CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 18 SEPTEMBER 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Op 30 juni 1972 stelde de Raad verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 1473/72 vast tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren. Hierbij werden onder meer in Bijlage I twee nieuwe standaardfuncties in categorie B ingevoerd, namelijk die van „secretariaatsassistent”, in de loopbaan B 3 - B 2 en „adjunct-secretariaatsassistent” in de loopbaan B 5 - B 4. Aan de Bijlage werd een voetnoot toegevoegd waarin wordt bepaald dat het aantal ambten dat met elk van deze standaardfuncties overeenkomt, specifiek en limitatief moet worden vastgesteld in de aan de begroting gehechte lijst van het aantal ambten.
De wijzigingen waren aangekondigd door de heer Coppé, het destijds voor personeelszaken verantwoordelijke Commissielid, in een personeelsmededeling van 6 juni 1972 (Bijlage V bij het verweerschrift). Hierin verklaarde de heer Coppé dat de wijzigingen het mogelijk zouden maken onder bepaalde voorwaarden de loopbanen van secretaresses (tot dusver beperkt tot categorie C) door te trekken in categorie B. Hij zei dat dit was gerechtvaardigd door het feit dat de secretariaatswerkzaamheden aanzienlijk waren geëvolueerd en voegde eraan toe dat bovengenoemde voetnoot zou worden opgenomen om eventueel misbruik te voorkomen.
Spoedig daarop legde de Commissie aan de Raad haar voorontwerp van begroting over 1973 voor, waarin zij verzocht om de omzetting van 80 C 1-posten in B 3 - B 2-posten en van 80 C 2 en C 3-posten in B 5 - B 4-posten. In haar motivering van dit verzoek (Bijlage I bij het verweerschrift) zei de Commissie dat het ten doel had rekening te houden met de instelling van de nieuwe standaardfuncties „secretariaatsassistent” en „adjunct-secretariaatsassistent”. De Commissie verklaarde dat zij ongeveer 1500 secretaresses in dienst had en dat zij van mening was dat rond 10 % van hen secretariaatswerkzaamheden van B-niveau verrichtte.
De Raad schijnt het verzoek van de Commissie slechts voor de helft te hebben ingewilligd, want op 16 april 1973 verscheen in de Personeelskoerier een mededeling aan het personeel waarin een intern vergelijkend onderzoek (COM/BS/9/73) voor 40 ambten van secretariaatsassistent en 40 ambten van adjunct-secretariaatsassistent werd aangekondigd. (Bijlage 2 verweerschrift). Bij deze mededeling was de officiële aankondiging van vergelijkend onderzoek gevoegd, welke op 4 april 1973 door de directeur-generaal personeelszaken en algemeen beheer — in zijn kwaliteit van tot aanstelling bevoegd gezag — was vastgesteld, blijkbaar na overleg niet alleen met de paritaire commissie maar ook met vertegenwoordigers van de beroeps- en vakorganisaties.
De aankondiging van vergelijkend onderzoek stelde als voorwaarde voor deelneming aan het onderzoek onder meer dat een sollicitant tenminste negen jaar ervaring op het gebied van secretariaatswerkzaamheden, dan wel tenminste zes jaar ervaring en een diploma middelbare school moest bezitten; tevens moest men in totaal tenminste vijf jaar in de hoedanigheid van ambtenaar of ander personeelslid bij de Gemeenschappen werkzaam zijn.
Het vergelijkend onderzoek zou worden gehouden op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en een examen. Het bestond uit verplichte en facultatieve gedeelten. Het verplichte examen omvatte een schriftelijk gedeelte, praktijk- en mondelinge gedeelten. Om tot het mondelinge examen te worden toegelaten moesten de sollicitanten voor het schriftelijk gedeelte ten minste 10 van de 20 punten en voor het praktijkgedeelte tenminste 15 van de 30 punten hebben behaald.
Zij die voor de verplichte gedeelten ten minste 50 van de 100 punten hadden behaald, ontvingen een half punt extra voor elke volle periode van 6 maanden diensttijd als secretaresse bij de Gemeenschappen boven de vereiste 5 jaar en voor elke volle periode van 12 maanden beroepservaring die vóór de indiensttreding bij een instelling van de Gemeenschappen op het gebied van secretariaatswerkzaamheden was opgedaan.
De 40 sollicitanten met het grootste aantal punten in het vergelijkend onderzoek zouden als secretariaatsassistent in de rang B 3 worden aangesteld, op voorwaarde dat zij voor de verplichte gedeelten tenminste 70 punten hadden behaald. De 40 daaropvolgende sollicitanten zouden als adjunct-secretariaatsassistent in de rang B 5 worden aangesteld, voor zover zij voor de verplichte gedeelten tenminste 60 punten hadden behaald. De volgende sollicitanten, met tenminste 60 punten in de verplichte gedeelten, zouden worden geplaatst op een reservelijst voor ambten van adjunct-secretariaatsassistent die vóór 31 december 1973 vacant werden.
Verzoekster in het onderhavige geding heeft aan het vergelijkend onderzoek deelgenomen. Zij is een ervaren secretaresse. Geboren in 1928, trad zij in 1955 bij de Hoge Autoriteit van de EGKS in dienst, na meer dan 10 jaar ervaring als hulpsecretaresse en directiesecretaresse in het bedrijfsleven. Bij de Hoge Autoriteit werkte zij eerst in de typingpool en vervolgens als secretaresse bij de juridische dienst. Sinds 1 januari 1960 is zij secretaresse bij de juridische dienst van de Commissie. Bijna 10 jaar was zij secretaresse van de toenmalige directeur-generaal van de dienst; zij bleef dit totdat deze de dienst verliet. Sedert 1 januari 1970 valt zij onder salaristrap 8 in de rang C 1, dat wil zeggen de hoogste salaristrap in categorie C.
Bij brieven van 5 en 13 december 1973, ondertekend door het hoofd van de afdeling aanwerving, aanstelling en bevorderingen van het directoraat-generaal personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie (bijlagen 5 en 6 bij het verweerschrift) werd verzoekster meegedeeld dat zij niet tot het mondelinge examen was toegelaten, daar haar punten in de schriftelijke en praktijkgedeelten respectievelijk 8,3 op 20 en 16,5 op 30 waren. U ziet, dat haar punten voor het praktijkgedeelte wel, maar voor het schriftelijk gedeelte niet voldoende waren.
Ik behoef niet in detail te treden over verzoeksters latere klacht ingevolge artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren. Deze is hier niet van belang. Het zij voldoende te zeggen dat de klacht werd afgewezen.
In het onderhavige geding tegen de Commissie vordert verzoekster in hoofdzaak nietigverklaring van de gehele procedure van het vergelijkend onderzoek en de daarop gevolgde benoemingen.
Zij voert hiertoe niet minder dan zes middelen aan. Reeds thans zij gezegd dat ik geen der middelen gegrond acht.
Als eerste middel voert zij schending van artikel 4, tweede alinea, van het Statuut aan, doordien geen aankondiging van vacature had plaatsgehad.
De eerste twee alinea's van dit artikel luiden als volgt:
„Aanstelling of bevordering kan er slechts toe strekken in een vacature te voorzien overeenkomstig de bepalingen van dit statuut.
Iedere vacature bij een instelling wordt ter kennis van het personeel dezer instelling gebracht, zodra het tot aanstelling bevoegde gezag besloten heeft dat in deze vacature moet worden voorzien.”
Het voornaamste argument van de Commissie op dit punt was dat er hier in feite geen „vacatures” waren: het ging om de omzetting van bestaande ambten. Artikel 4 was dus niet van toepassing. In zijn antwoord op een ter terechtzitting door mij gestelde vraag, gaf de vertegenwoordiger van de Commissie toe dat met deze opmerking eigenlijk werd gezegd dat de situatie „extra-statutair” was. Daar geen aankondiging van vacature had plaatsgehad, moest hij zulks mijns inziens wel toegeven, want artikel 4 stelde hem voor een duidelijk dilemma. Krachtens de eerste alinea van dit artikel kan geen benoeming plaatsvinden tenzij in een vacature moet worden voorzien. Maar ingevolge de tweede alinea mag niet in een vacature bij een instelling worden voorzien, tenzij de vacature ter kennis van het personeel van die instelling is gebracht.
Persoonlijk voel ik wel iets voor de aan de opmerking van de Commissie inherente opvatting, dat op het gebied dat eigenlijk onder het Statuut valt, extrastatutaire situaties kunnen rijzen. Dat het Statuut in vele opzichten onvolmaakt is, is immers een bekend, zo niet berucht feit. Ik acht het evenwel niet nodig in de onderhavige zaak hierover een afgerond oordeel te geven.
Feit is dat de betrokken ambten „ter kennis van het personeel van de Commissie werden gebracht”, en wel in de Mededeling aan het personeel in de Personeelskoerier van 16 april 1973 waarnaar ik heb verwezen. Het is volgens het Statuut niet vereist, dat een vacature door een document met het opschrift „aankondiging van vacature” ter kennis van het personeel van een instelling wordt gebracht. Artikel 4 bepaalt alleen dat de vacature „ter kennis van het personeel” moet worden gebracht. In casu bevatte de Mededeling — die ik U niet volledig heb voorgelezen maar die, zoals gezegd, tot de bewijsstukken behoort — alle gegevens over de betrokken vacatures die een personeelslid van de Commissie eventueel nodig had.
Het enige punt van kritiek kan daarom zijn dat de bekendmaking aan het personeel gelijk viel met de aankondiging van vergelijkend onderzoek. De Commissie merkte op dat een dergelijke gelijktijdige bekendmaking vaker voorkwam en dat geen Statuutsbepaling zich hiertegen verzet. Ik ben er niet zeker van of dit juist is. Artikel 29, lid 1, van het Statuut bepaalt onder meer: „ten einde te voorzien in vacatures bij een instelling, onderzoekt het tot aanstelling bevoegde gezag.
a)
de mogelijkheden tot bevordering en tot overplaatsing binnen de instelling;
b)
de mogelijkheden tot het organiseren van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling.”
Het is volgens mij veeleer zo, dat deze stadia achtereenvolgens moeten worden doorlopen, zodat het tot aanstelling bevoegde gezag geen vergelijkend onderzoek mag houden voordat het is nagegaan of er mogelijkheden zijn tot bevordering en tot overplaatsing binnen de instelling — zie de vijfde overweging van Uw arrest in zaak 176-73, Van Belle/Raad (Jurispr. 1974, blz. 1370). Men zou voorts kunnen zeggen dat het het doel, of althans een doel, van de bekendmaking van een vacature aan het personeel is dat degenen die voor bevordering of overplaatsing in aanmerking komen, gaan solliciteren — zie zaak 15-63, Lassalle/Parlement (Jurispr. 1964, blz. 73) waar het verband tussen de aankondiging van vacature en de bevorderingsprocedure wordt genoemd. Kondigt men een vacature tegelijk met een vergelijkend onderzoek aan, dan wordt deze opzet uiteraard verijdeld.
Over een ding kan echter geen twijfel bestaan. Daar verzoekster ambtenares in de categorie C was, kon zij slechts op grond van een vergelijkend onderzoek worden aangesteld in een ambt van categorie B — zie artikel 45, lid 2, Statuut. Gesteld dus, dat de Commissie in casu onrechtmatig handelde door de vacatures tegelijkertijd met de aankondiging van vergelijkend onderzoek bekend te maken, dan kon zulks verzoekster in genen dele benadelen of treffen.
Toen ik ter terechtzitting de vertegenwoordiger van verzoekster dit punt voorlegde, merkte hij, indien ik hem juist heb begrepen, op, dat er een algemene regel is dat iemand die belang heeft bij de vernietiging van een administratief besluit, bij de betwisting daarvan gerechtigd is zich te beroepen op elke onregelmatigheid in de procedure die tot dit besluit heeft geleid, zelfs een onregelmatigheid die hem niet treft. Een dergelijke regel schijnt te bestaan in het Franse recht en in de daaraan ontleende stelsels, namelijk het Belgische, Italiaanse en waarschijnlijk het Luxemburgse recht.
Maar in het recht van een der andere Lid-Staten is er niet zo een regel.
Zo is in het Engelse en Schotse recht en, naar ik meen, ook in het Ierse recht de regel integendeel dat iemand die de geldigheid van een administratief besluit betwist hierbij geen onregelmatigheid in de voorafgaande procedure kan aanvoeren tenzij hij tenminste de mogelijkheid kan aantonen dat zij zonder de onregelmatigheid in een betere positie zou hebben verkeerd (zie bijvoorbeeld het oordeel van Lord Wilberforce in Malloch/Aberdeen Corporation, 1971, 1 W.L.R., blz. 1595). De oorsprong van de regel, althans in het Engelse recht, is gelegen in het feit dat de in het Engelse administratieve recht beschikbare vormen van rechtsbescherming („prerogative orders of certiorari, mandamus and prohibition; the equitable remedies of injunction and declaration”) een discretionair karakter hebben en de rechterlijke instanties menen dat de discretionaire bevoegdheid niet moet worden uitgeoefend ten gunste van iemand die geen onrecht heeft ondergaan — zie bijvoorbeeld de beslissing in de zaak Glynn/Keele University 1971, 1, W.L.R., blz. 496-497.
De Deense, Nederlandse en Duitse rechters lijken een soortgelijk standpunt in te nemen — zie Østre Landsret in Restaurator A. M. Johansen/Inspektøratet for Ø1 og Spiritusbeskatningen (U 1952, 199); Centrale Raad van Beroep, 6 januari 1956 (AB 1957, blz. 96, onder meer genoemd in Nederlands Bestuursrecht, 1973, door van Poelje en anderen, blz. 277) en de uitspraken van het Bundesverwaltungsgericht van 29 maart 1966 (Entscheidungen, Band 24, blz. 23) en van 10 april 1968 (Entscheidungen, Band 29, blz. 282), genoemd in Wolff, Bachof, Verwaltungsgericht, Band 1, 9 Auflage 1974, blz. 434. Er is thans een wetsvoorstel bij de Bundestag ingediend (Entwurf eines Verwaltungsverfahrengesetzes) waarbij onder meer het op dit gebied geldende recht moet worden vastgelegd.
Wellicht belangrijker dan een vergelijking van het recht der Lid-Staten op dit punt is een beschouwing van de betrokken beslissingen van Uw Hof. Hierin wordt door Uw Hof de Franse regel constant verworpen.
Het duidelijkste en meest categorische voorbeeld is wel te vinden in zaak 37-72 Marcato/Commissie (Jurispr. 1973, blz. 361). In die zaak betwistte verzoeker een aankondiging van vergelijkend onderzoek van de Commissie op grond dat hierin niet — zoals destijds ingevolge het Statuut vereist was — een leeftijdsgrens voor de sollicitanten was gesteld. De Commissie betoogde onder meer dat hij dit bijzonder punt niet kon aanvoeren omdat de vaststelling van een leeftijdsgrens voor hem in feite niet van nut had kunnen zijn. Hierover zei advocaat-generaal Mayras, uitgaande van het Franse recht, het volgende (Jurispr. 1973, blz. 374):
„Ik meen dat deze redenering afstuit op een principieel bezwaar: Het procesbelang ten deze, dat wil zeggen het belang de nietigverklaring van een bestuurshandeling te vragen, kan slechts aan de hand van de conclusies van het verzoekschrift en niet van de ingeroepen middelen worden beoordeeld. Een niet tot deelneming aan het vergelijkend onderzoek toegelaten kandidaat heeft er ontegenzeglijk belang bij tegen de gang van zaken tijdens dat onderzoek op te komen wanneer hij meent wederrechtelijk te zijn gepasseerd. Het gaat niet aan hem bij het inroepen van om het even welk middel dat de naleving der voorschriften betreft de pas af te snijden, waar het er hem met zijn beroep juist om begonnen is gedaan te krijgen dat de voorschriften worden geëerbiedigd; en het is de taak van de rechter die eerbiediging te verzekeren.”
Doch de Tweede Kamer van het Hof verwierp deze opvatting en overwoog (Jurispr. 1973, blz. 368):
„dat een leeftijdsgrens er slechts toe had kunnen leiden dat hetzij verzoeker zelf van deelneming aan het vergelijkend onderzoek zou worden uitgeschakeld — hetgeen rechtstreeks met zijn belang in strijd zou zijn geweest — hetzij andere kandidaten die wellicht ook aan de eisen voldeden zouden worden uitgeschakeld — hetgeen niet als een wettig belang van verzoeker kan worden aangemerkt.”
De Eerste Kamer besliste in tenminste vier zaken in gelijke zin. In zaak 35-64, Alfieri/Parlement (Jurispr. 1965, blz. 335) overwoog de Kamer onder andere dat een verzoeker niet kon klagen over de vorm van een aankondiging van een vergelijkend onderzoek, wanneer uit zijn deelname aan het vergelijkend onderzoek bleek dat de aankondiging te zijnen aanzien haar doel had bereikt. In zaak 115-73, Serio/Commissie (Jurispr. 1974, blz. 349) heet het dat een verzoeker niet kon klagen over de omstandigheid dat na een vergelijkend onderzoek op de grondslag van zowel schriftelijke bewijsstukken als een examen, enkele dezer bewijsstukken niet aan het tot aanstelling bevoegde gezag waren voorgelegd, waar gezien de examenresultaten niet bleek dat de door verzoeker overgelegde bewijsstukken zodanig waren dat zij de doorslag in zijn voordeel zouden hebben gegeven. ín zaak 144-73, De Vleeschauwer/Commissie (Jurispr. 1974, blz. 986) klaagde verzoeker over de toevoeging van een nieuw keuzeonderwerp in een vergelijkend onderzoek, na de aankondiging hiervan. De Kamer besliste dat over de te late toevoeging van een nieuw keuze-onderwerp alleen kon worden geklaagd door degenen die dat onderwerp hadden gekozen, hetgeen met verzoeker niet het geval was. Tenslotte overwoog de Kamer in zaak 29-74, De Dapper/Parlement (Jurispr. 1975, blz. 40) dat verzoeker de betrokken bevorderingen niet kon betwisten op grond dat zij in de verkeerde rang hadden plaatsgevonden; alleen zij, die daardoor hadden kunnen zijn geschaad, namelijk de bevorderde ambtenaren zelf, konden dit doen.
Ik kom dan ook tot de conclusie dat verzoekster in casu niet als eventuele onrechtmatigheid kan aanvoeren, dat de Commissie geen tijdsruimte heeft gelaten tussen de bekendmaking van de vacatures aan het personeel en de aankondiging van het vergelijkend onderzoek. Een dergelijke onregelmatigheid kon haar niet raken. Ik concludeer derhalve dat haar eerste grief faalt.
Bij verzoeksters tweede grief zal ik niet zolang stilstaan. Deze grief houdt in dat de Commissie in strijd handelde met artikel 5 van het Ambtenarenstatuut door een enkel vergelijkend onderzoek te houden voor ambten in twee verschillende rangen, namelijk secretariaatsassistent en adjunct-secretariaatsassistent.
Zoals de Commissie opmerkt houdt niets in artikel 5 uitdrukkelijk verband met dit punt, maar de in dit artikel gemaakte indeling van de ambten die onder het Statuut vallen in categorieën en diensten naargelang van de aard en het niveau van de werkzaamheden waarmee zij overeenkomen, alsmede de bepalingen waarin de overgang van de ene categorie of dienst naar een andere zonder vergelijkend onderzoek is verboden, houden mijns inziens noodzakelijkerwijze in — en de Commissie geeft dit toe — dat voor ambten in verschillende categorieën of diensten niet een enkel vergelijkend onderzoek kan worden gehouden. Bovendien zijn er in bepaalde categorieën ambten die zo verschillend zijn omschreven dat het niet zou aangaan een enkel onderzoek daarvoor te houden. Loopbaan B 5 - B 4 omvat bijvoorbeeld de standaardfuncties „adjunct-assistent”, „adjunct-technisch assistent” en „adjunct-secretariaatsassistent”. De hiervoor vereiste opleiding en ervaring zijn uiteraard niet hetzelfde en het zou geen pas geven een enkel vergelijkend onderzoek te houden voor alle of voor telkens twee dezer standaardfuncties.
Hier ging het echter om twee groepen ambten van dezelfde soort die alleen verschilden in de mate van de daaraan verbonden verantwoordelijkheid. Dit blijkt duidelijk uit de omschrijving in de aankondiging van vergelijkend onderzoek van de aard der betrokken werkzaamheden:
„Secretariaatsassistent
Uitvoerend ambtenaar die in een administratieve eenheid of een groep ambtenaren aan de hand van algemene richtlijnen met moeilijke en ingewikkelde secretariaatswerkzaamheden zal worden belast.
Adjunct-secretariaatsassistent
Uitvoerend ambtenaar die onder toezicht in een administratieve eenheid of een groep ambtenaren moeilijke en ingewikkelde secretariaatswerkzaamheden zal verrichten.”
Het verschil was dus alleen dat een secretariaatsassistent „aan de hand van algemene richtlijnen” met de betrokken werkzaamheden „zou worden belast”, terwijl een adjunct-secretariaatsassistent deze „onder toezicht” zou moeten gaan „verrichten”. Zodoende was het dunkt mij niet alleen rechtmatig maar getuigde het van gezond verstand om voor de twee groepen ambten slechts één vergelijkend onderzoek te houden en de kandidaten met de hoogste puntenwaardering voor de assistent-posten en de daarop volgende kandidaten voor de adjunct-posten te kiezen.
Verzoeksters derde grief is in het kort dat, hoewel het ging om een onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en een examen, het zo was opgezet en uitgevoerd dat aan het examen teveel, en aan de onderscheiden schriftelijke bewijsstukken der sollicitanten te weinig belang was gehecht. In wezen werd met de laatste slechts in twee stadia rekening gehouden, eerstens voor de bepaling welke sollicitanten aan het onderzoek konden deelnemen, en vervolgens in het eindstadium toen extra punten voor de duur der beroepservaring werden toegekend aan hen die voor de verplichte gedeelten tenminste 50 punten hadden behaald. Het gevolg was, zo betoogde verzoekster, dat de eigenlijke opzet van de hele operatie, namelijk secretaresses aan de top van categorie C in staat te stellen hun loopbaan „voort te zetten” in categorie B, werd verijdeld.
In dit verband doet verzoekster, steunend op wat de heer Coppé in zijn Mededeling aan het personeel van 6 juni 1972 had gezegd, een beroep op het adagium „patere legem quam ipse fecisti”. Teneinde haar stelling te kunnen staven vraagt zij het Hof de Commissie te gelasten alle notulen en andere documenten te produceren die tot de aankondiging van het vergelijkend onderzoek hebben geleid.
Dit alles lijkt mij volkomen onjuist te zijn.
De Eerste Kamer besliste in de zaken 112, 144 en 145-73, Campogrande en anderen/Commissie (Jurispr. 1974, blz. 982) dat het besluit zijn definitieve rechtsvorm krijgt in de aankondiging van vergelijkend onderzoek. Eerdere beraadslagingen van het bevoegde gezag, zoals weergegeven in de notulen en dergelijke, kunnen niet worden aangewend om de inhoud van die aankondiging te kwalificeren, tenzij daaruit blijkt dat de tekst der aankondiging kennelijk geen uitvoering gaf aan het feitelijke besluit. In casu kunt U volgens mij om twee redenen niet gelasten de notulen en andere documenten over te leggen. Ten eerste wijst niets erop dat de aankondiging van het vergelijkend onderzoek niet nauwkeurig het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag weergaf: de heer Coppé zei slechts dat de wijzigingen van het Statuut het onder bepaalde voorwaarden mogelijk maakten, de loopbaan van secretaresses door te trekken in categorie B. Ten tweede, indien het doel van het onderzoek alleen was geweest de loopbanen van secretaresses aan de top van categorie C aldus te verlengen, zou het onrechtmatig zijn geweest. Dan zou in strijd gehandeld zijn met artikel 7 van het Statuut waarin wordt bepaald dat het tot aanstelling bevoegde gezag de ambtenaar uitsluitend in het belang van de dienst overeenkomstig zijn rang tewerkstelt, en met artikel 27, dat voorschrift dat de aanwerving er onder meer op gericht moet zijn, de instelling de medewerking te verzekeren van ambtenaren die uit een oogpunt van bekwaamheid en prestatievermogen aan de hoogste eisen voldoen. Het betrokken vergelijkend onderzoek lijkt mij echter uitstekend te beantwoorden aan het doel om uit het enorme aantal secretaresses van de Commissie diegenen aan te wijzen wier bekwaamheid en ervaring hen het meest geschikt maakten voor de vacatures. De gedetailleerde kritiek van verzoekster betreffende de condities van dit onderzoek is door de Commissie in haar opmerkingen uitvoerig beantwoord. Ik geloof niet dat ik deze kritiek punt voor punt behoef te behandelen. Alle punten van kritiek komen volgens mij voort uit de door mij genoemde onjuiste opvatting betreffende het doel van het vergelijkend onderzoek. Bovendien wordt over het hoofd gezien dat het tot aanstelling bevoegde gezag bij het vaststellen van de voorwaarden voor een vergelijkend onderzoek, een ruime discretionaire bevoegdheid heeft, waarvan de uitoefening door Uw Hof alleen op specifieke rechtmatigheid kan worden getoetst.
Verzoeksters vierde grief is dat de voorzitter van de jury, hoewel ambtenaar bij zijn benoeming in deze functie, met pensioen was gegaan toen de jury aan het werk toog.
In het verzoekschrift werd dit punt zeer vaag geadstrueerd en werd louter betoogd dat er sprake was van onverenigbaarheid met de geest van het Statuut en met de wijze waarop dit in het algemeen was toegepast De Commissie vond dan ook dat terzake van dit punt moeilijk viel te pleiten en betoogde in haar verweerschrift dat het niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens schending van artikel 38 van 's Hofs Reglement voor de procesvoering. In repliek trad verzoekster echter meer in detail. Zij betoogde dat artikel 3 van bijlage III bij het Statuut tot de conclusie leidde dat de leden van de jury alleen abtenaar moeten zijn.
Ik geloof niet dat dit zo is.
Artikel 3 luidt als volgt:
„De jury bestaat uit een voorzitter, één of meer door het tot aanstelling bevoegde gezag aangewezen personen en een door het personeelscomité aangewezen ambtenaar.
Voor bepaalde examens kan de jury zich doen bijstaan door één of meer bijzitters, die een raadgevende stem hebben.
De uit de ambtenaren gekozen juryleden dienen tenminste dezelfde rang te hebben als aan het te bekleden ambt is verbonden.”
In de Engelse tekst van dit artikel schuilt een dubbelzinnigheid. De eerste alinea suggereert dat terwijl het door het personeelscomité aangewezen lid een ambtenaar moet zijn, de door het tot aanstelling bevoegde gezag aan te wijzen voorzitter en andere leden geen ambtenaar behoeven te zijn. Volgens de derde alinea is het echter alsof alle leden van de jury uit de ambtenaren moeten worden gekozen.
Deze dubbelzinnigheid bestaat echter alleen in de Engelse tekst. De Franse versie van de derde alinea luidt als volgt:
„Les membres du jury, choisis parmi les fonctionnaires, doivent être d'un grade au moins égal à celui de l'emploi à pourvoir.”
De vier andere versies komen met de Franse overeen. Het is dan ook duidelijk dat in de derde alinea slechts wordt bepaald dat de juryleden die ambtenaar zijn ten minste dezelfde rang dienen te hebben als aan het te bekleden ambt is verbonden, niet dat de door het tot aanstelling bevoegde gezag gekozen voorzitter en leden ambtenaar moeten zijn.
Ik concludeer dat verzoeksters vierde grief faalt.
Haar vijfde en zesde grief zou ik tezamen willen behandelen, omdat hierin kritiek wordt geleverd op de wijze waarop het praktijkgedeelte van het vergelijkend onderzoek was opgezet en werd uitgevoerd.
Hierop kan mij dunkt kort worden geantwoord, — zoals de Commissie opmerkt —, dat de punten van kritiek wat verzoekster betreft irrelevant zijn, omdat zij voor dat gedeelte slaagde. Zij zakte voor het schriftelijk gedeelte waarop zij geen kritiek heeft. In repliek trachtte zij een oplossing te vinden door te zeggen dat indien het praktijkgedeelte anders was geweest, zij daarvoor een hogere puntenwaardering had kunnen behalen. Dit is wel zo, maar dat neemt niet weg dat zij voor het schriftelijk gedeelte is gezakt en daardoor werd uitgesloten van de rest van het vergelijkend onderzoek.
Om echter eerlijk te blijven tegenover de Commissie en de jury wil ik nog zeggen dat verzoeksters kritiek op het praktijkgedeelte mijns inziens ongegrond is.
Ik behoef U het examen niet te omschrijven, want een kopie van de opgaven is als bewijs overgelegd (bijlage 7 bij het verweerschrift). Persoonlijk ben ik van mening dat het examen goed was opgezet. Anderen vinden wellicht dat iets anders beter was geweest. Maar dat doet hier niet ter zake. De jury moest over de vorm van de test beslissen en niemand kan beweren dat de vorm die zij in de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid heeft gekozen, kennelijk zo oneerlijk of ongepast was dat Uw Hof het vergelijkend onderzoek moet nietigverklaren.
Ook hier ligt aan verzoeksters aanmerkingen de door mij reeds genoemde fundamentele misvatting over het doel van het onderzoek ten grondslag. Dit wordt geïllustreerd door het feit dat zij uitdrukkelijk als kritiek aanvoert dat van de 40 sollicitanten die een der beschikbare ambten in de rang B 3 hadden bemachtigd, slechts 21 tot dan toe de rang C 1 hadden, terwijl er 10 uit de rang C 2 en 9 uit de rang C 3 kwamen. Hierover zegt zij (verzoekschrift, blz. 11):
„…hetgeen eens te meer aantoont dat er slechts in zeer geringe mate kon worden tegemoetgekomen aan de rechtmatige 'eisen van de ambtenaren, die evenals verzoekster, de hoogste rang van de categorie hadden en wier loopbaan dus was geblokkeerd, meestal ook wat betreft de mogelijkheden van een hogere salaristrap.”
Het behoeft geen betoog dat een ambtenaar die de hoogste trap in een bepaalde loopbaan heeft bereikt niet ipso facto recht heeft op bevordering naar een hogere loopbaan. Of hij of zij een dergelijk recht heeft, hangt af van de mate waarin zijn of haar verdiensten in vergelijking met die van anderen passen bij de behoeften van de dienst. Dit is precies wat uit het betrokken vergelijkend onderzoek naar voren moest komen.
Voorts heeft verzoekster kritiek op het feit dat de jury voor het samenstellen van het praktijkgedeelte een particulier arbeidsbureau heeft ingeschakeld en deze firma heeft toegestaan de resultaten per computer te berekenen. Ik zie niet in dat hierin iets onrechtmatigs schuilt, mits natuurlijk de jury zelf de eindcontrole over de procedure behield.
De betrokken Franse firma schijnt van de examenopgaven een zo slechte Duitse vertaling te hebben gemaakt dat het examen voor de Duitssprekende sollicitanten moest worden herhaald. Dit was natuurlijk vervelend, maar het kan geen grond vormen voor een klacht van verzoekster. Zij stuurt daarop dan ook niet aan. Voor zover ik begrijp voert zij het incident alleen aan tot staving van haar stelling dat een particuliere onderneming helemaal niet had moeten worden ingeschakeld. Dit gaat echter te ver.
In verband met haar vijfde en zesde grief herhaalt verzoekster haar verzoek aan het Hof de overlegging te gelasten van de notulen en andere documenten van de Commissie en zij vraagt daarbij tevens te gelasten de stukken van de jury over te leggen. Om voor de hand liggende redenen geloof ik niet dat het enig nut heeft aan deze verzoeken gevolg te geven. Ik hoop echter dat men mij niet onbeleefd vindt jegens verzoeksters raadsman indien ik ervan afzie wederom de omstandigheden te bespreken waarin het Hof kan gelasten bewijzen over de werkwijze van een jury over te leggen.
Hiermee zijn mijns inziens verzoeksters beweringen weerlegd. Ik moet echter nog ingaan op een door verzoekster niet aangevoerd punt, dat mij heeft dwarsgezeten. Dit heeft niet betrekking op de voorwaarden of de uitvoering van het vergelijkend onderzoek zelf, maar op de daarop gevolgde benoemingen door de Commissie.
Men zou hebben verwacht dat de Commissie, toen zij van de Raad toestemming had gekregen 80 posten van de categorie C van haar personeel om te zetten in posten van categorie B, uitdrukkelijk op grond dat een deel der secretaresses werkzaamheden op B-niveau verrichtte, had getracht de 80 posten waarvan de werkzaamheden het meest rechtvaardigden dat zij door ambtenaren van categorie B werden bekleed, te identificeren en daarna de 80 kandidaten had benoemd die waren geslaagd voor het vergelijkend onderzoek voor deze posten.
De Commissie schijnt dit echter niet te hebben gedaan, maar slechts de door de geslaagde kandidaten beklede ambten te hebben omgezet in B-ambten. De omzetting van een ambt in een B-amt hing derhalve niet af van de aard der daaraan verbonden werkzaamheden, maar van de bekwaamheid van degene die het ambt bekleedde. Ik betwijfel ten zeerste of dit rechtmatig was.
Het gaat hier over de wettigheid van een handeling uit een oogpunt van openbaar belang en deze kan mijns inziens dan ook door Uw Hof ambtshalve worden getoetst, afgezien van het feit dat zulks verzoeksters belangen niet raakt. Wij hebben hierover echter de Commissie niet gehoord en U zult dan zeker de partijen nogmaals moeten oproepen om te pleiten en wellicht bewijs te doen overleggen. Ik stel liever niet voor dat U dat nog in dit stadium van de procedure moet doen. Ik geef U alleen in overweging dat, zo U mijn twijfels deelt, Uw arrest hier aan uitdrukking geeft, als waarschuwing voor toekomstige zaken.
Ik concludeer derhalve tot verwerping van het beroep, waarbij elk der partijen haar eigen kosten zal hebben te dragen.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy