CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 8 JULI 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Natuur en kunst werken samen bij de bereiding van een produkt dat van oudsher tot de meest bezongen voortbrengselen van onze beschaving behoort.
Juist bij het waarderen van wijn zijn de regels voor het determineren van de eigenschappen van de verschillende soorten die door hun traditionele benaming en bereidingswijze klassiek zijn geworden, van groot belang en hetzelfde geldt voor de regels die nauwkeurig aangeven in hoeverre de mens in het natuurlijke proces mag ingrijpen.
Vandaar de voorschriften die door de Gemeenschap bij de instelling van een gemeenschappelijke wijnmarkt zijn vastgesteld met betrekking tot de benamingen van oorsprong, die zijn voorbehouden aan de wijnen welke een aantal specifieke eigenschappen bezitten; vandaar ook de controlevoorschriften betreffende zowel de kwalificatie van de produkten als de waarborg van voldoende algemene echtheid.
Voor de gevraagde uitlegging van de gemeenschapsbepalingen dienen deze in hun geheel te worden bezien, ook al gaat het in de zaken naar aanleiding waarvan om uitlegging is gevraagd, niet direct om handel tussen de Lid-Staten.
De voorschriften betreffende de gemeenschappelijke markt moeten noodzakelijkerwijze gericht zijn op een uniforme grondslag, die een waarborg vormt voor het vrije verkeer van goederen. De communautaire bepalingen beogen mitsdien ook de vaststelling van gemeenschappelijke controlemaatstaven en dus van methoden om na te gaan of aan de gestelde voorwaarden is voldaan, hetzij met het oog op een bepaalde kwalificatie, hetzij als waarborg tegen overtreding van de produktievoorschriften.
Voor zover de Gemeenschap, nog geen communautaire controlebepalingen en -methoden heeft vastgesteld, moet er niettemin op worden toegezien dat aan bepaalde algemene vereisten is voldaan.
Terwijl het op national vlak vooral van belang is dat de voorschriften betreffende de in de vragen bedoelde technische voorwaarden en de controle op de vervulling hiervan doeltreffend zijn, dienen zij, wanneer toegepast in een communautair kader, tevens de garantie in te houden dat zij in de praktijk niet leiden tot ongelijke behandeling van nationale en buitenlandse produkten en dus tot een beperking van het vrije goederenverkeer. Met name wanneer bij het toezicht op de naleving van de gemeenschappelijke produktievoorschriften voor wijn niet wordt gewerkt met strikt bewijs, doch met rechtsvermoedens, vergt de eenheid van de markt dat het voor een ieder — producenten en handelaars, eigen onderdanen en onderdanen van andere Lid-Staten — even gemakkelijk of even moeilijk is dat vermoeden te weerleggen.
2.
Onder de communautaire bepalingen ter waarborging van de kwaliteit van wijn, vinden wij ook voorschriften die in het bijzonder betrekking hebben op de verhoging van het natuurlijke alcoholgehalte (verordening nr. 816/70 van de Raad, artikelen 18-30), voorschriften die rechtstreeks tot de producenten en handelaren zijn gericht. Deze zijn niet slechts vastgesteld met het oog op het vrije verkeer van de betrokken produkten binnen de Gemeenschap, maar blijkens het opschrift van titel IV der verordening ook met het oog op een vrije commercialisatie; zonder dit laatste zou het vrije verkeer van de produkten trouwens een loze beginselverklaring zijn.
Wat evenwel in de gemeenschapsregeling ontbreekt, is een sluitend autonoom controlestelsel ter bestrijding van fraudes, dat wil zeggen verboden bewerkingen van het produkt tijdens de produktie- of handelsfase. Er bestaan wel bepalingen ingevolge waarvan de handelaren boek moeten houden van ontvangen en afgeleverde hoeveelheden of die voorschrijven dat geëxporteerde wijn vergezeld dient te gaan van een certificaat, afgegeven door een overheidsinstantie van het producerende land en houdende dat de wijn echt en van goede handelskwaliteit is. Wat inzonderheid het verhogen van het alcoholgehalte betreft, bepaalt artikel 22, lid 1, van verordening nr. 816 dat degenen die de bewerkingen uitvoeren, elke voorgenomen verhoging van het alcoholgehalte bij de nationale autoriteiten moeten melden; hetzelfde geldt voor de voorraden suiker en geconcentreerde druivemost die zij onder zich hebben.
Al kunnen al deze bepalingen fraude helpen voorkomen dan wel de bestrijding ervan vergemakkelijken, zij hebben niet de pretentie een sluitend stelsel te vormen.
Daarom heeft de communautaire overheid uitdrukkelijk verwezen naar de toepassing van nationale regelingen betreffende controle en fraudebestrijding (zie artikel 39 bis van verordening nr. 816/70 van de Raad, vastgesteld bij verordening nr. 2680/72, en artikel 9 van verordening nr. 1594/70 van de Commissie).
De twijfel van de Franse rechter omtrent de toepasselijkheid van een in de nationale wettelijke regeling omschreven controlemethode vindt zijn oorsprong in deze communautaire regeling voor de wijnmarkt, die enerzijds wordt gekenmerkt door een zo al niet volledig dan toch vrij doeltreffend stelsel van materiële voorschriften die rechtstreeks op de wijnbereiding van toepassing zijn, en anderzijds door het ontbreken van een daarmede corresponderend stelsel van controlevoorschriften.
De gestelde vragen hebben betrekking op de uitlegging van de gemeenschapsregeling van de wijnmarkt, met name hoe deze zich verhoudt tot de autonome nationale controlestelsels.
3.
In de eerste plaats vraagt de Franse rechter of artikel 8 van de zogenoemde Code du Vin, waarin opgenomen het op de wet van 24 juli 1894 gebaseerde decreet van 18 april 1898, volledig gelding kan hebben na de vaststelling van de gemeenschapsverordeningen nrs. 816 en 817/70 betreffende de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt en de toepassingsregelingen daarvan. Het gaat hier natuurlijk niet zozeer om een eventuele uitspraak inzake de verenigbaarheid van een nationale bepaling met het gemeenschapsrecht, maar om uitlegging van dit recht met het oog op het feit dat het voor de nationale rechter noodzakelijk is het toepassingsgebied ervan ten opzichte van de specifieke nationaalrechtelijke bepalingen te kennen. Hij moet met name vaststellen of een Lid-Staat ingevolge de gemeenschapsregeling nog bevoegd is overtreding van het verbod van alcoholtoevoeging te onderzoeken en te vervolgen met behulp van een rechtsvermoeden waarbij wordt uitgegaan van een analysemethode ter bepaling van het gehalte aan droge stof, die afwijkt van de daartoe in de gemeenschapsverordeningen voorgeschreven methode.
Volgens bovengenoemde bepaling van de Franse Code du Vin wordt het alcoholgehalte van wijnen vermoed te zijn verhoogd indien de verhouding alcoholgereduceerd droog extract groter is dan 4,6 (voor rode wijn), respectievelijk 6,5 (voor witte wijn). Dit vermoeden kan evenwel worden weerlegd wanneer op grond van een vergelijkend onderzoek van de bestanddelen van de wijn, de bereidingswijze, de plaats van herkomst of andere factoren aannemelijk is dat het produkt uitsluitend is ontstaan door gisting van verse druiven.
De twijfel van de nationale rechter aan de verenigbaarheid van deze bepaling met de gemeenschapsregeling vindt zijn grond in de omstandigheid dat hierin een andere methode ter bepaling van het gehalte aan droge stof is aangewezen dan in bedoeld artikel 8; deze methode is volgens de derde overweging van verordening (EEG) nr. 1539/71 van de Commissie van 19 juli 1971 dwingend voorgeschreven „voor elke handelstransactie en elke controleverrichting”. Dit zou kunnen betekenen dat bij de bepaling van zo een bestanddeel of groep van bestanddelen van wijn geen nationale methoden mogen worden toegepast, mede met het oog op het eveneens in genoemde verordening van de Commissie vermelde vereiste van uniforme analysemethoden teneinde nauwkeurige en onderling vergelijkbare uitkomsten te verkrijgen.
Zo gezien hangt deze eerste vraag ten nauwste samen met de tweede, namelijk of het voorschrift van artikel 8, om de analysemethode droge stof bij 100o toe te passen, verenigbaar is met het verbod van verordening nr. 1539/71, om andere dan de in de bijlage der verordening vermelde methoden te gebruiken. Deze bijlage schrijft sub 3 voor dat het totale gehalte aan droge stof wordt bepaald door densimetrie en indirect berekend op basis van de dichtheid van het residu zonder alcohol.
Het decreet van de Franse minister van landbouw van 22 januari 1974 vermeldt in artikel 1 de laboratoria die door de dienst fraudebestrijding en kwaliteitscontrole zijn aangewezen voor het verrichten van de analyses bedoeld in artikel 5 van het decreet 73-1067 van 23 november 1973 houdende vaststelling van de produktievoorwaarden van wijn, en bepaalt vervolgens in artikel 2 dat die analyses moeten geschieden volgens de bij verordening nr. 1539/71 van de Commissie voorgeschreven methoden, met als enige uitzondering de bepaling van het gehalte aan droge stof, waarvoor, met het oog op de vaststelling van de verhouding alcoholgereduceerd extract in de zin van artikel 8 van de Code du Vin, de methode bij 100o aangewezen blijft.
In de derde plaats vraagt de Franse rechter of dat artikel 2 niet in strijd is met verordening nr. 1539/71. Deze vraag, die overigens slechts behoeft te worden besproken uitgaande van de interpretatie van de verordening, lijkt niets nieuws toe te voegen aan de eerste twee vragen.
Voor de beantwoording hiervan dienen we met name twee soorten problemen te onderzoeken; onze conclusie valt dienovereenkomstig in twee delen uiteen:
a)
in de eerste plaats de vraag wat de betekenis is van het bewijs overeenkomstig de bepalingen van de Franse wettelijke regeling, met name met betrekking tot de mogelijkheid van tegenbewijs dat de schijnbaar positieve aanwijzingen voor een verhoogd alcoholgehalte kan ontzenuwen;
b)
het tweede punt betreft de toepasselijkheid in casu van de in de Franse wettelijke regeling voorgeschreven analysemethode, wanneer de communautaire regeling juist op het gebied van de controle nog onvolledig lijkt te zijn.
4.
Uit 's Hofs rechtspraak blijkt duidelijk dat de ontwikkeling van de communautaire wetgeving ter verwezenlijking van een gemeenschappelijk beleid, zoals met name het geval is in de landbouwsector, gepaard gaat met een geleidelijke beperking van de nationale bevoegdheden op dat gebied, namelijk in zoverre
a)
nationale bepalingen betreffende een sector waarvoor op een gegeven moment een gemeenschapsverordening wordt vastgesteld, automatisch hun gelding verliezen, zodra de gemeenschapsregeling die hun plaats kan innemen, in werking treedt;
b)
de Staten blijven beschikken over een ondergeschikte restbevoegdheid voor de gebieden die niet onder de gemeenschapsregeling vallen, en wanneer de vaststelling of handhaving van nationale bepalingen op die gebieden noodzakelijk is voor een juiste toepassing van de gemeenschapsregeling of althans hiermede verenigbaar;
c)
van toepassing eveneens zijn uitgesloten nationale normen die weliswaar niet automatisch voor communautaire bepalingen moeten wijken, maar die zo kunnen worden toegepast, dat zij de goede werking van de gemeenschappelijke marktordening en de beginselen waarop deze berust, frustreren.
Titel IV van verordening nr. 816 bevat voorschriften betreffende sommige oenologische procédés en het in de handel brengen van wijn. In de artikelen 18 en volgende zijn de grenzen waarbinnen het natuurlijke alcoholgehalte van verse druiven, druivemost en wijn mag worden verhoogd, nauwkeurig omschreven, en hetzelfde geldt voor de voorwaarden waaronder dit mag gebeuren, alsmede de daarbij toe te passen methoden. De toevoeging van saccharose of geconcentreerde druivemost is zorgvuldig geregeld en uitsluitend toegestaan bij wijn uit bepaalde streken en van het aangegeven type, terwijl verhoging van het alcoholgehalte door toevoeging van alcohol is verboden, behalve voor twee in artikel 25 met name genoemde produkten.
Het toezicht op de naleving van deze voorschriften is althans voorlopig uitdrukkelijk opgedragen aan de Lid-Staten, in de eerste plaats bij artikel 9 van verordening nr. 1594/70 van de Commissie betreffende de aanmelding en de uitvoering van en de controle op de verrijking van wijn; dit artikel bepaalt dat, tot de vaststelling van communautaire bepalingen terzake, de Lid-Staten alle dienstige maatregelen treffen om inachtneming van de voorschriften betreffende de verrijking, de aanzuring en de ontzuring te waarborgen. Voorts bepaalt artikel 39 bis van verordening nr. 816/70, vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 2680/72 van de Raad, in het algemeen dat „de Lid-Staten de nodige maatregelen nemen om deze verordening te doen naleven.”
Verder schrijft lid 2 van dit artikel 39 bis de vaststelling voor van gemeenschappelijke maatregelen welke nodig zijn voor een uniforme toepassing van de bepalingen van verordening nr. 816/70, met name de bepalingen inzake controle.
Uit deze bepalingen blijkt dat, ofschoon sommige van de bij verordening nr. 816 voorgeschreven maatregelen dus ook een rol kunnen spelen op het gebied van de controle, de communautaire wetgever de gemeenschapsregeling allesbehalve volledig achtte.
5.
Wij moeten er evenwel van uitgaan dat de Lid-Staten hun eigen controlemethoden, waarmee overtredingen van de gemeenschapsvoorschriften betreffende de wijnmarkt kunnen worden voorkomen of opgespoord, nog steeds mogen toepassen. Met name is er geen enkele communautaire bepaling die de toepassing van een op de verhouding alcoholdroge stof gebaseerd rechtsvermoeden van verhoging van het natuurlijke alcoholgehalte in beginsel verbiedt.
Dit rechtsvermoeden is evenwel slechts toelaatbaar wanneer het niet leidt tot discriminatie tussen de produkten van de verschillende Lid-Staten, wanneer het voorts alleen wordt toegepast om te controleren of de produkten voldoen aan de materiële gemeenschapsvoorschriften en er geen gevaar bestaat dat die voorschriften daardoor een wezenlijk andere inhoud krijgen, bijvoorbeeld doordat de belanghebbenden onvoldoende gelegenheid wordt geboden tegenbewijs te leveren wanneer de uitkomsten van het onderzoek niet met de werkelijkheid overeenstemmen.
Blijkens de ter zitting aangehaalde deskundigenrapporten en bepaalde uitlatingen van de Franse autoriteiten zelf is bij toepassing van de betrokken controlemethode niet altijd een juiste uitkomst gewaarborgd; afhankelijk namelijk van het gebied, het jaar, de in de wijngaard gebruikte bestrijdingsmiddelen, de bereidingswijze en andere bijzonderheden van de wijn kunnen de analyses op een verhoging van het alcoholgehalte duiden zonder dat daarvan in werkelijkheid sprake is. Het is daarom van belang dat er werkelijk tegenbewijs kan worden geleverd en dat daarbij niet wordt gediscrimineerd — feitelijk noch rechtens — tussen produkten uit de verschillende wijnbouwzones van de Gemeenschap.
Wanneer het immers uitzonderlijk moeilijk zou zijn om bij wijn die aan de communautaire voorschriften voldoet, het rechtsvermoeden van verhoging van het alcoholgehalte te weerleggen, zou het nationale, tegen fraude gerichte controlevoorschrift zich de facto kunnen ontwikkelen tot een norm die de omschrijving van het produkt in bijlage II bij verordening nr. 816/70 van de Raad met nieuwe materiële voorschriften uitbreidt.
Maar dit alles wordt geaccepteerd en toegepast op een wijze die ten volle rekening houdt met de concrete eisen van een actieve markt en de noodzaak van doelmatige controle.
De importeur van wijn uit een andere Lid-Staat zal het rechtsvermoeden in het algemeen moeilijker kunnen weerleggen dan de Franse producent of zelfs de handelaar in binnenlandse wijn. Zo gezien bevinden handelaars in buitenlandse wijn zich dus in een objectief ongunstiger positie. Bovendien zij opgemerkt dat de administratie stellig een tamelijk grote vrijheid heeft bij de beoordeling van het aangeboden tegenbewijs. In zijn arrest in de zaak 39-70 (Fleiscbkontor, Jurispr. 1971, blz. 58) overwoog het Hof dat een te ruime discretionaire bevoegdheid van de administratie bij het vaststellen van maatregelen om gemeenschapsvoorschriften te doen naleven, kan leiden tot misbruik en discriminatie uit hoofde van nationaliteit en om die reden onverenigbaar is met het communautaire stelsel. Dit beginsel, ontwikkeld in verband met nationale bepalingen die, gezien het stelsel van bewijslevering dat door de in die zaak toepasselijke gemeenschapsvoorschriften was voorzien, niet noodzakelijk leken voor het functioneren van de gemeenschappelijke marktordening, geldt stellig niet rechtstreeks en als het ware automatisch voor nationale bepalingen inzake fraudebestrijding in de wijnsector, die bij gebreke van een sluitende communautaire controleregeling wel noodzakelijk zijn. Niettemin verlangt deze rechtspraak dat de nationale instanties bijzonder behoedzaam gebruik maken van hun appreciatievrijheid wanneer zij bevoegdheden uitoefenen die, ofschoon formeel niet betrekking hebbend op het verkeer van het produkt maar uitsluitend op het in de handel brengen ervan, wezenlijke invloed hebben op het vrije goederenverkeer tussen de Lid-Staten.
Vanwege de ernstige en specifieke bewijsmoeilijkheden waarvoor importeurs van wijn uit andere Lid-Staten kunnen worden gesteld, kan een situatie ontstaan die onverenigbaar is met het communautaire stelsel, niet slechts omdat eventueel de materiële voorschriften van verordening nr. 816/70 daardoor de facto worden gewijzigd, maar ook omdat zowel het algemene verbod van discriminatie uit hoofde van nationaliteit (of, wat hetzelfde is, de oorsprong van het produkt) als het verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen wordt geschonden.
Zo is bijvoorbeeld tijdens de behandeling van deze zaak gebleken dat de Franse autoriteiten met het oog op de bijzondere weersituatie van het seizoen 1973 bij circulaire van 25 maart 1974 de in artikel 8 van de Code du Vin genoemde verhoudingen voor Beaujolais- en Mâconwijnen hebben gewijzigd.
Het is onwaarschijnlijk dat een nationale overheid over de noodzakelijke informaties beschikt om even prompt op dezelfde wijze te reageren ten behoeve van buitenlandse wijn wanneer overeenkomstige omstandigheden zich in andere landen zouden voordoen, of, meer in het algemeen, wanneer bijzondere omstandigheden, zoals weersinvloeden, bijzonderheden van verbouw of bewerking, de uitkomsten van de litigieuze methode bijzonder weinig betrouwbaar zouden maken.
De kans op vergissingen, die nu eenmaal inherent is aan een stelsel dat met een rechtsvermoeden werkt, kan om technische redenen bij buitenlandse produkten groter zijn dan bij binnenlandse, aangezien de verhouding alcohol-droge stof en het daarop gebaseerde rechtsvermoeden juist op de kenmerken van deze laatste zijn afgestemd. Het grondbeginsel van gelijke behandeling van handelaren en produkten vereist daarom dat die gelijkheid in de grond ook wordt gerespecteerd met betrekking tot de last die de toepassing van het controlestelsel mogelijkerwijs medebrengt voor de handelaren die zich wel aan de voorschriften houden.
Indien dus zou blijken — doch dit dient de nationale rechter uit te maken — dat het rechtsvermoeden, ondanks alle mogelijkheid voor het leveren van tegenbewijs, in het algemeen of zelfs maar in een bijzonder geval leidt tot een overmatige belasting van zekere groepen van de betrokken produkten — indien deze dus ernstig benadeeld dreigen te worden vergeleken met andere, concurrerende, produkten — , dan zou er sprake zijn van een situatie die onverenigbaar is met de communautaire regeling van de sector, en zou die controlemethode, althans in het individuele geval, buiten toepassing moeten blijven.
Wanneer het evenwel gaat om een optreden van de administratie, dat alleen in zijn geheel bezien betekenis krijgt en als zodanig veelal aan het rechtstreekse rechterlijke toezicht ontsnapt — bijvoorbeeld een beperking van het vrije verkeer door een overijverige toepassing van de controlemiddelen op wijn uit andere Staten teneinde de invoer ervan af te remmen — , zou het voor alles de taak van de Commissie zijn om na een globale beoordeling van dat optreden de nodige maatregelen te nemen ter beëindiging van het misbruik.
6.
Binnen bepaalde grenzen en op bepaalde voorwaarden staat het de Lid-Staten dus stellig vrij bij gebreke van een sluitende communautaire regeling voor de fraudebestrijding een rechtsvermoeden als hier in geding toe te passen. Blijft nog de vraag of de nationale instanties van afwijkende methoden gebruik mogen maken wanneer er uitdrukkelijk communautaire analysemethoden zijn voorgeschreven voor het vaststellen van bepaalde bestanddelen of kenmerken van wijn. Dit is de tweede vraag van het Hof van Bordeaux.
Om ze te kunnen beantwoorden dienen wij in de eerste plaats na te gaan welke draagwijdte in beginsel moet worden toegekend aan de communautaire omschrijving van de analysemethoden voor wijn, zoals vervat in verordening nr. 1539/70 van de Commissie.
We hebben gezien dat verordening nr. 816 handelt over de procédés ter verhoging van het alcoholgehalte van wijn door toevoeging van saccharose of most of door concentratie. Deze procédés zijn toegestaan binnen zekere grenzen, onder bepaalde voorwaarden en bij wijn uit bepaalde streken, maar verhoging van het alcoholgehalte door toevoeging van alcohol is in beginsel verboden. Bijlage II van de verordening bevat sub 10 een omschrijving van het begrip tafelwijn, waarin het minimum en maximum alcoholgehalte wordt aangegeven en voor de mogelijkheid van verhoging van het natuurlijke alcoholgehalte naar artikel 19 wordt verwezen.
Het staat buiten twijfel dat de maatregelen van de nationale overheid tot vaststelling van een eventueel verhoogd alcoholgehalte een toepassing zijn van verordening nr. 816. Het gaat dus om een uitvoerende handeling in ruime zin.
De reeds genoemde artikelen 39 bis van verordening nr. 816/70 en 9 van verordening nr. 1594/70, waarbij de Lid-Staten wordt opgedragen de nodige maatregelen te nemen om de gemeenschapsregelingen betreffende de wijnmarkt te doen naleven, hebben immers betrekking op deze ondergeschikte uitvoerende en controlerende taak die als zodanig in overeenstemming met de betrokken gemeenschapsvoorschriften moet worden verricht.
Artikel 39 van dezelfde verordening bepaalt dat de bijzonderheden die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van het bepaalde in de bijlagen I en II, met name de analysemethoden, worden vastgesteld volgens de zogenaamde „beheerscomité”-procedure van artikel 7 van verordening nr. 24 van de Raad van 4 april 1962. In overeenstemming met deze bepaling heeft de Commissie in de bijlage van verordening nr. 1539/71 „de analysemethoden voor de toepassing van de verordeningen (EEG) nrs. 816/70 en 817/70” aangewezen.
Terwijl verordening nr. 817/70 van de Raad, blijkens artikel 11, lid 1, sub a, en de bijlage, voorschrijft dat voor het onderzoek met betrekking tot de minimum waarden van de voor v.q.p.r.d. kenmerkende factoren het gehalte aan droge stof door densimetrie moet worden vastgesteld, bepaalt artikel 1 van de latere verordening nr. 1539/71 van de Commissie dat de in bijlage aangewezen analysemethoden algemeen gelden bij de toepassing van de verordeningen nrs. 816 en 817/70.
Zoals wij reeds zagen, moet ingevolge punt 3 van deze bijlage het totale gehalte aan droge stof worden bepaald door densimetrie en indirect berekend op basis van de dichtheid van het residu zonder alcohol.
Uit de considerans van de verordening blijkt dat de Commissie met de keuze van de voorgeschreven analysemethoden uit was op een doelmatige controle van de betrokken produkten in verband met het in de handel brengen ervan en de noodzaak de naleving van de gemeenschapsbepalingen betreffende de oenologische procédés te waarborgen. In dezelfde verordening heet het voorts dat het „met het oog op de uniforme toepassing van die controle en voor het toezicht op de gegevens welke voorkomen op de documenten betreffende de betrokken produkten, noodzakelijk is algemeen geldende analysemethoden in te stellen waardoor het verkrijgen van nauwkeurige en vergelijkbare gegevens wordt gegarandeerd; dat de genoemde methoden derhalve verplicht moeten zijn voor elke handelstransactie en elke controleverrich” ting.
De Franse Regering stelt echter dat die methoden thans alleen verplicht zijn bij de controle van de wezenlijke hoedanigheden van wijn, maar niet van toepassing zijn bij de controle van de bereidingswijzen.
Indien verhoging van het alcoholgehalte buiten de uitdrukkelijk door de betrokken gemeenschapsregeling genoemde gevallen verboden is, mag stellig worden verlangd dat de Staten bij de uitoefening van de hun opgedragen controlewerkzaamheden zo veel mogelijk uniforme criteria toepassen, teneinde een gelijke behandeling van de handelaars in de Gemeenschap te waarborgen.
Gelet op hetgeen de Commissie ter motivering van de verordening aanvoert, kan men in beginsel bezwaarlijk ontkennen dat de Lid-Staten verplicht zijn bij de opsporing van gevallen waarin het alcoholgehalte in strijd met verordening nr. 816/70 is verhoogd, de communautaire analysemethoden toe te passen.
7.
Het argument van de Franse Regering, dat de Commissie de densimetrische methode heeft aangewezen op grond van de praktijk en de regels van het Internationaal Wijnbureau, dat zich evenwel in het verleden uitsluitend zou hebben beziggehouden met de kwaliteitsbepaling van wijn, doch nooit met methoden voor fraudebestrijding, kan niet met vrucht worden aangevoerd tegen de toepasselijkheid van deze methode bij de controle van het alcoholgehalte.
Als dit voldoende grond zou zijn om de Staten de vrije hand te geven zich in het kader van controlemaatregelen te bedienen van de analysemethode droge stof die hun het meest aanstaat, moet men hun dezelfde keuzevrijheid laten ten aanzien van andere in het gemeenschapsrecht omschreven analysemethoden ter bepaling van andere bestanddelen, inclusief die ter bepaling van het alcoholgehalte. Of daarvoor wellicht even uiteenlopende methoden bestaan als voor de bepaling van het gehalte aan droge stof, is ons niet bekend, doch het lijkt ons in beginsel weinig in overeenstemming met de eisen van uniformiteit en duidelijkheid, die gesteld moeten worden aan nationale uitvoerende maatregelen tot handhaving van gemeenschapsvoorschriften, teneinde een juiste werking van de gemeenschappelijke marktordening te waarborgen en mogelijk misbruik en discriminatie tussen handelaren en produkten uit de verschillende gebieden van de Gemeenschap te voorkomen.
Als de communautaire methode droge stof op zich geschikt is voor het doel waarvoor een nationale wettelijke regeling een andere methode voorschrijft, dan zie ik geen enkele reden waarom men aan eerstgenoemde niet de voorkeur zou geven.
De andere controlemethoden die de Staten in aanvulling op de door ons reeds vermelde communautaire methoden kunnen invoeren, moeten immers beantwoorden aan de eisen van de communautaire regeling, met name het gebruik van communautaire analysemethoden; ook bij het bepalen van de bestanddelen waarvan bij het rechtsvermoeden van fraude wordt uitgegaan, zal men dus gebruik moeten maken van deze communautaire analysemethoden, zelfs indien dit aanpassing van nationale voorschriften en technieken noodzakelijk zou maken.
Als het nu reeds technisch mogelijk zou zijn het gehalte aan droge stof — zoals dit wordt toegepast om het alcoholgehalte van een wijn te controleren — door densimetrie te bepalen, dan had dus de door de nationale instanties toegepaste analysemethode droge stof al door de communautaire methode vervangen moeten zijn.
Aangezien de aldus verkregen nieuwe verhouding alcohol-droge stof in de gemeenschapsregeling niet is omschreven, zou dit weliswaar een onvolledige harmonisatie zijn die het gevaar in zich bergt dat, wanneer meer Staten een rechtsvermoeden op basis van de verhouding alcohol-droge stof zouden gaan toepassen, elk zijn eigen criterium daarvoor zou vaststellen. Het komt er dan echter enkel op aan één element van de bewerking te harmoniseren; de moeilijkheden zouden veel groter zijn als elke Staat de hemzelf meest geschikt lijkende analysemethode droge stof zou kunnen kiezen. Dit zou leiden tot de toepassing van tal van uiteenlopende procédés, hetgeen duidelijk in strijd zou zijn met de juiste werking van de gemeenschappelijke wijnmarkt.
Een meer omvattende oenologische regeling is vervat in de ontwerp-verordening die de Commissie op 11 mei 1973 aan de Raad heeft aangeboden; deze heeft evenwel betrekking op bewerkingen die niet een verhoging van het natuurlijke alcoholgehalte van wijn ten doel hebben. Het lijkt daarom niet waarschijnlijk dat zij elementen bevat die van belang zijn op het gebied van de verboden praktijken in verband waarmee in Frankrijk het litigieuze rechtsvermoeden wordt toegepast.
Als argument voor het ontbreken van enige verplichting om de Franse methode te vervangen door de communautaire, is voorts aangevoerd dat de laatste is voorgeschreven voor de bepaling van het totaal gehalte aan droge stof, terwijl bij het bedoelde rechtsvermoeden wordt uitgegaan van het gereduceerde droog extract; dat als gevolg van de vervluchtiging van bepaalde bestanddelen de analysemethode verdamping bij 100o zelf reeds een gedeeltelijk gereduceerd droog extract oplevert; en dat de twee methoden dus niet uitwisselbaar zijn.
De Commissie heeft er evenwel op gewezen dat voor de bepaling van het gehalte aan droge stof in de zin van de Franse wettelijke regeling in beide gevallen een zuiver mathematische aftrekking moet worden toegepast op de uitkomst van de analyse.
Ook dit laatste argument verzet zich er ons inziens dus geenszins tegen, dat bij de toepassing van het Franse controlestelsel gebruik wordt gemaakt van de communautaire analysemethode.
8.
De Franse Regering schijnt evenwel in beginsel ermee in te stemmen, dat zij zich ook met betrekking tot de toepassing van artikel 8 van de Code du Vin dient aan te passen bij de communautaire analysemethode. Zij merkt overigens op dat, zolang de deskundigen geen coëfficiënt op basis van de densimetrische methode hebben berekend, moet worden voortgegaan met het nationale stelsel van fraudebestrijding en dat dit thans alleen mogelijk is met behulp van de methode bij 100o, die in Frankrijk al jarenlang is beproefd en toegepast.
Bij gebreke van betrouwbare formules voor de omzetting van de met de verschillende methoden verkregen waarden van de droge stof, is het niet mogelijk de uitkomst van de communautaire methode door middel van een coëfficiënt eenvoudig te transponeren om zo het rechtsvermoeden van artikel 8 van de Code du Vin te kunnen toepassen. Vervanging van de Franse methode door de communautaire, zonder daarbij de aanwending van het rechtsvermoeden van verhoging van het alcoholgehalte op grond van de verhouding alcohol-droge stof onmogelijk te maken, vereist dus de vaststelling van een nieuwe verhouding tussen het alcoholgehalte en het met de densimetrische methode gevonden gehalte aan droge stof. Alleen zo kan immers een eventueel onrechtmatige verhoging van het alcoholgehalte worden opgespoord.
Met het aanwijzen van een uniforme analysemethode droge stof heeft de gemeenschapswetgever het de nationale instanties, die met het toezicht op de naleving van de gemeenschapsvoorschriften zijn belast, stellig niet moeilijker willen maken bij het tegengaan van overtredingen.
Zou het niet mogelijk zijn om in plaats van de thans toegepaste verhouding op basis van het droog extract gevonden door verdamping bij 100o, onmiddellijk een nieuwe verhouding op te stellen tussen het alcoholgehalte en het gehalte aan droge stof zoals gevonden met de communautaire methode, dan zou de toepassing van laatstgenoemde methode ertoe leiden dat de fraudebestrijding krachtens artikel 8 van de Franse Code du Vin haar efficiëntie verliest. Dit zou in strijd zijn met de betrokken gemeenschapsregeling, die zoals gezegd de Staten verplicht controlemaatregelen te nemen ter handhaving van de communautaire bepalingen voor deze sector.
De Commissie is kennelijk van mening dat het niet zo moeilijk is een nieuwe coëfficiënt te berekenen die zowel aan de communautaire methode als aan het interne Franse rechtsvermoeden is aangepast. Als dit inderdaad het geval is, dient de Commissie erop toe te zien dat eventueel misbruik of vertraging bij de vaststelling van de nieuwe verhouding wordt vermeden. Maar zolang deze verhouding niet is berekend en in de praktijk beproefd, en een sluitend communautair systeem voor fraudebestrijding ontbreekt, lijkt het met het oogmerk en de doelmatigheid van de gemeenschapsregeling niet in overeenstemming intussen een bres in een nationaal stelsel te slaan.
Maar ofschoon het gemeenschapsrecht voorrang moet hebben, verliest de nationale wettelijke regeling haar toepasselijkheid slechts ingeval er een communautaire regeling bestaat. En ook in dit geval blijft de verhouding tussen de twee er een van assimilatie, zij het met inachtneming van het overwicht van het gemeenschapsrecht. In de rechtshistorie vinden we een voorbeeld van deze regel, al luidde die toen in omgekeerde zin. In de periode namelijk waarin de eenheid van het antieke recht verloren ging, leerden de toenmalige rechtsscholen dat Ubi cessat statutum locum habet ius civile. Thans kunnen wij zeggen dat waar het gemeenschapsrecht verstek laat gaan, het nationale recht van kracht blijft.
Wij concluderen mitsdien dat de vragen van de Franse rechter aldus worden beantwoord, dat de communautaire analysemethode in beginsel ook bij de fraudebestrijding moet worden toegepast, met dien verstande evenwél dat, wanneer de onmiddellijke toepassing ervan de doelmatigheid van een bepaald nationaal stelsel ter handhaving van de communautaire bepalingen in gevaar zou brengen wegens het ontbreken van een sluitende gemeenschapsregeling op dit punt, het voorschrift van verordening nr. 1539/71 van de Commissie aldus moet worden uitgelegd, dat de vervanging van de nationale analysemethode door de communautaire wordt uitgesteld zolang de noodzakelijke technische aanpassing van het nationale controlestelsel niet heeft kunnen plaatsvinden.
En ofschoon de nationale instanties bij de bestrijding van frauduleuze verhogingen van het alcoholgehalte van wijn een rechtsvermoeden moeten kunnen toepassen, dat deze toepassing onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht wanneer toereikende mogelijkheden voor het leveren van tegenbewijs ontbreken, of wanneer bepaalde categorieën handelaren of produkten uit de Gemeenschap daardoor in een bijzonder ongunstige positie worden gebracht, met name indien dit verband zou houden met hun plaats van herkomst.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy