CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 6 MAART 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De zaak waarin ik heden heb te concluderen, is door acht Europese vakbonden aanhangig gemaakt tegen de Raad van de Europese Gemeenschappen. Deze vakbonden zetelen te Brussel, Luxemburg, Karlsruhe, Ispra en Petten, en stellen zich ten doel het behartigen van de belangen van de Europese openbare dienst en in het bijzonder van de ambtenaren en personeelsleden der Europese Gemeenschappen. Het gaat in deze zaak om de vraag of de Raad in de afgelopen jaren op de juiste wijze heeft zorg gedragen voor de aanpassing van de bezoldiging der Europese ambtenaren en personeelsleden overeenkomstig artikel 65 van het Ambtenarenstatuut.
Reeds in een eerdere zaak (zaak 81-72, arrest van 5 juni 1973, Commissie van de Europese Gemeenschappen t. Raad van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1973, blz. 575 e.v.) is ons gebleken dat deze aanpassing — overeenkomstig een besluit van de Raad van 20 en 21 maart 1972 — bij wijze van proefneming gedurende drie jaren zou geschieden aan de hand van indicatoren voor de ontwikkeling van de koopkracht der overheidssalarissen in de Lid-Staten. In de eerste plaats geldt als zodanig de voor een referentieperiode — namelijk het tijdvak van 1 juli tot en met 30 juni van het volgende jaar — vastgestelde specifieke indicator. Deze wordt afgeleid uit het verloop van het gemiddelde nominale salaris van een representatieve groep ambtenaren in verband met de stijging van de kosten van levensonderhoud. Anderzijds is bepalend een indicator van de loonsom per hoofd bij de nationale overheidsdiensten van de Lid-Staten. Binnen de grenzen van deze beide indicatoren zouden de salarissen worden vastgesteld.
Niet alleen de acht verzoekende vakbonden beweren dat dit in de afgelopen jaren niet op de juiste wijze is geschied, doch ook de Commissie, die tegen de Raad een afzonderlijk geding (zaak 70-74, Commissie t. Raad van de Europese Gemeenschappen) aanhangig heeft gemaakt.
De Commissie kwam tot deze conclusie, toen zij voor de referentieperiode van juli 1972 tot juni 1973 de waarden vaststelde, waaruit voor iedere Lid-Staat de toeneming van de koopkracht van de salarissen bij de overheidsdienst zou blijken. Zij bevond dat voor Italië een zeer hoog percentage was aangegeven, zulks als gevolg van de opneming van een aantal vergoedingen in de basissalarissen, respectievelijk de vaststelling van een algemene aanpassingstoelage welke meetelde voor de specifieke indicator. Vóór december 1972 en januari 1973 was met deze vergoedingen en toelagen in het kader van het destijds geldende salarisstelsel echter geen rekening gehouden bij de vaststelling van de specifieke indicator. De Commissie concludeerde daaruit dat verschillende vroegere Raadsbesluiten met betrekking tot artikel 65 van het Ambtenarenstatuut op een onjuiste grondslag steunden. Zij meende dat de voor Italië verstrekte specifieke indicator slechts ten dele de verhoging van de koopkracht over de referentieperiode 1971/1972 weergaf en dat de in 1973 opgegeven waarden niet slechts de verhogingen over de referentieperiode 1972/1973 weerspiegelden, doch ten dele ook die over eerdere jaren. Bijgevolg is de Commissie, zoals zij de Raad reeds bij brief van 10 december 1973 had aangekondigd, correctievoorstellen gaan uitwerken. In een mededeling aan de Raad van 14 februari 1974 stelde zij bij wijze van schadevergoeding een salarisaanpassing ad 5,4 % met werking vanaf 1 juli 1972 voor. Aldus luidde ook haar op 21 maart 74 aan de Raad voorgelegde ontwerp-verordening.
De Raad nam dit voorstel niet over en besloot in de zitting van 22 en 23 juli 1974 de vroegere — laatstelijk in december 1973 — genomen beslissingen tot aanpassing van de bezoldigingen te handhaven zonder enige correctie of aanvulling als schadevergoeding voor de betrokkenen.
Dit was voor de vakbonden — en ook voor de Commissie — aanleiding zich tot het Hof te wenden.
Verzoekers concluderen in hun verzoekschrift tot
—
nietigverklaring van het besluit van de Raad van 22 en 23 juli 1974;
—
vergoeding van de door de Europese ambtenaren geleden schade als gevolg van door de Raad gemaakte fouten bij zijn besluiten over de salarisaanpassing vóór verordening nr. 2/74 van 28 december 1973;
—
een zodanige schadevergoeding dat de koopkracht van de salarissen der Europese ambtenaren zich parallel ontwikkelt aan die van de salarissen der nationale ambtenaren;
—
een zodanige vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de noodzakelijke salarisverhogingen dat de onjuistheid van de specifieke indicator niet alleen betrekking heeft op de onmiddellijk voorafgaande refe rentieperiode.
Ik behoef deze vorderingen niet in alle onderdelen te onderzoeken. De Raad is namelijk van mening dat de vakbonden niet gerechtigd zijn deze vragen aan het Hof voor te leggen, en verzoekt het Hof overeenkomstig artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het beroep zonder op de zaak ten principale in te gaan. Op 18 februari 1975 vond de mondelinge behandeling met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep plaats, zodat ik thans alleen op dit punt hoef in te gaan.
1.
Over de vordering tot nietigverklaring van het besluit van de Raad van 22 en 23 juli 1974 kan allereerst het volgende worden opgemerkt:
Uw Hof heeft reeds bij arresten van 8 oktober 1974 (in de zaken 175-73 Union syndicale — Service public européen, Denise Massa en Roswitha Kortner t. Raad, en 18-74, Algemeen vakverbond van het personeel der Europese instellingen t. Commissie) de procesbevoegdheid van de vakbonden erkend, althans voor zover zij de vereiste autonomie bezitten om in het rechtsverkeer zelfstandig op te treden en voldoende representatief zijn. In deze arresten is met betrekking tot twee verzoekers hierover reeds het nodige gezegd; vaststaat dat zij in rechte kunnen optreden. Voor de andere verzoekers wil ik dit voorlopig eveneens aannemen om het onderzoek te kunnen concentreren op de hoofdpunten in deze procedure.
In de jurisprudentie is ook reeds beslist dat vakbonden geen beroep op basis van artikel 91 van het Ambtenarenstatuut kunnen instellen. Wij kunnen derhalve voorbijgaan aan de ten deze geldende voorwaarden, te meer omdat verzoekers uitdrukkelijk hebben verklaard dat het beroep uitsluitend is gebaseerd op artikel 173 van het EEG-Verdrag. Zien wij nu alleen naar dit artikel 173, dan kan eveneens al dadelijk worden vastgesteld dat de vakbonden blijkens genoemde arresten zich in beginsel van deze rechtsweg kunnen bedienen. Evenzeer staat echter vast — daarover laten genoemde arresten geen twijfel bestaan — dat de uit het Verdrag en de rechtspraak voortvloeiende algemene voorwaarden voor de toepassing van deze bepaling in acht moeten worden genomen.
Volgens de Raad nu is in casu niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 173, tweede alinea. Immers in de eerste plaats moet aan de litigieuze handeling waarbij een verordening stilzwijgend wordt afgewezen, eveneens het karakter van een verordening worden toegekend. Voorts is de Raad van oordeel dat de vakbonden door de bestreden maatregel noch individueel noch rechtstreeks worden geraakt. Ten slotte betoogt de Raad dat vakbonden als verenigingen alleen in beroep kunnen komen ter behartiging van hun eigen belangen en niet ter behartiging van de collectieve belangen van hun leden.
Wat allereerst de vraag betreft, of de ontvankelijkheid van het beroep afstuit op het rechtskarakter van het bestreden besluit, staat vast dat volgens de jurisprudentie (zaken 16 en 17-62, arrest van 4 december 1962, Confédération nationale des producteurs de fruits et légumes en anderen t. Raad, Jurispr. 1962, blz. 941) particulieren (daarmee bedoel ik de in artikel 173, tweede alinea, genoemde personen) uitdrukkelijk geen beroep kunnen instellen tegen verordeningen. Als verordeningen zijn ten deze te beschouwen handelingen met een normatief karakter, dat wil zeggen maatregelen die niet slechts een beperkt aantal bepaalbare personen betreffen, doch in abstracto afgebakende groepen personen. Ook blijkt uit de jurisprudentie (zaak 42-71, arrest van 8 maart 1972, Nordgetreide GmbH & Co KG t. Commissie, Jurispr. 1972, blz. 105) dat bij afwijzing van een verzoek de aard van de afwijzing moet worden beoordeeld naar het voorwerp van het verzoek.
Het gaat er dus om of hetgeen de Raad in zijn zitting van 22 en 23 juni heeft afgewezen, inderdaad als een verordening moet worden beschouwd.
In het verslag van bedoelde zitting van de Raad wordt met betrekking tot het onderhavige besluit gesproken van „proposition de révision des rémunérations suite à la correction de l'indicateur spécifique pour un des États membres”. Voorts is sprake van een daartoe strekkend voorstel van de voorzitter van de Raad en een overeenkomstig voorstel van de Commissie. Van belang is de mededeling aan het eind van het verslag, dat men het zal laten bij de eerdere aanpassing der salarissen, laatstelijk van 18 december 1973, en geen verdere aanvullingen of correcties zal aanbrengen. In zoverre kan in elk geval van een stilzwijgende afwijzing van de tweede genoemde voorstellen worden gesproken. Acht men dit doorslaggevend, dan kan mijns inziens echter niet worden ontkend dat het besluit van de Raad een normatief karakter heeft.
De ontwerp-verordening van de Commissie van 21 maart 1974 draait in hoofdzaak om twee punten. De salaristabellen in het Ambtenarenstatuut en de personeelsregeling in de redactie van 9 augustus 1973 — ten aanzien van het tijdvak van 1 juli 1972 tot en met 30 juni 1973 — en in de redactie van 28 december 1973 — ten aanzien van het tijdvak na 30 juni 1973 — zouden door andere moeten worden vervangen. Bij aanneming van dit voorstel had men stellig kunnen zeggen, dat de maatregel als geheel rechtsgevolgen zou hebben gehad voor een bepaald aantal personen, omdat hieruit in ieder geval gevolgen waren voortgevloeid tot na juli 1974. De maatregel als geheel — dus met inbegrip van het afwijzende besluit van de Raad — is dan ook stellig als van verordenende aard te beschouwen.
Hetzelfde geldt wanneer men ziet naar het voorstel van de voorzitter van de Raad. Dit behelsde namelijk naast de op 18 december 1973 besloten verhoging van 3,3 % een verdere aanpassing van 2 %, geldende vanaf 1 juli 1973 en te betalen vanaf 1 januari 1975. Was dit voorstel aangenomen, dan had dat eveneens gevolgen gehad tot na juli 1974 en dus in ieder geval voor een onbepaald aantal personen gegolden. Ook dan zou dus van een echte verordening sprake zijn, waartegen particulieren — dat wil zeggen ook vakbonden — blijkens het vorenstaande niet in beroep kunnen ko men.
Nu heeft de Raad echter iedere salarisaanpassing afgewezen, dus ook eventuele oplossingen zonder terugwerkende kracht, waarbij de kring der betrokkenen min of meer bepaalbaar zou zijn geweest. In deze richting gingen inderdaad de gedachten van de personeelsvertegenwoordigers. Blijkens aantekeningen van een onderhoud met de Raad op 7 december 1973 dachten de personeelsvertegenwoordigers alleen aan een compensatie in de vorm van een salarisverhoging met ongeveer 5,5 % vanaf 1 juli 1972. Volledigheidshalve moet dus ook worden nagegaan of zelfs in dit geval de afwijzing van de Raad van juli 1974 naar rechtskarakter moet worden beschouwd als een handeling waartegen voor particulieren geen beroep openstaat.
Ik wil reeds dadelijk zeggen, dat ik ook in dat geval geen mogelijkheid zie voor een beroepsrecht van de vakbonden.
In de eerste plaats gaat het niet aan om — zoals verzoekers doen — te beweren dat in feite een bundel individuele beschikkingen is genomen, zulks onder verwijzing naar de desbetreffende jurisprudentie in de zaken 41 tot 44-70 (arrest van 1 april 1971, NV International Fruit Company en anderen t. Commissie, Jurispr. 1971, blz. 422) en 62-70 (arrest van 23 november 1971, Bock t. Commissie, Jurispr. 1971, blz. 908). Daartegen kan mijns inziens worden aangevoerd dat de Raad — zo zijn besluit positief was uitgevallen — toch slechts een beginselbesluit zou hebben genomen, waarvoor in ieder individueel geval uitvoeringsmaatregelen van de bevoegde organen nodig waren geweest.
Anderzijds acht ik het niet juist om voor het rechtskarakter van een maatregel alleen te letten op de periode waarin deze van toepassing is; veeleer is de inhoud van de regeling doorslaggevend. Naar inhoud nu kunnen maatregelen tot aanpassing van de salaristabel die voor het gehele personeel en voor een aanzienlijke periode gelden, alleen in de vorm van een verordening worden genomen en kunnen zij, ook bij enkel terugwerkende kracht, niet worden gelijkgesteld met een „Allgemeinverfügung” in de zin van het Duitse bestuursrecht, dat wil zeggen met een maatregel die uitsluitend in verband met een concreet feit, met het oog op een bepaalde individuele situatie wordt genomen. Anders gezegd: aan een handeling die strekt tot aanvulling of wijziging van een verordening zal — ongeacht de toepassingsduur — eveneens een verordenend karakter moeten worden toegekend.
Ik meen dan ook dat de Commissie voor haar voorstel terecht de vorm van een verordening heeft gekozen en dat, gezien de inhoud van het afwijzende besluit van de Raad, dus geen sprake kan zijn van een rechtstreeks beroepsrecht van de vakbonden.
In deze opvatting hoeft eigenlijk niet meer te worden ingegaan op de daarnaast opgeworpen vraag of verzoekers, indien het hier niet om een verordening gaat, rechtstreeks en individueel zijn geraakt, en met name of kan worden aangenomen dat verenigingen, dus ook vakbonden, volgens het Gemeenschapsrecht procedures aanhangig kunnen maken ter verdediging van de collectieve belangen van hun leden, of zelfs van alle ambtenaren. Ik wil hierop echter toch nog even ingaan, omdat bij de mondelinge behandeling juist dit punt door verzoekers zeer uitvoerig is besproken.
Ik moge al direct opmerken dat ik — anders dan verzoekers — in genoemde arresten 175-73 en 18-74 geen aanknopingspunten kan vinden voor een bevestigende beantwoording van deze vraag.
Weliswaar wordt in deze arresten gezegd dat deze verenigingen, namelijk de vakbonden, ter behartiging van de beroeps-belangen van hun leden elke rechtmatige activiteit kunnen ontplooien, en wordt daaraan toegevoegd dat het optreden in rechte deel uitmaakt van de middelen die ter beschikking van deze verenigingen staan. In de volgende overweging staat echter met zoveel woorden: „In de communautaire rechtsorde is de uitoefening van dit recht evenwel onderworpen aan de voorwaarden, die worden bepaald door het systeem der in de Gemeenschapsverdragen geregelde beroepsmogelijkheden”, en tot dusver werden die voorwaarden niet aldus opgevat dat ook verenigingen ter verdediging van collectieve belangen in beroep konden komen. Veelbetekenend acht ik voorts, dat ook wordt overwogen dat een deugdelijk gekwalificeerde beroepsvereniging gerechtigd is krachtens artikel 173, tweede alinea, van het EEG-Verdrag beroep in te stellen tot nietigverklaring van beschikkingen die in de zin van deze bepaling tot haar zijn gericht. Nog afgezien van dit laatste zou aan het arrest 18-74 zelfs een argument tegen de opvatting van verzoekers kunnen worden ontleend. Het ging daar om een maatregel van algemene aard, namelijk een besluit tot inhouding op het salaris van ambtenaren en personeelsleden van de Commissie, die hadden deelgenomen aan een staking. Daarbij kwam ook de mogelijkheid van beroep ex artikel 173 ter sprake. De Commissie vroeg zich af of de betrokken vakbond bevoegd was collectieve belangen te behartigen, terwijl de vakbond betoogde dat zijn rechten als categorale beroepsorganisatie door de getroffen maatregel rechtstreeks werden geraakt. Weliswaar werd dit beroep afgewezen omdat het gebaseerd was op artikel 91 van het Ambtenarenstatuut, doch het valt aan te nemen dat het Hof het beroep niet had verworpen wanneer het uit de argumenten met betrekking tot artikel 173 de indruk had gekregen dat het Gemeenschapsrecht de vakbonden toelaat collectieve belangen in rechte te verdedigen.
Stelt men zich vervolgens de vraag of er in de Lid-Staten sprake is van een gemeenschappelijk rechtsbeginsel dat van belang kan zijn bij de uitlegging van het Gemeenschapsrecht, dan blijkt dat de nationale rechtsstelsels op dit punt sterk uiteenlopen.
Weliswaar zijn enerzijds in het Franse en Belgische recht de vakbonden blijkbaar bevoegd ter behartiging van collectieve belangen in rechte op te treden, hetzij ter zake van individuele handelingen die van invloed zijn voor een aantal niet bepaalbare personen, hetzij ter zake van verordeningen die het personeelsstatuut betreffen (zie Waline, Droit administratif, 8e druk, nr. 770; Auby et Drago, Traité du contentieux administratif 1962, deel 2, nr. 1035; Plantey, Traité pratique de la fonction publique, 3e druk, deel 2, nr. 3033 e.v.; Belgische Raad van State, Recueil des arrêts et avis du Conseil d'état 1967, nr. 12521). Heel anders ligt de situatie in Italië, Nederland, Groot-Brittannië en de Bondsrepubliek Duitsland. Volgens de jurisprudentie van de Italiaanse Raad van State en ook naar Nederlands recht, kunnen verenigingen niet in rechte optreden ter verdediging van rechten en belangen van de vertegenwoordigde groep als geheel (zie uitspraken van de Italiaanse Raad van State 1969, blz. 1760; Rapport van de Commissie inzake algemene bepalingen van administratief recht (Nederland) 1971, blz. 208). Ook in Groot-Brittannië bestaat blijkbaar geen jurisprudentie over de mogelijkheid voor vakbonden om in rechte op te treden tegen besluiten die hun leden raken. Naar Duits recht geldt de algemene regel dat verenigingen niet in rechte kunnen optreden ter verdediging van de collectieve belangen van hun leden doch alleen ten behoeve van de eigen belangen van de groep. Dit geldt ook voor vakbonden, afgezien van enkele bij de wet uitdrukkelijk toegelaten uitzonderingen (vgl. Naumann, Klagbefugnis von Verbänden im Verwaltungsprozeß, Die öffentliche Verwaltung 1971, blz. 378 e.v.). Hierbij spelen wellicht overwegingen een rol die verband houden met de rechtskrachtproblemen en de welbewuste uitsluiting van de actio populaos, en misschien ook met moeilijkheden bij de afbakening van gevallen, waarin zonder enige twijfel de aanwezigheid van een collectief belang kan worden aangenomen.
Derhalve kan zeker niet worden gesproken van een algemeen rechtsbeginsel, op grond waarvan de vakbonden in het algemeen bevoegd zijn in rechte op te treden ter verdediging van collectieve belangen.
Daar komt nog bij dat het bijzondere verdragsstelsel der rechtsbescherming, dat — zoals gezegd — ook geldt voor beroepen van vakbonden, duidelijke aanwijzingen bevat die pleiten tegen de ontvankelijkheid van beroepen als het onderhavige. Op dit punt is van belang dat de in het Verdrag geregelde rechtsbescherming met betrekking tot particulieren soms niet zo ver gaat als nationale stelsels. Van veel belang is met name de eis van het rechtstreeks en individueel geraakt zijn. Objectief zal hieronder moeten worden verstaan dat een verzoeker schending van zijn eigen rechten of belangen moet aantonen. In deze richting gaat althans de jurisprudentie tot op heden. Zij vertoont een duidelijke tendens tot uitsluiting van de mogelijkheid voor vakbonden om op eigen naam en voor eigen rekening beroep in te stellen, ook wanneer zij alle door een bepaalde maatregel getroffen personen omvatten. Ik moge ten deze herinneren aan het hierboven reeds genoemde arrest in de zaken 16 en 17-62. Daarbij werd het beroep van een vereniging niet-ontvankelijk verklaard, omdat de leden van die vereniging door de bestreden maatregel op dezelfde wijze werden getroffen als de leden van een gehele groep personen. Het standpunt dat een vereniging, als vertegenwoordiger van een groep van ondernemers, individueel wordt geraakt door een handeling die de algemene belangen van die groep raakt, werd uitdrukkelijk van de hand gewezen.
Ik ben derhalve geneigd, zonder verder op deze vraag in te gaan, mij aan te sluiten bij de mening van Advocaat-Generaal Trabucchi in zijn conclusie in de zaak 18-74, dat vakverenigingen slechts voor hun eigen functionele belangen kunnen opkomen, dus uitsluitend voor de belangen van de vakvereniging zelf en niet als draagster van de belangen van haar leden.
De conclusie voor de onderhavige zaak is daarmee duidelijk: wij mogen niet uit het oog verliezen dat het om de financiële belangen van de ambtenaren, namelijk de aanpassing van hun salarissen, gaat. Er is geen sprake van eigen belangen van de vakverenigingen in de lijn van 's Hofs jurisprudentie. Zij volgen niet uit het feit dat de leden de behartiging van hun belangen in het algemeen aan de vakbonden hebben overgedragen, of dat de vereniging zich juist de behartiging van de belangen harer leden ten doel stelt. Eigen belangen van de vakbonden kunnen ook niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat de vertegenwoordigers van het personeel hebben deelgenomen aan voorbesprekingen over het besluit van de Raad van 21 maart 1972, waarvan de juiste toepassing hier wordt bestreden.
Als men de opvatting over het rechtskarakter van de bestreden handeling niet deelt, dan kan derhalve worden vastgesteld dat het beroep van de vakbonden — althans de vordering tot nietigverklaring — niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat alleen een collectieve schending van de belangen van het gehele personeel en niet een schending van de eigen belangen van de vakbonden kon worden waargemaakt.
2.
Daarmee is ons onderzoek echter nog niet beëindigd. Behalve deze vordering wordt in het beroepschrift namelijk ook nog vergoeding gevorderd van schade die zou voortvloeien uit onjuistheden in aan verordening nr. 2/74 voorafgaande besluiten van de Raad. Verzoekers zijn van mening dat althans in zoverre, dat wil zeggen voor zover het beroep gebaseerd is op artikel 178 juncto artikel 215 EEG-Verdrag, geen bezwaren tegen de ontvankelijkheid bestaan, zodat het beroep althans niet in alle onderdelen niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
Sluit men zich ten deze niet aan bij de opvatting van de Raad dat het hier geen zelfstandige vordering betreft, doch een nadere uitwerking van het beroep tot nietigverklaring, dan dient nog het volgende te worden opgemerkt.
Ingevolge artikel 215, tweede alinea, waarnaar de zuivere competentiebepaling van artikel 178 verwijst, moet de Gemeenschap inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid de schade die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt, vergoeden overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der Lid-Staten gemeen hebben. Het gaat hier in hoofdzaak om aansprakelijkheid wegens dienstfouten. Daarbij zal een verzoeker toch moeten aantonen dat hij zelf door een dienstfout schade heeft geleden. Mij dunkt dat niet kan worden volstaan met de bewering dat een ander schade heeft geleden. Nu de vakbonden in casu niet stellen dat zij zelf schade hebben geleden, ook niet als gesprekspartner bij de besprekingen over de salarisaanpassing, doch alleen de ambtenaren en personeelsleden van de Gemeenschappen als gelaedeerden zijn te zien, moet reeds om deze reden de vakbonden een beroepsrecht worden ontzegd.
Daarnaast bestaan echter andere belangrijke bezwaren. Een beroep wegens dienstfout kan mijns inziens alleen ontvankelijk worden geacht, wanneer de fout behoorlijk wordt aangetoond. In het beroepschrift werd ten deze alleen gesteld dat het besluit van de Raad van 22 en 23 juli 1974 onjuistheden bevatte. Dit kan naar ik meen niet als een behoorlijke motivering worden beschouwd. Bovendien mag niet uit het oog worden verloren dat de beweerde schade door onjuiste salarisaanpassing in de voorafgaande jaren is veroorzaakt. Daarvoor wordt vergoeding gevraagd en op dat punt had een dienstfout moeten worden aangetoond. Ook in dat opzicht is het beroep echter niet deugdelijk gemotiveerd.
Derhalve ben ik van mening — zulks afgezien van andere punten in geding — dat het beroep evenmin ontvankelijk kan worden verklaard, voorzover het steunt op artikel 215, tweede alinea, van het EEG-Verdrag.
3.
Bijgevolg stel ik voor het voorstel van de Raad te volgen en het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Daar in dit geval een beslissing inzake de kosten overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering niet in aanmerking komt, dienen verzoekers in de kosten van het geding te worden verwezen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy