CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 28 MEI 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Op 12 maart 1974 verscheen bij het Europese Parlement een aankondiging van vacature nr. 1059 voor een post in de rang A 3 bij het Directoraat-generaal commissies en interparlementaire delegaties. Volgens deze aankondiging had de voorzitter van het Parlement besloten in de vacature te voorzien door bevordering of overplaatsing binnen de instelling. Vereist was onder meer grondige kennis van het Engels. Sollicitaties moesten uiterlijk 25 maart 1974 worden ingediend. Aanvankelijk verscheen de aankondiging alleen in het Engels, zoals ook een soortgelijke aankondiging (nr. 1058) waarin grondige kennis van het Deens werd verlangd, aanvankelijk slechts in het Deens is bekend gemaakt.
Toen Klister, verzoeker in het onderhavige geding, hiervan kennis kreeg, richtte hij op 1 april 1974 een klacht in de zin van artikel 90 van het Ambtenarenstatuut tot de Voorzitter van het Parlement, waarin hij opkwam tegen de wijze van bekendmaking, namelijk het feit, dat de aankondiging niet in alle Gemeenschapstalen was gepubliceerd. Voorts meende hij dat de voorwaarden nopens de talenkennis erop neerkwamen dat de aangekondigde vacature voor een Deen, respectievelijk voor een Brit werd bestemd, hetgeen volgens de artikelen 27 en 45 van het Ambtenarenstatuut ongeoorloofd was.
Daarop werd begin april de aankondiging van vacature in alle Gemeenschapstalen bekend gemaakt; de sollicitatietermijn werd tot 25 april verlengd. Aldus werd aan de door Klister ingediende klacht gedeeltelijk gevolg gegeven. De eisen inzake de talenkennis bleven echter ongewijzigd.
Naar aanleiding hiervan wendde Küster, die op 2 april 1974 naar de in aankondiging nr. 1059 vermelde post had gesolliciteerd, zich op 28 oktober 1974 tot het Hof met het verzoek de aankondiging van vacature nr. 1059 nietig te verklaren, des dat alle daarop berustende handelingen ongeldig zouden worden.
De eerste fase van de aanwervingsprocedure heeft blijkbaar niets opgeleverd. In ieder geval werd op 30 september 1974 bekendgemaakt dat voor deze vacature een vergelijkend onderzoek nr. A 50 binnen de instelling zou plaatsvinden. Daartoe werden de in aankondiging nr. 1059 vermelde voorwaarden volledig overgenomen.
Ook voor dit onderzoek gaf Küster zich op; daar hij echter bezwaar had tegen de inhoud van de aankondiging, diende hij op 18 oktober 1974 een klacht ex artikel 90 Ambtenarenstatuut in. Toen deze klacht onbeantwoord bleef, stelde hij op 19 februari 1975 andermaal beroep in tot nietigverklaring van het intern vergelijkend onderzoek nr. A 50.
Alvorens in te gaan op de vordering tot nietigverklaring van de aankondiging van vacature nr. 1059, zal ik mede naar aanleiding van verweerders exceptie eerst enkele opmerkingen over de ontvankelijkheid maken.
Het Parlement betwist de ontvankelijkheid op twee gronden. Enerzijds zou de bestreden aankondiging geen nadelig besluit vormen; anderzijds wees het Parlement bij dupliek erop dat de voorzieningsprocedure inmiddels het stadium van intern vergelijkend onderzoek heeft bereikt, waartegen verzoeker eveneens beroep heeft ingesteld, zodat het onderhavige beroep moet worden geacht zonder voorwerp te zijn geraakt.
Ten aanzien van het eerste punt meent het Parlement zijn bezwaren te kunnen doen steunen op 's Hofs jurisprudentie, met name de arresten in de zaken 26-63 (arrest van 1 juli 1964, Piergiovanni Pistoj t. Commissie van de EEG, Jurispr. 1964, blz. 703) en 11-65 (arrest van 14 december 1965, Domenico Morina t. Europees Parlement, Jurispr. 1965, blz. 1333). Bij nader inzien blijkt evenwel dat deze uitspraken het standpunt van het Parlement niet kunnen dragen.
In arrest 26-63 wordt weliswaar geconstateerd dat slechts die maatregelen als bezwarend kunnen worden beschouwd, welke rechtstreekse gevolgen voor een bepaalde rechtspositie kunnen hebben, maar men bedenke dat deze constatering, die toen tot verwerping van het beroep leidde, betrekking had op een procedure voor de integratie van personeelsleden in het ambtenarenbestand na de inwerkingtreding van het Ambtenarenstatuut en op het in die procedure vereiste advies van een integratiecommissie. In dit verband kon stellig worden ontkend dat de bestreden maatregelen rechtstreekse gevolgen voor een bepaalde rechtspositie hadden, omdat als grondslag voor een reële klacht in ieder geval nog een besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag nodig was. Ik betwijfel echter sterk of dit ook zo is met een — zoals hier — door het tot aanstelling bevoegde gezag zelf genomen besluit, waarbij het voor de bezetting van een post bepaalde voorwaarden heeft gesteld die voor een aantal sollicitanten wel nadelig moesten zijn.
In de zaak 11-65 ging het in de eerste plaats om de rechtmatigheid van een benoemingsbesluit na een intern vergelijkend onderzoek. Ook daar werd bezwaar gemaakt tegen de wijze, waarop dit onderzoek had plaatsgevonden. Hieromtrent wordt weliswaar in het arrest gezegd dat de vordering inzake het vergelijkend onderzoek slechts ontvankelijk is voor zover zij dient tot ondersteuning van het tegen de benoeming gericht beroep, maar ik heb niet de indruk dat dit wil zeggen dat in dergelijke gevallen alleen uiteindelijke benoemings-of overplaatsingsbesluiten kunnen worden aangevochten en geen voorbereidende maatregelen, zoals de onderhavige aankondiging van vacature. Want wanneer deze constatering als declaratief element van de uitspraak was bedoeld, zou zij met de vroegere jurisprudentie in tegenspraak zijn. In arrest 15-63 van 4 maart 1964, Claude Lasalle t. Europees Parlement, Jurispr. 1964, blz. 57, waarop verzoeker zich overigens beroept, werd namelijk geenszins bezwaar gemaakt tegen de ontvankelijkheid van het beroep, hoewel het ook daarging om de nietigverklaring van een aan-kondiging van vacature wegens bepaalde daarin vervatte voorwaarden. Zo het in de zaak 11-65 inderdaad de bedoeling was geweest van deze jurisprudentie af te wijken, en, dan zou die zaak zeker overeenkomstig artikel 95 van het Reglement voor de procesvoering naar het voltallige Hof zijn verwezen. Daar zulks achterwege is gebleven, kan ik niet aannemen dat het Hof in arrest 11-65 op het ook hier relevante ontvankelijkheidspunt is omgegaan.
Daarbij komt, dat ook andere arresten pleiten voor een ruime beoordeling van de ontvankelijkheid en derhalve tegen het standpunt van het Parlement. Ik denk hier aan het arrest 12 en 29-64 van 31 maart 1965, Ernest Ley t. Commissie van de EEG, Jurispr. 1965, blz. 141, waarin een beroep ontvankelijk werd verklaard tegen een besluit om niet door bevordering of intern vergelijkend onderzoek maar door een procedure van overgang volgens artikel 29, lid 1, sub c, in een vacature te voorzien. Ook hier ging het niet om de afsluiting van de voorzieningsprocedure, maar om de inleiding van een bepaalde fase daarvan. Voorts denk ik aan het arrest 44-71 van 14 juni 1972, Antonio Marcato t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1972, blz. 427, waarin een beroep ontvankelijk werd verklaard tegen een — evenmin afsluitende — jurybeslissing om verzoekers sollicitatie niet in aanmerking te nemen.
De tendens van deze jurisprudentie lijkt mij objectief alleszins juist. Zij opent geenszins de deur voor een vloed van gerechtelijke procedures, daar men niet steeds elk bezwarend besluit behoeft aan te vechten; integendeel, zoals wordt gezegd in arresten 12 en 29-64, kan de onrechtmatigheid van een eerder genomen besluit zéer wel in een beroep tegen een later besluit in de voorzieningsprocedure worden aangevoerd. — Anderzijds kan niet worden betwist dat alle betrokkenen er belang bij hebben de regelmatigheid van een voorzieningsprocedure zo vroeg mogelijk te doen controleren, opdat niet onnodig onrechtmatige benoemingsbesluiten worden genomen.
Mij dunkt derhalve, en hiermee sluit ik dit punt af, dat niets belet ook een aankondiging van vacature — welker voorwaarden ingaan tegen de aanspraken van „bevorderbare” kandidaten — als een bezwarend besluit te beschouwen. Daar zulks volgens verzoeker hier het geval is, kan derhalve het beroep niet op grond van het rechtskarakter van het bestreden besluit niet-ontvankelijk worden geacht.
Aanstonds zij gezegd dat de nietontvankelijkheid evenmin kan worden gemotiveerd met het tweede door het Parlement ingebrachte bezwaar.
Weliswaar heeft de voorzieningsprocedure intussen het volgend stadium van intern vergelijkend onderzoek bereikt, waartegen verzoeker wegens de ongewijzigd gebleven voorwaarden eveneens beroep heeft ingesteld, zodat men zou kunnen zeggen dat het in casu bestreden besluit — de aankondiging van vacature ter inleiding van een bevorderings-of overplaatsingsprocedure — door een ander besluit is vervangen en dat het beroep tegen het eerste besluit daardoor zonder voorwerp is geraakt. Maar dit betekent nog niet dat het niet-ontvankelijk is geworden, ten minste als er een belang bestaat bij de constatering van de onrechtmatigheid van het intussen vervangen besluit. Dit nu is hier geenszins uitgesloten. Indien namelijk wordt vastgesteld dat de eerste fase van de voorzieningsprocedure geen regelmatig verloop heeft gehad, dan zal die fase ter voldoening aan artikel 29 van het Ambtenarenstatuut moeten worden herhaald. Mijns inziens kan evenmin worden gesteld dat het belang van de constatering vervalt doordat dezelfde rechtmatigheidskwestie thans ook in de procedure over het intern vergelijkend onderzoek is opgeworpen. Met name kan hiertegen worden ingebracht dat het uit een oogpunt van procesefficiency stellig zinvol is dit probleem dadelijk op te lossen. Aldus kan eventueel immers de voorzieningsprocedure vroegtijdig en niet eerst na de uitspraak in het kader van het tweede beroep, dat pas in het beginstadium is, worden gestaakt.
Ik ben derhalve van mening dat het beroep ontvankelijk is en zal nu dan ook overgaan tot de zaak ten gronde.
Zoals U weet, is de bestreden aankondiging van vacature volgens verzoeker onrechtmatig, omdat voor benoeming in de vacature een grondige kennis van het Engels werd vereist. Verzoeker is overtuigd dat daarachter de bedoeling steekt de post voor een sollicitant van Britse nationaliteit te bestemmen. Hierdoor zouden zijns inziens de kansen van andere, „bevorderbare” kandidaten op ontoelaatbare wijze worden beperkt, hetgeen zou neerkomen op schending van het Statuut (artikelen 29 en 45) en van de jurisprudentie die dergelijke voorbehouden verbiedt.
Om te beginnen zij opgemerkt dat het juridisch uitgangspunt van deze grief ongetwijfeld juist is. In arrest 15-63 is immers duidelijk uitgemaakt dat in een aankondiging van vacature niet mag worden verlangd dat de kandidaten een bepaalde nationaliteit hebben. Voor zover volgens het Statuut de aanwerving op basis van een zo breed mogelijke aardrijkskundige spreiding moet plaatsvinden, dient zulks slechts als bijkomende factor te worden gezien; de nationaliteit kan derhalve slechts bij gelijkwaardige kwalificaties de doorslag geven. — Deze beginselen zullen ook in de toekomst in acht moeten worden genomen. Hoewel met de toetreding van nieuwe Lid-Staten voor hun onderdanen enige tijd andersluidende bepalingen hebben gegolden, kan zulks na het vervallen van de tijdelijke overgangsmaatregelen zeker niet meer het geval zijn. — Ook voor de commissiedienst van het Parlement en met name voor de hoofden van de commissiesecretariaten kunnen geen afwijkende regels gelden. Weliswaar kan men ten aanzien van de nationale evenredighed niet blind zijn voor bepaalde politieke overwegingen, maar zolang voor deze dienst een bijzondere regeling — waarvoor goede gronden aanwezig zijn — ontbreekt, blijft er inderdaad niets anders over dan daarop de algemene beginselen van het Ambtenarenstatuut toe te passen.
Het Parlement verdedigt zich met de opmerking dat de bestreden aankondiging van vacature in feite geenszins het oor verzoeker genoemde voorbehoud bevat, en het betwist vooral ten stelligste de bedoeling de post voor een onderdaan van een bepaalde Lid-Staat te bestemmen.
Gezien deze tegenwerpingen, waarvan de eerste ongetwijfeld steek houdt, gaat het er dus om welk gewicht moet worden toegekend aan hetgeen verzoeker tot staving van zijn opvatting naar voren heeft gebracht.
Zoals bekend, voert verzoeker in dit verband drie omstandigheden aan: ten eerste dat de Secretaris-generaal van het Parlement tegenover een afgevaardigde uitdrukkelijk zou hebben verklaard dat de post voor een Brits onderdaan was bestemd; voorts dat de vacature aanvankelijk slechts in het Engels was bekendgemaakt, en ten slotte dat het objectief gezien niet nodig was grondige kennis van het Engels te verlangen, daar bij het desbetreffende commissiesecretariaat reeds ten minste één ambtenaar met Engels als moedertaal werkzaam was. Op elk van deze beweringen zal ik thans nader ingaan.
Daarbij lijkt het mij dienstig met het derde argument te beginnen, en derhalve na te gaan of het Parlement voldoende duidelijk heeft gemaakt dat voor de te bezetten post om redenen van dienstbelang kennis van het Engels noodzakelijk was.
De vertegenwoordiger van het Parlement heeft met name tijdens de mondelinge behandeling hieromtrent verklaard dat het juist bij de commissiedienst erop aankomt dat alle Gemeenschapstalen genoegzaam en naar behoren zijn vertegenwoordigd. Dit is voor de samenwerking met de parlementsleden van de verschillende Lid-Staten, die vaak geen kennis van vreemde talen bezitten, en in het bijzonder voor het contact tussen de commissievoorzitter en rapporteurs enerzijds en commissieambtenaren anderzijds van doorslaggevend belang. Aangezien ambtenaren met een grondige kennis van Engels tot dusver echter bij de commissiedienst niet in voldoende getale aanwezig waren, lijkt het gerechtvaardigd veel waarde aan de taalkundige kwalificaties te hechten.
Mijns inziens kan het dienstbelang, waarom het hier gaat, zeer wel met dergelijke overwegingen worden aangetoond. Zeker is dit het geval, wanneer het vereiste van een grondige kennis van het Engels niet aldus wordt opgevat dat dit de moedertaal moet zijn — waarvoor hier inderdaad niets valt aan te voeren — maar dat ook met een iets geringere kennis kan worden volstaan.
Voorts dunkt mij dat het weerwoord van verzoeker op de verklaring van het Parlement niet overtuigend is, en wel met name zijn opmerking dat, naar algemeen bekend, de te bezetten post aan een bepaalde secretariaatscommissie was toegedacht en dat juist daar het Engels toereikend was gedekt door de aanwezigheid van een ambtenaar van Britse nationaliteit.
Mijns inziens is in dit verband de verklaring van het Parlement voldoende dat de post niet aan een bepaald commissiesecretariaat was toegedacht, maar dat over de toewijzing later zou worden beslist in het kader van de interne organisatiebevoegdheid. Daarbij is ook niet uit te sluiten, zoals het Parlement eveneens met nadruk verklaarde, dat de door verzoeker bedoelde, in een commissiesecretariaat werkzame Britse onderdaan elders wordt tewerkgesteld. Naar ons werd verzekerd, is een zekere flexibiliteit namelijk kenmerkend voor de commissiedienst; de samenstelling van de commissie is aan bepaalde veranderingen onderhevig en dienovereenkomstig moeten ook de commissiesecretariaten van tijd tot tijd naargelang van de dienstbehoeften worden gereorganiseerd. Derhalve is het raadzaam in het algemeen ervoor te zorgen dat in de commissiedienst globaal een zeker taalkundig evenwicht heerst en dat op iedere trede van de ambtelijke hiërarchie voldoende talenkennis aan-aanwezig is.
Na deze uiteenzetting, waartegen verzoeker niets afdoends heeft kunnen inbrengen en waarbij komt dat bij het intern vergelijkend onderzoek 80 % der kandidaten van een andere dan de Britse nationaliteit was, kan inderdaad niet worden gezegd dat verzoeker erin is geslaagd de stelling te ontzenuwen dat de voorwaarde van een grondige kennis van het Engels voor de te bezetten post een kwestie van dienstbelang was. Daarmee blijkt het eerste, duidelijk zeer belangrijke bewijselement van verzoeker te falen.
Omtrent de beide andere door verzoeker aangevoerde punten kan het volgende worden opgemerkt.
Dat de vacature aanvankelijk alleen in het Engels werd bekendgemaakt, lijkt op vertaaltechnische gronden verklaarbaar. Bovendien kan man zeggen dat de sollicitanten van wie terecht een grondige kennis van Engels wordt verlangd, ook in staat moeten zijn deugdelijk kennis te nemen van een in het Engels gestelde aankondiging van vacature. Uit genoemde omstandigheid kan derhalve bezwaarlijk de bedoeling worden afgeleid de te bezetten post voor een onderdaan' van een bepaalde Lid-Staat te bestemmen.
Wat betreft de beweerde verklaring van de Secretaris-generaal van het Parlement dat slechts Britten voor de te bezetten post in aanmerking kwamen, is in de eerste plaats van belang dat zij door het Parlement met nadruk wordt geloochend. Voorts is van belang — en hierdoor kan worden afgezien van het aangeboden getuigebewijs — dat niet de secretarisgeneraal over de bezetting van de post beslist. Zijn mening kan derhalve ook niets toevoegen aan de schriftelijk vastgestelde voorwaarden, die alleen bepalend zijn. Wil men echter aan het hier in het geding zijnde punt niet elke betekenis ontzeggen, dan zou ik het juist achten op dezelfde wijze te handelen als in de zaken 12 en 29-64. Toen werd omtrent de grief dat het de bedoeling was de betrokken post voor een bepaalde nationaliteit te bestemmen, beslist dat de gegrondheid van deze bewering eerst na afloop van de aanstellingsprocedure kon worden beoordeeld.
Op grond van een en ander, in het bijzonder het feit dat in de aankondiging van vacature geen bepaalde nationaliteit is vermeld en dat verzoeker niet heeft kunnen aantonen dat bij de taalvoorwaarden in de aankondiging geen dienstbelang was betrokken, kan ik slechts constateren dat er aan de bestreden aankondiging van vacature geen gebreken kleven. Ik concludeer derhalve tot ongegrondverklaring van het door Küster ingestelde beroep, met verwijzing in de kosten overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy