CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 21 MEI 1976 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Bij tussenarrest van 14 mei 1975 besliste het Hof dat de Commissie wegens haar nalatigheid om bij de intrekking van het stelsel van compenserende bedragen overgangsmaatregelen te nemen, aansprakelijk was en aan CNTA het verlies diende te vergoeden dat deze wegens verordening nr. 189/72 van 26 januari 1972 houdende intrekking van de compenserende bedragen had geleden bij de tenuitvoerlegging van de export van 8000 ton koolzaad en raapzaad naar Algerije, waarvoor restituties waren vastgesteld bij certificaten van 6 januari 1972.
Bij gebrek aan overeenstemming tussen partijen omtrent het schadebedrag, dient net Hof thans ook dit geschilpunt nog te beslechten. Dat de op grond van dit arrest te vergoeden schade is beperkt tot het verlies dat in feite voortvloeit uit een realisering van het koersrisico, heeft verzoekster in deze hele tweede fase van het geding blijkbaar niet duidelijk voor ogen gestaan.
Zij houdt geen rekening met de beperkingen die in het tussenarrest zijn gesteld aan de aansprakelijkheid van de Commissie. Daarom blijft zij schadevergoeding vorderen ter hoogte van de compenserende bedragen waarop zij zonder verordening nr. 189/72 recht zou hebben gehad. Indien echter de schadevergoeding zo eenvoudig zou kunnen worden vastgesteld, had het Hof bepaald geen tussenarrest behoeven te wijzen waarin alleen uitspraak werd gedaan over de principiële vraag van het bestaan van een aansprakelijkheid en waarin de vaststelling van de concrete schade naar een later tijdstip werd verschoven.
Het gerechtvaardigd vertrouwen van de handelaar, waarmee de Commissie volgens Uw arrest van 14 mei 1975 onvoldoende rekening heeft gehouden betreft de bescherming tegen het koersrisico, die de compenserende bedragen — althans de facto en in de normale opvatting van de handelaren — in de praktijk boden. Uit het arrest blijkt duidelijk dat de schade die naar Uw oordeel voor vergoeding in aanmerking komt wanneer zij feitelijk kan worden vastgesteld — beperkt is tot de verliezen bij realisering van het koersrisico. Indien bij voorbeeld de Algerijnse koper betaling in dollars had verkozen, dan zou moeten worden onderzocht in hoeverre de Commissie moest worden veroordeeld tot betaling aan verzoekster van het verschil tussen het in dollars ontvangen bedrag na omwisseling in Franse franken en het bedrag dat zij zou hebben ontvangen bij rechtstreekse betaling in Franse franken, omdat het stelsel van compenserende bedragen juist compensatie moest bieden voor dit verschil, voortvloeiende uit de koersfluctuaties van de dollar ten opzichte van zijn officiële pariteit.
In de verkoopovereenkomst van 15 juni 1971 die ten grondslag ligt aan de onderhavige exporten was — zoals U weet — betaling in VS-dollars of Franse franke overeengekomen, zulks ter keuze van de koper. Blijkens de verklaringen van verzoekster in deze tweede fase van het geding heeft nu de Algerijnse afnemer alle betalingen voor de 8000 ton koolzaad en raapzaad in Franse franken verricht zodat zich bij het in betaling ontvangen bedrag geen enkel koersrisico heeft voorgedaan.
Voorts is het zo dat ten tijde van de levering van de 8000 ton koolzaad en raapzaad waarop de op 6 januari 1972 ontvangen uitvoerrestitutiecertificaten betrekking hadden, verzoeksters opslagplaatsen te Bordeaux vol waren. Niet alleen vormde de levering dus geen enkel probleem, doch deze partij zou integendeel — indien zij niet was verkocht naar Algerije — elders moeten zijn verkocht of althans aan een interventiebureau zijn geleverd. Daar verzoeksters organisatie onder haar leden opslaghouders en producenten van oliehoudende granen telt, is het begrijpelijk dat zij zoveel mogelijk tracht oliehoudende granen van communautaire oorsprong te exporteren. Immers, een levering van niet-communautaire oorsprong zou voor haar niet voordeliger zijn uitgekomen, gezien de restituties die zij bij uitvoer van communautaire zaden ontvangt. Mede hierom moet worden geconcludeerd dat verzoeksters schadevordering ter hoogte van de compenserende bedragen ongegrond is.
Verzoekster beweert echter onkosten te hebben gemaakt om betaling in Franse franken te verkrijgen. Met name zou zij bij voorbaat afstand hebben gedaan van interessen en boeten bij overschrijding van de betalingstermijnen. Nu deze overschrijding werkelijk heeft plaatsgevonden, zegt zij schade te hebben geleden, welke gezien de omstandigheden moet worden toegeschreven aan het koersrisico dat was ontstaan door de afschaffing van de compenserende bedragen.
De Commissie betwist het bestaan of althans enig blijk van een causaal verband tussen deze afstand door verzoekster en de betaling in Franse franken en bijgevolg tussen de gemaakte onkosten en de afschaffing van de compenserende bedragen.
Bij de ondervraging van verzoekster is gebleken dat haar Algerijnse afnemer zich na haar aanbod om af te zien van moratoire interessen wegens de vertraging waarmee betalingen uit Algerije doorgaans binnenkomen, niet uitdrukkelijk had verbonden tot betaling in Franse franken, maar alleen had medegedeeld alles te zullen doen wat binnen zijn vermogen lag. Zijn recht om de munteenheid te kiezen verviel dus pas bij zijn laatste betaling aan verzoekster. Toen alle betalingen binnen waren, verklaarde verzoekster zich in een briefwisseling met de Algerijnse afnemer bereid alle nog openstaande debetnota's, waaronder die voor moratoire interessen wegens niet tijdige betaling, te laten vervallen. Deze briefwisseling vermeldde echter niet dat deze afstand verband hield met de betaling in Franse franken. Er bestaat dus geen enkel bewijs waaruit met zekerheid het beweerde rechtstreekse en uitsluitende verband tussen het optreden van de Commissie en het door verzoekster eventueel geleden financiële nadeel na afstand van de moratoire interessen kan worden afgeleid.
Verzoekster zegt dat reeds het feit dat het Hof haar heeft uitgenodigd een vertegenwoordiger te zenden om een toelichting te geven op de verhouding met de Algerijnse importeur duidt op erkenning van de geloofwaardigheid van haar beweringen, in het bijzonder wat betreft het verband tussen het afzien van de moratoire interessen en de keuze van de Franse frank als betaalmiddel door de Algerijnse afnemer. Zij wijst bovendien op het algemeen erkende beginsel van vrijheid van bewijs in handelszaken.
Het Hof heeft echter bij zijn verzoek om inlichtingen stellig geen afstand willen doen van zijn taak om dit bewijs aan recht en ervaring te toetsen. Het is immers niet denkbaar dat de vrijheid van de rechter met betrekking tot het bewijs in handelszaken kan leiden tot terzijdestelling van de normale regel dat niet kan worden volstaan met de argumenten van één procespartij — hoe respectabel ook — voor haar opvatting.
Het is logisch om te veronderstellen dat verzoekster afstand van een recht heeft gedaan met het oog op een tegenprestatie, of omgekeerd dat de Algerijnse afnemer de Franse frank als betaalmiddel heeft gekozen in verband met een tegenprestatie van zijn wederpartij.
Nu de betalingen echter steeds overtijd zijn, hetgeen overigens niet is te wijten aan de afnemer, doch aan de Algerijnse bank waarover de betalingen moesten lopen, en gezien de ernstige moeilijkheden waarop verzoekster ongetwijfeld was gestuit als zij haar vordering van moratoire interessen had doorgezet, zoals blijkt uit de mededelingen van haar technisch directeur op vragen bij de mondelinge behandeling, en ten slotte gezien verzoeksters belang bij een goede verstandhouding met deze belangrijke Algerijnse afnemer, valt deze afstand van recht gemakkelijk te verklaren en behoeft hierin niet beslist een tegenprestatie te worden gezien voor de keuze van de Franse frank als betaalmiddel.
In het tussenarrest besliste het Hof uitdrukkelijk dat de bescherming waarop verzoekster op grond van haar gerechtvaardigd vertrouwen aanspraak kan maken, beperkt blijft tot het ontgaan van verliezen wegens de intrekking der compenserende bedragen. Juist bij dergelijke verliezen moet een duidelijk causaal verband worden aangetoond. Bij handelsbetrekkingen kan echter in de praktijk niet steeds nauwkeurig onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende belangenfactoren die in de gegeven omstandigheden of met het oog op de toekomstige verhouding van invloed zijn, als redenen die niet kunnen worden gespecificeerd wegens het ontbreken van uitdrukkelijke wilsverklaringen of welomschreven voorwaarden. Dit geldt temeer bij zaken als deze, waarin men een derde de gevolgen wil laten dragen van bepaalde gedragingen in een ingewikkelde handelsrelatie.
In dit verband moet echter uitgesloten worden geacht dat verzoekster heeft bewezen dat zij schade heeft geleden ter hoogte van de gederfde moratoire interessen als buitengewone onkosten wegens betaling in Franse franken in plaats van VS-dollars. Zulks ook al, omdat uit niets blijkt dat verzoekster ooit compensatie heeft ontvangen voor alle vroegere gevallen van te late betaling die volgens haar eigen zeggen vrijwel regel waren en waren ingecalculeerd, gezien de normale manier van werken van de Algerijnse bank — die als enige betalingen buitenslands mag doen —.
Mitsdien concludeer ik tot verwerping van verzoeksters vordering tot schadevergoeding.
Aangezien U in het tussenarrest heeft beslist dat de gedragingen van de Commissie van dien aard waren dat zij aansprakelijk zou kunnen worden gesteld, meen ik dat ondanks de verwerping van verzoeksters vordering elk van beide partijen in de eigen kosten moet worden verwezen.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy