CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 17 MAART 1976 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het gaat in deze zaak om de door vijf Duitse maalbedrijven tegen Raad en Commissie van de Europese Gemeenschappen ingestelde schadeacties.
De bedrijven hebben op verschillende plaatsen in de Bondsrepubliek Duitsland — te weten aan de Rijn, te Frankfurt, te Hameln en in Berlijn — fabrieken, waar durum tarwe wordt vermalen tot gries-(meel), dat weer voor de produktie van meelprodukten gebruikt wordt. Zij menen dat de communautaire marktregeling voor durum tarwe zo is ingericht, dat de Duitse maalbedrijven vooral ten opzichte van hun Franse concurrenten in het nadeel komen te verkeren.
Het is niet de eerste maal dat het Hof van deze problematiek heeft kennis te nemen. Soortgelijke procedures werden door dezelfde verzoeksters ook al in het jaar 1972 aanhangig gemaakt (zaken 63 tot 69-72). Ik behoef dus de feiten die ons in een tijdrovende procedure werden voorgelegd, niet meer in bijzonderheden te bespreken en volsta met de volgende samenvatting:
De Raad heeft de prijzen van durum tarwe in het verkoopseizoen 1974/75 — dat ten deze in geding is — en de subsidies voor de producenten van durum tarwe vastgelegd in verordeningen van 29 april, 4 juni en 17 juni 1974, volgens welke per 1 augustus 1974 de richtprijs 182,83 r.e./t, de drempelprijs 180 r.e./t, de interventieprijs 166,83 r.e./t, en de aan producenten van durum tarwe gegarandeerde minimumprijs 196,83 r.e./t zijn komen te bedragen. De aan de verbouwers van durum tarwe toegedachte subsidie — die volgens een daartoe strekkend voorstel van de Commissie moest worden afgeschaft — werd bepaald op 30 r.e./t ofwel op het verschil tussen interventieprijs en gegarandeerde minimumprijs.
Verzoeksters betogen dat zij vooral op de verwerking van durum tarwe uit derde landen zijn aangewezen, terwijl de Franse maalbedrijven voornamelijk de voor verzoeksters slechts in beperkte mate verkrijgbare Franse durum tarwe kunnen vermalen. Omdat evenwel de voorwaarden waaronder deze tarwe op beide markten kon worden betrokken verschilden, werkte de regeling concurrentievervalsend, hetgeen de Duitse maalbedrijven aanspraak op schadevergoeding zou geven.
Zij hebben zich dan ook tot het Hof gewend met beroepschriften van 15 juli 1974, die op 25 juli 1974, dat wil zeggen nog vóór de aanvang van het verkoopseizoen 1974/75, zijn ingekomen. Zij wilden allereerst zien vastgesteld dat de Gemeenschap verplicht is hun de schade te vergoeden welke zij in het verkoopseizoen 1974/75 als gevolg van de communautaire prijs- en subsidieregelingen voor durum tarwe zouden lijden in de vorm van produktie- en prijsverliezen bij het verwerken van durum tarwe, alsook bij de afzet van tot gries(meel) vermalen durum tarwe.
Verweerders verzochten het Hof krachtens artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering eerst over de ontvankelijkheid der beroepen uitspraak te doen — en wel de vorderingen af te wijzen, met name omdat zij op een declaratoire uitspraak betreffende de vergoeding van in de toekomst te ondervinden schade gericht zijn —.
Verzoeksters hebben deze eis weersproken in een memorie van 4 november 1974, waarin zij voorts — in verband met het feit dat het verkoopseizoen inmiddels was begonnen — hun petitum wijzigden: zij wensen verweerders thans te zien veroordeeld tot betaling van bedragen die naar de door verzoeksters in augustus en september 1974 afgezette hoeveelheid gries(meel) — en met inachtneming van een volgens hen door de Franse maalbedrijven genoten voordeel van 30 r.e./t gries — werden berekend. Daarnaast werd de eis gehandhaafd dat het Hof de Gemeenschap zou veroordelen tot vergoeding van de schade welke verzoeksters oven genoemde bedragen in het verleden reeds zouden hebben geleden c.q. in het verder verloop van het verkoopseizoen 1974/75 — in de vorm van produktie- en prijsverliezen — nog zouden lijden.
Nadat het Hof op 20 november 1974 een beschikking had genomen, krachtens welke de exceptie van nietontvankelijkheid tegelijk met de zaak ten principale zou worden uitgewezen, is ten principale van antwoord gediend.
In hun conclusie van repliek meenden verzoeksters hun tot februari 1975 geleden schade te kunnen berekenen, hetgeen leidde tot verhoging van de bedragen waartoe de Gemeenschap huns inziens moest worden veroordeeld; het op een declaratoire uitspraak gerichte deel van de vordering bleef in hoofdzaak ongewijzigd.
In de loop van het geding te weten per 7 oktober 1974, werd de communautaire prijsregeling voor durum tarwe gewijzigd: de richtprijs kwam te liggen op 191,97 r.e./t, de interventieprijs op 175,17 r.e./t, de gegarandeerde minimumprijs op 205,17 r.e./t en de drempelprijs op 189,10 r.e./t.
De prijzen van durum tarwe op de wereldmarkt lagen reeds voor de aanvang van het verkoopseizoen 1974/75 boven de door de Gemeenschap vastgestelde prijzen, en wel ook boven de gegarandeerde minimumprijzen — de hausse was, naar men weet, in de herfst van 1973 begonnen —. Vanaf november 1974 zijn zij weer gedaald, en vanaf 18 januari 1975 moesten er op invoeren uit derde landen wederom heffingen worden toegepast.
Tijdens de mondelinge behandeling, die na afloop van het verkoopseizoen heeft plaatsgevonden, kleedden verzoeksters, vooral in verband met de uitkomsten der bewijsvoering, hun vorderingen nogmaals anders in; zij wensen de Gemeenschap thans te zien veroordeeld tot betaling van bepaalde bedragen bij welker berekening, in aanmerking genomen de door verzoeksters in het verkoopseizoen 1974/75 afgezette hoeveelheden gries, is uitgegaan van een concurrentienadeel van 10,53 r.e./t gries.
Bovendien verlangen zij betaling van 8 % rente met ingang van 1 augustus 1975. Ook wensen zij te zien vastgesteld dat de Gemeenschap verplicht is tot schadevergoeding, althans tot het uitkeren van een redelijke schadeloosstelling, wegens het nadeel dat zij, ook afgezien van de berekende bedragen, in het verkoopseizoen 1974/75 als gevolg van de prijs- en subsidieregelingen voor durum tarwe in de vorm van produktie- en afzetverliezen bij de verwerking van durum tarwe en bij de afzet van gries uit durum tarwe zouden hebben geleden.
I — De ontvankelijkheid van de beroepen
Bij een beoordeling van deze feiten zullen wij allereerst hebben in te gaan op de ontvankelijkheid, die door verweerders van stonde aan — en ook nog tijdens de mondelinge behandeling — in twijfel is getrokken. In zoverre vragen verschillende aspecten de aandacht.
1.
Allereerst betogen verweerders dat het verzoeksters er in feite om begonnen is de communautaire marktregeling voor durum tarwe onrechtmatig te zien verklaard en die regeling gewijzigd te krijgen. Gezien het rechtsbeschermingssysteem dat in de artikelen 173 en 175 van het Verdrag besloten ligt, zou dit doel echter niet rechtstreeks kunnen worden bereikt wanneer er van een normatieve regeling sprake is. Het is dus zaak er op toe te zien dat deze bepaling niet met een beroep op het recht inzake de aansprakelijkheid der communautaire overheid wordt ontdoken.
De Raad wijst in dit verband op blz. 5 in het beroepschrift, waar het volgende wordt gezegd:
„Zulk een beroep biedt de mogelijkheid dat de organen hun regeling nog vóór, althans onmiddellijk na, de aanvang van het graanverkoopseizoen 1974/75 corrigeren en aldus de discriminatie ten minste gedeeltelijk beëindigen.”.
Bovendien verdient opmerking dat verzoeksters de noodzaak ener vermindering van het verschil tussen de drempelprijs en de interventieprijs ter sprake brengen en voorts betogen dat ter beëindiging van de discriminatie ten nadele van de Duitse maalbedrijven te denken valt aan maatregelen als tegemoetkomingen bij de produktie aan de verbruikers van durum tarwe uit derde landen en aan heffingen bij de produktie ten laste van de verbruikers van durum tarwe uit de Gemeenschap of aan het achterwege laten van heffingen bij uitvoer van zachte tarwe en goedkopere invoer van durum tarwe.
Ofschoon dit tot op zekere hoogte voor de juistheid van het standpunt der verweerders pleit, meen ik dat hun exceptie geen steek houdt.
Wat de door de Raad gebezigde formuleringen betreft: men dient te bedenken dat er slechts van een „mogelijkheid” wordt gesproken. Zou het werkelijk om intrekking of wijziging van de communautaire regeling begonnen zijn, dan zou deze formulering slecht zijn gekozen; men had dan van een verplichting der verweerders tot het treffen van passende maatregelen moeten spreken.
Met betrekking tot de door verzoeksters genoemde mogelijkheden om de beweerdelijk bestaande discriminatie te beëindigen zij gezegd dat verzoeksters alleen maar hebben willen aantonen dat er in het kader van de marktorganisatie verschillende wegen konden worden bewandeld om benadeling van de Duitse maalbedrijven te voorkomen. Ook wanneer men in het bestek van een tegen de overheid gerichte aansprakelijkheidsactie een tegen de betrokken Gemeenschapsorganen gerichte grief wil adstrueren, is dat alleszins zinvol.
Maar van nog meer belang is dat de actie, gezien de jurisprudentie volgens welke tegen de overheid gerichte aansprakelijkheidsacties naar doel en gevolgen moeten worden onderscheiden van vorderingen die op vaststelling van nietigheid dan wel op vastlegging van bepaalde verplichtingen gericht zijn (zaak 5-71, Zuckerfabrik Schöppenstedt t. Raad, arrest van 2. 12. 1971, Jurispr. deel 1971, blz. 984), moeilijk anders kan worden gekwalificeerd dan als een echte schadevergoedingsactie.
Zo komt niet alleen de onrechtmatigheid van de communautaire regeling ter sprake, doch ook de volgens verzoeksters op de communautaire organen rutstende betalingsverplichting. Zij gaan bovendien breedvoerig op de hun toegebrachte schade in en betogen dat zij ook in eerdere jaren — door het teruglopen van hun marktaandeel en doordat zij met de lagere Franse griesprijzen genoegen moesten nemen — een zwaar verlies hebben geleden; en waar het discriminerend effect zich volgens hen nog heeft versterkt zou met een voortzetting van deze ontwikkeling moeten worden gerekend. In het beroepschrift wordt zelfs al een eerste poging ondernomen de schade — op grond van een als 10 % te hoog beschouwde drempelprijs — te berekenen. Bovendien wordt tegen het einde van het verkoopseizoen een concrete schadeberekening aangekondigd, en in de loop van het geding zijn de schadecijfers ook telkens aan de laatstelijk bekend geworden gegevens aangepast.
Het moet er dus voor worden gehouden dat het verzoeksters ten processe vooral om te doen was financiële compensatie te vinden voor de schade welke hun in de loop van het seizoen 1974/75 is opgekomen. Het kon nauwelijks hun bedoeling zijn een intrekking of wijziging van de gewraakte regeling voor het seizoen 1974/75 af te dwingen. De — pas na afloop van het verkoopseizoen mogelijke — declaratoire uitspraak dat de regeling in het kader van het onderhavig geding — en daarom gaat het thans alleen — als onrechtmatig is te beschouwen wil namelijk nog geenszins zeggen dat de bevoegde organen met terugwerkende kracht ten aanzien van alle marktdeelnemers tot wijziging der regeling hebben over te gaan. Zouden verweerders echter in de toekomst consequenties willen verbinden aan eventueel in het arrest voorkomende kritische overwegingen, dan zouden die consequenties niet onder het petitum vallen, terwijl voorts, gezien de beleidsmarge waarover verweerders ten deze stellig beschikken, ook geenszins zou kunnen worden gezegd hoe die consequenties er zouden moeten uitzien.
Ik acht derhalve het eerste middel van niet-ontvankelijkheid ongegrond.
2.
Het tweede middel betreft het feit dat in het beroepschrift slechts om een declaratoire uitspraak is gevraagd, volgens welke de Gemeenschap verplicht zou zijn tot vergoeding van de schade welke verzoeksters in het graanverkoopseizoen 1974/75 verwachtten te zullen lijden. Volgens verweerders kent het Gemeenschapsrecht geen op zodanige vaststelling gerichte acties. Al evenmin zou ten deze van een aan alle Lid-Staten gemeenschappelijk rechtsbeginsel kunnen worden gesproken, in sommige rechtsstelsels zijn op declaratoire uitspraken gerichte acties zelfs onbekend.
Ter beoordeling van dit middel dient allereerst op de desbetreffende bepalingen van het Gemeenschapsrecht te worden ingegaan. Volgens artikel 215, tweede alinea, van het EEG-Verdrag moet de Gemeenschap, wat haar niet-contractuele aansprakelijkheid betreft, overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der Lid-Staten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt. Dit is mijns inziens kennelijk een bepaling van materieel recht, waarin alleen maar wordt vastgelegd wanneer men de Gemeenschap tot vergoeding van schade kan aanspreken. Hoe zulk een aanspraak in rechte moet worden geldend gemaakt, wordt niet gezegd. Hetzelfde geldt voor artikel 178 van het EEG-Verdrag, volgens hetwelk het Hof van Justitie bevoegd is tot kennisneming van geschillen over de vergoeding van de in artikel 215, tweede alinea, bedoelde schade.
Hieruit mag worden geconcludeerd, dat naar Gemeenschapsrecht de processuele afdoening van een tegen de overheid gerichte aansprakelijkheidsactie aan de praktijk is overgelaten. Evenals in andere gevallen waarin het Gemeenschapsrecht er het zwijgen toe doet, verdient het ook hier aanbeveling met het nationale recht te rade te gaan. Hetgeen allerminst impliceert dat men ten deze gebonden zou zijn aan bepaalde in alle Lid-Staten levende rechtsbeginselen, zoals die volgens artikel 215, tweede alinea, de doorslag geven wanneer het gaat om de voorwaarden waaronder de Gemeenschap aansprakelijk kan worden gesteld.
Een op een declaratoire uitspraak gerichte actie is, naar verweerders ten processe zelf hebben aangetoond, in de rechtsorden van een aantal Lid-Staten bekend, zo in het Duitse recht (paragraaf 256 van de Zivilprocessordnung) en grosso modo ook in het Deense recht (Tvistemal; Horwitz-Gomard, 1971, blz. 131 e.v.). Naar Nederlands recht (artikel 612 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering) kan in schadevorderingen althans subsidiair om een declaratoire uitspraak worden gevraagd, en ook volgens het Italiaanse en het Engelse recht is dit, althans in bepaalde gevallen, mogelijk (Carnelutti, Sistema del. diritto processuale civile 1936, deel 1, blz. 149; Halbury's Laws of England, derde druk, deel 22, blz. 746). Daarentegen kennen het Franse, Belgische en Luxemburgse recht zulke acties blijkbaar niet.
Gezien deze stand van zaken zie ik redelijkerwijze geen aanleiding de mogelijkheid ener op een declaratoire uitspraak gerichte vordering in het communautaire aansprakelijkheidsrecht uit te sluiten, te minder waar zulk een actie ook elders in het Gemeenschapsrecht — men zie de artikelen 169 en 175 — in beginsel niet onbekend is. Een dergelijke actie is zelfs zeer op haar plaats wanneer de overheid aansprakelijk gesteld wordt dat wil zeggen in geschillen met de autoriteiten; het is in zulke procedures veelal voldoende wanneer de aansprakelijkheidsvraag positief wordt beantwoord; de afwikkeling der schade kan dan aan betrokkenen worden overgelaten. Ik moge hier herinneren aan de zaken 29, 31, 36, 39-47, 50 en 51-63 (SA. des Laminoirs, hauts-fourneaux, forges, fonderies et usines de la Providence en 13 andere verzoekers t. Hoge Autoriteit van de EGKS, arrest van 9. 12. 1965, Jurispr., deel 1965, blz. 1198), waarin het Hof een interlocutoir arrest heeft gewezen volgens hetwelk de Hoge Autoriteit wegens een dienstfout aansprakelijk was; het Hof heeft het evenwel voorshands aan partijen overgelaten zich over de omvang der schade te verstaan. Dezelfde weg werd bewandeld in de op 14 mei 1975 uitgewezen zaak 74-74 (Comptoir National Technique Agricole t. Commissie, Jurispr, deel 1975, blz. 533).
Mijns inziens moet er dus van worden uitgegaan dat de overheid naar Gemeenschapsrecht niet alleen maar langs de weg van een op veroordeling der Gemeenschap gerichte actie aansprakelijk kan worden gesteld en dat er ook een declaratoire uitspraak mag worden gevraagd, hetgeen niet eens subsidiair behoeft te geschieden. Ik meen dus dat ook het tweede middel van niet-ontvankelijkheid faalt.
3.
Een volgende exceptie betreft de omstandigheid dat de beroepen, ofschoon gericht op vaststelling van de verplichting tot vergoeding van in het verkoopseizoen 1974/75 verwachte schade, vóór de aanvang van dat verkoopseizoen, en wel op 25 juli 1975 bij het Hof van Justitie zijn ingekomen. Wij zullen dus moeten nagaan of zulke beroepen, betreffende toekomstige schade, als ontvankelijk zijn te beschouwen.
Ik wil aanstonds opmerken dat de tekst van het Verdrag en de jurisprudentie hieromtrent geen uitsluitsel geven.
Weliswaar wordt in artikel 215, tweede alinea, van veroorzaakte schade gesproken, welke veroorzaking blijkbaar reeds moet hebben plaatsgehad. Men dient echter te bedenken dat dit artikel een bepaling van materieel recht is — betreffende de te verlangen prestaties — die ons niets leert over de vraag of het beroep reeds kan worden ingediend voordat de aanspraak op vaststelling der — in de toekomst te lijden — schade is ontstaan.
Verweerders zijn met de jurisprudentie te rade gegaan en komen aandragen met twee gevallen waarin een tegen de communautaire overheid ingestelde aansprakelijkheidsactie als te vroeg ingesteld is afgewezen. Het zijn de zaken 55-59 en 61 tot 63-63 (Acciaierie Fonderie Ferriere di Modena en zeven anderen t. Hoge Autoriteit van de EGKS, arrest van 9. 6. 1964, Jurispr., deel 1964, blz. 445) en 9 en 25-64 (Acciaieria Ferriera di Roma en zes anderen tegen Hoge Autoriteit van de EGKS, arrest van 2. 6. 1965, Jurispr., deel 1965, blz. 392). Bij nader inzien komt het mij echter voor dat de feiten in die twee gevallen anders lagen. Doorslaggevend was namelijk dat er niet met stelligheid van schade kon worden gesproken: in het eerste geval was in de desbetreffende beschikkingen van de Hoge Autoriteit met zoveel woorden de mogelijkheid van herziening en correctie van voorlopige afrekeningen voorzien en in het tweede geval was de vereveningsinstelling nog niet tot afrekening overgegaan, terwijl ook nog pogingen zouden worden ondernomen om omrechtmatig betaalde vergoedingen te achterhalen.
Daarom dient mijns inziens te worden geprobeerd het onderhavige probleem wederom met behulp van rechtsvergelijkende onderzoekingen tot oplossing te brengen. Bovendien dient men de bijzonderheden van het rechtsbescherming-systeem van het Verdrag recht te doen wedervaren.
Voor zover wij ten deze met de rechtsordeningen van de Lid-Staten te rade kunnen gaan, lijkt het er op dat beroepen, strekkende tot vergoeding van in de toekomst verwachte schade niet zijn uitgesloten, maar dat wel een aantal stringente voorwaarden moet zijn vervuld. Aan de onderling enigszins afwijkende formuleringen kan in principe een en dezelfde opvatting worden afgelezen. De meest onbekrompen opvatting spreekt uit de jurisprudentie van het Bundesgerichtshof, volgens welke vaststelling van de verplichting tot vergoeding van te voorziene schade kan worden gevraagd (Entscheidungen des Bundesgerichtshofes in Zivilsachen, Band 28, blz. 234). In alle andere rechtsorden worden, voor zover ik kon nagaan, strengere eisen gesteld. Naar Italiaans recht moet in concreto van de hierbedoelde waarschijnlijkheid zijn gebleken; het intreden der schade moet redelijkerwijs en op goede gronden te verwachten zijn (Torrente, Pescatore, Ruperto: Codice Civile, zesde druk, opmerking 2 bij artikel 1223). Het, Belgische recht verlangt dat het intreden van de schade lijkt vast te staan (Servais en Mechelynck: Codes Belges, derde druk, opmerking bij artikel 1382). In het Engelse recht wordt in dit verband van een normaliter en met waarschijnlijkheid te verwachten schade gesproken (Halsbury's Laws of England, derde druk, deel 11, blz. 217). Volgens de Nederlandse jurisprudentie (Hoge Raad, 17. 5. 1940, NJ 1940) moeten het intreden en de hoogte van de schade voorzienbaar zijn, bij voorbeeld in dier voege dat de schade kan worden geschat. In dezelfde zin verlangt het Franse recht dat in ernstige mate met het intreden van de schade rekening moet worden gehouden of dat het schadebedrag kan worden geschat (De Laubadère, Traité élémentaire de Droit administratif, vijfde druk, blz. 654; Mazeaud & Tunc, Traité de la Responsabilité civile, zesde druk, deel 1, blz. 270).
Wat anderzijds het Gemeenschapsrecht betreft: uit de opzet der communautaire rechtsbescherming spreekt in beginsel stellig een streng standpunt met betrekking tot de vraag of ook ter zake van toekomstige schade een beroep in rechte kan worden ingesteld. Reeds dé grenzen gesteld aan het recht van particulieren om van normatieve handelingen in beroep te komen, wijzen hierop. Ook zou een preventieve aansprakelijkheidsactie wegens door de wetgever begane onrechtmatigheden de taak van de wetgever onmiskenbaar verzwaren. Voorts bestaat het grote gevaar dat men zal trachten via een beroep ex artikel 215 de in de artikelen 173 en 175 vastgelegde beroepsregelen te ontduiken.
Alleen in gevallen waarin de schadeoorzaak bij het instellen van het beroep reeds bestaat en de schadelijke gevolgen in de nabije toekomst met hoge waarschijnlijkheid te verwachten zijn, mag men mijns inziens de eis laten varen dat de schade bij het aanhangig maken van het geding reeds moet zijn geleden — en ook alleen dan ware een met reeds geleden schade gelijk te stellen casuspositie aanwezig te achten —.
Bij toepassing van dit criterium op het onderhavig geding kom ik tot de volgende beoordeling:
Het lijdt geen twijfel dat de communautaire regeling die beweerdelijk tot concurrentievervalsing ten nadele van de Duitse maalbedrijven zou leiden — en daarmede de oorzaak van de ingeroepen schade — reeds bestond. Maar het is zeer de vraag of er, gezien de inhoud van het beroep en de redengeving die in de beroepschriften te vinden is, van hoogstwaarschijnlijk te verwachten schade kan worden gesproken.
Verzoeksters betogen in hun beroepschrift dat de Duitse maalbedrijven hun durum tarwe uit derde landen op grondslag van de drempelprijs moesten betrekken, terwijl de Franse maalbedrijven Franse durum tarwe op basis van de interventieprijs konden kopen. In dit verschil is volgens hen de eigenlijke oorzaak der discriminatie gelegen. Zij vonden dat de organen van de Gemeenschap hieraan iets hadden moeten doen en kwamen zo tot een eerste becijfering van de schade, waarin zij ervan uitgingen dat de drempelprijs 10 r.e. te hoog was vastgesteld. Anderzijds lagen de prijzen op de wereldmarkt destijds — en wel reeds sinds de herfst van 1973 — boven het niveau van de communautaire prijsregeling — hetgeen ook de gemeenschappelijke markt niet onberoerd liet —. In deze situatie kon van bedoeld prijsverschil geen enkel effect uitgaan. Dat was alleen mogelijk wanneer de prijzen op de wereldmarkt beneden de drempelprijs zouden zinken. In zoverre konden de verzoeksters derhalve bij het aanhangig maken der zaak slechts van een toekomstige eventualiteit spreken. Zij hebben ook alleen maar gesteld dat de prijzen op de wereldmarkt in de loop van het verkoopseizoen 1974/75 mogelijkerwijs beneden de drempelprijs zouden komen te liggen.
Zij zeggen helemaal niet — en maken ook geenszins aannemelijk — dat reeds in de nabije toekomst met een dergelijke prijsontwikkeling rekening zou moeten worden gehouden; en zo een ontwikkeling is ook pas in januari 1975 ingetreden —.
Volgens de motivering van het beroepschrift — waarin de subsidieregeling slechts terloops wordt vermeld en geenszins als een in iedere prijssituatie zelfstandig werkende schadeoorzaak ter sprake komt — kan dus niet worden gezegd dat betrokkenen er rechtens belang bij hadden terstond een procedure aanhangig te maken — en wel juist omdat niet werd aangetoond dat het intreden der schade hoogstwaarschijnlijk was te achten —. Het beroep is dus te vroeg ingesteld zodat verzoeksters daarin niet ontvankelijk moeten worden verklaard.
4.
Het onderzoek naar de vragen betreffende de ontvankelijkheid is hiermede evenwel niet voltooid. Zoals U weet, hebben verzoeksters in hun conclusie van antwoord op de door verweerders krachtens artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering genomen akte de motivering van hun beroepschrift gewijzigd — en voor het eerst ook schadebedragen genoemd —, stellende dat de communautaire regeling voor durum tarwe hun ook gedurende de periode van zeer hoge prijzen op de wereldmarkt — toen de drempelprijs en de interventieprijs nagenoeg geen rol speelden — schade had toegebracht. De subsidieregeling zou er toen toe hebben geleid dat de binnenlandse producenten van durum tarwe met de wereldmarktprijs of een enigszins daaronder gelegen prijs genoegen namen; de subsidie zou dus als het ware aan de verwerkers van durum tarwe zijn doorgespeeld. Aan verweerders werd derhalve verweten dat zij de subsidie — en daarmede de eigenlijke oorzaak van de discriminatie ten nadele van de Duitse maalbedrijven — niet hebben ingetrokken of verlaagd. Het dientengevolge door de Duitse maalbedrijven geleden concurrentienadeel stellend op 30 r.e. per ton gries, berekenen zij, in aanmerking genomen de hoeveelheid durum tarwe welke in de maanden augustus en september 1974 door de Duitse maalbedrijven was verwerkt, de over diezelfde periode te vergoeden schade.
Verweerders hebben hiertegen ingebracht dat de wijziging van de motivering in feite als een wijziging van het beroep zelve is te beschouwen. Maar nu er volgens artikel 42 van het Reglement voor de procesvoering in het geding van nieuwe middelen — die reeds aanstonds hadden kunnen worden voorgedragen — principieel geen sprake kan zijn, is ook een wijziging van het beroep als waartoe verzoeksters hebben gemeend te moeten overgaan, uitgesloten.
Ik meen evenwel dat deze exceptie ons thans geen aanleiding behoeft te geven in te gaan op de procesrechtelijke problematiek betreffende de wijziging van de eis — die er natuurlijk anders komt uit te zien naar gelang zij rijst in het kader van de aan termijnen gebonden acties tot nietigverklaring dan wel bij acties tegen de Lid-Staten — die een prealabele procedure veronderstellen — of bij acties tot schadevergoeding, waarvoor in beginsel geen termijnen zijn voorzien. Ik zou alleen willen opmerken dat in de jurisprudentie de opvatting veld schijnt te winnen dat bij schadeacties van een strenge toepassing van het beginsel van artikel 42 van het Reglement der procesvoering geen sprake kan zijn en dat een zakelijk verantwoorde wijziging van de eis geen bezwaar behoeft te ontmoeten. Ik wijs in dit verband slechts op het arrest in de zaken 19, 20, 25 en 30-69 (Denise Richez-Parise e.a. t. Commissie van de Europese Gemeenschap, arrest van 28 mei 1970, Jurispr., deel 1970, blz. 338).
Men zou zich echter op het standpunt kunnen stellen dat een wijziging van de eis alleen door de beugel kan wanneer ook een wijziging van het beroep zelf toelaatbaar is.
Het ware niet bevredigend wanneer wij er thans mede zouden volstaan het beroep niet ontvankelijk te verklaren. Het betrokken verkoopseizoen is intussen verstreken, zodat het Hof stellig opnieuw van dezelfde inmiddels uit en te na besproken materie zou hebben kennis te nemen. In het belang der proceseconomie zou ik derhalve in overweging willen geven de tweede memorie der verzoeksters als een nieuw beroepschrift te lezen. Daartoe bestaat te gereder aanleiding nu er pas nadat die memorie door verweerders was genomen ten principale is voortgeprocedeerd, zodat zij niet in hun verdediging zijn geschaad. Ook hebben wij niet met een geheel nieuwe motivering te maken; er is eerder sprake van een andere benadering, terwijl voorts in het beroepschrift reeds werd gezinspeeld op de invloed van de subsidie op de prijsvorming in gebieden met een hoge opbrengst per hectare.
Voor wie met mij van mening is dat deze weg mag worden bewandeld, leveren de tot nu toe besproken gezichtspunten (gevraagd is om een declaratoire uitspraak; de eis betreft de vergoeding van pas in de toekomst te verwachten schade) vanaf de dag van indiening van de tweede memorie der verzoeksters geen grond meer op de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Het verkoopseizoen was inmiddels begonnen en volgens verzoeksters was er inmiddels schade ontstaan, zodat toen ook vergoeding mocht worden verlangd.
5.
In verband met de ontvankelijkheid behoeft nu nog slechts te worden nagegaan of artikel 38 van het Reglement voor de procesvoering is nageleefd — in dier voege dat de beroepen een uiteenzetting van de aangevoerde middelen behelzen —; anderzijds dient te worden onderzocht of de beroepen — met de nieuwe middelen welke er in zijn aangevoerd — ook tegen de Commissie konden worden gericht.
Met betrekking tot artikel 38 van het Reglement voor de procesvoering betoogden verweerders dat de beroepen, wat het intreden der schade betreft, onvol doende gestaafd zouden zijn, dat het causaal verband tussen de subsidieregeling en het aan verzoeksters berokkende nadeel onvoldoende zou zijn aangetoond en dat men zelfs niet zou hebben getracht de schade te schatten. Mijns inziens kan van een schending van de procedureregelen — volgens welke de aangevoerde middelen slechts summierlijk behoeven te zijn uiteengezet — niet worden gesproken. En in ieder geval werden de aangevoerde middelen in de loop van het geding zodanig uitgewerkt dat verweerders zich konden verdedigen, zodat een uitspraak ten principale mogelijk lijkt. Waarmede evenals in voormelde zaak 74-74 kan worden volstaan.
Voor zover het beroep tegen de Commissie gericht is, zal men in ieder geval de exceptie dienen te aanvaarden dat van de feiten welke thans met betrekking tot de subsidieregeling aan de beroepen ten grondslag gelegd zijn, de Commissie geen verwijt kan worden gemaakt. Dat volgt enerzijds uit 's Hofs arrest in de zaken 63 tot 69-72 (Firma Wilhelm Werhahn Hansamühle e.a. t. Raad en Commissie van de Europese Gemeenschappen, arrest van 13. 11. 1973, Jurispr. 1973, blz. 1229), volgens hetwelk de Commissie ter zake van regelingen die niet van haarzelf zijn uitgegaan alleen aansprakelijk kan worden gesteld wanneer zij een tot zodanige regeling strekkend voorstel heeft ingediend. Voorts heeft de Commissie, zoals gezegd, inderdaad voorgesteld in het verkoopseizoen 1974/75 aan de producenten van durum tarwe geen subsidie toe te kennen.
6.
Wij kunnen dit eerste gedeelte van ons onderzoek derhalve besluiten met de vaststelling dat er tot niet-ontvankelijkverklaring der beroepen alleen aanleiding bestaat voor zover het intreden van schade naar luid van de eerste procesmemorie — en de daarin aangevoerde middelen in aanmerking genomen — niet met grote waarschijnlijkheid te verwachten was, alsook voor zover in de tweede memorie ook aan de Commissie wordt verweten dat de subsidieregeling is gehandhaafd. Waar van andere bedenkingen niet is gebleken — tegen de herhaalde verandering van de schadebedragen kan mijns inziens geen bezwaar worden gemaakt —, terwijl voorts de tweede procesmemorie als een nieuw beroep lijkt te mogen worden opgevat, staat aan een bespreking van de zaak ten principale niets meer in de weg.
II — De vraag of de beroepen gegrond zijn
Bij een bespreking van deze vraag stuiten wij op verschillende moeilijkheden. Zo zijn de marktomstandigheden in de loop van het verkoopseizoen 1974/75 ingrijpend veranderd. Aanvankelijk lagen de prijzen op de wereldmarkt voor durum tarwe boven het in de communautaire regeling aangegeven prijspeil; later daalden ze tot beneden de drempelprijs, zodat er met ingang van 18 januari 1975 weer tot heffingen moest worden overgegaan.
Voorts is de schadegrondslag niet dezelfde gebleven — hetgeen ten dele met de gewijzigde economische situatie samenhangt —. Eerst werd uitgegaan van het verschil tussen de drempelprijs en de interventieprijs. In hun tweede memorie zijn verzoeksters er, wat hun schadevordering betreft, van uitgegaan dat de subsidieregeling ten behoeve van de verbouwers van durum tarwe, ondanks de hoge prijzen op de wereldmarkt — die doorwerkten op de gemeenschappelijke markt —, werd gehandhaafd, hetgeen ook zijn uitwerking op de Franse markt prijzen niet zou hebben gemist. Tijdens de mondelinge behandeling werd voorts aanmerking gemaakt op de scheve verhouding tussen de prijzen voor zachte tarwe en die voor durum tarwe — die er soms toe zou hebben geleid dat er voor de gries(meel)produktie niet langer gebruik werd gemaakt van durum tarwe.
Ten slotte worden wij thans, na meer dan anderhalf jaar procederen, geconfronteerd met een overweldigende en op het eerste gezicht benauwende hoeveelheid cijfers, die het overzicht over de feiten niet bepaald vereenvoudigen.
1.
Ik zou willen beginnen met de voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling uitgesproken kritiek betreffende de verhouding tussen de prijs van zachte tarwe en die van durum tarwe. De marge tussen deze beide prijzen zou ten gevolge hebben gehad dat men voor de produktie van meelprodukten steeds meer gries van zachte tarwe is gaan gebruiken, hetgeen tot verliezen bij de afzet van uit durum tarwe verkregen (gries)meel zou hebben geleid. Ondanks mogelijke bezwaren van systematische aard wil ik dit middel maar liever eerst bespreken; het is betrekkelijk eenvoudig te ontzenuwen.
Ik zal niet ingaan op het feit dat men er zo laat mee is komen aandragen — hetgeen wederom een ontvankelijkheidsvraag zou kunnen doen rijzen —. Ook blijf ik er buiten of de beroepen met name wat de gestelde verdringing van gries van durum tarwe door gries van zachte tarwe betreft, wel voldoende zijn gestaafd.
Wanneer bezwaar wordt gemaakt tegen de marge tussen de prijzen van twee produkten, dan wil dat normaliter allereerst zeggen dat hetzij de prijs van het ene produkt te laag dan wel die van het andere produkt te hoog is. Maar dat de prijs van zachte tarwe te laag zou zijn, is zelfs door verzoeksters niet gesteld. Dit standpunt zou nauwelijks te begrijpen — en evenmin goed te verdedigen — zijn, gezien de in artikel 39 van het EEG-Verdrag omschreven doelstelling (verzekering van redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers) en in aanmerking genomen het feit dat de produktie van zachte tarwe in de Gemeenschap toch al overschotten vertoont, alsook gelet op de moeilijkheden welke bij de afzet van de communautaire graanoverschotten op de wereldmarkt worden ondervonden.
Het gaat er dus maar om of er voor durum tarwe te hoge prijzen zijn vastgesteld. Daarbij geeft mijns inziens de situatie op de wereldmarkt bij de aanvang van het verkoopseizoen 1974/75 de doorslag, alsmede het feit dat de communautaire markt tekorten vertoont. Ik zei al dat de prijzen op de wereldmarkt al lang voor het begin van het seizoen 1974/75 boven het niveau van de communautaire prijzen lagen. Gezien die situatie — en in aanmerking genomen het feit dat de prijzen op de wereldmarkt de deficitaire markt van de Gemeenschap niet onberoerd konden laten —, kan stellig niet worden volgehouden dat de organen van de Gemeenschap de prijzen voor durum tarwe destijds te hoog hebben gesteld. Waar de prijzen op de wereldmarkt in de eerste helft van het seizoen 1974/75 boven de prijzen in de Gemeenschap lagen, kan in ieder geval niet worden beweerd dat de prijsregeling van de communautaire organen de gestelde verdringing van durum tarwe uit de produktie van gries(meel) zou hebben veroorzaakt. Nu er blijkens de door verzoeksters in bijlage 7 bij het beroepschrift geleverde cijfers als gevolg van de sinds de herfst van 1973 sterk gestegen prijzen voor durum tarwe een ongewoon grote marge tussen de prijzen van deze beide graansoorten kon worden gesignaleerd, is niet wel in te zien waarom het onjuist zou zijn dat de Gemeenschap zich met haar prijsregeling daarnaar heeft gericht.
Het betoog van verzoeksters inzake de marge tussen deze beide prijzen geeft dan ook aan hun aansprakelijkheidsactie geen enkele steun.
2.
Daarmede ben ik toegekomen aan de bespreking van de grief betreffende de subsidieregeling voor durum tarwe. Volgens verzoeksters had er aan de telers van durum tarwe geen extra subsidie mogen worden toegekend zolang de prijzen op de wereldmarkt boven het niveau van de communautaire regeling lagen. Zij zou uiteindelijk, althans ten dele, aan de verwerkers van durum tarwe, dat wil zeggen aan de maalbedrijven, ten goede zijn gekomen. In perioden waarin de prijs op de wereldmarkt beneden het communautaire niveau lag, leidde een op de interventieprijs — en niet op de richtprijs — afgestemde subsidie ertoe dat de marktprijs in de buurt van de interventieprijs kwam te liggen; dit zou vooral het geval zijn geweest in gebieden met een hoge opbrengst per hectare — zoals Frankrijk —, waar de telers niet het volle subsidiebedrag nodig hebben. Zulke gunstige prijsontwikkelingen zouden evenwel vooral aan in de nabijheid van de teeltgebieden gelegen Franse maalbedrijven ten goede zijn gekomen; voor Duitse maalbedrijven was dit graan slechts in beperkte mate verkrijgbaar. In zoverre zou de subsidieregeling als discriminerend moeten worden aangemerkt.
a)
Laat ons in dit verband allereerst ingaan op de principiële kritiek tegen het voor de producenten van durum tarwe geldende subsidiesysteem. Wanneer die kritiek gegrond blijkt, zal vervolgens moeten worden nagegaan of de feilen van het systeem aantoonbaar tot gevolgen voor de concurrentiepositie der verzoeksters heeft geleid. De zin van de subsidieregeling kan daarbij onbesproken blijven. Het is bekend dat men langs deze weg de — deficitaire — teelt van durum tarwe in de Gemeenschap heeft willen bevorderen en tot een gewijzigde agrarische structuur heeft willen komen. Waar de teelt van durum tarwe minder lonend was en met hogere kosten gepaard ging dan die van zachte tarwe, terwijl anderzijds voor een financiering ten laste van de verbruikers — namelijk via de prijs- niet werd gevoeld, heeft men gemeend deze maatregel uit de openbare middelen te moeten bekostigen.
Aan de aanvang van het verkoopseizoen 1974/75 waren de prijzen op de wereldmarkt voor durum tarwe sterk gestegen en, omdat de prijzen op de wereldmarkt wel op de deficitaire markt van de Gemeenschap moesten doorwerken, ook die in Gemeenschap. Dit kan met behulp van enkele cijfers worden verduidelijkt. Droeg de via de subsidie te behalen minimumprijs voor durum tarwe in 1970/71 145 r.e./t, in 1971/72 147,90 r.e./t, in 1972/73 153,80 r.e./t en in 1973/74 155,33 r.e./t in het verkoopseizoen 1974/75 kwam hij op 196,83 r.e/t te liggen. Maar de door de wereldmarkt beïnvloede marktprijzen in de Gemeenschap lagen — blijkens de door de Commissie overgelegde tabellen en de cijfers der verzoeksters — nog aanmerkelijk hoger. Men kan dan ook wel zeggen dat de telers op de markt zeker aan hun trekken kwamen, en wij komen tot de stellige conclusie dat een subsidie uit de openbare middelen in deze economische situatie volkomen overbodig was.
Aan deze slotsom doen ook de beide argumenten welke verweerders ten gunste van het systeem hebben willen aanvoeren, niet af. Zij betogen dat men het niet zonder de subsidie kon stellen, omdat men niet de indruk wilde doen ontstaan dat het landbouwbeleid een fundamentele wijziging zou hebben ondergaan dan wel dat men de gedachte zou hebben opgegeven de nog steeds deficitaire, maar structureel gezien wenselijke teelt van durum tarwe te bevorderen. Voorts wijzen zij erop dat een groot deel van de durum tarwe der Italiaanse boeren door hen zelf werd verbruikt (ten naaste bij 600000 ton ofwel een derde van de totale oogst), zodat er in zoverre van een verbetering van het inkomen via de markt niet kon worden gesproken en het gestelde doel slechts met behulp van de subsidie kon worden bereikt.
Hierover kan allereerst worden gezegd dat een onjuiste indruk van het op bevordering van de teelt van durum tarwe gerichte beleid ook had kunnen vermeden worden wanneer men de subsidieregeling in beginsel had gehandhaafd, doch in de marktsituatie bij de aanvang van het verkoopseizoen aanleiding zou hebben gevonden voorshands geen subsidie meer te verlenen. En wat het eigen verbruik van de Italiaanse boeren betreft: het is maar de vraag of daarmede in de geschetste situatie wel rekening moet worden gehouden. In een anders opgezette marktordening zouden de Italiaanse telers aanleiding hebben gevonden hun durum tarwe op de markt te brengen en zelf goedkopere graansoorten te gebruiken. Het zou bovendien voor de hand hebben gelegen — en de kwestie van het eigen verbruik van de Italiaanse telers had buiten bespreking kunnen blijven — wanneer men naar een passende oplossing in de vorm van een differentiatie van de subsidieregeling zou hebben gestreefd, zoals die door de Commissie wegens de zeer verschillende opbrengsten per hectare (1973/74 Frankrijk 2940 kg tegenover 1760 kg in Italië) thans ook inderdaad in overweging is genomen. Men had dus in het seizoen 1974/75 althans in de Franse teeltgebieden van subsidiëring kunnen afzien.
Wanneer dan ook met betrekking tot de eerste helft van het verkoopseizoen 1974 — met zijn hoge wereldmarktprijzen — de kritiek op het subsidiestelsel stellig juist is te achten, moet anderzijds terstond worden gezegd dat dit dan ook geldt voor de door verzoeksters bedoelde „normale situatie”, dat wil zeggen voor perioden als de tweede helft van het verkoopseizoen 1974/75, waarin de wereldmarktprijs voor durum tarwe beneden het niveau der communautaire prijzen was gelegen.
Weliswaar zou ik niet met verzoeksters willen meegaan wanneer zij stellen dat normaliter zou kunnen volstaan met een subsidie die, uitgaande van de minimumprijs, gerelateerd is aan de richtprijs — die op een deficitaire markt als in de regel haalbaar wordt beschouwd —. Er dient in dit verband allereerst op te worden gewezen dat het subsidiestelsel wezenlijk op de minimumprijs gericht is; en als zodanig functioneert de interventieprijs. Anderzijds verdient opmerking dat het in normale prijssituaties redelijk is de situatie van de Italiaanse boeren — met hun aanzienlijk eigen verbruik — in aanmerking te nemen; het verlenen van subsidies in de mate waarin zij tot nu toe wordt verstrekt mag dan, in het belang van de aanmoediging van de durum tarweteelt, als noodzakelijk worden beschouwd.
Wel dient in dit verband echter te worden herinnerd aan de zeer ongelijke opbrengsten per hectare — waarvan met betrekking tot Frankrijk en Italië reeds sprake was — alsook aan de voor de hand liggende mogelijkheid de subsidie te differentiëren. Ik acht het dan ook niet onjuist aan te nemen dat de Franse telers van durum tarwe ook bij normale prijzen als waarvan thans sprake is, zonder subsidie dan wel met een veel lagere subsidie zouden zijn uitgekomen, hetgeen inderdaad tot de conclusie leidt dat de ongewijzigde handhaving der subsidie ook in de tweede helft van het seizoen 1974/75 de toets der kritiek niet kan doorstaan.
b)
In aansluiting hierop moet dan vervolgens worden nagegaan of er een aantoonbaar verband bestaat tussen de subsidiëring van de Franse telers en de prijzen van durum tarwe in Frankrijk, waar verzoeksters minder gemakkelijk aan de markt zouden hebben kunnen komen dan de Franse maalbedrijven — wij komen op dit punt nog terug —. Ter bespreking van deze stellig zeer netelige vraag dient men zich een zo nauwkeurig mogelijk beeld van de Franse marktsituatie te verschaffen en mede de ontwikkeling van de wereldmarkt gedurende de hierbedoelde periode in aanmerking te nemen. De talrijke opgaven welke in de loop van het geding door partijen zijn verstrekt, vergemakkelijken deze taak stellig niet.
Mijns inziens kan worden uitgegaan van de Franse marktprijzen, zoals de Commissie die op grond van de gegevens van het Franse interventiebureau ONIC heeft samengesteld. Ook de verklaring van de als getuige gehoorde raadsman van Grands Moulins de Strasbourg, een der grote Franse concurrenten der verzoeksters, heeft kennelijk op die cijfers betrekking.
Legt men naast deze prijzen de cifprijzen die door de Commissie zijn overgelegd, dat wil zeggen de wereldmarktprijzen voor durum tarwe, dan kom ik tot het volgende resultaat:
In de maanden augustus en september 1974 lagen de Franse marktprijzen ten dele aanzienlijk beneden de wereldmarktprijzen. Het gaat hier om verschillen van 25 tot 200 Ffr/t, in september 50 tot 140 Ffr/t. Gaat men echter uit van de prijzen die verzoeksters bij hun aankopen op de wereldmarkt zouden hebben betaald, dan komt men tot veel kleinere verschillen. Maar ook wanneer men de door de Commissie genoemde wereldmarktprijzen aanhoudt, lopen deze verschillen in de volgende maanden van het jaar 1974 aanzienlijk terug. Voor zover de Franse prijzen al beneden het niveau van de wereldmarkt lagen, gaat het om 40 tot (hoogstens) 180 Ffr/t. Ten dele lagen de Franse marktprijzen echter ook in deze maanden reeds boven de cif-prijzen. Een heel andere situatie trad evenwel in toen de wereldmarktprijzen in het begin van het jaar 1975 beneden de drempelprijs daalden. Zo lagen de Franse marktprijzen in de maanden januari en februari 1975 duidelijk boven de drempelprijs; en dit was ten dele ook nog in maart 1975 het geval. In de volgende maanden van het jaar 1975 trad er opnieuw een daling van de Franse prijzen in. Zij lagen nu beneden de drempelprijs, en wel dichter bij de interventieprijs dan bij de drempelprijs. Maar ik wil aanstonds opmerken dat dit kennelijk een gevolg is geweest van het feit dat er toen grote partijen durum tarwe die uit de oogst 1974/75 waren achtergehouden — de getuige Pegler sprak van 100000 tot 150000 ton —, op de markt zijn gegooid, terwijl er niet voldoende vraag naar bleek te bestaan.
Gezien deze feiten acht ik het hoogst twijfelachtig of als bewezen mag worden aangenomen dat het subsidiëren van de telers van durum tarwe ertoe geleid heeft dat de Franse prijzen gedurende enige maanden niet dichter bij de prijzen op de wereldmarkt zijn komen te liggen. Wij kunnen vaststellen dat de prijsontwikkeling, wat betreft de verhouding tot de prijzen op de wereldmarkt, bijzonder grillig is verlopen. Ik zie niet in hoe men dit zou kunnen verklaren door aan de subsidieregeling een doorslaggevende invloed toe te kennen. Nog twijfelachtiger wordt dit alles wanneer men bedenkt hoe de uitbetaling van de subsidie was geregeld. Naar wij van de Commissie vernamen, was er inderdaad voor gezorgd dat de subsidie aan de telers ten goede kwam; de subsidies werden kort na levering op de verzamelbureaus uitbetaald en blijkbaar apart afgerekend. Voorts behoeft het geen betoog dat het lagere niveau der Franse prijzen in hoofdzaak zijn verklaring vindt in de van ouds bestaande relaties tussen de Franse maalbedrijven en de Franse telers van durum tarwe — en hun commercialisatiecentra —. Reeds in het arrest in de eerdere zaken 63 tot 69-72 Jurispr., deel 1973, blz. 1249 komt deze opvatting overduidelijk tot uitdrukking, en zij wint nog aan overtuiging wanneer men bedenkt dat wij in de eerste helft van het seizoen 1974/75 met een zeer uitzonderlijke prijssituatie te maken hadden, die juist ten aanzien van de betrekkingen met de oude afnemers niet bepaald optimaal mocht worden genoemd. Ook het bij beschikking van 4 augustus 1973 gegeven en tot begin april 1975 gehandhaafde exportverbod is waarschijnlijk van invloed geweest. Last but not least kan ook de ontwikkeling van de monetaire situatie een rol hebben gespeeld.
Op grond van een en ander is het mij onmogelijk de situatie thans anders te beoordelen dan Uw Hof deed in zijn arrest in de zaken 63 tot 69-72; ik kan derhalve het standpunt der verzoeksters met betrekking tot het causaal verband tussen de durum tarwesubsidie en de prijzen op de Franse markt niet aanvaarden.
Ik zou evenwel nog twee opmerkingen willen maken: ook wanneer zulk een causaal verband wel aanwezig zou zijn geacht, had men zich stellig ook moeten afvragen of er ook van een causale samenhang tussen het optreden van de Gemeenschap en de benadeling van de Duitse maalbedrijven kan worden gesproken, en of daarmede wel kan worden volstaan wanneer men de overheid aansprakelijk wenst te stellen. Ook in zoverre is twijfel gerechtvaardigd, vooral wanneer men bedenkt dat er — bij voorbeeld in het Engelse en in het Franse recht — sprake moet zijn van rechtstreeks toegebrachte schade. En wat de motivering van deze aansprakelijkheid betreft zou het voorts een punt van belang zijn of de — op een deficitaire markt stellig ongewone — consequenties op het gebied der prijzen door de organen van de Gemeenschap hoe dan ook konden worden voorzien. Ook dit is hoogst twijfelachtig; hetgeen wil zeggen dat er van verwijtbaarheid — en daarmede van schuld — niet zou kunnen worden gesproken.
Op al deze gronden — en daargelaten of mogelijke kritiek op de subsidieregeling werkelijk aanleiding mag geven van de gekwalificeerde schending van een waarborgnorm in de zin van de jurisprudentie te spreken — meen ik dat de vordering, wat de subsidieregeling betreft, niet voldoende is gemotiveerd. In de subsidiaire overweging welke ik hierna zal doen gelden voor het geval mijn hiervoor weergegeven standpunt niet mocht worden aanvaard, komt dit punt nogmaals ter sprake.
3.
Bespreking vergt thans de volgende vraag, namelijk of aan de Gemeenschapsorganen kan worden verweten dat zij de Duitse maalbedrijven, die vooral op de verwerking van duurderde tarwe uit derde landen waren aangewezen, in het kader van de marktordening voor deze graansoort niet even gunstige aankoopmogelijkheden hebben bezorgd als waarover de Franse maalbedrijven — die meestal tegen gunstiger condities op hun eigen markt terecht konden — beschikten. Verzoeksters denken daarbij aan maatregelen als de volgende: het mogelijk maken van goedkopere invoer uit derde landen — via een lagere drempelprijs voor Duitse maalbedrijven —, waarbij de verwerking onder toezicht van de douane zou dienen te geschieden; toekenning van een produktierestitutie wegens de verwerking van durum tarwe uit derde landen of het achterwege laten van heffingen op de uitvoer van zachte tarwe — met goedkopere invoer van durum tarwe —. Anderzijds noemden zij ook de mogelijkheid van produktieheffingen ten laste van bedrijven die in de Gemeenschap geproduceerde durum tarwe verwerken.
Alvorens hierop in te gaan dient te worden onderzocht hoe het met de toegankelijkheid van de Duitse maalbedrijven op de Franse markt — en hun inkoopmogelijkheden aldaar — gesteld is.
Ten processe bleek enerzijds — de stukken liegen er niet om —, dat de Franse exporten van durum tarwe naar de Bondsrepubliek sinds 1969/70 zijn toegenomen. Bedroegen zij in dat seizoen nog 4000 ton, in het seizoen 1974/75 beliepen zij reeds 25000 ton. Volgens de door het Hof gehoorde getuigen lijdt het anderzijds ook geen twijfel dat Duitse afnemers van durum tarwe in Frankrijk moeilijker aan de markt kwamen. Al hun pogingen ten spijt, slagen zij er blijkbaar meestal niet in grote parijen Franse durum tarwe te betrekken. Anders dan hun Franse concurrenten, die blijkbaar worden „voorgetrokken”, komen zij niet aanstonds bij het begin van de campagne aan bod. Het is mij ook alleszins duidelijk waarom dit het geval is. Op een deficitaire markt is het voor de Franse afnemers natuurlijk een zaak van levensbelang Frans graan in de wacht te slepen. Zij kunnen daarbij met name profiteren van het feit dat hun bedrijven dichter bij de teeltgebieden zijn gelegen en dat zij dadelijk ook kleine partijen per vrachtauto kunnen afnemen. Elders gevestigde afnemers nemen een nadeliger positie in omdat er eerst grotere partijen voor ex port moeten worden gereedgehouden; daarbij komen monetaire en vervoersproblemen. Ik behoef op een en ander voor het ogenblik niet nader in te gaan.
Wat de aankoopsprijzen betreft: uit het verhoor van de getuigen en de overgelegde documenten is gebleken dat er ook in zoverre sprake is van een zekere benadeling van de Duitse afnemers. Enerzijds is er, wat de voordeliger prijspositie van de Franse maalbedrijven betreft, gesproken van bedragen tot 20 Ffr/t; anderzijds zouden de prijzen van de Franse afnemers enigszins onder die van de Duitse inkopers zijn gelegen. Ook de cijfers die verzoeksters met betrekking tot hun aankoopsprijzen in Frankrijk hebben overgelegd wijzen in dezelfde richting, als men er tenminste in verband met de handelsmarges der importeurs, vracht- en vervoerkosten de nodige correcties op heeft aangebracht. Ook dit prijsverschil is echter zeer wel te verklaren: men denke slechts aan de noodzaak andere handelswegen te gebruiken, grotere partijen voor export gereed te leggen en voor de buitenlandse handel met andere clausules te werken (cif-fabriek in plaats van af verzamelbureau). Misschien spelen ook bepaalde natuurlijke voordelen als persoonlijke relaties tussen betrokkenen een zekere rol.
De vraag of de organen van de Gemeenschap hiermede bij het vaststellen van de handelsregeling voor durum tarwe rekening moesten houden, kan mijns inziens, wat de verschillende aankoopsprijzen op de Franse markt betreft, bezwaarlijk in bevestigende zin worden beantwoord. De overgelegde cijfers zijn daartoe niet voldoende. Bovendien gaat het om zuiver geografische voordelen, die als zodanig geen aanleiding tot bijzondere compenserende maatregelen konden geven.
Voorts zou ik in verband met het feit dat de Franse markt voor Duitse afnemers in beginsel moeilijker toegankelijk was — althans aan het begin van het verkoopseizoen 1974/75 was dit het geval —, over de door verzoeksters ter sprake gebrachte compenserende maatregelen nog het volgende willen opmerken: voor zover verzoeksters de vaststelling van bijzondere — lagere — drempelprijzen voor de importen naar de Bondsrepubliek hebben bepleit, kan eigenlijk worden volstaan met een verwijzing naar het in de zaken 63 tot 69-72 reeds gewezen arrest, waarin het Hof hiervan niet heeft willen weten — en overwegingen wijdde aan de noodzaak van één enkele drempelprijs —. Een dergelijke maatregel zou in de eerste helft van het seizoen 1974/75 ook geen effect hebben gesorteerd, omdat de wereldmarktprijzen ver boven de drempelprijs lagen — de tweede helft van bedoeld verkoopseizoen komt nog ter sprake —.
Met betrekking tot de invoering van produktieheffingen wegens de verwerking van durum tarwe uit de Gemeenschap — waardoor dit graan duurder zou worden — zij erop gewezen dat de vaststelling van het juiste bedrag van zulke heffingen, gezien het reeds besproken grillig verloop van de prijzen in het jaar 1974/75, met grote moeilijkheden gepaard zou zijn gegaan. Zulke heffingen zou ik voorts bedenkelijk achten in verband met de beoogde handhaving van redelijke verbruikersprijzen, alsook omdat zij de Gemeenschapspreferentie in gevaar zouden brengen — ik kom hierop nog terug —, en voorts omdat zij er mogelijkerwijze toe zouden leiden dat bij de fabricage van gries(meel) en meelprodukten durum tarwe door zachte tarwe wordt verdrongen.
En ik zou er meteen op willen wijzen dat de door verzoeksters ter sprake gebrachte mogelijkheid de invoer van durum tarwe uit derde landen goedkoper te maken langs de weg van produktierestituties of gecombineerde operaties (achterwege laten van heffingen bij uitvoer van zachte tarwe tegen bevordering van de invoer van durum tarwe) op even ernstige bezwaren moet afstuiten. Om te beginnen zijn het zeker geen gebruikelijke maatregelen. Zij werden tot nu toe alleen toegepast in zeer bijzondere situaties: het verwerken van maïs — welk produkt in de zetmeelsector het hoofd heeft te bieden aan de concurrentie van substitutie-produkten —; het mogelijk maken van een zekere buitenlandse handel op de rundvleesmarkt met zijn geweldige overschotten. De situatie van de Duitse maalbedrijven kan hiermede eigenlijk niet worden vergeleken, vooral niet wanneer men bedenkt dat zij in toenemende mate hun weg op de Franse markt voor durum tarwe weten te vinden en de ontwikkeling der prijzen dienovereenkomstig beïnvloeden, terwijl het „onderbieden” door Franse maalbedrijven lijkt af te nemen en ook de gries(meel) exporten uit Frankrijk zich in de laatste jaren niet dramatisch hebben ontwikkeld. Bovendien werd er door de Commissie op gewezen dat er, wat de genoemde maatregelen betreft, sprake was van hoogst problematische regelingen die hun doeltreffendheid onvoldoende hadden bewezen — zodat wijziging wordt overwogen —. Voorts dient te worden bedacht dat van de in overweging gegeven invoerbevordering een ongewenst effect op de communautaire markt zou uitgaan in die zin dat de communautaire structuren minder flexibel zouden worden: zulke maatregelen zouden immers stellig gepaard gaan met een vermindering van de inspanningen welke de Duitse maalbedrijven zich op de Franse markt getroosten, hetgeen op zijn beurt de ontwikkeling van de communautaire prijzen voor durum tarwe zou beïnvloeden op een wijze welke bezwaarlijk te rijmen zou zijn met het alleszins gerechtvaardigde streven de teelt van durum tarwe in de Gemeenschap te bevorderen.
Ook al moet worden erkend dat met name de beide laatstgenoemde mogelijkheden — waarvan bij voorbeeld alleen met betrekking tot bepaalde importquota gebruik zou kunnen worden gemaakt — een passend middel ter compensatie of vermindering van bepaalde concurrentienadelen van de Duitse maalbedrijven zouden kunnen opleveren, op grond van vorenstaande overwegingen kan ik toch niet tot de slotsom komen dat het rechtens als een ernstige fout — in de zin van het recht betreffende de aansprakelijkheid van de overheid — is te beschouwen dat zulke maatregelen niet zijn genomen. Ook in zoverre acht ik de onderhavige schadevordering dus ongegrond.
4.
Thans moet nog worden ingegaan op de vraag die bij de indiening van het beroep op de voorgrond stond, te weten of de marge tussen de interventieprijs en de drempelprijs voor durum tarwe te groot was — zodat aan de nationale producenten een te vergaande mate. van bescherming werd geboden —.
Voor het onderhavig seizoen is deze vraag kennelijk slechts van subsidiair belang. Immers, in de eerste helft van dat seizoen — waarin blijkbaar de grootste partijen zijn ingevoerd — lagen de prijzen op de wereldmarkt boven het niveau van de communautaire prijzen, en zoals wij zagen heeft de gemeenschappelijke markt daarvan de invloed ondergaan. In dit tijdvak gaven dus voor importen uit derde landen de drempelprijzen — en voor de aankoop van durum tarwe uit de Gemeenschap de interventieprijzen — niet de doorslag. De marge tussen de beide hierbedoelde prijzen kon destijds dus geen nadelig effect op de situatie van de Duitse maalbedrijven sorteren. Hetzelfde geldt voor de eerste maanden van het jaar 1975, waarin de Franse marktprijzen zowel boven de interventieprijs als boven de drempelprijs lagen. Zou men de beide prijzen dichter bij elkaar hebben gebracht, dan zou daarvan op de bevoorradingspositie van de Franse maalbedrijven geen invloed zijn uitgegaan.
De opgeworpen vraag betreft derhalve alleen de resterende maanden van het seizoen 1974/75, waarin de Franse marktprijzen in feite dichter bij de interventieprijzen dan bij de drempelprijzen lagen. Alleen al daarom, maar ook op grond van aanstonds te bespreken andere overwegingen, lijkt het mij niet nodig uitvoerig bij de marge tussen interventieprijs en drempelprijs stil te staan.
Naar U weet zou volgens verzoeksters — wier betoog ik thans niet op de voet behoef te volgen — een marge van ongeveer 3,5 r.e. tussen interventieprijs en drempelprijs voldoende zijn geweest. Zij beroepen zich in verband hiermede op de verordening nr. 1968/73, (PB nr. L 201 van 21. 7. 1973) — met haar voorschriften over het opheffen van op de markt optredende verstoringen —, op vroegere preferentieregelingen betreffende de intracommunautaire handel en op de ordening van de markt voor zachte tarwe. Daartegenover moet worden opgemerkt dat handhaving van de Gemeenschapspreferentie aan een zo vergaande algemene beperking van de marge tussen interventieprijs en drempelprijs — en alleen het achterwege laten daarvan had het verwijt van een gekwalificeerde inbreuk op het Gemeenschapsrecht vermogen te rechtvaardigen — in de weg stond. Ik moge verwijzen naar het betoog der Commissie, volgens hetwelk met name wegens de omstandigheden op de Italiaanse markt en gezien de afstand tussen de Zuiditaliaanse teeltgebieden en de Midden- en Noorditaliaanse verwerkingscentra een overeenkomstige stijging van de prijs van in de Gemeenschap geteelde durum tarwe concurrentie van durum tarwe uit de Gemeenschap met durum tarwe uit derde landen onmogelijk zou hebben gemaakt. Ik herinner voorts aan de overweging van het arrest in de zaak 63 tot 69-72 waarin een marge van 12,81 r.e. tussen interventieprijs en drempelprijs met het oog op de bescherming van in de Gemeenschap geteelde durum tarwe alleszins aanvaardbaar werd geacht.
Hoogstens had men een differentiatie van de interventieprijs in overweging kunnen nemen — in dier voege dat zij in de Franse teeltgebieden (en daarom gaat het thans in de eerste plaats) dichter bij de drempelprijs had mogen liggen dan elders in de Gemeenschap. In die zin werd ook in de zaak 63 tot 69-72 reeds geconcludeerd. Dat er iets voor te zeggen valt zal moeten worden toegegeven wanneer men te rade gaat met de voor zachte tarwe nog steeds relevante cijfers betreffende de vroegere situatie — die door het naast elkaar bestaan van verschillende afgeleide interventieprijzen was gekenmerkt —. Anderzijds dient men ook de marktomstandigheden bij de aanvang van het seizoen 1974/75 niet te vergeten. Er bestaat zeker aanleiding tot de vraag of zij werkelijk van dien aard waren dat aan differentiatie van de interventieprijzen moest worden gedacht en of het achterwege laten ervan rechtens als een ernstig verzuim is te beschouwen. Bovendien krijgt men bij lezing van het arrest in de zaak 63 tot 69-72 de indruk dat Uw Hof evenmin van differentiatie van de interventieprijzen als van differentiatie van de drempelprijzen wil weten.
Maar dat dit alles weinig ter zake doet volgt met betrekking tot de bijzondere omstandigheden in het hierbedoelde verkoopseizoen ook uit de volgende overwegingen: zoals wij ten processe vernamen was die Franse marktsituatie in het voorjaar 1975 door een aanzienlijk aanbod van durum tarwe gekenmerkt. Naar wij reeds opmerkten, ging het blijkbaar om restanten uit de oogst van het vorig jaar. Ik kan te dien aanzien verwijzen naar de door verzoeksters overgelegde documenten betreffende de hoeveelheden die in bedoeld tijdvak door Duitse maalbedrijven zijn aangekocht. Duidelijke taal spraken ook de getuigen, onder meer de heren Zadow, Werle en Schnitt, volgens wie er in het voorjaar van 1975 (maart en april) vrij veel Franse durum tarwe tegen concurrerende prijzen, dat wil zeggen tegen prijzen in de buurt van de interventieprijs, op de markt zijn gekomen. Althans op dit tijdstip was de motivering van het beroep — in zijn aanvankelijke formulering — onvolledig, omdat er een wezenlijk element — de moeite welke Duitse maalbedrijven bij hun pogingen op de Franse markt aan bod te komen ondervonden — aan ontbrak en alleen dat element rechtvaardigde de vraag of er een aanleiding had bestaan de voordelen welke de door de Gemeenschap genomen maatregelen de Franse maalbedrijven op de Franse markt bezorgden, in te perken.
Niet in de laatste plaats hierom ben ik van mening dat de handhaving van de bekende marge tussen interventieprijs en drempelprijs voor durum tarwe er, evenmin als de andere besproken gronden, toe kan leiden de regeling van de Gemeenschap ernstig te wraken.
5.
Bleek ons tot nu toe dat de door verzoeksters tegen de communautaire overheid ingestelde aansprakelijkheidsactie als ongegrond is te beschouwen, bespreking vergt nog de vraag of de Gemeenschap niet nochtans wegens een met onteigening gelijk te stellen maatregel aansprakelijk moet worden gesteld; ik zou echter, zoals ik reeds aankondigde, eerst nog een subsidiaire overweging in het geding willen brengen voor het geval dat Uw Hof mijn opvatting — volgens welke er niet van een oorzakelijk verband tussen de subsidieregeling en het Franse prijsniveau kan worden gesproken — niet mocht aanvaarden en ook van een door de Raad begane dienstfout zou willen spreken; die overweging geldt ook voor het geval dat het Hof inzake de vraag naar eventuele compenserende maatregelen — restituties bij produktie e.d. — een ander standpunt mocht innemen dan door mij werd bepleit: het is dan namelijk de vraag in hoeverre er van een aan verzoeksters berokkende schade kan worden gesproken en hoe een schadevergoedingsactie dan zou moeten worden gehonoreerd.
Wat het eerste punt betreft: na de bewijslevering mag het ervoor worden gehouden dat verzoeksters in ieder geval onder de mededinging van verschillende Franse maalbedrijven te lijden hebben gehad. Ik herinner aan de verklaringen van de getuigen betreffende het „onderbieden” der Franse concurrenten, dat Duitse maalbedrijven op winstderving of zelfs op verlies van marktaandelen zou zijn komen te staan.
Over de schadeomvang is echter in deze stand van het geding stellig geen uitspraak mogelijk; er kan thans alleen het volgende van worden gezegd:
Het is stellig niet juist zonder meer op het teruglopen van de afzet van gries-(meel) der verzoeksters af te gaan, en wel met name niet omdat de griesimporten uit Frankrijk slechts in geringe mate zijn gestegen. Het is niet uitgesloten te achten dat de achteruitgang van het maalbedrijf mede aan in dit geding niet ter sprake komende oorzaken moet worden toegeschreven, bij voorbeeld aan een toegenomen invoer van meelprodukten die misschien als een gevolg van de bekende campagne van de AIMA — tot verlaging van de prijzen van durum tarwe — is te beschouwen, of ook het feit dat durum tarwe bij de gries(meel) produktie door zachte tarwe is verdrongen.
Gaat men ervan uit dat de organen van de Gemeenschap in het belang van de Duitse maalbedrijven compenserende maatregelen (bij voorbeeld produktierestituties) hadden dienen te treffen, dan zou de te vereffenen schade dienovereenkomstig — en met inachtneming van de werkelijk verwerkte hoeveelheid uit derde landen betrokken durum tarwe — moeten worden vastgesteld, wanneer de Gemeenschapspreferentie ten minste niet medebrengt dat aan de voor vergoeding in aanmerking te brengen hoeveelheden een grens moet worden gesteld.
Maar mocht de subsidieregeling als onrechtmatig zijn te beschouwen, dan zou vervolgens de vraag rijzen hoe de situatie zich ten aanzien van verzoeksters zou hebben ontwikkeld wanneer het wegvallen of verminderen der aan de telers van durum tarwe verstrekte subsidie tot gewijzigde bevoorradingsmogelijkheden, dat wil zeggen tot andere kosten van verwerving voor de Franse maalbedrijven, zou hebben geleid. Daartoe zou echter moeten worden nagegaan hoe het met de afzet op de Duitse en de Franse markt zou zijn gegaan — immers ook Franse maalbedrijven verwerken in zekere omvang durum tarwe uit derde landen —, met andere woorden onderzocht zou moeten worden in hoeverre de concurrentiedruk van de Franse maalbedrijven zou zijn verminderd — en derhalve prijsval en afzetverliezen bij de Duitse maalbedrijven achterwege zouden zijn gebleven —.
Meer behoeft hieromtrent thans niet te worden gezegd. Duidelijk is in ieder geval dat er hoogstens van een principiële veroordeling sprake zou kunnen zijn, terwijl het vaststellen van de schadeomvang aan een deskundige zou moeten worden toevertrouwd voor het geval dat partijen zich dienaangaande niet zouden kunnen verstaan.
6.
Nog een enkel woord moet worden gezegd over de vraag naar de aansprakelijkheid wegens een met onteigening gelijk te stellen ingrijpen, dat wil zeggen wegens een onrechtmatige daad van de organen van de Gemeenschap — waarbij van schuld niet behoeft te zijn gebleken —. Ook hierbij behoeft niet lang te worden stilgestaan, niet in de laatste plaats omdat mijns inziens niet is komen vast te staan dat de organen van de Gemeenschap zich onrechtmatig hebben gedragen.
Het probleem van de aansprakelijkheid wegens een met onteigening gelijk te stellen ingreep komt in dit geding niet voor de eerste maal ter sprake; reeds in de voorafgegane procedure 63 tot 69-72 werd er over gedebatteerd. Het Hof is er in zijn arrest niet op ingegaan. Wel heeft mijn ambtsvoorganger, de Advocaat-Generaal Roemer, er enigszins uitvoerig bij stilgestaan.
Bij de afweging van de verschillende gezichtspunten kwam de Advocaat-Generaal Roemer tot de slotsom dat bezwaarlijk kan worden gesproken van een algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de overheid in zulke gevallen wegens een onrechtmatige gedraging op zichzelf aansprakelijk kan worden gesteld. In de eerste plaats kennen maar weinig rechtsordeningen van de Lid-Staten dit instituut; en voor zover het wel bekend is is het in het ene land heel anders geregeld dan in het andere. Voorts leveren stelsel en structuur van de gemeenschappelijke markt — alsook de voorschriften voor geleidelijke ontwikkeling van de markt — een argument tegen deze mogelijkheid op. Zelfs wanneer naar Gemeenschapsrecht een op bedoelde aansprakelijkheid gebaseerde actie in principe zou moeten worden erkend, dan nog zouden de voorwaarden daartoe in een casuspositie als destijds moest worden beoordeeld, niet als vervuld mogen worden beschouwd. De maatregel moet namelijk het bedrijfsleven als zodanig aantasten. En daarvan kan niet reeds worden gesproken wanneer alleen de bevoorradingscondities een verandering ondergaan, want in beginsel heeft niemand een subjectief recht op handhaving van een bepaalde overheidsregeling op het stuk van de aankoopcondities. Bovendien is althans naar Duits recht niet voldaan aan de voorwaarde dat er rechtstreeks in die condities moet zijn ingegrepen, immers ook andere voorwaarden dan die welke in de regeling van de Gemeenschap besloten liggen zouden de door verzoeksters geleden schade mede hebben veroorzaakt.
Ik zou mij hierbij willen aansluiten. Waar de onderhavige casuspositie grosso modo dezelfde is en er in dit geding geen nieuwe argumenten van wezenlijk belang zijn voorgedragen, mag het er dus voor worden gehouden dat de aansprakelijkheidsactie ook niet als gegrond is te beschouwen wanneer men er de beginselen inzake de aansprakelijkheid wegens een met onteigening gelijk te stellen overheidsingrijpen bij te pas brengt.
III — Ik stel op grond van een en ander voor de beroepen van de Duitse (durum tarwe verwerkende) maalbedrijven te beslissen in voege als na te melden:
Zoals zij aanvankelijk waren geformuleerd, zijn de beroepen te vroeg ingediend en mitsdien niet ontvankelijk. De beroepen zijn voorts niet ontvankelijk voor zover zij tegen de Commissie zijn gericht en op onrechtmatigheid van de voor telers van durum tarwe geldende subsidieregelingen zijn gebaseerd. Voor het overige dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard, met veroordeling van verzoeksters in de kosten van het geding.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy