CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 10 DECEMBER 1974 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Voor een goed begrip van de problemen in deze zaak zal men eerst zijn weg moeten vinden in de verbijsterende doolhof van Gemeenschapsverordeningen, waarin het voor een ieder moeilijk is er steeds zeker van te zijn geen toepasselijke bepaling over het hoofd te hebben gezien. Ik sluit mij geheel aan bij de stemmen die opgaan om een ingewikkelde Gemeenschapswetgeving op bepaalde gebieden regelmatig opnieuw te bundelen, vooral omdat dergelijke voorschriften niet alleen door juristen moeten worden begrepen en toegepast, maar ook, onder de druk van het werk van alle dag, door handelaren en ambtenaren in de Lid-Staten. Blijkbaar zijn gelukkig ook de Commissie en de Raad van het nut van een dergelijke codificatie doordrongen.
Zoals U weet, werd bij verordening nr. 121/67/EEG van de Raad van 13 juni 1967 (PB nr. 117 van 19 juni 1967) een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees tot stand gebracht, die onder andere een systeem van restituties bij uitvoer inhoudt.
In de onderhavige prejudiciële zaak, die het Finanzgericht Hamburg aan Uw Hof heeft voorgelegd, gaat het erom of verzoekster in het hoofdgeding, de Firma Robert Unkel te Würzburg-Heidingsfeld, binnen de gestelde termijn heeft voldaan aan de formaliteiten om aanspraak te kunnen maken op restituties voor twee partijen varkensreuzel, die zij in april 1972 uit de Bondsrepubliek Duitsland via Rotterdam exporteerde naar Groot-Brittannië, dat toen uiteraard nog niet tot de Gemeenschap behoorde.
Verweerder is het Hauptzollamt Hamburg-Jonas, de in de Bondsrepubliek verantwoordelijke instantie voor de uitbetaling van export-restituties.
Ik zal U thans moeten ophouden met een overzicht van de op dit stuk geldende Gemeenschapswetgeving, maar ik zal trachten dit zo kort mogelijk te houden. Artikel 15, lid 2, van verordening nr. 121/67 bepaalt dat een restitutie bij de uitvoer „wordt toegekend op verzoek van de belanghebbende”.
Deze verordening werd gevolgd door verordening nr. 177/67/EEG van de Raad van 27 juni 1967 (PB nr. 130 van 28 juni 1967), houdende onder andere „algemene voorschriften betreffende de toekenning van restituties bij de uitvoer . . . (van) varkensvlees”. Artikel 6, lid 1, dier verordening bepaalt dat „de restitutie wordt uitbetaald, wanneer het bewijs wordt geleverd dat de produkte
—
nuit de Gemeenschap zijn uitgevoerd en
—
van oorsprong uit de Gemeenschap zijn, behalve in geval van toepassing van artikel 7”.
(Artikel 7 heeft betrekking op wederuitvoer van ingevoerde produkten waarvoor een heffing is geïnd, en doet in casu verder niet ter zake.)
Vervolgens kwam verordening nr. 1041/67/EEG van de Commissie van 21 december 1967, houdende „uitvoeringsbepalingen inzake de verlening van restituties bij de uitvoer van produkten waarvoor een stelsel van gemeenschappelijke prizen geldt” (PB nr. 314 van 23 december 1967). Hieronder vallen een hele reeks produkten waarvoor een gemeenschappelijke marktordening bestaat, zoals oliën en vetten, granen, eieren, slachtpluimvee en uiteraard varkensvlees. Deze verordening is veelvuldig gewijzigd.
Artikel 1, lid 1, zegt dat voor de bepaling van het bedrag van de restitutie voor de produkten van die marktordeningen, „de dag van uitvoer die (is), waarop de douanedienst het document in ontvangst neemt waarbij de- declarant zijn voornemen te kennen geeft de betrokken produkten te willen uitvoeren met toekenning van een restitutie”. Voor zover ten deze van belang, luidt het artikel verder:
„Op het ogenblik waarop dit document in ontvangst wordt genomen, worden de produkten onder douanecontrole geplaatst tot zij de Gemeenschap verlaten …”
Artikel 1, lid 2, luidt:
„Het in ontvangst nemen van het in lid 1 bedoelde document wordt, in de zin van deze verordening, aangemerkt als het vervullen van de douaneformaliteiten bij uitvoer.”
Wederom voor zover hier van belang, bepaalt artikel 3, lid 1:
„De restitutie mag slechts worden uitbetaald, wanneer het bewijs wordt geleverd dat het produkt waarvoor de douaneformaliteiten werden vervuld:
—
in ongewijzigde staat het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten . . ..”
De oorspronkelijke versie van artikel 5 hield onder meer het volgende in:
„Indien, alvorens het geografisch grondgebied van de Gemeenschap te verlaten …, een produkt waarvoor de douaneformaliteiten bij uitvoer werden vervuld, wordt vervoerd via een ander grondgebied van de Gemeenschap dan dat van de Lid-Staat op wiens grondgebied deze formaliteiten werden vervuld, wordt het bewijs dat dit produkt het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten …, geleverd door middel van een uitvoercertificaat van het in de bijlage, in afwachting van de invoering van een stelsel van communautaire doorvoer opgenomen model.
Dit certificaat .. . wordt … door het douanekantoor, waar de douaneformaliteiten voor de uitvoer worden vervuld, afgeleverd.”
Kortheidshalve zal ik dit douanekantoor aanduiden als „douanekantoor van vertrek” zoals dit in een aantal latere verordeningen geschiedt…Hier.. was dit het douanekantoor Würzburg.
Vervolgens bepaalde artikel 5 dat het originele certificaat aan de exporteur wordt afgegeven en de goederen begeleidt. Over het originele certificaat luidde het verder:
„… het wordt geviseerd door de tussenkantoren waar de goederen moeten worden aangeboden, alsmede door het douanekantoor waar zij de Gemeenschap verlaten . . . Het wordt vervolgens binnen acht dagen nadat het laatste visum is aangebracht door het betrokken kantoor naar de boven aan het certificaat aangeduide nationale overheidsinstantie teruggezonden.”
Zoals U ziet, diende het certificaat te worden gebruikt, „in afwachting van de invoering van een stelsel van communautaire doorvoer”.
Een dergelijk stelsel werd ingevoerd bij verordening (EEG) nr. 542/69 van de Raad van 18 maart 1969 (PB nr. L 77 van 29 maart 1969). Daarin worden twee aparte regelingen gegeven: de ene voor „intern communautair douanevervoer”, dat wil zeggen ruim genomen het vervoer van goederen die zich in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden, en de andere voor „extern communautair douanevervoer”, welke op het vervoer van andere goederen van toepassing is. Volgens de verordening dient voor goederen die onder laatstgenoemde regeling worden vervoerd, een verklaring op een T 1 formulier te worden opgemaakt, en voor de eerstbedoelde goederen een T 2 formulier. Van beide formulieren is een model als bijlage van de verordening opgenomen en zij dienen volgens die verordening in viervoud te worden ingevuld.
Na verordening nr. 542/69 verscheen verordening (EEG) nr. 2315/69 van de Commissie van 19 november 1969 (PB nr. L 295 van 24 november 1969), ten einde de verschillende vroegere regelingen voor het bewijs, in verband met de toepassing van het bepaalde in de communautaire maatregelen inzake het goederenvervoer, dat „de betrokken goederen een bepaald gebruik of een bepaalde bestemming hebben gekregen”, te vervangen door het gebruik van de documenten voor communautair douanevervoer. Hiertoe bepaalt artikel 1 van genoemde verordening:
„Wanneer de toepassing van een communautaire maatregel welke inzake in-of uitvoer van goederen of inzake goederenvervoer binnen de Gemeenschap werd getroffen, afhankelijk is gesteld van het bewijs dat de betrokken goederen het gebruik en of de bestemming heben gekregen die bij deze maatregel is voorzien of voorgeschreven, wordt genoemd bewijs geleverd door overlegging van een bijzonder exemplaar van het document voor communautair douanevervoer met het nummer 5, hierna te noemen „controle-exemplaar.””
Een model daarvan met het opschrift „T1/T2 — extern/intern communautair douanevervoer — controle-exemplaar — 5”, is in de bijlage van de verordening opgenomen.
Artikel 4 van de verordening bepaalt dat de belanghebbende het controle-exemplaar opmaakt, hetgeen in gevallen als de onderhavige inhoudt dat dit door de exporteur geschiedt. Artikel 5 bepaalt dat het controle-exemplaar wordt „afgegeven” door het douanekantoor van vertrek, en bevat een uitvoerige regeling voor de weg die dat exemplaar moet volgen en de behandeling ervan. Materieel verschillen deze bepalingen niet van de desbetreffende regeling van artikel 5 van verordening nr. 1041/67 voor het originele uitvoercertificaat.
Toen verordening nr. 2315/69 was vastgesteld, was de tijd rijp voor een wijziging van artikel 5 van verordening nr. 1041/67 ter vervanging van het gebruik van uitvoercertificaten in de in dat artikel bedoelde gevallen, door controleexemplaren. Dit geschiedde in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2586/69 van de Commissie van 22 december 1969 (PB nr. L 322 van 24 december 1969), waarin tevens werd voorgeschreven hoe het controle-exemplaar op bepaalde punten dient te worden ingevuld indien een restitutie bij uitvoer wordt verzocht.
Van verordening nr. 1041/67 zijn ook nog van belang de artikelen 6, 7 en. 10.
Artikel 6, lid 1, als gewijzigd bij artikel .2 van verordening (EEG) nr. 499/69 van de Commissie Van 17 maart 1969 (PB nr. L 69 van 20 maart 1969) bepaalt dat „restituties slechts worden verleend voor produkten die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden, waarbij de juridische status van de verpakking met betrekking tot het begrip vrij verkeer buiten beschouwing blijft”; voorts wordt een gedetailleerde regeling gegeven voor de toepassing van dit beginsel op „samengestelde produkten” en goederen die uit „bestanddelen” bestaan.
Het gewijzigde artikel 6, lid 2, luidt:
„Restituties worden niet verleend als de produkten of de goederen onder de vorm waarin zij worden uitgevoerd niet van gezonde handelskwaliteit zijn en als de geschiktheid voor menselijke consumptie — voor zover zij daartoe zijn bestemd — geheel of in aanzienlijke mate is verloren gegaan gezien hun eigenschappen of de toestand waarin zij zich bevinden.”
Voor bepaalde varkensvleesprodukten, met inbegrip van reuzel, stelt verordening (EEG) nr. 2403/69 van de Commissie van 1 december 1969 (PB nr. L 303 van 3 december 1969), als gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1438/70 van de Commissie van 20 juli 1970 (PB. nr. L 160 van 22 juli 1970), aanvullende en meer gedetailleerde kwaliteitsvoorwaarden om voor restituties bij uitvoer in aanmerking te komen. Zo dient de exporteur „bij het vervullen van de douaneformaliteiten in de zin van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1041/67/EEG” schriftelijk te bevestigen dat de betrokken produkten aan die voorwaarden voldoen. Tevens is voorzien in de mogelijkheid van steekproefsgewijze controle pp de naleving dier voorwaarden.
Artikel 7 van verordening nr. 1041/67, als gewijzigd bij artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1056/68 van de Commissie van 23 juli 1968 (PB nr. L 179 van 25 juli 1968), bepaalt dat onder andere voor de toepassing van artikel 6, lid 1, tweede streepje, van verordening nr. 177/67 (dus de bepaling dat de restitutie wordt uitbetaald wanneer het bewijs wordt geleverd dat de uitgevoerde produkten van oorsprong uit de Gemeenschap zijn) „de exporteur verplicht is de oorsprong van het betrokken produkt op zijn aangifte te vermelden overeenkomstig de communautaire normen die van kracht zijn”, en dat die vermelding „onder dezelfde voorwaarden als de andere elementen van de uitvoerverklaring [wordt] geverifieerd”.
In feite blijken er geen „communautaire normen” te zijn voor de vorm waarin de exporteur de oorsprong moet vermelden. Verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 (PB nr. L 148 van 28 juni 1968) geeft hieromtrent geen uitsluitsel. Zij definieert het begrip oorsprong van de goederen, onder andere voor „de uniforme toepassing van alle maatregelen van de Gemeenschap … inzake de uitvoer van geoderen”, en bevat bepalingen over „certificaten van oorsprong”, maar blijkens de considerans dier verordening wordt een dergelijk certificaat „opgesteld en afgegeven door een overheidsinstantie of een daartoe naar behoren gemachtigd orgaan” en is het niet afkomstig van de exporteur zelf.
Ten slotte is daar nog artikel 10 van verordening nr. 1041/67, waarover terstond drie dingen zijn op te merken: ten eerste dat het hier een hoofdrol speelt; ten tweede dat het aanmerkelijk is gewijzigd sinds de feiten in deze zaak zich hebben voorgedaan; en ten derde dat, vóór de wijziging, de Engelse tekst van het artikel (die sinds 1 januari 1973 authentiek is krachtens artikel 155 van de Toetredingsakte) in een belangrijk opzicht verschilde van de teksten in andere talen van de Gemeenschap, met name van de Duitse en Franse.
De Engelse tekst van het oorspronkelijke artikel 10, zoals gewijzigd bij artikel 7 van verordening nr. 499/69, luidde:
„1. The refund shall be paid by the Member State in whose territory the coustoms export formalities were concluded.
2. The time limit for claiming payment of the refund shall be 6 months following the day on which the customs export formalities were completed except in cases of force majeure.”
De Franse tekst van lid 2 luidt:
„Le dossier de paiement de la restitution doit être déposé, sauf cas de force majeure, dans les 6 mois suivant la date d'accomplissement des formalités douanières d'exportation, sous peine de forclusion.”
De Duitse tekst kwam met de Franse overeen met de bewoordingen „Die Unterlagen für die Zahlung der Erstattung” waar in het Frans stond „Le dossier de paiement de la restitution”.
Artikel 10 werd gewijzigd bij artilel 8 van verordening (EEG) nr. 2110/74 van de Commissie van 26 juli 1974 (PB nr. L 220 van 10 augustus 1974). In het kort komen de wijzigingen neer op het volgende:
(i)
het bepaalt uitdrukkelijk dat een restitutieverzoek schriftelijk moet worden gedaan;
(ii)
het machtigt de Lid-Staten daartoe een specifiek formulier in te voeren;
(iii)
het treft een bijzondere voorziening ten behoeve van de exporteur voor het geval dat, als gevolg van omstandigheden waarvoor deze geen verantwoordelijkheid draagt, het controle-exemplaar niet binnen drie maanden na afgifte terug is gezonden aan het douanekantoor van vertrek of de betrokken centraliserende instantie;
en
(iv)
het brengt in de Engelse tekst van het artikel een dubbelzinnigheid die in de andere teksten latent aanwezig is, door te bepalen dat (behalve in geval van overmacht) niet kan worden ingegaan op een vordering tot betaling van de restitutie, tenzij „the relevant documents” binnen de termijn van zes maanden worden ingediend.
De uitdrukking „relevant documents” in de nieuwe Engelse tekst komt overeen met „Unterlagen” in de Duitse en „dossier” in de Franse tekst. Nergens wordt echter vermeld waaruit de „relevant documents”, de „Unterlagen” of het „dossier” moeten bestaan.
Had de bij deze laatste verordening aan de Lid-Staten verleende bevoegdheid om een specifiek formulier voor de aanvraag van een uitvoerrestitutie voor te schrijven reeds bestaan ten tijde van de uitvoer in de onderhavige zaak, dan zou zulks hier wellicht een antwoord hebben verschaft, want volgens de Duitse wetgeving was een dergelijk formulier altijd al verplicht en verzoekster heeft eerst nadat de betrokken termijn van zes maanden was verstreken, met dat formulier restitutie voor die export verzocht.
In wezen komt de betekenis van verordening nr. 2110/74 voor de onderhavige zaak erop neer dat Uw uitspraak slechts kan slaan op het recht dat gold voor 1 oktober 1974 (toen die verordening in werking trad), en dat alleen in een Lid-Staat die geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid een specifiek formulier voor het verzoek voor te schrijven, de uitspraak nog van belang zal zijn voor de vraag wat als een dergelijk verzoek moet worden aangemerkt.
Reeds in twee vroegere zaken is verordening nr. 1041/67 voor Uw Hof aan de orde gekomen.
De eerste was zaak 31-69 (Commissie t. Italië, Jurispr. 1970, blz. 25). Het enige belang hier van die zaak, waarop verweerder zich beroept, is dat Uw Hof toen heeft erkend dat de verordening de Lid-Staten een zekere vrijheid liet om te beslissen welke documenten nodig zijn voor een restitutieverzoek. Het Hof heeft evenwel niet aangegeven hoever die vrijheid reikt.
Van meer belang is zaak 94-71 (Schlüter & Maack t. Hauptzollamt Hamburg-Jonas), dezelfde verweerder als in de onderhavige zaak (Jurispr. 1972, blz. 307).
Daarin ging het om de uitvoer in februari 1969 uit de Bondsrepubliek naar Genua van een hoeveelheid suiker voor scheepsbevoorrading. Verweerder stelde dat binnen de termijn van zes maanden bedoeld in artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1041/67, geen verzoek om restitutie in de naar Duits recht voorgeschreven vorm was ingediend en dat de exporteur bijgevolg geen aanspraak kon maken op restitutie voor de uitvoer. De exporteur had echter overeenkomstig artikel 5 dier verordening — zoals dit toen luidde — een certificaat van uitgang ingevuld en ingediend en het origineel daarvan was, naar behoren geviseerd door het douanekantoor van uitgang te Genua, in april 1969 aan verweerder teruggezonden. Het Hof besliste dat weliswaar in de betrokken Gemeenschapswetgeving ligt besloten dat een restitutieverzoek schriftelijk moet worden gedaan, maar dat deze wetgeving niet aldus mag worden uitgelegd dat meer formaliteiten worden vereist dan nodig zijn en dat bijgevolg een document waarin, naar de bewoordingen van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1041/67 „de declarant zijn voornemen te kennen geeft de betrokken produkten te willen uitvoeren met toekenning van een restitutie”, toereikend is als restitutieverzoek. Het Hof oordeelde dat het certificaat van uitgang als een zodanig document moest worden aangemerkt. Het erkende dat waar de nationale autoriteiten in de Lid-Staten met de uitvoering van de Gemeenschapswetgeving zijn belast, daarbij in het algemeen de nationale voorschriften moeten worden aangehouden, maar besliste dat zulks afhankelijk is van de noodzaak van een eenvormige toepassing van het Gemeenschapsrecht, zonder welke zich een ongelijke behandeling van de exporteurs in de verschillende Lid-Staten zou voordoen. Derhalve mag een Lid-Staat wel een speciaal formulier voor de restitutieaanvraag voorschrijven, maar hij mag niet als sanctie op het niet binnen de termijn van zes maanden invullen daarvan restitutiebetaling weigeren.
Zoals ik reeds opmerkte, vond in de onderhavige zaak de uitvoer plaats in april 1972.
Dit gebeurde na de vervanging van de certificaten van uitgang door controleexemplaren en verzoekster gebruikte deze laatste ook bij het vervullen van de „douaneformaliteiten bij uitvoer”. De originele controle-exemplaren, waarop het douanekantoor Rotterdam had verklaard dat de betrokken goederen het grondgebied van de Gemeenschap hadden verlaten, waren in april 1972 door dat kantoor aan verweerder teruggezonden.
Zoals voor de hand ligt, vraagt het Finanzgericht Hamburg in de eerste plaats of „het volgens artikel 5 van verordening nr. 1041/67/EEG ingevulde controleexemplaar een verklaring inhoudt waarbij de declarant zijn voornemen te kennen geeft de betrokken produkten te willen uitvoeren met toekenning van een restitutie bij uitvoer … en daarmee tevens een verzoek om toekenning van de vastgestelde restitutie volgens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 121/67/EEG”. In feite vraagt het Finanzgericht hiermee of 's Hofs uitspraak in de zaak Schlüter & Maack evenzeer geldt voor een behoorlijk ingevuld controle-exemplaar als voor een certificaat van uitgang.
De opmerkingen van verweerder (ondersteund door de Commissie) komen er goeddeels op neer dat 's Hofs uitspraak in de zaak Schlüter & Maack onjuist was en dat het thans in andere zin zou moeten beslissen. Deze stelling moet mijns inziens zonder meer worden verworpen. Mij dunkt dat 's Hofs overwegingen en beslissing in de zaak Schlüter & Maack •volkomen juist waren.
Volgens verweerder (en de Commissie) verschillen certificaten van uitgang en controle-exemplaren zozeer dat 's Hofs overwegingen met betrekking tot eerstgenoemde geen toepassing kunnen vinden op laatstgenoemde. Met name merkt verweerder op dat het gebruik van certificaten van uitgang alleen was voorgeschreven bij verzoeken om restituties bij uitvoer, daar de gedrukte certificaten immers een door de exporteur te ondertekenen verklaring bevatten, dat de goederen voor een restitutie bij uitvoer in aanmerking komen, terwijl uit verordening nr. 2315/69 duidelijk blijkt dat controle-exemplaren moeten worden gebruikt bij verzoeken om toepassing van enige communautaire maatregel, waarvoor een bepaald gebruik en/of een bepaalde bestemming van de betrokken goederen dient te worden bewezen. Volgens verweerder was het daarom onmogelijk om alleen op grond van het gebruik van een controle-exemplaar te zeggen welke communautaire maatregel de, exporteur op hemzelf toegepast wilde zien. Dat konden er een of meer uit ten minste twaalf zijn.
Hierop antwoordt verzoekster dat verordening nr. 2586/69 nauwkeurig voorschrijft hoe het controle-exemplaar moet worden ingevuld indien wordt verzocht om toepassing van een restitutie bij uitvoer, en dat niemand die met de betrokken wetgeving op de hoogte is, een met dat oogmerk ingevuld controle-exemplaar zal aanzien voor een exemplaar dat met een ander doel is ingevuld.
Vervolgens wijdt verzoekster omstandig uit over de juiste wijze van invulling van bepaalde rubrieken van het -formulier. Uiteraard zou ik hierop ingaan, zo ik dit voor de uitspraak in de zaak van belang achtte.
Maar in feite waren de door verzoekster voor de betrokken uitvoer ingediende en door verweerder ontvangen controleexemplaren ingevuld op speciaal gedrukte formulieren, welke in de rubriek aangevende aan wie zij na visering door het douanekantoor van uitgang moesten worden gezonden, verweerder aanduidden als „Hauptzollamt-Jonas — Ausfuhrerstattung — 2 Hamburg 11”. „Ausfuhrerstattung” is het Duitse woord voor „restitutie bij uitvoer”. Verzoekster achtte dit niet voldoende en had ten overvloede boven aan de formulieren nog laten typen „Ausfuhrerstattung und Ausgleichsbetrag”„Restitutie bij uitvoer en compenserend bedrag”).
Onder deze omstandigheden is er. geen twijfel mogelijk over de communautaire maatregelen, waarvoor verzoekster in aanmerking wilde komen.
Verweerder bestijdt dit ook niet. Hij maakt slechts twee opmerkingen. Ten eerste dat het door de communautaire wetgeving voorgeschreven formulier van het controle-exemplaar voor een ander doel is ontworpen en derhalve niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid van dergelijke aanduidingen voorziet. Ten tweede dat de vraag van het Finanzgericht Hamburg geen betrekking heeft op deze aanduidingen. Mij dunkt dat de eerste opmerking nu juist voortkomt uit een neiging tot overdreven formalisme dat volgens 's Hofs uitspraak in de zaak Schlüter & Maack dient te worden vermeden. Het gaat er niet om, waarvoor het formulier was ontworpen maar of in dit speciale geval de vereiste bedoeling van de exporteur eruit blijkt. In de tweede opmerking wordt mijns inziens de rol van het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag in te enge zin uitgelegd. Het feit van deze aanduidingen was uitdrukkelijk door het Finanzgericht in zijn verwijzingsbeschikking vermeld.
Bijgevolg zou ik op de eerste vraag van het Finanzgericht Hamburg willen antwoorden dat uit het gebruik door een exporteur van het controle-exemplaar zijn voornemen om de betrokken produkten te willen uitvoeren met toekenning van een restitutie bij uitvoer genoegzaam blijkt om een „verzoek” daartoe in te houden, zeker wanneer op dat controle-exemplaar uitdrukkelijk is vermeld dat het hem gaat om de restitutie bij uitvoer.
Thans kom ik tot de tweede vraag. Zoals U zich uit mijn opsomming van de betrokken wetgeving zult herinneren moet, voor zover hier van belang, een exporteur die voor restitutie in aanmerking wil komen, aantonen:
(i)
dat de uitgevoerde goederen „van gezonde handelskwaliteit” zijn en dat, wanneer zij voor menselijke consumptie zijn bestemd, hun geschiktheid daartoe niet „geheel of in aanzienlijke mate is verloren gegaan gezien hun eigenschappen of de toestand waarin zij zich bevinden” (verordening nr. 1041/67, artikel 6, lid 2, als gewijzigd);
(ii)
dat met name bepaalde varkensvleesprodukten, met inbegrip van reuzel, voldoen aan de nadere kwaliteitsvoorwaarden van verordening nr. 2403/69, als gewijzigd;
(iii)
dat de goederen van oorsprong uit de Gemeenschap zijn (verordening nr. 177/67, artikel 6, lid 1, en verordening nr. 1041/67, artikel 7, als gewijzigd);
(iv)
dat de goederen vóór de uitvoer zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevonden (verordening nr. 1041/67, artikel 6, lid 1, als gewijzigd); en
(v)
dat de goederen in ongewijzigde staat het geografisch grondgebied van de Gemeenschap hebben verlaten (verordening nr. 177/67, artikel 6, lid 1, en verordening nr. 1041/67, artikel 3, lid 1).
Uit de opmerkingen van verweerder, waarin een goed overzicht van de hele procedure wordt gegeven, blijkt dat in de praktijk, zoals ook te verwachten, het douanekantoor van vertrek vóór verzending van de goederen controleert of aan de voorwaarden sub (i) en (ii) is voldaan. Dit gebeurt door onderzoek van de goederen zelf aan de hand van de omschrijving in het controle-exemplaar. Zo nodig worden analysemonsters van de goederen genomen.
Voorwaarde (v) levert evenmin moeilijkheden op. Hieraan is voldaan wanneer het door het douanekantoor van uitgang naar behoren geviseerde controle-exemplaar is ontvangen door de betrokken nationale instantie, in casu verweerder.
Wat voorwaarde (iii) betreft, zult U zich herinneren dat volgens het gewijzigde artikel 7 van verordening nr. 1041/67 de exporteur verplicht is de oorsprong van het betrokken produkt op zijn aangifte te vermelden „overeenkomstig de communautaire normen die van kracht zijn”, welke vermelding „onder dezelfde voorwaarden als de andere elementen van de uitvoerverklaring [wordt] geverifieerd”, maar dat uit geen enkel communautair voorschrift duidelijk blijkt wat dit inhoudt. Als ik verweerder goed begrijp, dan legt men dit in de Bondsrepubliek zo uit dat de Lid-Staten daarmee worden gemachtigd een desbetreffende aangifte voor te schrijven; in feite is deze ook opgenomen in het formulier waarop volgens de Duitse wet een restitutieverzoek moet worden gedaan: namelijk onder rubriek 2, waar de exporteur moet verklaren of de goederen van oorsprong zijn uit de Gemeenschap, uit een derde land of de DDR.
De communautaire wetgeving laat er zich zo te zien in het geheel niet over uit of enig en, zo ja, welk document is vereist voor het bewijs dat is voldaan aan voorwaarde (iv) — dat de goederen zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden. Op het eerste gezicht lijkt dit vereiste ook overbodig omdat juist het feit dat goederen van oorsprong uit de Gemeenschap zijn, wil zeggen dat zij zich daar in het vrije verkeer bevinden (zie artikel 9, lid 2, EEG-Verdrag). Zoals in de considerans van verordening nr. 499/69 wordt opgemerkt, kunnen echter moeilijkheden ontstaan bij samengestelde goederen en daarop (afgezien van de verpakking) heeft artikel 2 dier verordening voornamelijk betrekking. Ook hier stelt verweerder dat de communautaire wetgeving de Lid-Staten implicite machtigt een passende aangifte voor te schrijven; deze is voor de Bondsrepubliek eveneens opgenomen in rubriek 2 van het formulier waarop een restitutieverzoek moet worden gedaan, in zover de exporteur daar moet verklaren dat „de goederen aan de voorwaarden voor de toepassing van de communautaire regeling voldoen” („Die Waren erfüllen die Bedingungen für die Anwendung der Gemeinschaftsregelung”).
Tegen deze achtergrond moet de vraag van het Finanzgericht Hamburg aan het Hof worden verstaan.
Gevraagd wordt of (i) het „verzoek” (om restitutie) (artikel 15, lid 2, van verordening nr. 121/67/EEG), (ii) de bewijzen omtrent de oorsprong van de waar (artikel 6, lid 1, van verordening nr. 177/67/EEG) en (iii) de verklaringen dat de waar zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevindt (artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1041/67/EEG), behoren tot de „Unterlagen” in de zin van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1041/67/EEG, die binnen de termijn van zes maanden moeten worden aangeboden.
Laat ik beginnen te zeggen dat de inkleding van de vraag doet veronderstellen dat het Finanzgericht een minder volledige voorlichting heeft gekregen dan Uw Hof. Want, zoals ik heb opgemerkt, is in artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1041/67 geen sprake van een „verklaring”. Wel geeft artikel 7 dier verordening, als gewijzigd, aan dat de oorsprong van de produkten moet worden bewezen door een verklaring „overeenkomstig de communautaire normen die van kracht zijn”, maar in welke vorm die verklaring moet worden gedaan, is nog in geen enkele communautaire regeling uitgewerkt.
Derhalve is de situatie met betrekking tot de drie door het Finanzgericht bedoelde „stukken” als volgt:
(i)
het „verzoek” om restitutie moet inderdaad binnen de termijn van zes maanden worden aangeboden, maar in omstandigheden als de onderhavige is aan die voorwaarde voldaan, wanneer het controle-exemplaar is ontvangen door de bevoegde nationale instantie — in casu verweerder.
(ii)
Voor het „bewijs” omtrent de oorsprong van de waar is een ondertekende „verklaring” nodig in de door het Gemeenschapsrecht voorgeschreven vorm. Maar tot op heden bestaat er nog geen zodanig voorschrift. In gemeenschapsrechtelijk opzicht is er geen bezwaar tegen dat de Lid-Staten intussen zelf hiertoe voorschriften geven, maar wanneer een handelaar nalaat binnen zes maanden een verklaring in de nationaal voorgeschreven vorm in te dienen, mogen zij niet op grond daarvan uitbetaling van de restitutie weigeren. Dit volgt uit Uw uitspraak in de zaak Schlüter & Maack.
(iii)
Er bestaat geen communautair voorschrift voor een „verklaring” dat de goederen zich, voor de uitvoer, in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevonden. Ook hier is er geen bezwaar tegen dat de Lid-Staten de vorm van een dergelijke verklaring voorschrijven, mits zij niet op grond dat een handelaar nalaat binnen de termijn van zes maanden zodanige verklaring in te dienen, hem de restitutie bij uitvoer weigeren, waartoe hij anders zou zijn gerechtigd.
Het komt mij derhalve voor dat de Engelse tekst van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1041/67, zoals het luidde vóór de wijziging bij verordening nr. 2110/74, aan die bepaling de enige betekenis toekende die zij kon hebben en dat de verwijzing naar „Die Unterlagen für die Zahlung der Erstattung” en „le dossier de paiement de la restitution” in de Duitse en Franse tekst inderdaad geen zin had.
Men kan zich nu afvragen hoe het dan is gesteld na 1 oktober 1974 toen de Engelse tekst in overeenstemming werd gebracht met de andere. Uiteraard behoeft deze vraag niet in de onderhavige zaak te worden beantwoord. Mij lijkt het echter een grondbeginsel dat een wettelijke bepaling waarbij een sanctie — en verval van het recht op restitutie is een sanctie — wordt opgelegd, duidelijk aangeeft wat de betrokkene moet doen om die sanctie te ontgaan (zie onder meer Queen's Bench Divisional Court in de zaak Nash tegen Finlay (1901) 85 L.T. 682; Judicial Committee van de Privy Council in de zaak R. tegen Broad [1915] A.C. 1110; House of Lords in de zaak McEldowney tegen Forde [1971] A.C. 632 en uitspraak van het Bundesverfassungsgericht van 7 juli 1971 (BVerfGE 31, 255 [264])). Ik acht het derhalve een houdbaar standpunt dat artikel 8 van verordening nr. 2110/74, voor zover bepalende dat „het dossier” binnen de termijn van zes maanden moet worden ingediend, geen verandering in de voorschriften teweeg kan brengen, zolang de Commissie geen nadere verordening vaststelt waarbij hetzij wordt aangegeven waaruit dat „dossier” in de verschillende soorten gevallen dient te bestaan, hetzij de Lid-Staten worden gemachtigd zulks te doen.
Bijgevolg zou ik op de tweede vraag van het Finanzgericht Hamburg willen antwoorden dat het enige stuk dat binnen de termijn van zes maanden moet worden ingediend, het restitutieverzoek zelf is.
Bij die opvatting doet de derde vraag van het Finanzgericht niet meer zo zeer ter zake.
Die vraag luidt of een volledig ingevuld controle-exemplaar voldoende is als bewijs van de oorsprong van de waar en als verklaring omtrent het zich in de Gemeenschap in het vrij verkeer bevinden. Verzoekster stelt dat zulks het geval is.
Zij baseert zich daarbij op de omstandigheid dat de exporteur in rubriek 3 van het voorgeschreven controle-exemplaar moet verklaren of de waar onder een voorafgaande douaneregeling viel, en voorts dat hij bij een verzoek om restitutie andere rubrieken van het formulier moet invullen aan de hand van de voor restitutiedoeleinden gebruikte naamlijst. Verzoekster betoogt in de eerste plaats dat wanneer, zoals hier, de exporteur in rubriek 3 het woord „geen” invult en daarmee verklaart dat de goederen niet aan een voorafgaande douaneregeling waren onderworpen, hij in feite verklaart dat de goederen van oorsprong uit de Gemeenschap zijn en dus ook dat zij zich daar in het vrije verkeer bevinden; in de tweede plaats dat de exporteur — door andere rubrieken van het formulier aan de hand van die naamlijst in te vullen en het formulier te ondertekenen — verklaart dat de goederen voor restitutie in aanmerking komen en aldus noodzakelijkerwijze bevestigt dat zij van oorsprong uit de Gemeenschap zijn en zich daar in het vrije verkeer bevinden.
Dit betoog lijkt mij spitsvondig, maar wel wat vergezocht. Ik zou de derde vraag van het Finanzgericht dan ook ontkennend willen beantwoorden.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy