve arbeidsovereenkomst „Metalmeccanici” (verordening nr. 9 van de Raad van 18 december 1963).
Ingevolge artikel 3 is het maandelijks basissalaris van deze functionarissen vastgesteld in een schaal in de bijlage van genoemde verordening. Artikel 17 bepaalt: „In geval van een verhoging der salarissen in de sectoren die onder de Italiaanse collectieve arbeidsovereenkomst „Metalmeccanici” vallen, vindt een herziening van de salarisschaal plaats.”
Onvermijdelijk groeide er na enkele jaren een scheve verhouding tussen de financiële situatie van de ambtenaren enerzijds en die van de plaatselijke en aan de inrichting verbonden functionarissen anderzijds. Dit was ook daarom onaanvaardbaar omdat dezelfde werkzaamheden gelijkelijk door personeelsleden van de verschillende groepen werden verricht, wat allerlei ongelijkheden in behandeling tot gevolg had:
Bovendien waren bij de indeling van met name de plaatselijke functionarissen niet steeds even objectieve maatstaven aangelegd, waardoor de discriminatie nog was versterkt.
Omdat de Commissie in 1971 niet erin was geslaagd haar voorstel voor een nieuwe communautaire regeling voor alle aan een inrichting verbonden functionarissen te doen aannemen en aldus orde op zaken te stellen, probeerde de Raad langs zuiver pragmatische weg de discriminaties daar waar zij het ernstigst bleken — dat wil zeggen in Ispra —, weg te nemen. Op 20 juli 1972 stelde hij de Commissie een speciaal krediet van 600000 rekeneenheden ter beschikking om daarmede de positie van de plaatselijke functionarissen van die inrichting te verbeteren, zonder evenwel hun juridisch statuut te wijzigen. Bovendien gaf hij de Commissie opdracht om binnen de grenzen van genoemd krediet voorstellen te doen voor verbeteringen in de financiële situatie van sommige aan de inrichting verbonden functionarissen; deze voorstellen moesten betrekking hebben op ernstige afwijkingen en mochten geen consequenties hebben voor de andere inrichtingen van het GCOK.
Nadat de voorstellen van de Commissie door het Comité van Permanente Vertegenwoordigers waren onderzocht, besloot de Raad op 31 januari 1973 zonder discussie het bedrag van 600000 rekeneenheden bij wijze van salarisaanpassing te verdelen over de plaatselijke en aan de inrichting verbonden functionarissen te Ispra, en wel als volgt:
1.
150000 rekeneenheden voor een zeker aantal plaatselijke functionarissen en 20000 rekeneenheden voor sommige te laag ingedeelde, aan de inrichting verbonden functionarissen;
2.
42000 rekeneenheden voor plaatselijke en aan de inrichting verbonden functionarissen die met secretariaatswerkzaamheden waren belast;
3.
tenslotte 388000 rekeneenheden ter financiering van een salarisverhoging van gemiddeld 7-8 % voor alle plaatselijke en aan de inrichting verbonden functionarissen te Ispra.
Na het bekend worden van deze financiële voordelen, verzochten 59 functionarissen verbonden aan de inrichting van Karlsruhe de Commissie op 3 april 1973 om uitbreiding van de salarisverhoging tot alle aan de andere inrichtingen van het GCOK verbonden functionarissen.
Toen dit verzoek op 8 augustus daaropvolgend was afgewezen, dienden verzoekers een klacht in overeenkomstig artikel 90, lid 2, die de Commissie op 1 april 1974 eveneens van de hand wees.
Het is de nietigverklaring van laatstbedoeld besluit, die het voorwerp vormt van het onderhavige beroep, waarbij verzoekers tevens concluderen tot veroordeling van de Commissie tot betaling van een schadevergoeding, gelijk aan de salarisverhoging die aan de functionarissen van Ispra is toegekend.
Mijne heren, men zou aan de ontvankelijkheid van het verzoek kunnen twijfelen op grond dat het niet is gericht tegen een uitvoerend besluit, maar tegen een eenvoudige voorbereidende maatregel.
De Commissie immers is geenszins bevoegd zelf de bezoldiging van aan een inrichting verbonden functionarissen vast te stellen of te besluiten tot verhoging ervan. Krachtens artikel 94 RAP is dit uitsluitend zaak van de Raad. De Commissie kan niet meer dan voorstellen doen. In casu heeft, zoals bekend, de Raad zelf na zijn eerste besluit op 20 juli 1972 de Commissie verzocht voorstellen te doen betreffende de verdeling van het krediet.
De beslissende handeling is het besluit van 5 februari 1973, waarbij de Raad op advies van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers het voorstel van de Commissie goedkeurde.
Merken wij nog op dat dit principebesluit pas later definitief is vastgesteld; want eerst bij 's Raads verordeningen nr. 1618 van 27 juni 1974 en nr. 3096 van 3 december 1974 is het verbindend en rechtstreeks toepasselijk geworden.
Men zou dus kunnen stellen dat ook het besluit van 1973 slechts een voorbereidende handeling was, een onderdeel van de interne besluitvormingsprocedure van de Raad, en dat alleen de verordeningen beschouwd kunnen worden als handelingen waardoor betrokkenen in hun belang zijn getroffen.
Geen van beide verweerders heeft evenwel deze exceptie van niet-ontvankelijkheid uitdrukkelijk opgeworpen. Het lijkt ons dus beter de zaak ten gronde te beslissen.
Reeds dadelijk moeten wij het argument verwerpen dat verzoekers in hun inleidend beroepschrift hebben aangevoerd, namelijk dat de Commissie met haar voorstel voor een salarisverhoging voor alle aan de inrichting te Ispra verbonden functionarissen zou zijn getreden buiten de opdracht van de Raad van 20 januari 1972, om alleen de situatie van sommige ernstig gediscrimineerde functionarissen te herzien. Het staat immers vast dat de Raad zijn standpunt heeft gewijzigd, is teruggekomen op zijn eerste besluit en er een nieuw besluit voor in de plaats heeft gesteld. Het is dit nieuwe besluit waartegen het beroep in feite is gericht, en de vraag is alleen of de Raad zich daarbij heeft gehouden aan artikel 94 RAP, ingevolge waarvan hij bij de vaststelling der salarissen van aan een inrichting verbonden functionarissen „voor iedere standplaats” moet „uitgaan van de plaatselijke gebruiken”.
Verzoeksters betogen dat met deze laatste uitdrukking uitsluitend wordt gerefereerd aan veranderingen in ter plaatse geldende c.a.o.'s of publiekrechtelijke regelingen en dat alleen aanpassingen daarvan grond op kunnen leveren voor een aanpassing van de bezoldiging van aan een inrichting verbonden functionarissen.
Deze stelling berust mijns inziens op een al te enge uitlegging van de verwijzing naar de plaatselijke gebruiken en ziet voorts over het hoofd dat de Raad de bezoldiging van genoemde groep functionarissen voor elke standplaats afzonderlijk kan vaststellen.
Het moge juist zijn dat de financiële situatie van de functionarissen van de inrichting van Ispra gekoppeld is aan de salarissen overeenkomstig de c.a.o. „Metalmeccanici”, anderzijds verbiedt artikel 94 RAP de Raad geenszins zich daarnaast, bij een salarisverbetering voor dit personeel, te baseren op het geheel van plaatselijke omstandigheden die zo'n verbetering kunnen rechtvaardigen, en met name de algemene verhoging van salarissen en de kosten van levensonderhoud in Italië in aanmerking te nemen.
Zo een besluit is geen onrechtmatige discriminatie van het personeel van de andere communautaire onderzoekcentra, aangezien het steunt op de waardering van plaatselijke gegevens, die typisch zijn voor de betrokken standplaats.
Want ofschoon het beginsel van gelijke behandeling een regel van algemene aard is, die ook in het communautaire ambtenarenrecht geldt, van discriminatie is niettemin slechts sprake bij ongelijke behandeling van gelijke of vergelijkbare situaties. Deze uitlegging is door het Hof verscheidene malen bevestigd, ten aanzien van het ambtenarenstatuut met name in de arresten van 12 juli 1969 (zaak 20-68, Pasetti, Jurispr. 1969, blz. 235) en 16 juni 1971 (gevoegde zaken 63 tot 75-70, Bode e.a., Jurispr. 1971, blz. 549).
Het voorschrift van artikel 94 RAP, dat de bezoldiging van functionarissen, verbonden aan een inrichting, „voor elke standplaats” moet worden vastgesteld, doet duidelijk uitkomen dat de functionarissen van de verschillende onderzoekcentra niet in een vergelijkbare situatie verkeren, aangezien hun financiële positie aan de hand van bijzondere maatstaven, door vergelijking met de plaatselijke gebruiken, wordt bepaald.
Voor elk van die centra derhalve dient het bevoegde gezag de omstandigheden die voor een salarisaanpassing van belang kunnen zijn, in de beoordeling te betrekken.
Het bevoegde gezag is dus geenszins verplicht alle personeelsleden van die groep in elk van de onderzoekcentra een zelfde of een vergelijkbare salarisverhoging te geven, het zou integendeel juist onrechtmatig handelen door een verhoging toe te kennen die niet door de bijzondere omstandigheden van elke standplaats was gemotiveerd.
De aanspraak van de aan de inrichting van Karlsruhe verbonden functionarissen om te mogen delen in de voordelen die vanwege de ontwikkeling van salarissen en kosten van levensonderhoud in Italië aan hun collega's te Ispra zijn toegekend, ontbeert derhalve iedere grond.
Mitsdien concludeer ik tot verwerping van het beroep en, overeenkomstig artikel 70 van het reglement voor de procesvoering, tot verwijzing van elke partij in haar eigen kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy